Nieuws, Afrika, Verkiezingen, Tunesië, Analyse - Sami Zemni

Tunesië: van de revolutie voor waardigheid naar historische verkiezingen

De eerste vrije verkiezingen in Tunesië zitten er op. De grootste overwinnaar is en blijft de Tunesische burger, die zijn stem heeft laten horen en die er zal voor zorgen dat zijn verworven vrijheden niet zomaar terug worden geschroefd, meent onderzoeker Sami Zemni.

dinsdag 25 oktober 2011 11:58

De lange rijen mannen en vrouwen die van ’s ochtends vroeg hun stem wilden uitbrengen, zijn een krachtig beeld van de ontmoeting die de Tunesiërs gisteren hadden met de geschiedenis. Ook de vele nationale politici stonden urenlang in de rij om te stemmen.

Toen er enige onduidelijkheid ontstond of Rached al-Ghannouchi, leider van de islamistische partij Ennahdha, zijn beurt wel zou afwachten werd zijn mogelijke gebrek aan burgerzin onmiddellijk door de omstanders op de korrel genomen: fil-l-saf, fi-l-saf ‘In de rij, In de rij!’ weerklonk het. In het nieuwe Tunesië, geen privileges voor politici of andere bekenden, in het nieuwe Tunesië wordt elke dag duidelijker waarrond de ‘revolutie voor de waardigheid’ draait.

De Tunesische revolutie voor de waardigheid die op 14 januari culmineerde in het de vlucht van president Ben Ali, één van de belangrijkste Westerse handlangers in de regio, heeft historische verkiezingen gehouden.

Historisch omdat de verkiezingen vrij en transparant zijn verlopen. Gedreven door de inzet van talloze vrijwilligers en georganiseerd door een onafhankelijk orgaan zijn ze zonder meer een organisatorisch succes geworden ondanks enkele berichten van overtredingen van de kieswet (plakken van affiches op ongeoorloofde plaatsen, politieke discussies in de kieszaal,…).

Historisch omdat de Tunesiërs niet zomaar een parlement verkiezen maar een grondwetgevende vergadering, een parlement dat als voornaamste taak het schrijven van een volledig nieuwe grondwet heeft. Historisch omdat de participatie die op meer dan 70 procent van de kiezerspopulatie zou uitkomen (meer dan 90 procent van de geregistreerde kiezers) aantoont dat de stembusuitslag gedragen zal worden door het hele land. Een mindere deelname van de meer gemarginaliseerde groepen of van mensen uit het centrum en het zuiden van het land zou de uitslag enigszins problematisch maken.

De inzet van de verkiezingen

Tunesië wil zichzelf opnieuw uitvinden. Het gaat om veel meer dan de verkiezing van nieuwe parlementairen of het aanduiden van een regeringsploeg. Tunesië wil al haar instituties herbedenken. Er is een algemene consensus dat Tunesië een republiek blijft maar of deze eerder presidentieel dan wel parlementair georganiseerd moet worden staat ter discussie.

Moet de nieuwe republiek centraal vanuit Tunis geregeerd worden of moet een federaal systeem meer macht en inspraak geven aan de regio’s en provincies? Komt er één kamer van volksvertegenwoordigers of een kamer en een senaat? En welke bevoegdheden hebben deze beiden kamers? Moet het verkozen parlement onmiddellijk een nieuwe regering en president aanduiden of nog een tijdje samenwerken met de zittende overgangsregering?

Hoewel deze politieke vragen, samen met de socio-economische bekommernissen, sinds het begin van dit jaar centraal in het publieke debat stonden, verschoof de laatste maanden de discussie vooral naar vraagstukken over identiteit, over de plaats en rol van de islam in de toekomstige politiek orde.

Sommige Tunesiërs – vooral de Franstalige elites, enkele publieke intellectuelen, mediafiguren en invloedrijke zakenmannen – stellen dat de toekomst van Tunesië enkel veilig te stellen is door het verderzetten van het ‘secularistische’ project gestart door Habib Bourguiba (de eerste president van de republiek Tunesië, nvdr) en verdergezet door diens opvolger Ben Ali.

Dat was een maatschappelijk project dat in naam van de idealen van moderniteit, vooruitgang en vrouwenrechten echter een autoritair politiek systeem baarde waar fundamentele rechten dagelijks met de voeten werden getreden. Vooral de burgerij in de grote steden kon daardoor in Tunesië een goed leven uitbouwen en lange tijd gedijen onder het autoritaire bewind. De vrouwenrechten zijn er in Tunesië ontegensprekelijk op vooruit gegaan maar zijn helaas ook al te vaak gegijzeld geweest door het autoritarisme.

Vele andere Tunesiërs, zeker en vast de meerderheid, vinden dan weer dat dergelijke debatten voorbijgaan aan de meer prangende economische vraagstukken van ongelijkheid of de torenhoge werkloosheid. Nochtans waren deze partijen niet bij machte om deze thema’s centraal in de campagne te brengen.

Bijna alle partijen benadrukten de nood aan een betere herverdeling, een sociaal gecorrigeerde vrije markt en de prioriteit om de regionale ongelijkheden weg te werken. Alleen de kleinere communistische partijen stelden meer radicale eisen maar zij slaagden er niet in hun brede sympathie om te buigen in stemmen.

De vrees voor een electorale overwinning van de islamistische partij Ennahdha hebben vele kiezers tot een stem verleid voor één van de partijen die voornamelijk openlijk campagne gevoerd hebben tegen de drie bewegingen die wel daadwerkelijk oppositie voerden tegen Ben Ali – en daarvoor een zware prijs betaalden (repressie, geweld, verbanning en marteling) – met name Ennahdha, de Parti Communiste Ouvrier de Tunisie (PCOT) en het Congrès pour la République (CPR).

De misdaden van Ben Ali’s regime en vooral de pervertering van de idealen van de moderniteit zijn sinds januari duidelijk aan het licht gekomen, daarom is het verbazingwekkend dat deze elite, in plaats van te ijveren voor een vernieuwd seculier project dat de Tunesische burgers zou kunnen overtuigen, zich niet heeft kunnen onderwerpen aan een zelfkritiek en de fundamentele tegenstellingen in Ben Ali’s seculier project bloot te leggen.

Wat nu?

De eerste gedeeltelijke resultaten tonen aan dat de islamistische Ennahdha op kop ligt, terwijl het Congrès pour la République (CPR) en Ettakatol (Het Democratische Forum voor Arbeid en Vrijheden) om de tweede plaats vechten. Naast de massale participatie is daarom de tweede belangrijke les van deze verkiezingen dat de Tunesiërs vooral hun vertrouwen hebben geschonken aan die partijen die de repressie van Ben Ali hebben gekend en dat de kiezers hiermee elke terugkeer van voormalige Ben Ali-getrouwen onmogelijk proberen te maken.

Twee uitzonderingen hebben enkele zitjes kunnen bemachtigen. Het Initiatief (Moubadara) van voormalig minister van Buitenlandse Zaken, Kamel Morjan, deed het niet slecht in de toeristische kustregio van Sousse-Monastir, terwijl in het centrum van het land de betrekkelijk onbekende Hamdi Hachimi met een populistisch programma en met beloftes van gratis transport voor ouderen en een basisinkomen voor vrouwen onverwacht goed scoort.

Ennahdha was reeds lange tijd de gedoodverfde winnaar. De partij lag op kop in de opiniepeilingen van de laatste maanden. Ennahdha kon enkel van zichzelf verliezen. De laatste weken werden de nochtans pragmatische en voorzichtige leiders steeds zelfzekerder tot het arrogante af.

Dat Rached al-Ghanouchi waarschuwde dat minder dan de absolute meerderheid automatisch zou wijzen op fraude en aanleiding zou geven tot het veroveren van de straten van Tunesië is waarschijnlijk zijn grootste politieke flater in meer dan drie decennia.

De sterkte van Ennahdha – naast haar goede organisatie, het feit dat ze over genoeg financiële middelen beschikt om de boodschap over te brengen of zelfs stemmen ‘onrechtstreeks te kopen’ – ligt in haar historische diepgang. In de electorale campagne maakte ze duidelijk hoe groot de prijs van Ben Ali’s repressie was, maar benadrukte in haar 365-puntenplan, het belang van een parlementair systeem, een progressieve civiele maatschappij en een eerlijkere herverdeling van de rijkdom.

Het economische programma van Ennahdha lijkt zeker geen wondermiddelen te bevatten om de hoge werkloosheid het hoofd te bieden, noch lijkt de partij duidelijk te beseffen hoe de afhankelijke Tunesische economie zich kan beredderen in de storm van de wereldwijde financiële crisis.

Sociaal conservatisme gaat gepaard met een economische agenda die aan de vrije markt een menselijk gelaat wil geven. Ennahdha liet gisteren al weten dat er niet getornd wordt aan de belangrijkste economische beleidslijnen. Terzelfdertijd blijft de partij herhalen wat ze al 20 jaren doet: ze zullen niet raken aan de verworven vrouwenrechten noch van Tunesië een islamitische staat maken.

Hoewel Ennahdha deze boodschap benadrukt, werden in het licht van de grondwetgevende verkiezingen verschillende allianties en politieke polen opgericht die Ennahdha wilden tegenwerken. Het is duidelijk dat partijen of coalities, zoals de Democratische en Progressieve Pool of de Democratische en Progressieve Partij hun geafficheerd secularisme niet genoeg onderbouwd hebben met een kritiek op de manier waarop het Tunesische secularisme in de projecten van Bourguiba en Ben Ali vorm kreeg als een onderdrukkend autoritaire systeem die eerder de belangen van een Frans cultureel imperialisme dienden dan die van de eigen bevolking.

Daarenboven hebben vele – maar zeker niet alle – politici van deze strekking een anti-Ennahdha campagne gevoerd in plaats van uit te gaan van de eigen sterkte. Het demoniseren van Ennahdha kwam als radicaal over en schrikte juist vele kiezers af.

De goede score van Moncef Marzouki, oud-opposant tegen Ben Ali, en zijn Congrès pour la République (CPR) is voor velen een verrassing. De CPR, een centrumlinkse sociaaldemocratische partij, heeft met bescheiden middelen toch vele kiezers kunnen overtuigen van haar project dat vooral de nadruk legde op het respect voor de burger, scheiding van ‘moskee en staat’, de eenheid met de andere Arabische volkeren en een sociaal gecorrigeerde economie.

Het belangrijkste verschil met de grote verliezer van de verkiezingen, de Parti Démocratique Progressiste van Nabil Chebbi – die zijn presidentiële ambities nooit onder stoelen of banken stopte – is dat de CPR enerzijds weigerde Ennahdha te demoniseren en de partij op voorhand uit een mogelijk politieke dialoog te weren, en, anderzijds dat de CPR zich verzette tegen een terugkeer in de nationale politiek van kopstukken uit de voormalige regeringspartij van Ben Ali.

Ettakatol, een partij die formeel reeds in 1994 werd opgericht onder leiding van Mustapha Ben Jaafar, doet het ook goed in de eerste uitslagen. Deze centrumlinkse partij voerde een handige en serene campagne voor een modern en open Tunesië die kon bogen op de steun van vele vakbondsmilitanten die een cruciale rol hadden gespeeld in de januari-revolutie.

Hoe dan ook, de pluralistische samenstelling van de grondwetgevende vergadering luidt definitief de intrede van nieuwe politieke spelregels in. Ennahdha zal het politieke overwicht hebben, maar wil en kan niet alleen regeren en wenst een brede, maar geloofwaardige coalitie op de been te brengen. Een woordvoerder van Ennahdha liet al weten dat de belangrijkste taak van deze regering het stabiliseren is van de economie om de nodige democratische instituties te kunnen uitbouwen om in de waardigheid te kunnen leven. Vele andere partijen zullen zich daar kunnen in vinden.

In de grondwetgevende vergadering zelf zal Ennahdha moeten bewijzen dat het in staat is religie met moderne democratische instituties te verzoenen, de andere partijen zullen dan weer civiele instituties en manieren van overleg moeten uitvinden om met deze nieuwe realiteit om te gaan. De grootste overwinnaar is en blijft de Tunesische burger, die zijn stem heeft laten horen en die er zal voor zorgen dat zijn verworven vrijheden niet zomaar worden teruggeschroefd. 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!