Nieuws, Europa, Samenleving, Politiek -

De ideologie van de PVV (deel 8)

Deze serie beschouwingen handelt over het boek 'De schijn-élite van de valse munters' van PVV’er van het eerste uur Martin Bosma, vertrouweling van PVV-leider Geert Wilders. Dit achtste deel van de serie, dat enigszins literair gekleurd is, handelt over wat er gebeurt als monoculturalisme de heersende ideologie in een land wordt.

dinsdag 4 oktober 2011 13:03

De gezelligheid zal verdwijnen

Hoofdstuk 13 van De Schijn-élite draagt dezelfde titel als deze achtste aflevering in de reeks: ‘De gezelligheid zal verdwijnen’. Martin Bosma gaat in dat hoofdstuk in op het in 1991 verschenen werk van Mohamed Rasoel, een pseudoniem, getiteld De ondergang van Nederland. Het boek zorgde indertijd voor een hele rel, ook al beweert Bosma dat “de pers nauwelijks aandacht aan de zaak besteedde” en “geen partij er Kamervragen over heeft gesteld” (p. 185). Bosma vat De ondergang van Nederland als volgt samen:

“Het boek is een bijna kinderlijk verhaal over een moslim (de ik-persoon) die emigreert naar Nederland en daar vaststelt hoe naïef Nederland is over de islamisering. Het land stelt alles in het werk om het de mohammedanen naar de zin te maken. Want anders is het discriminatie, en dat is het ergste wat er is. De islam maakt van onze vrijheid gebruik om zich te nestelen in het Westen. De onderliggende gedachte van het boek is keihard: de islamisering zal ons diep treffen en het einde van Nederland betekenen. Maar we zijn vooral onze eigen grootste vijand” (p. 183).

Rasoel voorspelt in zijn boekwerk dat de islamisering resulteert in diverse negatieve effecten waaronder de volgende: homoseksuelen zullen niet meer voor hun homoseksualiteit durven uitkomen; naaktheid en andere overtredingen tegen de islam zullen op televisie en in het openbaar verboden worden; er komen nieuwe nationale wetten naar de wensen van moslims; gebruik van alcohol in het openbaar wordt verboden; de onschuldige blik in de ogen van de Nederlander zal verdwijnen en ten slotte: de gezelligheid, het gevoel voor humor, de vrijheidszin van de Nederlanders zullen verdwijnen (p. 184). Het hoeft geen betoog dat Bosma Mohamed Rasoel als een roepende in de woestijn beschouwt al heb ik nu niet direct het gevoel dat al die voorspellingen zijn uitgekomen, 20 jaar na dato.

Steekwoord voor mij in de betogen van Rasoel en Bosma is de gezelligheid. Die zal verdwijnen. Over juist die gezelligheid heb ik een aantal jaren geleden een verhaal geschreven in de eerste en vooralsnog ook laatste verhalenbundel die van mijn hand verschenen is: Welcome to the club en andere verhalen over cultuur, politiek en religie (Amsterdam, El Hizjra, 2003). Ik laat de lezer graag het oordeel over mijn eigen verhaal. Wat ik er wel over kan zeggen is dat ik indertijd de gedachte had de werelden om te keren en vast te stellen dat het in wat voor context dan ook maar, altijd “minder gezellig” wordt als één religie of één ideologie een land of volk beheerst. Enfin, oordeelt u zelf. Het verhaal draagt als titel Nieuwe gezelligheid.

Nieuwe gezelligheid

“Geniet ervan, jongens, het is vast de laatste keer.” Boer Tjedde schepte nog maar eens van de erwtensoep op aan zijn vrouw Betty en hun zes kinders. Hij en zijn oudste zoon hadden zich voor de maaltijd al te goed gedaan aan de jenever en zijn vrouw had met genoegen een glaasje advocaat weggelepeld. Het was een dikke, vette soep, de varkenspoten dreven rond en de rookworst stak eruit. Er was roggebrood, besmeerd met reuzel en tijdens de maaltijd dronk iedereen huisgebrouwen bier. Het eten smaakte heerlijk, het was net als vroeger thuis, in het land van herkomst, en het was bovenal gezellig. Na de maaltijd serveerde boerin Betty koffie, er kwam bezoek, en dus werd er maar weer een borreltje geschonken. Al snel kwam het gesprek op de politieke situatie in het land. Met die goeie ouwe gezelligheid zou het weldra wel eens gedaan kunnen zijn als het zo doorging. Er was geen houden meer aan, dat was wel duidelijk.

En het was ook afgelopen. Diezelfde dag werd de unificatiewet aangenomen door het parlement. Er waren verhitte en vurige debatten aan vooraf gegaan. De oppositie was ertegen tekeer gegaan en even leek het of de regeringspartijen toe zouden geven. De premier, gesteund door het paleis, dreigde echter met een kabinetscrisis en de gelederen werden weer gesloten. De unificatiewet kwam erdoor. Het was gedaan met de pluriformiteit in de maatschappij. Zo gauw de wet in de staatscourant gepubliceerd was, zouden alle inwoners van het koninkrijk verplicht zijn in het openbare leven de nationale taal te spreken en zich te houden aan de waarden en normen van het land betreffende voedsel en kleding naast tal van andere regels. De premier had erop gewezen dat er geen andere weg naar een vreedzame samenleving was dan die de unificatiewet zou voorschrijven.

De zogenaamde pluriformiteit in de maatschappij had niet tot wederzijdse acceptatie of grotere harmonie geleid, integendeel, zij had de verschillen tussen de bevolkingsgroepen uitvergroot en het al in de kiem aanwezige wantrouwen versterkt. Culturele diversiteit had geleid tot verdeeldheid. De spanningen liepen hoog op, de debatten op radio en televisie werden allang niet meer met wederzijds respect gevoerd, wijken en buurten raakten gesegregeerd. Alom werd door de autochtone bevolking geroepen om een terugkeer naar de eigen waarden en normen die het koninkrijk zo’n roemrucht en groots verleden hadden geschonken. Het was dan ook welhaast een godsgeschenk dat bij de laatste verkiezingen partijen aan de macht gekomen waren, die pleitten voor een herstel van de eigen, oorspronkelijke identiteit van volk en samenleving.

Deze partijen waren echter realistisch genoeg om de dialoog aan te gaan met de in het land verblijvende migranten. Zij wisten hen ervan te overtuigen dat ten behoeve van een vreedzame samenleving het van het grootste belang was tot een algemeen aanvaard normen-en waardensysteem te komen: het normen- en waardensysteem van het eigen land. De migrantenorganisaties hadden zich ten langen leste neergelegd bij het regeringsinitiatief inziend dat verzet ertegen alleen maar zou leiden tot grotere polarisatie en dat het instemmen ermee de spanningen in de maatschappij zou kunnen doen verminderen. En dat laatste was uiteindelijk wat met name zij hard nodig hadden.

Diep in hun hart begrepen de migranten ook wel dat de ontwikkelingen onvermijdelijk waren. Na 50 jaar in het nieuwe land gewoond te hebben, spraken velen nog steeds de nationale voertaal niet of nauwelijks; van lezen en schrijven in die spaghettiletters, zoals ze vaak denigrerend werden genoemd, was al helemaal geen sprake. Indertijd waren de mensen niet zozeer uit belangstelling naar het zuiden geëmigreerd; het was de benauwde situatie in het eigen laag liggende koninkrijk in het noorden geweest die ze tot de uittocht dwong.

De wereldwijde klimaatverandering deed de zeespiegel voortdurend stijgen en aangezien veel boerderijen diep onder het zeewaterpeil lagen, liepen deze groot gevaar bij storm¬vloeden. De waterschapsautoriteiten, die onder het voorzitterschap van de majesteit van de Lage Landen zelve stonden, hadden zo¬genaamde overloopgebieden aangewezen als het water geen uitweg meer zou weten bij grote regenval of hoog water; stond je bedrijf niet in zo’n gebied dan was er nog niet veel aan de hand maar diezelfde autoriteiten hadden ook besloten stukken land “terug te geven aan de zee, de oorspronkelijke eigenaar”. Waren ze nu hele¬maal gek geworden? Hadden dijken en waterwerken het koninkrijk van herkomst juist niet groot gemaakt? De plannen voorzagen in het opgeven van maar liefst vijf procent van het grondgebied van het land ten gunste van de zee.

Dat alleen al dwong vele duizenden agrariërs hun tering en nering op te geven en hun heil elders te zoeken. Maar ook de kosten voor het onderhoud van die dijken en waterwerken die gehandhaafd werden rezen de pan uit en ook die kregen landbouwers en boeren op hun conto. De belastingdruk werd ondraaglijk zwaar. Toen dan uiteindelijk een allesverwoesten¬de stormvloed het land trof was voor velen de maat vol. De mensen gingen om zich heen kijken, naar landen waar je nog met plezier kon boeren. En die bleken er volop maar ze waren wel ver weg.

Door diezelfde klimaatverandering waren landen die tot voor kort last hadden van droogte door het uitblijven van regen, veranderd in weelderige groene oorden: het was er geleidelijk aan veel natter geworden. Steppes verdwenen en veranderden in lustige groene weiden; op dorre heuvels ontstonden bossen van dennen en loofbomen. Een en ander voltrok zich langzaam maar de ver¬anderingen bleken van blijvende aard. De landen die vanwege droogte en misoogsten altijd voorraadschuren waren geweest van emigranten, begonnen nu zelf migranten aan te trekken.

Het was een perfecte combinatie: de boeren uit de zo zeer bedreigde Lage Landen aan de zee, met al hun ervaring in landbouw en veeteelt waren meer dan welkom de grond te gaan bewerken of vee te gaan houden in de eertijds zo arme en dorre landen in het zuiden. Er werden migratie-akkoorden gesloten en zo ontstond een arbeidsstroom in een tegenovergestelde richting, van noord naar zuid, en omdat boeren nu eenmaal niet zonder vrouwen en kinderen kunnen, gingen dezen gewoon mee.

In het nieuwe land leefden de migranten voornamelijk in verafgelegen gebieden, veelal dichtbij elkaar. Er vormden zich gemeenschappen van mensen die elkaar nog kenden uit het oude land. Vanzelfsprekend gingen de kinderen naar de plaatselijke scholen maar ook kwam er een eigen cultureel leven tot bloei. Klaverjasclubs, toneelverenigingen, zelfs fanfarekorpsen werden opgericht.

De mensen zochten elkaar op zoals ze dat in het oude land ook gewoon waren. Het toverwoord was gezelligheid; en werd over het woord gezelligheid in het moederland wat lacherig gedaan, in het nieuwe land kreeg het een dodelijk ernstige lading. De mensen deden er alles aan om in de nieuwe omstandigheden een gezellige sfeer vorm te geven. Maar daarmee ontstonden er grote conflicten met de autochtone buren. Want gezelligheid impliceerde het drin¬ken van alcohol en het houden van barbecues met onder andere varkensvlees en daar ging het mank: het nieuwe land kende geen traditie van alcohol of varkensvlees.

Integendeel, de heersende religie en tradities verboden beide. Nu namen de autoriteiten van het nieuwe land het niet zo nauw met het schenken van alcohol, in elke stad was wel een ‘kroeg’ te vinden, maar het openlijk gebruiken ervan, al was het in de eigen tuin, was zeer tegen het zere been. Nog meer verzet was er tegen het nuttigen van varkensvlees. De nieuwe boeren waren erin geslaagd, God mag weten hoe, om biggetjes mee te nemen en die waren ze gaan telen. Elke boerderij had wel een kleine varkensstal voor eigen consumptie want de nieuwe boeren hadden natuurlijk goed begrepen dat er in het nieuwe land geen markt voor varkensvlees was.

De autoriteiten lieten in eerste instantie de zaken op hun beloop. De boeren waren harde werkers en brachten het eertijds zo dorre land tot bloei; “we kunnen ze maar beter niets in de weg leggen” zo was het credo maar daar hadden ze buiten de autochtone waard gerekend. Deze verzette zich met kracht tegen het drinken van bier, wijn en vooral jenever, en het eten van varkenskoteletten die tot het dagelijkse menu behoorden van de nieuwe migranten: dit alles was tegen de tradities van het land en de regels van het geloof. Al sluimerend ontstond er een anti-migrantenbeweging onder de bevolking. De overheid wenste daar echter geen aandacht aan te besteden of bewees lippendienst aan de klachten van de bevolking door loze beloftes te doen of onderzoekscommissies in te stellen.

Het koninkrijk in het zuiden verdronk inmiddels onder de grote stromen van met name agrarische migranten met hun vrouwen en koters en omdat ze het land zoveel welvaart brachten werd een oogje toegeknepen voor hun afwijkende eet- en drinkgewoontes. En als dat nu alles was wat getolereerd moest worden dan was dat nog wel te overzien, er was echter meer: de vrouwen van de migranten gedroegen zich wel erg vrijpostig en zonder enig gevoel voor schaamte of respect spraken zij vaak op hoge toon ambtenaren aan – in een overigens tenen krommend slechte beheersing van de nationale voertaal – en legden hun eisen op tafel waar het ging om allerlei overheidsvoorzieningen.

Ook waren er vrouwen bij, al waren het er niet veel, die in de zomer naar zwembaden en stranden togen waar ze er geen been inzagen om met ontbloot bovenlijf van de zon te genieten. Dat leidde tot onrust onder de eigen bevolking en van tijd tot tijd zelfs tot handgemenen. Een nog groter probleem werden de allochtone jongeren op basisscholen en scholen van het voortgezet onderwijs. Ze spraken de taal van het nieuwe land niet of nauwelijks, weigerden op te staan bij binnen¬komst van de leraar of lerares in de klas, stonden te giechelen bij de ceremonie van het hijsen van de nationale vlag en ze gedroegen zich vaak ronduit agressief tegen hun medeleerlingen.

De maatschappij raakte in beroering; de regering moest nu toch echt optreden. Zij beraadde zich, voerde overleg, stelde talloze commissies in en kwam uiteindelijk tot actie. Maar het was niet het type actie dat de eigen bevolking zo vurig wenste. Onder het vaandel van solidariteit kwam de overheid de migranten namelijk tegemoet. Er werden aparte regelingen ingesteld voor het drinken van alcohol en het eten van varkensvlees: beide werden in de privésfeer toegestaan, zelfs buiten in de tuin, en op besloten feesten. Wel moesten de varkens ritueel geslacht worden volgens de gewoontes van het land en door eigen slachters. Om de gang naar postkantoor en gemeentehuis te verlichten werden voorlichtingsbrochures over tal van onderwerpen in de eigen taal ontwikkeld: Het belang van maagdelijkheid van meisjes; Hoe werkt veelwijverij in de praktijk?;

Wat zijn de namen van de maanjaarmaanden? Daarbij werd overigens rekening gehouden met de dialecten van het land van oorsprong – de boeren waren meest dialectsprekers –, zodat folders in het Saksisch, Twents en West-Stellingwerfs ter beschikking kwamen. Op basisscholen werd voorzien in lessen eigen taal en cultuur waarvoor leraren uit de moederlanden werden geworven. Dezen moesten nu echter wel de diverse dialecten van het land van herkomst onderwijzen in plaats van de standaardtaal want de dialecten “waren de moedertalen van de kinderen en stimuleerden de communicatie thuis”.

Vrouwen werd op aparte uren toegestaan gebruik te maken van zwembaden en stranden, gekleed zoals zij maar wensten en er werden subsidies gegeven voor het leren rijden op kamelen, zoals dat gebruikelijk is op het platteland van het koninkrijk. Het was een serie maatregelen die de nieuwkomers zou moeten helpen zich thuis te voelen in het nieuwe land. Maatregelen die ook het inmiddels bijna ‘heilige’ begrip gezelligheid zouden beschermen en opnieuw vorm geven.

Toch werkte het niet. De gevolgde politiek leidde niet tot het bestendigen van de nieuwe gemeenschappen in de maatschappij en de wrevel bij de eigen bevolking werd alleen maar groter. De migranten en hun kinderen interpreteerden de verkregen vrijheid wel heel ruim. Meer dan eens werden ze met alcohol op de openbare weg aangetroffen en ze openden zelfs varkensshoarmatenten waar onder de toonbank ook nog, tegen forse prijzen, spiritualiën verkregen konden worden. Wat ook ergerlijk was, was dat ze in gemeentehuizen en ziekenhuizen, gesteund door tolkendiensten en eigen taalfolders en -brochures, gewoon hun eigen taal bleven spreken en vaak ook in koffiehuizen en restaurants: je kon ze gewoon niet verstaan, waar hadden ze het over?

De maatregelen versterkten weliswaar de eigen identiteit van de nieuwe land¬bewoners en hun kinderen maar er was bij hen geen enkele neiging te registreren om de voertaal van het land te leren. Ook vatten de nieuwkomers nauwelijks interesse op voor de tradities, religie en waarden en normen van de oorspronkelijke bewoners. Natuurlijk waren er die zeer welbespraakt raakten in de landelijke voertaal en sommigen gingen er zelfs boeken en gedichten in schrijven, de overgrote meerderheid echter – let wel, het waren meest boeren – behielp zich met een enkel woord en trok zich terug op boerderij of in eigen wijken. Met deze politiek was de maatschappij niet geholpen. Integendeel.

De verschillen werden groter en groter; het onderlinge wantrouwen groeide; de ergernissen over en weer vloeiden over in wederzijdse agressie. De samenleving bleek duidelijk niet gebaat bij het waarderen van culturele diversiteit. En toen dan ook nieuwe verkiezingen plaats hadden gevonden en een nieuwe regering was gevormd, werd de al eerder gehoorde roep van het volk om handelen gehonoreerd in de vorm van de unificatiewet. Het was gedaan met de aparte regelingen betreffende alcohol en varkensvlees: de productie en het gebruik ervan waren van nu af aan verboden. Het eigen taalonderwijs werd met onmiddellijke ingang afgeschaft: van de migranten werd verwacht dat zij de nationale voertaal binnen korte tijd zouden leren en gebruiken. En zo voorzag de nieuwe wet in een lange reeks maatregelen en verordeningen.

“Nou, eet smakelijk”, wederom zat boer Tjedde met zijn gezin aan de dis maar het enthousiasme van weleer was verdwenen. Het bleef namelijk tobben, erwtensoep getrokken van schapenvlees: het was even vet als varkensvlees maar de smaak verschilde hemelsbreed. Met lange tanden aten de boer en zijn gezin van de schapenerwtensoep. Bovendien was er in geen velden en wegen meer jenever of advocaat te krijgen en ook bier was onvindbaar. 

Op illegaal stoken of brouwen stond, na een eerste berisping en een tweede geldboete, een straf van openbare stokslagen en dat was geen pretje. Om zijn gezin te beschermen had boer Tjedde daarom maar afgezien van de koop en het gebruik van alcohol. Het moge verder duidelijk zijn dat de nu gedronken rode bessensap nauwelijks een aanvaardbaar alternatief was voor de smakelijke alcoholische dranken. Zo werd de maaltijd zonder het gebruikelijke rumoer genuttigd en toen, bij de koffie, de buren weer op bezoek kwamen, ging het gesprek al gauw over het dramatisch veranderde dagelijkse leven. Wat je er ook van dacht, zo constateerde iedereen, en of je nu voor of tegen de unificatiewet was: gezellig was het in het nieuwe land allang niet meer.

Jan Jaap de Ruiter (www.janjaapderuiter.eu en @janjaapderuiter) is arabist aan de Universiteit van Tilburg. 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!