De waanzinnige atheïst

De waanzinnige atheïst

donderdag 20 oktober 2011 10:00

Waarin de auteur nadenkt over de betekenis van een seculiere samenleving

Onlangs stond ik aan het Rooseveltplein in Antwerpen te wachten op de tram, toen ik iemand hoorde zeggen: “Ja ja mensen, ik zeg het u. Ge wilt niet luisteren, hé”. Naast mij zag ik een verwilderde jongeman, die me vragend aankeek. Of ik dan misschien zin had in een gesprek? Neen, eigenlijk niet.

Tramscène

De tram kwam aan. We stapten op.

“Ja ja, ik moet iets zeggen. God is dood”, zei hij luid. Stilte. Hij herhaalde het, ditmaal spottender. Enkele reizigers wisselden argwanende blikken. De oudere vrouw tegenover mij keek afkeurend en nam haar hondje op de schoot. Als er dan toch klappen vielen, wilde ze tenminste haar kleine terriër redden.

Ik dacht aan Nietzsches waanzinnige uit ‘De Vrolijke Wetenschap’, die op de markt hetzelfde riep, en wie niemand wilde geloven. Meer dan honderd jaar geleden. De tijd dat “God is dood” (Nietzsche) geestig werd beantwoord met “Nietzsche is dood” (God) ligt al een tijdje achter ons. Toch leek het gewaagd om zulke stelling openlijk te poneren. Een nodeloze provocatie? Tenslotte werd het een meisje teveel. Ze draaide zich geërgerd om en wierp kordaat tegen dat het niet waar was: God is niet dood. Waarop de jongeman, geenszins van zijn stuk gebracht, antwoordde: “En hoe weet u dat? Was u er soms bij als hij stierf?”

Atheïsme vandaag

De vraag of atheïsme vandaag vanzelfsprekend is, was recent ook het onderwerp van een lezingenreeks aan de Universiteit Antwerpen. De toename van religieus fanatisme, bijvoorbeeld van het christelijk fundamentalisme in de Verenigde Staten, zet sommige mensen ertoe aan hun ‘atheïsme’ meer in de verf te zetten. Leven we echt in een seculiere samenleving? Hoe vanzelfsprekend is het om te roepen in een tram dat God overleden is? Enkele ideeën.

In de negentiende eeuw werd God herhaaldelijk dood verklaard. Vlak voor Nietzsche schreef Feuerbach dat het christendom het atheïsme in zich draagt, door de betekenis die het toekent aan het overlijden van Christus. Als God zijn Zoon opoffert om de mensheid te redden kan dit maar één ding betekenen: voor God is de liefde voor de mens belangrijker dan de liefde voor Hem. De ware christelijke boodschap gaat dus over de liefde van mensen voor elkaar, over de naastenliefde. Eeuwenlang hebben kerkelijke autoriteiten en theologen, aldus Feuerbach, de boodschap verkeerd geïnterpreteerd. Eindelijk komt de waarheid vooralsnog naar boven (heel bescheiden, meende Feuerbach, dat zijn ideeën de cirkel rond maakten). De naastenliefde ten opzichte van élke mens, ongeacht groep of afkomst, wordt dan het morele fundament voor de idee van solidariteit. De échte christelijke boodschap zet aan tot een streven naar gelijkheid en een strijd tegen de kerkelijke en andere autoriteiten.

Feuerbach is nu minder bekend, maar hij had een buitengewone invloed op Marx en Engels. Zij ontwikkelden vooral een socio-economische en politieke analyse, met een sterke aanklacht tegen het ‘nieuwe’, uitbuitende karakter van het kapitalisme. Blijven naastenliefde en solidariteit verbonden? God mag dan voor velen overleden zijn (en zeker de meer strikte christelijke God), het blijft een vraag of we in dezelfde maatschappij vandaag zouden leven als die bepaalde God nooit had bestaan? En is die heel specifieke God dan werkelijk zo dood (zolang we natuurlijk aan solidariteit vasthouden…)?

Begrijp me niet verkeerd: hier spreekt geen crypto-christene. Persoonlijk ben ik ongelovig, zeker in de monotheïstische zin waarbij geloven ook het aanvaarden van een goddelijke voorzienigheid, van een leven na de dood en van een God die zich openbaart door profeten impliceert. En ongetwijfeld hebben andere filosofische ideeën het huidige idee van gelijkheid en solidariteit mee bepaald, zoals het werk van bepaalde Verlichtingsdenkers of de (liberale) verdediging van het individuele zelfbeschikkingsrecht.

De seculiere maatschappij

Nu leven we dan in een seculiere maatschappij… In welk zin? Wel, dat een opvatting over ‘God’ niet het perspectief of de richting van het politieke streven bepaalt. Als persoonlijke inspiratie kan een verwijzing naar een godsdienst wel, maar als politieke relevante idee, kent zulke inspiratie een niet-godsdienstige vertaling. Godsdienst doet er dus amper toe. Dit is eerder het geval dan dat godsdienst helemaal verdwenen zou zijn (omdat steeds meer mensen ‘atheïst’ zouden worden). Want dat laatste is niet noodzakelijk het geval.

Seculier betekent dus niet noodzakelijk ‘atheïst’. Wel betekent het dat je, wie je als burger bent, niet in eerste instantie met een geopenbaard geloof verbindt. Burgerschap wil zeggen je je niet in eerste instantie (en zeker niet uitsluitend) met je medegelovigen in politieke zin verbonden voelt. De mate waarin iemand slechts één religieuze identiteit erkent als de belangrijkste en de in sociaal en politiek opzicht exclusieve, vermindert het seculiere karakter van de samenleving. Een seculiere samenleving kent dus meer dan de erkenning van een recht op ‘godsdienstvrijheid’, meer dan een scheiding tussen Kerk en staat. Het seculiere veronderstelt juist het aanvaarden van wisselende identiteiten, waarvan de gelovige slechts één onder velen is, en niet de eerste. Een seculiere maatschappij lijkt een kwestie van het openhouden van mogelijkheden. Ook om met de grap van die jongen op de tram te lachen. Of niet.

(Deze tekst verscheen op http://tinnekebeeckman.deredactie.be )

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!