Peter Saville, Tony Wilson en Alan Erasmus voor de Factory Club (Bron: Flickr - Jamie Anderson)
Nieuws, Cultuur -

En toen was er niets meer … Factory Records, het verhaal van een platenlabel

Nu, de ergste en meest gevreesde reünies zijn wel muzikale reünies. Althans dat is toch wat de meesten onder ons dachten toen we twee jaar geleden op een druilerige zaterdag naar La Raffinerie, het vroeger legendarische Plan K, afzakten om een herdenkingsfeestje bij te wonen van een platenlabel. ‘A Factory Night (and then again)’ was een eerbetoon aan het in 1992 ter ziele gegaan Factory records.

vrijdag 7 oktober 2011 15:18

Ach, we weten het ondertussen allemaal wel: reünies zijn vaak goed fout. Schoolreünies, werkreünies… niet zelden zijn het vruchteloze oefeningen tussen pure nostalgie en wanhoop. We waren toen jonger, sneller, slimmer en we wisten het wel. En dan op een dag, decennia later, ontmoet je godbetert elkaar weer: ouder, kaler, dikker…

Achteraf beschouwd leek het allemaal nog mee te vallen. Immers, Factory is altijd meer geweest dan enkel maar een platenlabel. Net zoals Motown Records onlosmakelijk verbonden blijft met de Amerikaanse industriestad Detroit, zou Factory voor eeuwig verbonden blijven met de Noord-Engelse industriestad Manchester.

Boredom. B’dum – b’dum…

In de jaren zeventig van de vorige eeuw was Manchester niet te vergelijken met het “Madchester” van de jaren negentig of de hippe stad die ze nu is. De rijkdom van de opkomende textielindustrie leidde in het verleden tot de uitbreiding en bloei van Manchester en omgeving. De ontstane welvaart voedde ook de ontwikkeling van de wetenschap en het onderwijs in de stad. Daarnaast was Manchester een voedingsbodem van politiek radicalisme. Van 1842 tot 1844 leefde Friedrich Engels er en schreef er zijn invloedrijke “Condition of the Working Class in England” (1845). Hij ontmoette er Karl Marx in de bibliotheek van Chetham. En ook het allereerste congres van het overkoepelende Trade Union Congress (TUC) vond er plaats.

Als geboorteplaats van de industriële revolutie was Manchester in de jaren zeventig echter verworden tot een grimmige, grauwe stad met torenhoge werkloosheid en slechte huisvesting. Het toenmalige Hulme district was misschien wel het mooiste voorbeeld van hoe urbanisme niet moet. Bovendien werd de jeugd er geconfronteerd met ‘Chief Constable’ James Anderton, het hoofd van de lokale politie en volgens zichzelf elke dag in direct contact met God…

In 1976, meer bepaald op 4 juni, trad een toen nog onbeduidend Londens groepje op in de Lesser Free Trade Hall. Op aanvraag van Howard Devoto en Pete Shelley van de latere Buzzcocks, gaven de Sex Pistols hun eerste optreden buiten Londen (1). Voor een publiek van amper 40 toeschouwers, maakten de Sex Pistols duidelijk dat het doe-het-zelf tijdperk was aangebroken.

Het was het begin van een radicale, creatieve tijd, de tweede helft van de jaren zeventig en dit niet alleen in London maar nu ook in Manchester. Verval en vooral grauwheid werden het hoofd geboden met een nieuwe tegencultuur. Manchester vormde hiervoor, misschien zelfs nog beter dan London, het achtergronddecor. Velen die het eerste en tweede concert van de Sex Pistols bijwoonden zouden later een aanzienlijk deel hebben in de uitbouw van de muziekscene in Manchester: Morrissey (zanger van The Smiths en later een gevierd solo artiest), Mick Hucknall van Simply Red, Peter Hook en Bernard Sumner van Joy Division en New Order, de journalist Paul Morley en TV-presentator Tony Wilson.

Anthony Wilson (2), de ietwat elitaire “posh boy” uit Salford was net afgestudeerd van de universiteit van Cambridge toen hij in 1973 aan de slag kon bij Granada TV, de lokale poot van de commerciële zender ITN. Eerst begon hij als scenarioschrijver voor het programma “News At Ten” om vervolgens als redacteur te werken voor het programma “First report”. Amper twee jaar later werd hij de ankerman voor het programma “Granada Reports”.

Dé grote liefde van Wilson was muziek en toen Granada TV met het idee speelde om ook een muziekprogramma te starten, greep hij zijn kans. Wilson werd het gezicht van “So it Goes” dat op de zondagavond werd uitgezonden. Terwijl de netwerkdirecteurs eigenlijk een programma voor ogen hadden dat de directe concurrentie kon aangaan met “Top of the Pops” van aartsrivaal BBC, maakt Wilson er eerder een avant-garde muziekprogramma van.

Wanneer de Sex Pistols in de Lesser Free Trade Hall optreden zijn er al zes afleveringen ingeblikt en vindt Wilson zijn draai nog niet. Echter, na het optreden laat hij ze hun eerste single Anarchy In the UK in het programma opvoeren en “So it goes” wordt de vaandeldrager van de nieuwe muzikale revolutie die Engeland de daaropvolgende jaren danig in zijn greep zal houden. Ondertussen beginnen er in en rond Manchester ook de eerste groepen op te duiken die het motto van die nieuwe revolutie ter harte nemen. Naast de reeds eerder aangehaalde Buzzcocks, zijn er nog Slaughter and the Dogs, Wild Ram, The Fall, The Drones en Ed Banger and the Nosebleeds.

Muzikaal stelt het allemaal nog niet veel voor, maar geleidelijk aan vormt er zich wel een heuse scene rond deze groepen. Dat die ontluikende scene wel iets in zijn mars had, hadden de Buzzcocks al bewezen door volledig in eigen beheer de EP (afkorting van extended play, een plaat met 4 tracks) Spiral Scratch uit te brengen met daarop het schitterende Boredom. De producer van de EP was de ietwat bizarre en eigenzinnige Martin Hannett, de man die later zou uitgroeien tot Manchesters eigen Phil Spector. Het was trouwens ook Pete Shelley van de Buzzcocks die Ian Curtis zou introduceren bij Bernard Summer en Peter Hook. Een gebeurtenis die later zou uitmonden in de groep Warsaw. Een groep die legendarisch zou worden in haar finale bezetting luisterend naar de naam Joy Division. Wilson was vaak een opgemerkte toeschouwer in die begindagen en geleidelijk aan werd hij ook manager van The Durutti Column, de groep rond Vini Reilly (3). Rob Gretton had op ongeveer hetzelfde ogenblik het management van Joy Division overgenomen.

Het prille begin

In de lente van 1978 besluiten de bonzen van Granada TV om “So it goes” af te voeren. Echt rouwig is Tony Wilson er niet om. Gedurende bijna twee jaar heeft hij het beste aanstormende talent in zijn studio’s gehad: The Sex Pistols, The Clash, Buzzcocks, Elvis Costello, Magazine, The Jam, Iggy Pop… en bovendien wordt hem de rol van presentator van het programma “World In Action” aangeboden. Samen met de werkloze acteur Alan Erasmus managet Wilson ook nog The Durutti Column. Na wat wijzigingen in de personeelsbezetting van de groep begint de vraag naar optredens te komen. Echter, met het sluiten van de club, The Electric Circus (4), verliest Manchester wel een belangrijke muziektempel.

Het is in die omstandigheden dat het idee rijpt om zelf optredens te organiseren en aan promotie te doen. De plaats werd The Russel Club, een club die al verschillende eigenaars overleefd had. Wilson wist met zijn flair tot een overeenkomst te komen met de eigenaar Don Tonay. Een naam wordt al gauw gevonden: The Factory. Het is Alan Erasmus die met de naam komt. In tegenstelling tot wat de meesten aanvankelijk dachten was de naam geen zinspeling op Andy Warhol’s beroemde atelier maar gewoon afgeleid van een bord “Factory Clearance”. Erasmus’ stelling was dat ‘if all factories close these days, let’s then open one”.

Vanaf nu zal elke vrijdagavond in The Russel Club doorgaan onder de naam Factory. Het enige wat nog ontbreekt, is iemand die posters kan ontwerpen. Met zijn opgedane connecties ten tijde van “So it Goes” zou Wilson de groepen wel kunnen contacteren, maar iemand moest voor de promotie zorgen. Die iemand werd Peter Saville, een jonge grafisch ontwerper (5). Hij had aan Wilson gevraagd om voor hem te kunnen werken en werd prompt belast met de creatie van de poster voor het eerste optreden op 27 mei 1978. Het is Saville die in de komende jaren de zo kenmerkende huisstijl van The Factory zal ontwerpen. Hij studeerde grafiek en industrieel design aan de Manchester Polytecnic en was eerder beïnvloed door het werk van moderne typografen zoals Herbert Bayer en Jan Tschichold dan door het werk van bijvoorbeeld een Jamie Reid. De ontwerpen die hij in latere jaren zou maken voor Joy Division, New Order, en later nog Suede en Pulp blijven zo doortastend omdat ze een echte emotionele resonantie tussen het publiek en de artiest weten te bewerkstelligen.

Saville wordt de derde partner in het Factory verhaal. Terwijl The Electric Circus nog als podium had gediend voor de beginnende punkgroepen dan zou The Factory de pleisterplaats worden voor de meer melodieuze avant garde. De mensen waren immers murw gebeukt. Diezelfde ruimte die punk had geschapen om domme en idiote dingen te produceren werd door sommigen ook dankbaar gebruikt om intelligente zaken te verwezenlijken. Een mooi voorbeeld hiervan was de groep Siouxsie and the Banshees. Oorspronkelijk afkomstig uit de omgeving van Malcolm McLaren en The Sex Pistols slaagden ze erin om anno 1978 met het nummer Hong Kong Garden intelligente popmuziek voort te brengen. The Slits deden hetzelfde met het nummer Typical Girls.

Ook de andere punkgroepen van het eerste uur evolueerden. The Clash zou een jaar later London Calling uitbrengen, een mijlpaal in de moderne rockgeschiedenis en een echte fusie van muziekstijlen. Het boeken van bands voor The Factory draaide ondertussen op volle toeren. Terwijl de Britten de “Winter of Discontent” ingingen en Thatcher via grote affiches de kiezers bezwoer dat ‘Labour isn’t working’ bleek dit toch niet te slaan op The Factory. Immers, in tijden van economische recessie bloeit de muziek en het einde van de jaren zeventig heeft in Engeland veel onvergetelijke muziek voortgebracht. Met dank overigens aan diezelfde Margaret Thatcher. Wilson besluit in datzelfde jaar om een EP uit te brengen met de groepen die regelmatig optreden in the Factory en die op dat ogenblik nog geen contract hebben. The Durutti Column, de huisgroep zeg maar, ligt voor de hand. Cabaret Voltaire ook. Vervolgens is er Joy Division, de groep die een jaar ervoor tijdens de “Stiff/Chiswick Challenge”, een talentenwedstrijd die werd uitgeschreven door twee Londense platenfirma’s, een verpletterende indruk naliet op Wilson. De laatste keuze lag minder voor de hand: de comedian John Dowie, een goede vriend van Tony Wilson. Peter Saville tekent voor het hoesontwerp. Wie zal tekenen voor de productie? Dit wordt de al eerder vermelde Martin Hannett. Met Hannett als partner erbij begint Factory zijn uiteindelijke vorm te krijgen. De EP komt uit onder de naam A Factory Sampler en wordt een bescheiden hit.

Wanneer Rob Gretton besluit om met Wilson in zee te gaan voor de eerste langspeler van Joy Division wordt het niet meer zo vrijblijvend en is Factory Records geboren. Rob Gretton zal uiteindelijk aandeelhouder worden van de nieuwe platenfirma, samen met Tony Wilson, Martin Hannett, Alan Erasmus en Peter Saville.

Factory Records kan het best beschouwd worden als een sociaal experiment. Het is de eerste platenfirma die ook een eigen manifest heeft dat duidelijk stelt dat ‘the record company owns nothing, the band owns everything’. Na verrekening van de onkosten wordt de opbrengst fifty-fifty gedeeld tussen de platenfirma en de groep. Hannett tekent voor de sound van de meeste platen, terwijl Peter Saville voor de hoezen zorgt. Opmerkelijk is ook het feit dat binnen Factory Records alles, maar dan ook alles, al van bij het begin, van een catalogusnummer wordt voorzien. De poster die Saville ontwierp voor het eerste optreden in The Russel Club wordt FAC 1.

Na de release van de single Transmission en een John Peel sessie op de BBC beginnen de opnames van de eerste echte LP van Joy Division Unkown Pleasures in april 1979. De LP wordt opgenomen in amper 17 dagen en krijgt bij het verschijnen lovende recensies. Het werd al gauw duidelijk dat dit een platenlabel was dat enkel maar baanbrekende muziek wou voortbrengen. Het eerste jaar eindigde met de oprichting van de Brusselse tak van Factory Records en met de release van A Certain Ratio’s Shack Up (6).

Het is niet al goud dat blinkt voor het jonge label. Ian Curtis, de zanger van Joy Division heeft gezondheidsproblemen. Op persoonlijk vlak botert het niet meer tussen Ian Curtis en zijn vrouw Debbie en op 18 mei 1980, nog voor het verschijnen van het tweede album Closer, en kort voor de geplande Amerikaanse tour, verhangt Curtis zich. De LP komt uit, maar het is de single Love Will Tear Us Apart die door velen wordt beschouwd als één van de beste “indie”-singles ooit uitgebracht. De resterende bandleden richten de groep New Order op en houden hun debuut in de Verenigde Staten. Factory Records wordt herdoopt in Factory Communications Ltd. Joy Division’s verzamelalbum Still, New Order’s eerste single Ceremony en de LP Movement zorgden voor de hoogtepunten van Factory Records in 1981, naast minder doorluchtige opnames van Minny Pops, Kevin Hewick en de Stockholm Monsters.

Van platenfirma tot danstempel tot…

Wilson en Gretton verkennen nieuwe horizonten en hebben het idee van een nachtclub. Binnen Factory Records is niet iedereen opgezet met dit idee. Martin Hannett vindt dat men het ondertussen binnenstromende geld beter investeert in een eigen opnamestudio. Echter Gretton haalt zijn slag thuis en de club komt er: The Haçienda.

De naam verwijst expliciet naar de zinsnede “The Haçienda must be built”. Een stuk uit de Engelse vertaling van het situationistische “Formulaire pour un urbanisme nouveau” dat in 1953 werd geschreven door Ivan Chtcheglov. Het zorgt voor een breuk in de hechte groep die het management van Factory Records voordien altijd was. Het is de architect Ben Kelly die de opdracht krijgt om de danstempel in te richten. New Yorkse clubs zoals Danceteria staan model. Maar het is 1981, jongeren dragen zwarte jassen en doemdenken is zowat het favoriete tijdverdrijf. Niemand zat te wachten op een danstempel. Het zal dan ook jaren duren vooraleer het concept zal aanslaan. Dit ondanks het feit dat het een architecturaal pareltje is.

Ondertussen heeft New Order een monsterhit met Blue Monday. Het wordt de meest verkochte 12″single aller tijden. Ook nu weer tekent Peter Saville voor het hoesontwerp. Winst werd er echter nooit gemaakt omwille van het feit dat het productieproces van de hoes zoveel kostte dat er per exemplaar zelfs een verlies van 2 pence werd gemaakt. Die hoes, in de vorm van een heuse floppy disk, werd wel legendarisch en is tegenwoordig een collectors item. Het was trouwens niet de eerste keer dat een hoesontwerp van Saville voor opschudding zou zorgen. Naar analogie met Guy Debord’s boek “Mémoires” werd de hoes van de LP The return of The Durutti Column ook uitgegeven in een wikkel van schuurpapier. Het idee was dat men een LP zou maken met een hoes die alle andere LP’s in de collectie zou verpulveren. In werkelijkheid was het vooral het album met de schuurpapieren hoes die problemen gaf (7).

Nauwelijks twee jaar later begint Factory met een klassieke muziekafdeling: Factory Classical. Verkopen deed het niet. Desgevraagd stelde Wilson hierover in 1996: ”With Factory Classical – ok, so no one fucking listened… actually, quite a few did but I don’t need to argue that point – we decided to package classical music as pop music. Our ideology in reverse. It was a very beautiful concept“(8). Datzelfde jaar releaste New Order het album Low Life.

Ondertussen liepen de kosten van The Haçienda hoog op en werd het pijnlijk duidelijk dat Factory eigenlijk gedragen werd door New Order. Tijd dus voor nieuw bloed. Dat werd gevonden tijdens een “battle of the bands”-wedstrijd die gehouden werd in The Haçienda. Vanuit het niets doken de Happy Mondays op en Wilson tekende hen meteen. In September 1985 kwam de eerste EP van de Mondays uit getiteld: Forty five EP. Hun eerste album Squirrel and G-Man Twenty Four Hour Party People Plastic Face Carnt Smile (White Out) debuteerde in 1987 en werd geproduceerd door niemand minder dan John Cale. Dit album werd opgevolgd door twee klassiekers: Bummed in 1988, geproduceerd door Martin Hannett en vervolgens Pills ‘n’ Thrills and Bellyaches uit 1990. Het laatste album haalde platina in het Verenigd Koninkrijk en er gingen meer dan 350.000 exemplaren over de toonbank. De ravemuziek kreeg nu vaste voet in de Britse huiskamers en ook andere groepen uit Manchester zoals The Stone Roses zette nu de toon.

Het leek er wel op dat the sky inderdaad the limit was geworden. Massale platenverkoop via New Order en de Happy Mondays en een club die nu voor de eerste keer ook veel volk begon aan te trekken. Het plaatje leek uiteindelijk te gaan kloppen bij de aanvang van de jaren negentig.

Maar schijn bedriegt. Sinds midden jaren tachtig is Factory meer en meer een bedrijf geworden zoals alle andere in de muziekindustrie en ontwikkelt het, naast een logge managementstructuur, ook dure marketingcampagnes om hun platen aan de man te brengen. Bovendien begint het label zich naast The Haçienda ook meer en meer met immobiliën in te laten. Palatine Road, waar het allemaal begon, in de flat van Alan Erasmus, wordt omgeruild voor dure kantoorgebouwen in Princess Street. Op aanraden van de bank werd Factory ook nog eens eigenaar van die gebouwen. Daarnaast investeert de platenfirma ook in de bar Dry 201. Voor de stichters is het ook een manier om iets aan Manchester en haar inwoners terug te geven. De oprichting van The Haçienda en later Dry 201 zorgden gedeeltelijk ook voor de renovatie en herwaardering van een aanzienlijk stadspatrimonium.

…Madchester

The Haçienda brengt echter nog een ander fenomeen met zich mee. Algauw zal blijken dat er met de ravecultuur ook een nieuwe drugcultuur ontstaat. Acid begint geleidelijk aan een begrip te worden alsook de bendes die erin handelen en die in de danstempel vooral een afzetmarkt zien. Zij deinzen er niet voor terug geweld te gebruiken. De tabloids beleven hoogdagen. “Madchester” wordt algauw omgedoopt tot “Gunchester”.

In mei 1990 had de politie clubmanager Paul Mason al geïnformeerd dat ze er over dachten om de vergunning in te trekken. Wilson nam George Carman, een topadvocaat, onder de arm en bekwam een uitstelling van een jaar. Het zou uitstelling van executie worden want op 30 januari 1991 besluit Wilson zelf de club te sluiten na een reeks van schermutselingen tussen zijn personeel en lokale drugbendes. Vijf maanden later wordt de club heropend, maar in 1992 valt het doek definitief. Daar zou het niet stoppen.

Op 24 november 1992 blokletterde de krant Manchester Evening News dat Factory Music gecrasht was met een schuld van meer dan twee miljoen £. Los van het mislukte immobiliën avontuur droegen ook de drugsavonturen van The Happy Mondays in Barbados (voor de LP Yes Please) hiertoe bij en ook de opnames van New Order in Ibiza leken wel eeuwig te duren. Beide albums werden herhaaldelijk uigesteld met alle kosten van dien.

De curatoren van dienst wachtte ook geen gemakkelijke taak. Immers, wat was er over te nemen van een platenfirma die altijd al gesteld had dat alles eigendom van de groep was. Bovendien werden de verliezen van The Haçienda gefinancierd met de royalties van New Order. Uiteindelijk werden onderhandelingen opgestart met Polydor en London Records. Deze leidden echter tot niets. Factory Too wordt nog opgestart door Wilson, als sublabel van London Records. Met amper 3 bands, waaronder The Durutti Column, maar zonder Hannett, Erasmus en Rob Gretton wordt het een schim van wat het vroegere Factory ooit was geweest. Enkele jaren later eindigde ook dit verhaal.

Tenslotte… wat blijft?

Enige jaren later volgt de film ’24 Hour Party People’, gemaakt door Michael Winterbottom, die heel even de glorierijke dagen van weleer doet herleven. Op dat ogenblik is Factory uitgegroeid tot een begrip, een instituut als het ware. Het sociaal experiment van een aantal idealisten is niet meer, maar gans Manchester begon er zich nu wel mee te vereenzelvigen. De kleine platenfirma die koppig weigerde om het door hen ontdekte talent naar de grote jongens van de muziekindustrie te laten gaan en die majors zelfs de duivel aandeed.

Het label dat in de nadagen van de punk werd opgericht had een hele weg afgelegd en gaf ons baanbrekend werk van Joy Division, New Order en de Happy Mondays. Toch waren er ook groepen uit Manchester die niet met hen in zee gingen: The Smiths tekenden bij die ander independent Rough trade. Ook The Stone Roses, The Inspiral Carpets en The Fall pasten voor Factory Records. Daarnaast tekende de platenfirma ook voor een aantal flops zoals To Hell With Burgundy, Stockholm Monsters en Crispy Ambulance.

Maar belangrijker is dat ze een label vorm gaven, met attitude, kunstzinigheid en echte street credibility. Bovendien plaatste het Manchester op de wereldkaart als laboratorium, niet meer naast maar in sommige gevallen zelfs boven London. Dat Manchester op enkele jaren tijd geworden is tot de hippe stad die het nu is in plaats van die grauwe plaats uit de jaren zeventig is voor een groot stuk te danken aan de wolkenridders en luchtfietsers van Factory Records.

Het was Jürgen Habermas die ooit schreef dat als de utopische oasen opdrogen, er een woestijn van banaliteit en radeloosheid ontstaat. In de begin van de jaren negentig zijn die utopische oasen inderdaad gedeeltelijk opgedroogd.

(Dit artikel is eerder verschenen bij Aktief, het ledenblad van het Masereelfonds, jrg. 2011, nr. 3)

New Order speelt op 17 oktober in de AB in Brussel een benefietconcert ten voordele van hun goede vriend Michael Shamberg, artiest en filmproducer, die lijdt aan een slepende ziekte sinds 2005. Het concert is uitverkocht.

Aanbevolen boeken

Mick Middles, Factory. The Story of the Record Label, Virgin Book, London, 2002, 452 pag. , ISBN 9780753518250 Matthew Robertson, Factory Records. The Complete Graphic Album, Thames & Hudson, London, 2006, 223 pag., ISBN 978 0 500 28636 4 James Nice, Shadowplayers. The Rise and Fall of Factory Records, Aurum Press Limited, Lancashire, 2011, 560 pag. ISBN: 978 1845136345
Noten:
(1) Zie ook: David Nolan, I Swear I Was There. The Gig That Changed The World, Independent Music Press, Shropshire, 2006, 188 pag., ISBN 0-9549704-9-7 (2) Over Tony Wilson zie ook : David Nolan, You’re Entitled to an Opinion… The High Times and Many Lives of Tony Wilson, Factory Records and The Haçienda, John Blake Publishing, London, 2009, 274 pag. ISBN 978-1-84454-863-7 en Tony Wilson, 24 Hour Party People. What The Sleeve Notes Never Tell You, Channel 4 Books, London, 2000, 256 pag., ISBN 978-0-7522-2025-3 (3) Genoemd naar José Buenaventura Durruti Dumange (1896 –1936), de Spaanse anarchistische voorman
(4) Van het laatste optreden werd door Virgin Records nog een lp uitgebracht, “Short Circuit (Live At The Electric Circus )” Het was een verzamelalbum met daarop o.a. The Fall, John Cooper Clarke, Joy Division, The Drones, Steel Pulse en The Buzzcocks
(5) Over het werk van Peter Saville zie ook: Designed by Peter Saville, Princeton Architectural Press, New York, 2003, 191 pag. , ISBN 1 568984227, met bijdragen van Miranda Sawyer, Paul Morley, Rick Poynor en anderen en zie ook: Peter Saville Estate 1-127, Migros museum für gegenwartskunst, Zurich, 2007, ISBN 978-3-905701-66-1
(6) Factory Benelux werd opgericht in samenwerking met het al even legendarische Les Disques Du Crépuscule. Een platenfirma die in 1980 werd opgericht door Michel Duval en Annik Honoré, de vriendin van Ian Curtis. In 2004 werd het label op non actief gezet. Tot de catalogus van de platenfirma behoort o.a. werk van Isabelle Antena, Paul Haig, Anna Domino en Blaine L. Reininger.
(7) Zie ook : http://en.wikipedia.org/wiki/M%C3%A9moires
(8) Mick Middles, Factory. The Story of the Record Label, Virgin Book, London, 2002, pagina 279

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!