De moord op rebellencommandant Abdal Fatah Younes blijft een raadsel. Is er een link met Al-Qaida?
Nieuws, Wereld, Afrika, Politiek, Libië, Bloedbad, Bewapening, Al-Qaida, Tripoli, Rebellenbeweging, Kolonel Muammar Khaddafi, Benghazi, Huurlingenleger, NAVO-bombardementen, Lizzie Phelan, Zwarte Libiërs, Beni Walid, Wafalla-stam, Abd al Fatah Younes, Burgerdoden -

Hoe de angst Tripoli overmeesterde. Een getuigenis

"Het is niet eenvoudig om te midden van alle media-aandacht voor de bevrijding van Tripoli uit de greep van het Khaddafi-regime een duidelijk beeld te krijgen van de stand van zaken onder de nieuwe heersers", schrijft Lizzie Phelan, een freelance journaliste die een cruciale maand in Tripoli doorbracht.

dinsdag 20 september 2011 18:23

Nadat ik samen met 35 andere buitenlandse journalisten bevrijd was van vijf dagen opsluiting in het Rixos-hotel in Tripoli was het moeilijk te geloven dat de straten waar ik door reed dezelfde waren als de straten waarmee ik vertrouwd was geraakt gedurende de maand die ik in Tripoli had doorgebracht.

De voorheen drukke straten waarin gezinnen haastig onderweg waren naar en van het strand en zich voorbereidden op de maaltijd om de vasten te breken, zijn leeg. De groene vlaggen van Khaddafi’s revolutie zijn ingeruild voor vlaggen van de rebellen. De zeldzame controleposten die vroeger bemand waren door mannelijke en vrouwelijke vrijwilligers, meestal wijkbewoners met kalasjnikovs, zijn nu vervangen door controleposten om de 100 meter waarbij tanks staan opgesteld met alleen mannelijke strijders die in het bezit zijn van geavanceerde wapens, geleverd door ’s werelds sterkste militaire macht, de NAVO.

Vermeende huurlingen zijn slachtoffer

De trotse jonge zwarte Libiërs die hun wijken beschermden, zijn er nu niet meer. Later zagen we dat hun foto’s werden verzameld en bevestigd aan pick-uptrucks. Dit gebeurde gedurende de voorbije maanden enkel in plaatsen onder controle van de rebellen zoals Benghazi en Misrata. Zij zijn het slachtoffer van de bewering dat kolonel Khaddafi Afrikaanse huurlingen in dienst had. Een bewering die wegens het gebrek aan bewijsmateriaal meermaals door mensenrechtenorganisaties werd ontkend.

Maar in het nieuwe Libië behoren de zwarte Libiërs en migranten uit Sub-Sahara Afrika tot de eersten – samen met de leden van de grootste stammen Wafalla, Washafana, Zlitan en Tarhouna – die worden verdacht van steun aan Muammar Khaddafi, een misdaad die wordt bestraft met de dood of erger.

Een konvooi van het Rode Kruis brengt ons naar het Corinthia-hotel. Toen ik hier tijdens een vorige reis slechts een maand geleden verbleef, stonden er enkel twee of drie gewapende wachten aan de ingang. Nu lopen er overal mannen met door de NAVO en Qatar gestuurde wapens en slechts een handvol overrompelde en uitgeputte personeelsleden zijn overgebleven.

“Libië is zoals onze moeder”

Later zag ik enkele Libische gezichten die ik herkende, nu met een getraumatiseerde blik in de ogen. “Hoe gaat het?”, vroeg ik een van hen. “Hij is nog steeds in onze harten”, antwoordde zij. Toen we daarna meer tijd hadden voor een privégesprek, stortte ze in. Ze verontschuldigde zich terwijl ze huilde. Ze vertelde dat het onmogelijk was om met iemand te spreken. “Libië is zoals onze moeder, maar we kunnen niet meer met onze moeder praten.”

Als lid van de Wafalla-stam uit Beni Walid, wist ze dat zij en haar familie op elk moment konden worden aangehouden, enkel en alleen omdat de Wafalla-stam trouw steun was blijven bieden aan Muammar Khaddafi, die ze hun ‘leider’ noemen. “Mensen uit Beni Walid zijn altijd erg trotse, gulle, bescheiden en waardige mensen geweest”, zegt ze. “Onder die [rebellen]vlag van koning Idris moesten we de voeten van de koning kussen voor we met hem konden spreken. Nu keren we terug naar die tijd.”

Zij was een van de velen die me hadden gewaarschuwd niet op te vallen en Tripoli zo snel mogelijk te verlaten. Ik was een van de weinige verslaggevers die zich concentreerden op de gevolgen van de NAVO-bombardementen in Libië. Voorts had ik geprobeerd aandacht te besteden aan de vele betogingen en tribale massabijeenkomsten ten voordele van de Libische overheid, waaruit blijkt dat deze niet zo onpopulair is bij een deel van de Libische bevolking zoals wel eens wordt beweerd.

Verbanden komen aan het licht tussen de rebellen en al-Qaida

Ik had ook pogingen ondernomen om de verbanden aan het licht te brengen tussen de rebellen en al-Qaida, hetzelfde al-Qaida waartegen de NAVO nochtans in bijvoorbeeld Afghanistan strijdt. De aanwezigheid van de extremisten dreigde duidelijker te worden enerzijds toen de rebellen hadden toegegeven dat de voormalige rebellencommandant Abdal Fatah Younes was vermoord door aan al-Qaida gelinkte groeperingen binnen hun rangen. Anderzijds dreigde de toenmalige Libische regering documenten en telefoonopnames vrij te geven waaruit zowel de betrokkenheid van al-Qaida bij de crisis als de samenwerking tussen het Westen en al-Qaida duidelijk zou worden.

Maar na de val van Tripoli was je veiligheid enkel gegarandeerd als je het nieuwe Libië vastberaden aanvaardde. Mijn vriendin van de Wafalla-stam spoorde me aan naar huis terug te keren en te berichten over wat er aan de hand was.

Er vonden immers nog steeds gevechten plaats op de Libische wegen, die erg gevaarlijk waren voor iedereen die geen bescherming van de rebellen genoot. Mijn enige hoop om terug naar huis te keren, was dus via de Middellandse Zee.

Dagenlang was dit maar schrale hoop – de commotie die geregeld in het Corinthia-hotel uitbrak tussen de rebellen over wie nu werkelijk aan de macht was, strekte zich niet enkel uit in de haven waarlangs ik moest vluchten, maar ook in grote delen van de stad. Gedurende vier dagen werd om de paar uur aan andere buitenlanders en mij verteld dat we zouden kunnen vertrekken. Maar telkens verdween de persoon die in de haven toestemming had gegeven en werd hij vervangen.

De westerse strijdmachten, nu openlijk aanwezig, leken het overzicht kwijt te zijn tussen zo veel verschillende groeperingen en strekkingen binnen de rebellenbeweging, zoals de Libische Islamitische Strijdgroep, het Nationale Front voor de Redding van Libië en degenen die trouw waren aan de afvalligen van de Khaddafi-regering.

Verschillende groepen strijden om de macht

Tijdens mijn tweede dag in het hotel liepen er drie trotse Britse soldaten rond die beweerden dat zij nu verantwoordelijk waren voor de veiligheid van het hotel. Een van hen vertelde me dat hij net in Kaboel was geweest, waar “het er veel erger aan toe ging”. “Denk je dat het hier zoals in Kaboel wordt”, vroeg ik hem, “dat is zeer waarschijnlijk, met zo veel verschillende groepen die om de macht strijden”, antwoordde hij.

Ondertussen is er weinig onderzoek gewijd aan het aantal doden tijdens de val van Tripoli. De laatste duidelijke cijfers dateren van de tweede dag van de gevechten in Tripoli en kwamen van het toen nog functionerende Libische ministerie van Volksgezondheid: 1.300 doden in 12 uur tijd in de hoofdstad alleen en 900 gewonden.

Het ministerie deelde toen mee dat er de vorige dag meer dan 300 mensen waren vermoord en dat er 500 gewonden waren gevallen. Dit aantal ligt hoger dan de 1.400 doden die zijn gevallen tijdens het twee weken durende bloedbad dat werd aangericht door de Israëlische ‘Operatie Gegoten Lood’ in Gaza, waarover wereldwijd veel verontwaardiging bestond.

Ooggetuigen lieten weten dat de straten bedekt waren met massa’s lijken na hevige bombardementen en aanvallen door Apache-helikopters in Abu Saleem, de armste wijk van Tripoli en een van de laatste bolwerken die zich overgaven. Een familielid van iemand die waarschijnlijk is omgekomen in het bloedbad bezocht het plaatselijke ziekenhuis waar volgens hem maar één dokter en twee verpleegsters waren overgebleven.

Massagraven

Net zoals een groot aantal arbeiders van de hoofdstad was ook veel ziekenhuispersoneel gevlucht, ondergedoken of misschien wel gedood. Toen hij vroeg de lijken te mogen zien, zeiden de bewakers hem dat er geen lijken waren – zijn familie vreest dat de lichamen in massagraven zijn begraven op plaatsen die lange tijd onbekend zullen blijven.

Dit bloedbad past niet in het verhaal van een ‘vrij Libië’ waar burgers worden ‘beschermd’. Maar in een dergelijke sfeer van drang naar controle tegen elke prijs, is het bijna onmogelijk voor diegenen ter plaatse om eerlijk te zijn over de beelden die zich voor hun ogen afspelen terwijl ze zich in door rebellen bezet gebied bevinden.

Een jonge gewapende rebel die de Franse vlag om zijn uniform had gewikkeld, kwam achter me aan en vroeg me waar ik vandaan kwam. “Londen”, antwoordde ik, “Ah Cameron, we houden van Cameron”, straalde hij. Ik deed moeite om te glimlachen, zelfs kritiek leveren op mijn eigen eerste minister zou kunnen lijken op ontrouw aan de nieuwe heersers van Libië.

Terwijl we in de haven keken naar een schip dat na lange tijd werd uitgeladen en waarin passagiers aan boord gingen, zei een Italiaan dat het leek alsof “een kind de baas was in een universiteit”. De nieuwe verantwoordelijken waren immers aan het testen hoe de hijskranen en andere machines functioneerden die noodzakelijk waren om schepen te laten komen en gaan.

Geen Russen, Serviërs of Cubanen

Er werd ons verteld dat het nog vijf tot tien dagen zou kunnen duren vooraleer het schip kon uitvaren. De enige mogelijkheid om het land via de zee te verlaten, was in een 18 meter lange vissersboot voor 12 passagiers met bijna geen veiligheidsuitrusting zoals zwemvesten.

43 mensen onder ons bereidden zich voor om aan boord te gaan. De rebel die op dat moment verantwoordelijk was voor onze boot controleerde herhaaldelijk onze identiteit. Dit gedurende meer dan vier uur. Hij benadrukte dat er geen Russen, Serviërs of inwoners van Oekraïne mochten vertrekken, noch Cubanen en Ecuadoranen. Hun landen hadden te goede relaties onderhouden met kolonel Muammar Khaddafi tijdens de voorbije crisis.

Rond middernacht mochten we allemaal, behalve een Russische man, eindelijk instappen.

Toen de geluiden van tanks en vuurgevechten samen met de geur van de dood waarmee de lucht gevuld was, zich verder weg verwijderden, herinnerde ik mij de vredevolle, gastvrije en veilige stad Tripoli waarin ik eerder was aangekomen.

Lizzie Phelan

Lizzie Phelan is een onafhankelijke journaliste en verslaggeefster die vanuit Tripoli berichtte tijdens de NAVO-bombardementen en de overname van de hoofdstad door de rebellen, eind augustus.

Dit artikel verscheen in originele vorm onder de titel ‘Witnessing the transition to fear in Tripoli’ op de website van Pambazuka News: http://pambazuka.org/en/category/features/76282

(vertaling uit het Engels door Lene Cools)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!