Foto: Collectie Universiteitsarchief Gent
Nieuws, Cultuur, België, Geschiedenis, Gent, Universiteit, Gent, Tiens tiens, Plaatsen van herinnering, UGentMemorie, Fien Danniau -

UGentmemorie: De Sterre

GENT - Het stedelijke landschap van Gent en het collectieve geheugen van de Gentenaars bevatten tal van verwijzingen naar de universiteit en haar gebouwen, studenten en professoren. UGentMemorie gaat op zoek naar deze plaatsen van herinnering en onderzoekt het gemeenschappelijk geheugen van stad en universiteit.

maandag 26 september 2011 17:20

Niets lijkt te kloppen aan De Sterre: de vijf monolieten zijn te grijs, de grasperken te uitgestrekt, de verbindingswegen te rustig, het contrast met de omgeving te radicaal.

De Sterre is een wat bevreemdende enclave in de stad die in tegenstelling tot de naburige campus van het Universitair Ziekenhuis nauwelijks stedelingen over de vloer krijgt. De vervreemding tussen stad en universiteit lijkt hier totaal.

Dat heeft veel te maken met het tijdsgewricht waarin de campus werd neergepoot. Universiteiten en wetenschap ondergingen in de jaren 1950 en 1960 een immense schaalvergroting en dat had repercussies voor de relatie van de universiteit met de stad.

Met De Sterre trok de universiteit zich fysiek terug uit de stad en creëerde ze een ideële en geïsoleerde site waar aan suprastedelijk en zelfs supranationaal onderzoek kon worden gedaan.

Een campus voor de Nieuwe Universiteit

In 1817 kan niemand vermoeden dat de prestigieuze maar kleinschalige – in haar eerste academiejaar telt de UGent slechts 190 studenten – onderwijsinstelling zal uitgroeien tot een onderzoeksmastodont met 32.000 studenten.

Vanaf het einde van de 19de eeuw overstijgt de universiteit het stedelijke niveau en tijdens het interbellum komt het daarenboven tot een ideologische wig tussen de vernederlandste UGent en Gand français.

Maar de echte kentering in de stads- en universiteitsgeschiedenis komt er na de Tweede Wereldoorlog. Net als alle andere Europese universiteiten wordt de UGent dan geconfronteerd met een schaalvergroting die de verhouding met de stad onder druk zet.

Dankzij een nieuw studiebeurzensysteem stijgt het studentenaantal van 2.200 in 1945 tot 12.200 in 1970. Dat is een vervijfvoudiging! Om de studentenstroom op te vangen, zijn niet alleen meer auditoria, leslokalen en laboratoria nodig. De universiteit moet de stad ook bijspringen in woon- en eetvoorzieningen en bouwt homes en restaurants.

De groei van de naoorlogse universiteit beperkt zich niet tot de studenten- en personeelsaantallen. Wetenschappelijke doorbraken op het vlak van (kern)fysica, genetica en geneeskunde kunnen slechts verwezenlijkt, of zelfs maar bijgebeend worden, als onderzoekers, universiteiten en landen hun wetenschappelijke en financiële krachten bundelen en de laboratoria en onderzoeksgroepen anders organiseren.

Big Science, de hoogleraar-manager en publiek-private geldstromen doen hun intrede en luiden een nieuw wetenschappelijk tijdperk in. De breuk met het verleden wordt door tijdgenoten zeer expliciet ervaren en elke eerstesteenlegging of inhuldiging is voor Gentenaars en academici een fysieke confrontatie met de Nieuwe Universiteit.

Passend bij hun moderniseringsideeën dromen de universiteiten van monofunctionele sites, waar onderzoekers en studenten zich onbegrensd en onbelemmerd kunnen terugtrekken om aan wetenschap te doen.

Dat campusmodel komt overgewaaid uit de Verenigde Staten en wordt in de jaren 1960 en 1970 duchtig gekopieerd door Europese universiteiten die er een finale oplossing in zien voor alle uitdagingen van de Nieuwe Universiteit. Ook de UGent laat zich verleiden door het model.

Behalve allerlei grijze en functionele uitbreidingen van de sites in de Voldersstraat, Sint-Pietersnieuwstraat en Ledeganck ontgint de universiteit daarom nieuwe uitgestrekte terreinen in het zuiden van de stad.

De zuidelijke stadsrand

Het gebied ten zuiden van de 17de eeuwse stadsomwalling is tot in de 20ste eeuw zeer landelijk gebleven. De boeren van ‘Sint-Pieters-Buiten’ – zoals deze buurt heet – leven er van de opbrengst van de groenteverkoop in de Gentse industriestad. Hun rustige leventje wordt in de 19de eeuw enkel verstoord door de spoorlijn Gent-Kortrijk, de huidige De Pintelaan en het militaire oefenterrein de Galgenkouter.

Defensie heeft er wel van gedroomd om in de buurt een nieuwe kazerne te bouwen, maar is niet verder gekomen dan het aanleggen van enkele straten met militaire namen zoals Krijgslaan, Onafhankelijkheidslaan en Vaderlandstraat.

Vanaf het begin van de 20ste eeuw krijgt de Gentse bourgeoisie, op de vlucht voor de verstikkende fabrieksrook in het stadscentrum, de buurt in het vizier. Twee gebeurtenissen luiden de toekomst van Sint-Pieters-Buiten als residentiële stadswijk in: de komst van het Sint-Pietersstation in 1910-1913 en de Wereldtentoonstelling in 1913.

Na de Eerste Wereldoorlog verkavelt het stadsbestuur het tentoonstellingsterrein tot een elitaire burgerwijk met alleenstaande woningen omringd door groen en hekwerk: het Miljoenenkwartier.

Nog zuidelijker dan het Miljoenenkwartier tekent Fritz Coppieters een plan voor het Quartier du Sterre volgens het ‘tuinstadidee’, waarbij alleenstaande en koppelwoningen worden ingepland in een groen kader. De suburbanisatie van Gent heeft zich ondertussen ingezet: in het midden van de 20ste eeuw transformeert de volledige rand rond Gent tot een lappendeken van buitenwijken.

Net zoals de universiteit met haar futuristische campussen een antwoord formuleert op de uitdagingen van de Nieuwe Universiteit, ziet de stad heil in megalomane infrastructuurwerken om de Nieuwe Stad te ontsluiten. In 1956 wordt het viaduct van de E40 (toen E5) en in 1960 dat van de E17 (toen E3) in gebruik genomen.

Tussen 1965 en 1969 wordt – met de hulp van de UGent-ingenieurs – de Ringvaart gegraven als alternatief voor de bochtige binnenwateren.

Op zoek naar cohesie

Het is dus niet zo verwonderlijk dat de universitaire campussen uiteindelijk in dat moderne, maar open zuiden van de stad terechtkomen. Evenmin is het verbazend dat het de faculteiten Wetenschappen en Geneeskunde zijn die er zich terugtrekken: zij ondervinden de meest ingrijpende evoluties en worden geconfronteerd met een aanhoudende stroom van gesofisticeerde en omvangrijke apparatuur.

Als de nood op zijn hoogste is, kan rector Jan Gillis aan het begin van de jaren 1960 de overheid overtuigen om het militaire oefenterrein van de Galgenkouter, een terrein van 2,5 hectare, te herbestemmen als campus voor de Wetenschappen. De eerstesteenlegging volgt op een steenkoude 18 februari 1963 en twee jaar later kan het laboratorium voor Kristallografie en Studie van de Vaste Stof als eerste campus De Sterre betrekken.

Uiteindelijk verrijzen er vijf grote blokken, het stervormige S8-gebouw en verschillende schuren, loodsen, werkplaatsen en bijgebouwen. De onderzoeks- en onderwijssite zal in de loop van de jaren aangevuld worden met allerlei faciliteiten voor personeel en studenten. Vlakbij de Sterre en het Academisch Ziekenhuis bouwt de universiteit in 1966 Home Astrid en Home Boudewijn en sinds 1971 kunnen de studenten en het personeel van de Sterre terecht in een eigen studentenrestaurant.

Net als bij de andere gebouwen die de universiteit in de jaren 1960 en 1970 bouwt, primeren snelheid, prijs en functionaliteit boven architecturale klasse of stedelijke integratie. De grijze monolieten versterken het isolement van de Sterre en er is, anders dan bij de sites in het stadscentrum, nauwelijks sprake van een sprankelende stedelijke of studentikoze omgeving.

Het verklaart waarom studenten op het einde van de jaren 1990 niet staan te springen voor de bouw van een nieuw, modern home bij de Sterre. Maar de universiteit moet zich opnieuw schikken naar de hoogdringendheid en de financiële en ruimtelijke beperkingen.

Home Bertha De Vriese, genoemd naar de eerste vrouwelijke arts die afstudeerde aan de Gentse universiteit, heeft uiteindelijk wel een veel menselijker en groener uitzicht gekregen dan haar voorgangers.

Stad van kennis en cultuur

Hoewel de academische bestuurders er in de jaren 1950 en 1960 van droomden, is de UGent geen campusuniversiteit geworden. Ze spreidt zich na bijna 200 jaar geschiedenis in tientallen adressen uit over Gent en zijn buurgemeenten.

In het scharnierjaar 1968 sprak rector Pieter Lambrechts profetische woorden: “Wij doen er goed aan de Universiteit in het Gentse stadsbeeld te houden. Uiteindelijk zal blijken, ik ben ervan overtuigd, dat, ondanks een ogenschijnlijke dispersie, een gelukkige en logische combinatie tot stand wordt gebracht die evenzeer aan de stad Gent als aan de Universiteit ten goede zal komen”.

Vandaag zijn stad en universiteit ruimtelijk en economisch met elkaar vergroeid. Omdat een leven zonder elkaar niet denkbaar is, trachten beide hun mobiliteits-, huisvestings-, cultureel en sociaal beleid in overleg uit te bouwen.

Aangejaagd door de almaar stijgende studentenaantallen is de UGent opnieuw ijverig aan het bouwen en verbouwen. De focus ligt in deze episode op de site van de Sint-Pietersnieuwstraat, de verbindingsas tussen de ‘oude universiteit’ in de Voldersstraat en de zuidelijke campussen. De relationele kentering vertaalt zich andermaal in een ruimtelijke ontwikkeling.

Fien Danniau

Fien Danniau is als historica verbonden aan het Instituut voor Publieksgeschiedenis van de UGent.

UGentMemorie is het virtuele geheugen van de UGent. Het brengt herinneringen, geschiedenissen en erfgoed van de universiteit bij elkaar. Rode draad doorheen UGentMemorie is de impact van stad, maatschappij en wetenschap op de universiteit en vice versa.
UGentMemorie is een initiatief van de vakgroep Geschiedenis en het Instituut voor Publieksgeschiedenis. Het is gegroeid uit het Wetenschap- en Maatschappijproject August Vermeylen (1872-1945) en zijn netwerken. Intellectuele sociabiliteit rond de Gentse universiteit tijdens het fin de siècle en interbellum, promotor prof. dr. Gita Deneckere (UGent), copromotoren prof. dr. Christophe Verbruggen (UGent) en prof. dr. Hans Vandevoorde (UGent/VUB).

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!