Hoe vrij is het academisch onderzoek?
Nieuws, Wereld, Samenleving, België, Universiteit - Erik Swyngedouw

Hoe vrij is het academisch onderzoek?

Maandagavond gaan rector Mark Waer van de KU Leuven en professor Erik Swyngedouw van de universiteit van Manchester een gesprek aan over de moeilijke relatie tussen de wetenschap en de maatschappij. Zij doen dat in de eerste ONGEHOORD lezing. Prof. Swyngedouw is zo vriendelijk zijn tekst al klaar te hebben, en geeft hierbij alvast de digitale aftrap van deze belangrijke maatschappelijke discussie

zondag 27 november 2011 21:21

Wil u er maandagavond bij zijn, klik hier voor meer info en inschrijven

Wetenschappers als lakeien van de prins: de onmogelijke vrijheid

Wetenschappelijke of intellectuele arbeid als relatief autonome en gespecialiseerde activiteit in de maatschappelijke arbeidsverdeling is uiteraard niet nieuw, maar doorheen de geschiedenis heeft wetenschappelijk werk een min of meer ambivalente relatie gekend met de andere maatschappelijke en politieke activiteiten waarvan ze deel uitmaakte. Doorgaans waren wetenschappers ofwel de lakeien ofwel de intelligente hofnarren van de heersende machtsrelaties. In de mate dat sociale, politieke en economische machtsverhoudingen verschoven, verplaatste zich ook de aard, de inhoud en definitie van wat als wetenschappelijke activiteit geldt.

Druïden, Shamanen, medicijnmannen en andere hogepriesters – intellectuelen avant-la-lettre – waren ofwel dragers van sociale en politieke macht of zeer nauw betrokken bij de machtsuitoefening in de samenlevingen waar ze deel van uitmaakten.
In het imperiale China of Ottomaanse rijk – samenlevingen die voor het eerst een kaste of gilde van wetenschappers in de moderne betekenis voortbrachten – speelden kennis van de fysica, chemie, werktuigkunde, wiskunde, boekhouding, literatuur, etc… een essentiële rol in de organisatie van de imperiale samenleving en de reproductie van de autoritaire staatsstructuur.
Magiërs en alchimisten – wie hield als kleine jongen niet van Merlijn de Tovenaar – maakten steevast deel uit van de elitehofhouding aan de feodale Huizen tijdens de Europese Middeleeuwen.
De Kerk en haar wetenschappers droeg zorg voor de intellectuele onderbouwing van de heersende kosmologie – een ‘epistemic community’ dat geen dissidentie tolereerde.

Zolang de intellectueel/wetenschapper zowel de kosmologie als het praktisch functioneren van de bestaande orde mee gestalte gaf (of minstens niet in vraag stelde) was Hij (altijd hij) een gerespecteerd, zij het ondergeschikt, lid van de machtsconfiguraties. Wanneer vragen te pertinent werden, en vele wetenschappers waren dissident, was hen meestal een ander lot beschoren – denk maar aan Socrates of Galileo Galilei.

Vanaf de renaissance/verlichting en vooral de ontwikkeling van de moderne staat en de seculier-burgerlijke samenleving wordt de rol van wetenschap en wetenschapper als drager of lakei van de macht meer en meer in vraag gesteld en ontwikkelen zich complexe institutionele configuraties die trachten de relatie tussen macht en wetenschappelijk onderzoek te erkennen en te onderhandelen – zonder echter ooit die relatie te breken.

Het is dan ook vanaf die periode dat de discussie over en het zoeken naar een praktijk van vrij academisch onderzoek pertinent wordt en voortdurend opnieuw aan de orde komt. Het lijkt me dan ook evident om deze twee termen (vrijheid en academische activiteit) even nader te bekijken.

Vrij Academisch Onderzoek in de Moderniteit?

Vrij om of vrij van wat? Een dubbele vrijheid

De populaire betekenis van vrijheid – en die in een vermarkte neoliberale samenleving vrijwel hegemonisch is – verwijst vooral naar ‘keuze’vrijheid.

Vertaald naar wetenschappelijke vrijheid, betekent dit dat de wetenschapper, gebruik makend van en gebaseerd op zijn of haar wetenschappelijke inzichten (en rekening houdend – maar niet slaafs volgend – met vigerende ethische en wettelijke richtlijnen) academisch vrij kan beslissen welke onderzoeksvragen gesteld worden, welke onderzoeksdaden verricht worden en welk epistemologisch en ontologisch kader gehanteerd wordt. En dit los van bestaande machtsverhoudingen, dominante sociale eisen en verwachtingen.

De vrijheid OM dit te doen vereist echter ook vrij te zijn van materiële noden, maatschappelijke machtsrelaties, heersende kosmologieën en tijdelijk aanvaarde waarheden of dogma’s. Of met andere woorden, academisch vrijheid bestaat niet zonder vrij te zijn van God of Gebod.

Zelden wordt de inhoud van en institutionele configuratie nodig voor dit laatste soort vrijheid voldoende belicht. In eerste instantie gaat het hier om een vrijheid van bekommernis om te overleven op een sociaal-aanvaardbaar niveau. Zoals het spreekwoord ‘wiens brood met eet, diens woord men spreekt’ stelt, het institutioneel-maatschappelijk onafhankelijk maken van de wetenschapper van economische afhankelijkheid is een sine qua non voor vrij academisch onderzoek.

Vandaar dat de eerste moderne wetenschappers begaan waren met economische onafhankelijkheid en de eerste wetenschappelijke instellingen hun wetenschappers ‘tenure’ aanboden. Dit wordt vandaag doorgaans vertaald als ‘een vaste job’, een term die tegenwoordig een negatieve en in Europa een overheidsgebonden connotatie heeft. In de VS, bijvoorbeeld, is dat niet zo. Ook ‘senior’ leden van een privé universiteit hebben ‘tenure’. Het is slechts in een context van materiële onafhankelijkheid dat de mogelijkheid bestaat om tevens de dominante kosmologieën, waarheden en aanvaarde dogma’s – die steeds gedragen worden door de heersende machtsrelaties – in vraag kunnen gesteld worden en herbekeken worden. Vrij onderzoek is vrij van externe belangen of is niet vrij.

Ook de andere kant van de vrijheidsmunt – de keuzevrijheid – vergt enige aandacht. Academische keuzevrijheid is hoegenaamd noch een individuele keuze uit een gevarieerd marktaanbod noch een vrijheid die te verwant is met wat doorgaans democratische vrijheid genoemd wordt. Met andere woorden, het gaat hier niet om marktvrijheid of om politiekburgerlijke vrijheid. Academische activiteit is een fundamenteel ondemocratische activiteit – het gaat om een uitgesproken en onvermijdelijk autocratische en elitaire activiteit. Of met andere woorden, niet iedereen is een academicus of kan academicus zijn.

Academisch onderzoek als aristocratische maar collectieve activiteit: wetenschappers en ‘their peers’

Een wetenschapper of academicus is slechts hij of zij die door het ‘gilde der academici’ aanvaard wordt als zodanig. Met andere woorden, een wetenschapper wordt slechts wetenschapper in de mate dat het werk dat hij of zij verricht door andere wetenschappers als ‘wetenschappelijk’ bestempeld wordt. Of met andere woorden, wetenschappelijke vrijheid is ingekapseld in de discipline-eigen rituelen en erkenningsprocessen.

Het wetenschappelijke – en daarmee het waarheidsgehalte van wetenschappelijk onderzoek – wordt vermaatschappelijkt door een proces van ‘bearing witness’. Dat betekent het getuigenis geven van het waarheidsgehalte van het uitgevoerde onderzoek. Dit is een uitgesproken elitair en aristocratisch proces. Getuige zijn van of getuigen voor de wetenschappelijke integriteit van een onderzoek (de ‘peer review’ in hedendaags taalgebruik) wordt uitgevoerd door diegenen die maatschappelijk in staat geacht worden getuigenis te leveren.

Steven Shapin and Simon Schaffer analyseren het historisch proces waarbij peer-review de maatschappelijk aanvaarde vorm wordt voor het bevestigen van ‘wetenschappelijke’ waarheidsuitspraken. Wanneer Robert Boyle in het midden van de 17de eeuw zijn luchtpomp ontwikkelde en een vacuum creëerde, nodigde hij respectabele burgers uit in zijn laboratorium om getuige te zijn van de ‘waarheid’ van het experiment. Later wordt dit vervangen door de peer-review waarbij andere wetenschappers getuigenis doen van het wetenschappelijke gehalte van het uitgevoerde onderzoek.

In die zin is wetenschapsbeoefening geenszins democratisch maar noodzakelijkerwijze aristocratisch en elitair. Het is niet de gemeenschap die beslist of wetenschappelijk onderzoek goed of slecht is, maar de ‘peer’ group. Vandaar dat er dan ook steeds een onvermijdelijke spanningsrelatie bestaat tussen de vrijheid van academisch onderzoek en de vrijheid die gepaard gaat met een democratisch sociaalpolitiek systeem. Er is bijgevolg dan ook een moeilijke relatie tussen ‘wetenschappelijk werk’ enerzijds en (democratische) politieke organisatie anderzijds.

Echter, en tegelijkertijd, is wetenschappelijk werk een inherent collectief of gemeenschappelijk proces. Niet alleen bouwt elke wetenschapper op het resultaat van vele generaties voorgangers, het hangt eveneens af van de collectieve inspanningen van de academische gemeenschap waar men deel van uit maakt – kennisproductie is dus een gemeenschappelijk proces en het resultaat is een ‘common resource’. Wetenschappelijke ‘vooruitgang’ kan slechts geschieden door het vergemeenschappelijken (het collectiviseren) van wetenschappelijke output.

Om samen te vatten, terwijl wetenschappelijk werk en de productie van wetenschappelijke kennis een elitair-aristocratische activiteit is, kan deze slechts naar behoren uitgevoerd wordt in een context van dubbele vrijheid: vrijheid om aan onderzoek te doen (maar gesanctioneerd door peers) enerzijds maar ook vrijheid van allerhande vormen van economische, politieke of sociaalculturele afhankelijkheid.

De geschiedenis van de wetenschap is bezaaid met voorbeelden waarbij deze spanningsrelaties niet erkend of onderhouden worden (wetenschappers worden te zeer knechten van opdrachtgevers, politieke machtsverhoudingen, geldschieters en andere mecenassen of dominante kosmologieën en dogma’s) en waarbij voorgaande condities systematisch overtreden worden. Tevens is het zo dat wetenschappers geregeld (en vaak om goede wetenschappelijke redenen) de democratische spelregels overtreden of onderzoek uitvoeren dat geen democratisch politieke draagkracht heeft.

De afgelopen decennia is echter de relatie tussen wetenschappelijk werk en afhankelijkheid van externe krachten toegenomen. Dit heeft vooral negatieve gevolgen gehad voor de academische vrijheid van materiële beslommeringen enerzijds en de relatie tussen onderzoek en samenleving anderzijds. Laten we hiervan een kleine diagnose maken.

De nieuwe afhankelijkheid: van staat naar markt en de nieuwe contradicties van de academische vrijheid

Tot ongeveer midden jaren ’70 was de wetenschap vooral ingebed in een nationaal, vaak zelfs nationalistisch, project. Vooral het Franse model voedde een nauwe band tussen de wetenschappelijke instellingen en het overheidsapparaat, het onderwijs, en de militaire, burgerlijke en elite staatsadministraties. Maar ook in de VS is dat veelal het geval.

Waar tot het begin van de 20ste eeuw een vervlechting van de academische, politieke en economisch wereld bestond, heeft de democratisering van zowel politiek als een grotere toegang tot het wetenschappelijke gilde de nauwe banden tussen sociale en academische elites danig overhoop gehaald. Tegelijkertijd deed de gigantische en door wetenschappelijk onderzoek gevoede technologische verandering de snelheid van kennis- en inzichtverwerving toenemen.

Vanaf het midden van de jaren ’70 – een periode van intense wetenschappelijke kritiek in het zog van Mei 68 enerzijds en ook van een zware economische crisis die vooral op het conto van een te ver doorgedreven staatsinmenging in de economie geschreven werd – gaat de academische wereld, soms nukkig en soms enthousiast maar steeds sneller, het neoliberale credo omarmen, waarbij een marktgerichte prestatiewetenschap in toenemende mate het nieuwe dogma wordt.

Maatschappelijk gesproken wordt het democratische politieke debat en controverse ondergeschikt gemaakt aan de economische krachten en druk van ‘de markt’. De in het verleden vaak verguisde uitspraak van Karel Marx dat de economische basis de bepalende factor is voor de inhoud en organisatie van de ideologische en politieke superstructuur is vandaag een door de elite openlijk beleden waarheid. De ‘markt’ bepaalt de politiek en stuurt het politieke en (in toenemende mate) het wetenschappelijke proces.

Waar tot niet zo lang geleden de grote spanningsrelatie zich bevond in de relatie overheid-wetenschap, is dit vandaag veelal verplaatst naar de relatie wetenschap-markteconomie, waarbij er zonder veel vorm van kritiek vanuit gegaan wordt dat 1) wetenschappelijke innovatie gemeenschappelijk ‘goed’ is en 2) wat goed is voor de (markt)economie wordt verondersteld goed te zijn voor de samenleving en elk van haar leden. De gevolgen hiervan zijn verreikend.

Ten eerste, de globaal kapitalistische kenniseconomie vereist een enorme wetenschappelijke input en constante wetenschappelijke innovatie. Gegeven de aard van de toegepaste wetenschapsbeoefening vergt het onderhouden en zeker het versnellen van dit proces steeds grotere financieringsstromen. De relatieve inkrimping van overheidsinvesteringen in wetenschappelijk onderzoek in vergelijking met privégeldstromen leidt tot een situatie waarbij toegepast wetenschappelijk onderzoek relatief aan belang wint ten opzichte van fundamenteel onderzoek en, belangrijker, privégeldstromen gericht zijn op marktsucces op korte of middellange termijn. Het privé-contractonderzoek is gericht op de vernieuwing of ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten die in een markteconomie kunnen verzilverd worden. Vele departementen theoretische wiskunde of fysica hebben reeds het loodje moeten leggen tot grotere eer en glorie van toegepaste departementen.

Bovendien, gegeven het collectieve karakter van wetenschapsproductie, is vermarkting synoniem van de commodificatie en privé toe-eigening van collectieve goederen en houdt dit proces een gigantische transfer in van collectief kapitaal en gemeenschapsbezit naar privé winst. Dat is niet alleen zo voor de exacte wetenschappen maar geldt nog meer voor de sociale wetenschappen en geesteswetenschappen. De privé toe-eigening van kennis gebeurt via privé publicatiehuizen, terwijl de kennisproductie en de ‘peer-review’ gratis aangereikt worden. Het gaat hier deels om de socialisatie van de kost en de privatisering van de winst. Princeton University heeft onlangs deze diefstal van kennis als gemeenschapsgoed beëindigd. Academici aan Princeton mogen niet langer het copyright van hun werk overdragen aan de privé sector.

Ten tweede, het fundamenteel (en vooral controversieel) onderzoek komt onder steeds grotere wetenschappelijke druk te staan en dit niet alleen financieel. Het door marktresultaat gedreven onderzoek stuurt een dominante wetenschapvisie en betonneert wetenschappelijke paradigma’s. Of met andere woorden, Karl Popper en Thomas Kuhn, eminente grondleggers van het wetenschappelijke denken, worden ten grave gedragen.
De eerste argumenteerde voor een noodzakelijke scepsis in het wetenschappelijk onderzoek. Of met andere woorden, men kan nooit absoluut zeker zijn van de waarheid van wetenschappelijke theorieën. Het is de taak van de wetenschapper om bestaande waarheden systematisch aan falsifiërend onderzoek te onderwerpen. Dit principe is moeilijk te verkopen.
Thomas Kuhn argumenteerde dat wetenschappelijke vooruitgang niet cumulatief is, maar sprongsgewijze, waarbij nieuwe opvattingen voorgaande dominante visies van tafel vegen. De cultivering van experimentele, zoniet revolutionaire, benaderingen is steeds meer uit den boze. De waarheid wordt totalitair eerder dan controversieel, veelsporig en multiple zoals Paul Feyerabend het nog niet zo lang geleden verdedigde.

Ten derde, de sociale en geesteswetenschappen worden meegezogen in deze vermarkting. En hier treedt iets eigenaardigs op. Terwijl sommige aspecten van sociaalwetenschappelijk onderzoek kunnen verpakt worden als marktdienstverlening, is dit voor vele domeinen niet het geval. Een expert in klassieke Griekse filologie of theologie heeft weinig te verkopen. Er wordt daarom een pseudo-markt ingevoerd, waarbij de prestaties van wetenschappers gemeten wordt aan de hand van een reeks indicatoren (publicaties, fondsenwerving, doctoraatsbegeleidingen, etc…). Het is niet ongewoon om outputcriteria op te leggen aan tenure-track aangestelden, echter vaak zonder veel kwaliteitscontrole. Kwantiteit overweegt op kwaliteit. Of met andere woorden, er wordt een topdown stakanovistische managementsstructuur opgelegd die, in de afwezigheid van marktsignalen, een streng gereguleerde pseudo-markt introduceert die gericht is op indicatorenprestaties. Het basisidee is om competitie in te voeren via opgelegde ‘benchmark’ criteria. Het is dit proces dat Michel Foucault lang geleden omschreef als disciplinering, het kooien van de intellectuele vrijheid.

Ten vierde, het onderwijs wordt in dezelfde vermarkting meegesleurd. Een uitgesproken voorbeeld is Groot-Brittanie waar academisch onderwijs in toenemende mate een dienstverlening wordt aan de markt. De sleutelindicator om de performantie van het onderwijs te meten is de ‘student satisfacton survey’. Een goede onderwijsstructuur is diegene waarbij de student tevreden is met het geleverde onderwijs. Dit leidt gemakkelijk tot banalisering, versimpeling, een focus op professionele kennis en ‘grade-inflation’.

Ten vijfde, de vermarkting versterkt de professionalisering van de intellectueel en zijn of haar reductie tot een academicus die les geeft en A1 publicaties aflevert. De moderne positie van de academicus als intellectueel – en hiermee bedoel ik de kritische interventie in een maatschappelijk debat vanuit een bekommernis gedragen door de academische reflectie (zoals dit debat) – wordt hiermee steeds moeilijker zoniet actief ontmoedigd (tenzij als hofnar in populariserende mediaspelletjes).

Ten zesde, het is uiteraard vanzelfsprekend dat geprivatiseerd onderzoek antwoord tracht te vinden op de vragen die door de opdrachtgever gesteld worden en oplossingen voorstelt die passen binnen zowel het epistemisch als het pragmatisch kader van de opdrachtgever. Of met andere woorden, de wetenschap is in toenemende mate gericht op het ondersteunen van een marktgerichte kenniseconomie.
Het probleem is uiteraard dat de samenleving niet bestaat als coherent geheel. Er zijn tal van maatschappelijke opvattingen, ideeën, en projecten. Echter, onderzoekskaders worden in toenemende mate geformuleerd in termen van de noodwendigheden van een gedepersonaliseerde ‘markt’. Dit is niet alleen het geval voor privé contractonderzoek, maar ook voor overheidsonderzoek (regionaal, nationaal, de onderzoeksfondsen, de Europese Unie, de Internationale Instellingen).
Er treedt hierbij een methodologische en epistemologische verarming op waarbij het niet meer langer aan de academicus is om de relevante vragen te stellen maar waar de agenda als het ware opgelegd wordt van buiten uit, een agenda die veelal singulier is, met name het verbeteren van de economische prestaties en het behouden van de bestaande sociale cohesie. Met andere woorden, de wetenschappelijke agenda wordt in toenemende mate bepaald door het maatschappelijk nut gedefinieerd als marktnut: wat goed is voor de markt, is goed voor de gemeenschap. Alternatieve, concurrerende of ronduit kritische perspectieven of de uitbouw van de kennis verworven door andere epistemische gemeenschappen wordt gemarginaliseerd en verzwegen.

Het leidt eveneens tot een verdere versnippering van het academische werk waarbij de effecten van een onderzoekstaak in een domein op ander gerelateerde aspecten niet opgenomen worden. Bijvoorbeeld, GMO onderzoek dat zich technisch richt op de fytosanitaire of productieve verbetering van gewassen vergeet doorgaans het structurele geweld dat volgt wanneer de nieuwe producten opgenomen worden in de sociale en economische relaties in niet-vermarkte traditionele boerengemeenschappen. Verpakt als noodzakelijk element in maatschappelijke vooruitgang wordt doorgaans vergeten dat ‘vooruitgang’ een ronduit ongelijk en voor sommigen gewelddadig proces is.

Dit alles leidt tot een vernauwing van de democratische wetenschapsbeoefening en het ontstaan van een postdemocratische wetenschap. Voor de welmenende academicus komt het erop neer om deels als intellectuele prostitué door het leven te gaan.

Een democratische wetenschap is een moeilijke, trage, en vooral multipele wetenschap waarbij vele stemmen en vragen legitiem zijn. Vandaag stellen we een doorgedreven homogenisering vast van wat de juiste academische houding is.

Tenslotte, maar niet in het minst, gaat de vermarkting van het onderzoek hand in hand met een toenemende ‘precariteit’ van de wetenschappelijke arbeider. Stilaan wordt de ‘tenured’ academicus een minderheid en het aantal wetenschappers die werken in precaire statuten neemt overhand toe. Bijvoorbeeld, tot de jaren zeventig was 70 procent van het academische personeel aan Amerikaanse universiteiten vast benoemd. Vandaag is dat nog zowat 30 procent. Hetzelfde proces is merkbaar in Europa. En hiermee wordt een van de basiscondities voor vrij onderzoek ondergraven, met name de onafhankelijkheid van materiële bekommernis. Wetenschappers in precaire statuten zijn gedwongen om aan continue fondsenwerving te doen om hun activiteiten verder te zetten en moeten zich dus inschrijven in de onderzoeksprogramma’s van onderzoeksgroep, bedrijf en overheden. De gevolgen hiervan zijn een vernauwing van de wetenschappelijk activiteit, een verplicht aanvaarden van opgelegde onderzoeksvragen, een risicovermijdend gedrag van zowel onderzoekers als fondsenverschaffers en een verschraling van het wetenschappelijke terrein. Naarmate vaste benoemingen relatief klein zijn, stelt men ook hier risicovermijdend gedrag vast bij aanstellingen en in het promotiebeleid van vele universiteiten. Risico-onderzoek of kritisch onderzoek met wankele marktperspectieven wordt ronduit ontmoedigd. Tevens leidt dit tot een disciplinering van jongere wetenschappers in precaire statuten. Men loopt in de baantjes van het senior academische gilde in de hoop om een felbegeerde vaste baan te verwerven om dan eindelijk vrij onderzoek te doen. Deze disciplinering neemt vaak griezelig autocratische vormen aan. De disciplinering of het ontegensprekelijk ontslaan van recalcitrante wetenschappers houdt een spiegel voor aan diegenen die er andere ideeën dreigen op na te houden.

Nochtans, en tenslotte, kan de wetenschap niet zonder interne kritiek, dispuut, onenigheid en vaak hoogoplopende rivaliteiten. Ze kan ook niet zonder fundamentele innovatie en het voortdurend stellen van moeilijke of onaangename (althans voor sommigen) vragen en het formuleren van recalcitrante hypothesen die de bestaande kennis destabiliseert. Dat is het zout en peper van de wetenschapsbeoefening, maar dit vergt moedige instellingen die bovendien de slagkracht en determinatie hebben om innoverende instellingen te zijn die de controverse niet schuwen.

Ik stel vast dat in de dans van de academische concurrentie het vaak de tweede of derderangsuniversiteiten zijn die nauw vasthouden aan de dogma’s van de dag en deze verder onderbouwen. De elite-instellingen, die vaak over verregaande financiële autonomie beschikken – het endowment van Harvard University is groter dan het BNP van de helft van de landen in de wereld – zijn dan ook vaak de plaatsen waar dissidente wetenschap gecultiveerd wordt en een plaats geboden krijgt. Oxford en Cambridge lopen over van onorthodoxe academici en intellectuelen. De disciplinering die vaak zichtbaar is aan minder elitaire instellingen, gelegitimeerd door constante verwijzingen naar het Amerikaanse model, verwordt tot een soort superamerikanisme, maar waarin vele Amerikaanse academici zich hoegenaamd niet herkennen. Het gestroomlijnde marktstalinistische indicatorenmanagement en zijn disciplinering is een karakteristiek van de mindere goden in de wetenschapshiërarchie.

Inderdaad, vrije wetenschapsbeoefening vergt wetenschappers die vrij zijn om en vrij zijn van. Het vergt de cultivering van kritische en recalcitrante stemmen en onderhoudt een kritische en enigszins aristocratische afstand van de reële sociale machtsverhoudingen. Het vergt daarom instellingen die relatief autonoom zijn ten opzichte van de heersende machtsconfiguraties en die de moed hebben de meertaligheid van een reële democratie plaatsen te geven.
 

Erik Swyngedouw is professor aan de University of Manchester, UK

deze ONGEHOORD lezeing is een initiatief van STUK en DeWereldMorgen.be

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!