De onstuitbare terugkeer van ‘oog om oog, tand om tand’?

De onstuitbare terugkeer van ‘oog om oog, tand om tand’?

donderdag 20 oktober 2011 10:04

Toen enkele maanden geleden bekend werd dat Michèle Martin, partner en medeplichtige van Marc Dutroux, na vijftien jaar cel voorwaardelijk zou vrijgelaten worden, ontketende dit, zonder verrassing, een storm in de media. “Onbegrip, verbijstering en woede” waren de titels.

De woede keerde zich zowel tegen de persoon van Martin, als tegen de wet Lejeune die haar voorwaardelijke invrijheidsstelling mogelijk maakt, als tegen de strafuitvoeringsrechtbank die het vonnis had geveld.
In interviews gaven familieleden van vermoorde of vermiste kinderen uiting aan hun verdriet en onbegrip.  Er werd een Facebookgroep gevormd tegen de vrijlating die al snel zo’n 80.000 leden telde en die opriep tot een ‘Zwarte Mars’. Van de politieke partijen kwam een reactie die met die stroom meeging. De wet en de rechtbank kwamen onder vuur. De mogelijkheid van een eenvoudig beroep tegen de beslissing van een strafuitvoeringsrechtbank moet worden ingevoerd, zegden de enen. Voor de invoering van onsamendrukbare straffen, zegden de anderen. Voor een afschaffing van de wet Lejeune, zo zei extreem rechts. De reactie kwam niet alleen uit (extreem) rechtse hoek. Ook (extreem) links sloot zich aan bij de volkswoede.
Een hoorbare teleurstelling volgde, toen de procureur-generaal van de rechtbank in Bergen aankondigde dat er bij het vonnis over Martin door de strafuitvoeringsrechtbank geen procedurefouten waren begaan en dat hij dus niet in cassatie zou gaan. Dat sloeg om in opluchting, toen bleek dat heel Frankrijk (regering én oppostie) niets moest weten van de komst van Michèle Martin op zijn grondgebied. Sinds die storm tegen haar voorlopige vrijlating, wordt haar door de minister ook het recht op penitentiair verlof ontzegd, dat in principe een gedetineerde moet toelaten om een werk of een verblijf te zoeken. En dus begint Martin in de gevangenis aan haar zestiende jaar cel.

Laten we enkele argumenten van de tegenstanders van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van Michèle Martin bekijken.
Vooreerst is er de willekeur. Laat men het vanaf nu van de druk van de publieke opinie afhangen om te bepalen of een wet, die voor alle burgers geldt en onderworpen is aan strenge regels, en een vonnis dat zich daarop baseert, al dan niet wordt toegepast?  Waarom mag iemand als Michèle Martin, als zij aan alle voorwaarden voldoet, geen beroep doen op de wet op de voorwaardelijke invrijheidsstelling en mogen anderen dat wel? Wat is het criterium? Mag bijvoorbeeld iemand die zijn ouders vermoord heeft, wél beroep doen op de wet? Mag Hans Van Temsche er beroep op doen? Komt een veroordeelde voor terrorisme, zoals Nizar Trabelsi, ervoor in aanmerking? Wat deze laatste betreft, hij blijkbaar ook niet. Want volgende maand heeft hij exact de volle tien jaar van zijn straf uitgezeten voor zijn plan om een aanslag te plegen in Kleine Brogel en kreeg hij geen dag voorlopige invrijheidsstelling cadeau, ook al vraagt hij daar al jaren om. Moeten al die mensen dan maar ondergebracht worden in de categorie “ter beschikking gesteld van de regering”, om zo aan de toepassing van de wet Lejeune te ontsnappen?

“In België wordt men niet echt gestraft”, zo hoort men, “wat ook de strafmaat is, men komt toch snel weer vrij”. Maar is dat wel zo?
Na de massabeweging ten tijde van de affaire Dutroux, in de jaren ’90 van vorige eeuw, werd de beslissing om iemand in voorwaardelijke vrijheid te stellen aan het oordeel van één persoon onttrokken én aan hardere voorwaarden gekoppeld. Was die beslissing vroeger de uitsluitende verantwoordelijkheid van de minister, dan was het vanaf 1 februari 2007, voor straffen boven de drie jaar aan een heuse rechtbank om hierover te beslissen. Die formule had ook nefaste effecten. De strafuitvoeringsrechtbanken zijn echte rechtbanken en ze kijken nu al aan tegen een fenomenale achterstand. Tegelijk werd de voorlopige invrijheidsstelling onderworpen aan veel rigoureuzere voorwaarden, zoals het hebben van een werk, een woonst, een gunstig psychiatrisch en sociaal rapport en zo meer. Na Dutroux, wilden rechters niet meer het risico lopen ervan beschuldigd te worden dat ze door iemand vrij te laten, hadden bijgedragen tot het plegen van een nieuw delict. Gevangenen blijven dus, in tegenstelling tot wat men denkt, langer in de gevangenis dan vroeger. En ook werden de straffen steeds zwaarder. Om te vermijden dat een veroordeelde automatisch onder de wet op de voorlopige invrijheidsstelling zou vallen (dit wil zeggen bij een straf van drie jaar of minder), en dus te gemakkelijk zou vrijkomen, spreken rechtbanken nu vaak een straf uit die daar net boven zit. Op die manier komt de veroordeelde automatisch en verplicht voor een strafuitvoeringsrechtbank. De rem op de voorlopige invrijheidsstelling én de zwaardere straffen zijn twee oorzaken voor de huidige overbevolking van de gevangenissen.

“Vijftien jaar in de gevangenis is te weinig voor wat ze gedaan heeft”, zei men mij.
Ten eerste is het verkeerd om te zeggen dat een straf van 15 jaar ‘niets’ is. Als je al contact hebt gehad met ex-gevangenen, die tien jaar of meer in een cel hebben gezeten, dan zal je begrijpen wat ik bedoel. 15 jaar is een lang stuk van het leven. Een opsluiting gedurende zo’n lange periode laat bij een mens littekens na en maakt zijn terugkeer naar het normale leven uiterst moeilijk, zoniet onmogelijk. Kunnen zij die zeggen dat 15 jaar te weinig is, me ook zeggen hoeveel jaren er nodig zijn opdat ze de straf wel voldoende zouden vinden? Is 16 jaar genoeg of moet het 25 of 40 jaar zijn? Maakt het een verschil wanneer men vijf of tien jaar toevoegt aan vijftien jaar? Wel ja, het maakt een verschil. Want in dat geval hebben we dan helemaal te maken met een gedetineerde die, als hij of zij al niet gestorven is door ziekte of door zelfmoord in de gevangenis, bij zijn of haar vrijlating over nog minder menselijke capaciteiten beschikt en zich stillaan kan voorbereiden op het einde van zijn leven, zonder het te hebben geleefd. En hier komen we op een kernpunt:  de eigenlijke grond van onze opmerkingen tegen voorlopige invrijheidsstelling is dat we voor de doodstraf zijn. Wat we echt willen, is dat de gedetineerde er beschadigd uitkomt en ja, eigenlijk geen aanspraak meer kan maken op leven en op een terugkeer naar de maatschappij. Ja, we willen zijn of haar dood. Alleen houden we ons in om het op die manier te zeggen en verstoppen we ons achter lange(re) gevangenisstraffen, die in de praktijk niets anders betekenen dan een langzaam voltrokken doodvonnis.

Van een langzaam voltrokken doodvonnis achter de tralies naar de herinvoering van de doodstraf is maar een kleine stap. De oprispingen tegen de vervroegde vrijlating van Martin zijn het topje van een ijsberg. Ze zetten de deur op een kier voor een openlijke campagne voor de herinvoering van de doodstraf.
Zo lanceerde een zekere Werner Derboven, op 14 augustus 2011, twee maand na de affaire Martin, een Facebookgroep onder de titel: “A child murderer has no right to Freedom”. Werner is lid van de Koninklijke Vereniging voor Joodse Weldadigheid. Wanneer iemand in de commentaren op die Facebookgroep pleit voor de herinvoering van de doodstraf “niet alleen voor kindermoordenaars, maar ook voor mensen die incest hebben gepleegd en kinderen hebben misbruikt”, betuigt Werner zijn instemming. En daarop zegt iemand dan weer dat “doodstraf te humaan is”. Zo onlogisch is die commentaar nu ook weer niet: waarom zou men eigenlijk zo’n kindermoordenaar niet mogen folteren, wanneer men dat wettelijk wel mocht doen bij vermeende terroristen in Guantanamo of Abu Ghraib…
De volgende, logische stap is de uitbreiding van de doodstraf voor kindermoordenaars naar andere moordenaars. Zo meldde de Britse pers in dezelfde maand augustus dat in Groot-Britannië meerdere petities circuleren voor de herinvoering van de doodstraf. En niet alleen voor pedofiele kindermoordenaars of misbruikers van kinderen. Een van die petities, “Restore Capital Punishment” , werd gelanceerd door John Johnson, een taxichauffeur, wiens zoon Kevin met messteken om het leven werd gebracht. De petitie moet 100.000 handtekeningen verzamelen om een debat over de herinvoering van de doodstraf te kunnen opleggen in het Britse parlement. De man komt nog 10.000 handtekeningen te kort en hij hoopt die te hebben tegen februari volgend jaar. Maar algemeen wordt verwacht dat dit debat er nog dit jaar zal komen. ‘Mail on Sunday’ deed een heel ernstige opiniepeiling over de kwestie en publiceerde op 8 augustus zijn resultaten. De opiniepeiling leert dat 53 procent van de Britten voor de herinvoering van de doodstraf is. 34 procent is tegen. Bij de voorstanders is er nog verdeeldheid over de methode: 66 procent is voor een dodelijke injectie, die wordt aanzien als de meest humane manier om iemand ter dood te brengen. 12 procent vindt dat het moet gebeuren via ophanging. 5 procent via de electrische stoel. 4 % is voor een vuurpeloton en nog eens 4 % is voor de gaskamer.  

Dit alles liet mij zitten met de vraag: gaat het hier nog om bezorgdheid over de vermoorde kinderen en hun familie? Gaat het bij deze pleidooien voor meer gevangenisstraf en zelfs doodstraf nog langer om de slachtoffers tout court?
Of worden vermoorde en misbruikte kinderen een middel om een extreem rechtse agenda en een ronduit Amerikaans model en concept van justitie op te leggen? Wraak en haat zijn karakteristiek geworden voor het maatschappelijk klimaat in onze landen. Of het nu gaat over het recentelijk aannemen van een wet die Marokkaanse gevangenen in ons land naar overbevolkte gevangenissen in Marokko zal uitwijzen, of over de standrechtelijke executie van Osama Bin Laden, telkens opnieuw weerklinkt er applaus op alle banken.

Men zegt me dat ik “alleen maar denk aan de gedetineerden en niet aan de slachtoffers”.
Dat is niet zo. In 2006 maakte ik met Tiny Mast een boek over haar verdwenen en vermoorde kinderen onder de titel “Mijn alfabet voor Kim & Ken”. Een andere moeder van een vermoord kind, Carine Russo, schreef het voorwoord. Zowel Tiny als Carine behoren tot de mensen waarvoor ik de grootste waardering en bewondering heb. Wist u dat Carine Russo toen ze voor Ecolo in het parlement zat, de parlementair was die zich het meest het lot van de gedetineerden aantrok en op bezoek ging in meerdere gevangenissen? Tiny’s boek beschrijft de emotionele ravage en instorting van een moeder die twee kinderen verliest door ontvoering en moord. Voor mij was het werken aan dit boek een ode aan al de kinderen die vermoord zijn en aan hun zowel tragische als moedige moeders. Het boek is ook een aanklacht tegen de politie en justitie, die de roep om hulp van de families van het volk niet au serieux namen, en die hen vaak met minachting of als criminelen behandelden. 
Ik kan me niet in de plaats stellen van de ouders van een vermoord kind. Ik maak geen deel uit van hun voor altijd verwoest leven. We delen zeker ook niet dezelfde opvattingen over justitie, straf en gevangenis, maar ook de ouders zelf vormen geen uniform blok als het daarover gaat. Maar ik weet een ding: hun leven is op de een of de andere manier gebroken. En of we nu spreken over vijftien of dertig jaar gevangenisstraf voor een dader… de pijn zal er steeds zijn, het verlies zal altijd onaanvaardbaar blijven. En er is niemand die hen vraagt te vergeven wat onvergeeflijk is.

De kwestie stelt zich precies helemaal anders voor de maatschappij en voor ons, de buitenstaanders. Ik wil me beperken tot slechts enkele punten.
Ik denk dat het antwoord op het onherstelbare en op daden die het normale bevattingsvermogen overschrijden, alleen maar gevonden kan worden in een groter engagement tegen elke vorm van onrecht en in een humanisering van de maatschappij. 
Als ik de woede en de haat tegen de vervroegde vrijlating van Martin hoor en lees, dan denk ik: wat hebben die mensen de afgelopen vijftien jaar gedaan om de nagedachtenis van de vermoorde kinderen in ere te houden? Waar zijn de bloeiende verenigingen die hun naam dragen en die opkomen voor de verdediging en de bescherming van de duizenden kleine Julie’s, Melissa’s, Elizabeth’s, Kim en Ken’s… die, hier en in het Zuiden, nog steeds worden misbruikt, mishandeld, in oorlogen gedood, of terug naar huis gestuurd wanneer  ze hier om asiel vragen? Wie van hen nam deel, in de koude januaridagen, aan de jaarlijkse herdenking van Kim en Ken aan de Schelde? En hoe proberen wij, met alles wat in ons bereik ligt, de ouders van vermoorde kinderen, die elke dag moeten overleven, de zorg en de aandacht te geven die ze nodig hebben? De vraag stellen is ze beantwoorden, en het zou mooi zijn als al de woede over de zogenaamde vrijlating van Michèle Martin zijn weg vond in die richting.

Het is ongetwijfeld zo dat Michèle Martin zich door haar daden buiten de menselijkheid heeft geplaatst, zoals wij die moeten opvatten. Ik ben geen dokter of psychiater. Ik weet niet of ze dit zelf beseft. Wat wij kunnen doen, na vijftien jaar cel, is zorgen dat ze een zinvol bestaan kan leiden in een beperkte en gecontroleerde omgeving. En haar de (medische) zorgen verstrekken, die ze wellicht tot haar laatste dag zal nodig hebben. Door zo te handelen, eren we de nagedachtenis van de vermoorde kinderen. We drukken er mee uit dat onze reactie op een onuitsprekelijke verschrikking er een is om meer menselijkheid te ontwikkelen. Niet minder.
Ik neem een voorbeeld uit de Verenigde Staten. Op 2 oktober 2006 drong Charles Carl Roberts in Pennsylvania een school van Amish kinderen binnen. Hij koos tien meisjes uit, sommigen waren niet meer dan zes jaar oud. Hij zette ze voor het schoolbord, schoot vijf van hen dood, verwondde de vijf anderen en schoot zich daarna een kogel door het hoofd. Wat daarop volgde, schokte Amerika evenveel als de monsterlijke daad zelf. Op de bijeenkomst van de ouders van de vermoorde kinderen besloot de gemeenschap een bezoek te gaan brengen aan de familie van de moordenaar. De gemeenschap, de ouders van de vermoorde kinderen inbegrepen, ging naar de vrouw en het kind van de moordenaar en boden hen vergeving en financiële hulp aan. Ze stuurden een afvaardiging naar de uitvaartdienst van Roberts. Iemand schreef: “De Amish hebben een daad van onnoemelijk kwaad omgezet in een lichtende getuigenis van hoop”.
Wie dit te religieus getint vindt, kan dichter bij huis een initiatief vinden bij Jean-Marc Mahy en de dit jaar overleden Jean-Pierre Malmendier. Jean-Pierre Malmendier was de vader van Corine. Zij werd in 1992 samen met haar verloofde, Marc, gedood door twee gevangenen die op de vlucht waren. Een van de twee daders was in voorlopige vrijheid en de andere was met pentitentiair verlof. Na de dood van zijn dochter werd Jean-Pierre Malmendier senator voor de MR en, vertrekkende van de moord op Corine en Marc, lanceerde hij de petitie voor ‘onsamendrukbare straffen’, die zo’n 260.000 handtekeningen verzamelde. Naarmate de tijd vorderde, veranderden ook de inzichten van Malmendier. Zo had hij een ontmoeting met Jean-Marc Mahy. Die zat 19 jaar in de gevangenis voor het doden van twee mensen (“slagen en verwondingen zonder het oogmerk te doden maar met de dood tot gevolg”). Jean-Marc is vandaag in voorlopige vrijheid, werd opvoeder en getuige bij jonge delinquenten in scholen en gevangenissen. Hij schrijft en acteert en werd een symbool van de wil en het vermogen om zijn leven te veranderen. Jean-Pierre en Jean-Marc ontmoetten elkaar, werden vrienden en gingen samen getuigen in de gesloten instellingen voor jongeren: de een als dader, de andere als slachtoffer. Ze ontdekken dat ze beiden een tragedie achter de rug hebben en opnieuw een plaats in de maatschappij moeten vinden. In 2010 lanceren ze een gemeenschappelijk project van criminaliteitspreventie en om te ijveren voor straffen die rechtvaardig zijn en  op de eerste plaats mikken op herstel en reparatie. Hun project noemt “Re-vivre”, ‘Her-leven”. Onder die titel komt binnen enkele maanden hun boek uit in het Frans. Ik hoop dat het snel een Nederlandse vertaler en uitgever zal vinden. 

Luk Vervaet

Dit artikel verscheen in het septembernummer (2011) van {KENTERINGen]digit. Dit was een themanummer over ‘gevangenis’ te vinden op www.kenteringen.be.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!