Rogier De Langhe (foto: UGent)
Opinie, Nieuws, Samenleving, België, Ugent, Wetenschapsfilosofen, Rogier De Langhe -

Over de maatschappelijke rol van de wetenschapsfilosoof

De afgelopen weken hebben wetenschapsfilosofen zich op wetenschapsfilosofische gronden uitgesproken tegen de psychoanalyse. Dit riep vele vragen op, in de eerste plaats over de rol van de wetenschapsfilosoof zelf. Kan deze zich opwerpen als neutrale scheidsrechter in academische debatten in vakgebieden waar die zelf niet toe behoort, vraagt dr. Rogier De Langhe zich af.

woensdag 28 december 2011 14:35

Hoe kan de wetenschapsfilosoof iets weten dat wetenschappers zelf nog niet weten? Heeft de wetenschapsfilosoof dan op een of andere manier geprivilegieerde toegang tot de standaarden van de kennis? Vooraleer we op wetenschapsfilosofische gronden hele vakgroepen gaan sluiten, moeten we daarom eerst nagaan op basis waarvan deze wetenschapsfilosofen zich deze absolute (want perspectief-overstijgende) autoriteit toe-eigenen.

De rol van wetenschapsfilosoof als scheidsrechter staat of valt met de gronden waarop die wetenschapsfilosoof zijn claims over wat wetenschap is baseert. Dat iemand lang over iets heeft nagedacht en daar misschien zelfs een doctoraat over heeft geschreven, is natuurlijk nog geen voldoende grond om deze autoriteit toe te kennen. Mogelijke funderingen voor deze autoriteit zijn doorheen de geschiedenis van de wetenschapsfilosofie uitgebreid geëxploreerd.

Ten eerste kan men die autoriteit proberen claimen op puur formele gronden. Dit project is ergens halverwege vorige eeuw beginnen stranden. De meeste filosofen hebben bijvoorbeeld de zoektocht naar een logica van de inductie opgegeven. Misschien bestaat er dus wel zoiets als een logica van de inductie, maar tot nader order hebben we die nog niet gevonden dus kan men er ook geen oordelen op baseren.

Logica kan natuurlijk wel nuttig zijn, bijvoorbeeld in het blootleggen van drogredeneringen. Maar de wetenschappelijke praktijk bestaat uit meer dan redeneringen alleen en de logica bleek (tot dusver) niet in staat om alle dimensies van dat complexe fenomeen te vatten tot op het niveau dat nodig zou zijn voor bijvoorbeeld de demarcatie tussen wetenschap en pseudowetenschap.

Een andere manier om de rol van wetenschapsfilosoof als scheidsrechter te legitimeren, is op basis van de wetenschapsgeschiedenis. De wetenschapsfilosoof kan pogen uit voorbeelden van succesvolle wetenschap (Newton, Darwin, Einstein,…) de kenmerken te distilleren van goede wetenschap. Na de teloorgang van de puur formele benadering zijn wetenschapsfilosofen zich daarom meer gaan toespitsen op concrete gevalsstudies van wetenschappelijke praktijken.

De variabiliteit van die wetenschappelijke praktijken bleek echter zo groot dat het erg moeilijk werd om vast te houden aan het eenvormige beeld van wetenschap dat tot dan toe dominant was geweest. De spelregels van wetenschap bleken onderhevig te zijn aan dat wetenschappelijk onderzoek zelf. Ook is niet duidelijk in welke mate aan deze spelregels uit het verleden een normatieve kracht kan worden toegekend.

Zullen de regels die in het verleden tot succesvolle nieuwe resultaten leidden dat ook in de toekomst doen? We weten immers nog niet hoe die toekomstige succesvolle resultaten er zullen uitzien. Deze onzekerheid zou ertoe moeten aanzetten om het risico te spreiden. Eerder dan een grond voor demarcatie leidt deze historische weg dus eerder naar argumenten voor intellectuele openheid en diversiteit.

Een derde weg is om te vertrekken vanuit de huidige wetenschappelijke praktijken. Die zijn immers het verst gevorderd, zou je kunnen zeggen, en belichamen daarmee de meest geavanceerde methodologische spelregels. Maar de spelregels die wetenschappelijke praktijken reguleren, blijken niet alleen variabel doorheen de tijd maar ook over wetenschappelijke disciplines heen op een gegeven moment. En zelfs mocht daar toch een set van spelregels uit kunnen worden gedistilleerd, dan nog zou het onwenselijk zijn om die spelregels strikt op te leggen aan toekomstig onderzoek.

Er zijn genoeg voorbeelden van grote sprongen in wetenschappelijke vooruitgang die alleen maar mogelijk waren doordat wetenschappers de geldende spelregels net doorbraken. Denk aan Newton die de toen geldende mechanistische consensus doorbrak door de mogelijkheid van actio in distans te vooronderstellen, of Einsteins gebruik van gedachtenexperimenten. Wetenschapsfilosofen die vasthielden aan een gegeven set van spelregels zijn daarom paradoxaal genoeg soms net conservatieve krachten die wetenschappelijke vooruitgang afremmen.

Alhoewel wetenschapsfilosofen kosten noch moeite spaarden om zichzelf de rol van scheidsrechter te kunnen aanmeten, leidde de zoektocht naar een sterk fundament daarvoor dus steevast tot ontgoocheling. Dat betekent nog niet dat dit project definitief heeft gefaald, maar wel dat diegene die zich die rol alsnog wil toe-eigenen over buitengewoon sterke argumenten moet beschikken.

Immers, ook hier geldt de basisstelling van het ‘scepticisme’, onlangs nog in herinnering gebracht door Etienne Vermeersch zelf: “hoe meer onwaarschijnlijk een uitspraak is, op basis van de betrouwbare kennis die we bezitten, des te meer verpletterend moet het bewijsmateriaal voor die uitspraak zijn.” [3]

Zelfs op basis van hun eigen standaarden is het daarom bijzonder problematisch dat bovenvermelde wetenschapsfilosofen zich alsnog deze rol van scheidsrechter als vanzelfsprekend toe-eigenen. Zijn ze te kwader trouw? Hebben zij een gebrekkige kennis van het vakgebied?

Een interessantere mogelijke verklaring is het fenomeen van de echokamer, waarbij kleine geïsoleerde groepen elkaars opinies voortdurend versterken en zo collectief overtuigd raken dat hun perspectief het enig mogelijke is. Wanneer men geen alternatief percipieert, is het begrijpelijk dat men vasthoudt aan een oud project, want het is beter dan niets. De rol die ze zichzelf aanmeten, is dus mogelijk een vlucht vooruit, weg van de horror vacui van de wetenschapsfilosoof. Want als die geen scheidsrechter meer kan zijn, waarom bestaat die dan nog?

Dit brengt ons terug bij de centrale vraag: wat kan vandaag nog de rol van de wetenschapsfilosoof zijn? Indien de wetenschapsfilosoof geen extern perspectief meer kan claimen van waaruit specifieke bijdragen kunnen worden gesanctioneerd, dan verliest die zijn geprivilegieerde positie.

Vakspecialisten zullen dan zelf immers altijd beter geplaatst zijn om andere vakspecialisten te sanctioneren. Niettemin bewijst de huidige wetenschapsfilosofische praktijk dat er over wetenschap ook vandaag nog een algemeen verhaal te vertellen valt, maar dan wel vanuit een gewijzigde opstelling. In plaats van wetenschappelijke praktijken te sanctioneren op basis van een a priori vastgelegd beeld van wat wetenschap zou moeten zijn, kan men zich openstellen voor de diversiteit van wetenschappelijke praktijken, hun dynamiek proberen begrijpen en in samenspraak met wetenschappers zelf hun werking proberen te stroomlijnen.

Een mooi voorbeeld daarvan is de recente literatuur over de arbeidsverdeling in wetenschap. Veeleer dan wetenschap te gaan micro-managen, probeert men de institutionele omgeving van wetenschappers in kaart te brengen en gaat men na, bijvoorbeeld aan de hand van inzichten uit de economie en de biologie, welke beloningsstructuren op de meest efficiënte manier nieuwe kennis kunnen genereren.

Net zoals de economie zich niet uitspreekt over welke producten producenten moeten produceren, zo doen deze filosofen geen uitspraken over de aard van de geproduceerde kennis, maar stellen ze zich tevreden met onderzoek naar de organisatie ervan. Niettemin behouden ze de mogelijkheid om normatieve uitspraken te doen – bijvoorbeeld over wetenschapsbeleid – net zoals de econoom op basis van efficiëntie-overwegingen kan pleiten voor het vrijmaken van markten.

In tegenstelling tot het negatieve normatieve project dat zich met termen als ‘pseudowetenschap’ boven de wetenschap plaatst en wetenschappers sanctioneert, is deze opstelling (die kenmerkend is voor veel hedendaagse wetenschapsfilosofen!) een positief project waarin de wetenschapsfilosoof in samenspraak met wetenschappers zelf op een constructieve manier nadenkt over het complexe fenomeen dat wetenschap is.

Rogier De Langhe

Rogier De Langhe is als wetenschapsfilosoof verbonden aan de vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap van de UGent en het departement Filosofie van de Universiteit van Tilburg.

[1] Maarten Boudry, Pseudo-wetenschap aan de universiteit, De Standaard, 13 december 2011
http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=VD3JEM7L&

[2] Griet Vandermassen, Pseudowetenschap in academia, De Geus, september 2011, pp. 13-6

[3] Etienne Vermeersch, Etienne Vermeersch over pseudowetenschappen, DeWereldMorgen.be, 20 december 2011
https://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/12/20/etienne-vermeersch-over-pseudowetenschappen

[4] Robrecht Vanderbeeken, Hoed u voor de zelfverklaarde wetenschapsfilosoof, DeWereldMorgen.be, 30 november 2011
https://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/11/30/hoed-u-voor-de-zelfverklaarde-wetenschapsfilosoof

[5] Marc De Kesel, Duivelse Dwalingen, De Standaard, 15 december 2011
http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=9F3JI333

[6] Robrecht Vanderbeeken, Het ideologisch vacuüm van een bepaald soort wetenschapsfilosofie, DeWereldMorgen.be, 21 december 2011 https://www.dewereldmorgen.be/blogs/robrecht-vanderbeeken/2011/12/21/het-ideologische-vacuuem-van-een-bepaald-soort-wetenschapsfil

[7] Mathieu Beirlaen et al., Aan wie het aanbelangt [Over wetenschap en wetenschap], DeWereldMorgen.be, 27 december 2011 https://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/12/27/aan-wie-het-aanbelangt-over-wetenschap-wetenschap

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!