Nieuws, Europa, Samenleving, België, België, Nederland, Humor, VS, Tmd, Vlaams Belang, Lijst Dedecker, Blog, Vrijheid van meningsuiting, Bloggers, EVRM, Dirk Voorhoof, Parodie, Suske en Wiske, Nijntje, Deng, Lucky Luke, Dick Bruna, Kuifje, Ole Ahlberg, Jef Koons, String of Puppies, Auteursrechten, Verkuil, Suske en Wiske-arrest, Keizerkraker, Glunderende Gluurder, Damien Hirst, Andy Warhol, Art Rogers, Efdé, Arnoud Engelfriet, Artistieke vrijheid, Kuifje in Zwitserland, De Wilde Weldoener, Puppies, Hof van Beroep, Hof van Cassatie, Fair use, Karikatuur, Pastiche, Punt.nl, Mijndomein.nl, Nijn-eleven, Het pilletje, Moonstruck, Auteurswet -

“Dick, lachen is toegestaan!” Over parodieën en auteursrechten

Goed nieuws. Er mag in Nederland gelachen worden met het lieftallige konijn Nijntje. Dat besliste het Nederlandse Hof van Beroep dinsdag. De uitspraak is een opsteker voor de vrijheid van meningsuiting en expressie in Nederland, al kan het altijd beter. Ook in België.

donderdag 15 september 2011 15:40

Het is iets waar iemand die een parodie maakt mee te maken kan krijgen, de beschuldiging van het schenden van het auteursrecht. Of je een parodie nu baseert op een logo of een ander werk.

Nederland heeft het van 1984 tot 2004 wat auteursrechten op stripfiguren en parodieën betreft, moeten stellen met de jurisprudentie die voortkwam uit het vonnis dat gekend staat als het ‘Suske en Wiske-arrest‘.

Een vonnis van de Hoge Raad der Nederlanden (nvdr: het hoogste Nederlandse rechtscollege), naar aanleiding van een rechtszaak aangespannen door de Standaard Uitgeverij tegen stripboekhandelaar Verkuil uit Amsterdam.

Verkuil verkocht in zijn stripboekenzaak twee parodieën op Suske en Wiske. De politieke parodie De Keizerkraker uit 1982, waarin Suske en Wiske verzeild raken in de Amsterdamse kraakbeweging, Lambik zonder het te beseffen drugs dealt, Sidonia in de prostitutie terecht komt en Jerom het tegen de ME opneemt, en de erotische parodie De Glunderende Gluurder uit hetzelfde jaar.

De Glunderende GluurderDe Keizerkraker

.                             .                   .

Enerzijds erkende het vonnis dat personages uit een stripverhaal bescherming genieten onder het auteursrecht. Anderzijds erkende het vonnis ook de parodie en bepaalde dat “in een parodie een verregaande mate van nabootsing van het geparodieerde werk geoorloofd is indien en voor zover die nabootsing noodzakelijk is om dat werk herkenbaar en daarmee het parodiërende karakter van het eigen werk duidelijk te maken.”

Voorheen was de opvatting gangbaar dat er “geen auteursrecht kan bestaan t.a.v. een gecreëerde persoonlijkheid […], noch t.a.v. een naam, maar slechts t.a.v. bepaalde teksten, waarin deze persoonlijkheden een rol spelen, of bepaalde afbeeldingen van deze persoonlijkheden.” (1)

Het hof verwierp in de zaak tegen Verkuil echter toch de parodie-uitzondering op het auteursrecht die door hem ter verdediging was aangevoerd omdat het Hof van oordeel was dat in het geval van de Suske en Wiske parodieën “de vrijwel exacte nabootsing van de karakteristieke verschijningsvorm […] veel verder gaat dan ter wille van [de parodie] nodig was.”

Terzijde, Willy Vandersteen zelf had niet echt een probleem met de parodieën. “Zoiets kun je verwachten, ik vind het best leuk dat mijn werk anderen tot ondeugende persiflages inspireert. Mijn trouwe lezers weten heus wel dat ik die namaakverhalen niet gemaakt heb”, liet hij indertijd optekenen.

In 2004 werd de Auteurswet uiteindelijk uitgebreid met artikel 18b dat bepaalt: “Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de openbaarmaking of verveelvoudiging ervan in het kader van een karikatuur, parodie of pastiche mits het gebruik in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is.”

In België werd de parodie-uitzondering in 1994 ingeschreven in de Auteurswet. Voortaan kon een auteur hier zich niet verzetten tegen een karikatuur, parodie of pastiche wanneer deze op geoorloofde wijze werd openbaar gemaakt “rekening houdend met de eerlijke gebruiken”.

Naast het vaststellen of het wel degelijk om een parodie gaat is de vraag die dus telkens ook beantwoord moet worden, wat is naar maatschappelijke normen geoorloofd, wat zijn eerlijke gebruiken?

Kuifje in ZwitserlandVoor 1994 werd door het gerecht in België niet veel rekening gehouden met de parodie-uitzondering, terwijl men in Nederland voor er sprake was van het ‘Suske en Wiske-arrest’ dit al wel begon te doen. Om het verschil in benadering te schetsen, hoeven we de vonnissen betreffende het boek Kuifje in Zwitserland uit 1978, van Efdé – waarin de helden in allerlei dubieuze situaties terechtkomen – maar even naast elkaar te leggen.

In 1978 oordeelde het Hof van Beroep te Brussel dat het hier namaak betrof. Het arrest liet geen ruimte voor parodie en werd fel bekritiseerd. In 1980 oordeelde de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam daarentegen dat het niet om een imitatie ging maar duidelijk om een persiflage waarbij, omwille van de parodie, nabootsing onvermijdelijk is.

Dat de wetgeving in België en Nederland uiteindelijk toch op elkaar lijken, is omdat ze beide geënt zijn op het Franse auteursrecht. In de VS, zo schrijft ICT-jurist Arnoud Engelfriet op de webstek Ius mentis, wordt de parodie bijvoorbeeld veeleer getoetst aan fair use: wat is het doel en de aard van het gebruik, de aard van het beschermde werk, de hoeveelheid en waarde van het gebruikte deel in verhouding tot het originele werk, het effect van het gebruik op de potentiële markt en de waarde van het werk?

Nijntje is geen dope konijn

Dick Bruna heeft in zijn leven al veel processen gevoerd tegen inbreuken op zijn auteursrechten. Waarvan ook behoorlijk wat tegen parodieën – of wat door de makers als parodie omschreven wordt – gebaseerd op zijn geesteskonijn Nijntje. Veelal helpen hem dan dreigende schrijfsels van advocaten om de creativiteit en de vrijheid van meningsuiting te smoren.

Nijntje is van Bruna en Bruna houdt er niet van dat er met zijn konijn gelachen en gespot wordt.

In 2002 werd zo de Nederlandse website Retecool door Bruna’s advocaten geïntimideerd. In 2006 de website Geenstijl. Zij verkozen om de gewraakte beelden te verwijderen van hun sites in plaats van hun kansen te wagen in een dure rechtzaak. In 2005 werd ook een proces aangespannen tegen het Belgische magazine Deng.

Deng - Ieder zijn lijntje In het kader van een dossier over de gevolgen van cocaïnegebruik had Deng een afbeelding van Nijntje met een bloedende neus, een lijn coke en het onderschrift “ieder zijn lijntje” op de omslag van het blad en zijn website geplaatst.

Deng voerde aan dat het een parodie was. Nijntje stond voor het ‘onschuldige’ deel van de maatschappij dat geconfronteerd wordt met het “overal aanwezige druggebruik”. Het konijn werd uit de gebruikelijke omgeving gerukt en in een andere leefwereld gedompeld. Het oorspronkelijke werk was vervormd met behoud van de essentiële kenmerken.

Ook argumenteerde het blad dat de parodie op zich zelf moet worden beschouwd en niet de plaats waar ze wordt afgedrukt.

Bruna argumenteerde dat het doel van de tekening niet humoristisch was, maar commercieel. Louter een kopie zonder enige vorm van originaliteit. De afbeelding zou denigrerend zijn en schaadde Bruna in zijn eer en reputatie. En die zijn Bruna dierbaar.

Volgens het vonnis toen moest om als parodie te worden aanvaard, een werk voldoen aan vier cumulatieve voorwaarden:

  1. de parodie zelf moet een origineel werk zijn;
  2. ze moet een kritische bestemming hebben;
  3. ze moet een humoristische toon hebben;
  4. ze mag enkel de uiterlijke en strikt noodzakelijke elementen aan het werk ontlenen zodat er geen verwarring mogelijk is met het geparodieerde werk.

Het Hof was van mening dat het hier een slaafse kopie betrof, waarbij het niet duidelijk was of de figuur toe te schrijven was aan de parodist of de orignele auteur. (Hoewel we veilig kunnen veronderstellen dat Bruna liever zijn hand afsnijdt dan dat konijn aan de coke te tekenen.) Ook zouden er te weinig creatieve elementen zijn toegevoegd. Het werd niet aangewend om te spotten met het originele werk en het Hof vond dat Deng wou aanhaken bij de bekendheid van Nijntje om zijn verkoop te stimuleren.

Het oordeelde dat het werk van Bruna verminkt werd en dat artikel 10 van het EVRM, het recht op vrije meningsuiting, niet van toepassing was omdat niet was voldaan aan de voorwaarden voor een parodie.

Nijntje en de stoute bloggers

Punt.nl, de weblogcommunity van mijndomein.nl heeft zich echter met succes verweerd tegen de intimidaties vanwege Bruna. Als een van de uitzonderingen gingen zij het juridische gevecht aan met Bruna’s duurbetaalde advocaten.

Op punt.nl waren zeven werken te zien van bloggers die Nijntje op de hak namen. Zo vloog Nijntje met een vliegtuig in een gebouw, zat het vrolijk aan de drugs en feestte het erop los. Humor die Bruna niet kan smaken. Hij eiste dan ook hoge schadevergoedingen van de bloggers.

Mijndomein.nl heeft echter een fonds waar klanten een beroep op kunnen doen om zich te verdedigen wanneer ze twijfelen aan de rechtmatigheid van eisen of klachten. Als mijndomein.nl het eens is met haar klant zal het de verdediging op zich nemen; zoals gebeurde in het geval met Nijntje. De eerste zaak waarvoor het effectief naar de rechtbank trok.

Aanvankelijk werd in kortgeding gevonnist dat slechts twee van de Nijntje-parodieën niet voldeden om parodie genoemd te worden. Volgens de rechter werd in het beeld nijn-eleven Nijntje gewoon gekopieerd en was bij het beeld het pilletje de gewijzigde vorm enkel te vinden in een nauwelijks zichtbaar plaatje op het jack van Nijntje.

Voor de andere beelden was het Hof van mening dat er geen verwarring kon bestaan bij het publiek dat de beelden niet afkomstig waren van Bruna. Er was geen concurrentiegevaar. Ook zouden volwassen de ‘grote mensen humor’ ervan begrijpen omdat de teneur van de begeleidende teksten ingrijpend anders is dan in de verhalen van Nijntje en er beeldelementen waren toegevoegd die niet bij Nijntje horen.

Bruna kon deze uitspraak niet slikken en ging hiertegen in beroep. Met als gevolg dat hij over de hele lijn verloor. Het Hof van Beroep oordeelde ook dat er wel degelijk spraken was van spot. Iets wat Bruna, die zich op zijn droit au respect beriep, niet graag heeft als het zijn konijn betreft, maar toch een wezenlijk element voor een parodie.

“Zo is achtereenvolgens onder meer sprake van Nijntje in verband met een hardcorefeest, stoned als een garnaal, een trancenicht, pep en hakkûh. Dat is evident parodiërend gebruik waarbij het werk op de korrel wordt genomen en waarbij de spot er dik bovenop ligt. Dat gebruik is, objectief bezien, in overeenstemming met hetgeen naar de regels van het huidige maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is, ook indien daarbij in aanmerking wordt genomen dat Bruna zich als geestelijk vader van Nijntje erdoor beledigd voelt.”

Ook het argument dat wanneer jonge kinderen het internet gebruiken ze zo geconfronteerd kunnen worden met beledigende of als parodie bedoelde afbeeldingen van Nijntje zonder de finesses ervan te begrijpen, werd door het Hof van Beroep terzijde geschoven.

Het achtte de aanwezige kans op verwarring, reputatieschade of aantasting van Bruna’s belangen niet alsdusdanig dat het de beperking op het auteursrecht  in de weg zou staan.

Maar ook de afbeeldingen nijn-eleven en het pilletje werden in hun staat van parodie hersteld. De rechter oordeelde dat er met respectievelijk het toegevoegde flatgebouw en de vergrote ogen en het toegevoegde plaatje op het shirt van Nijntje, in combinatie met de begeleidende teksten, voldoende afstand werd genomen van het origineel om geen klakkeloze kopie te zijn.

De rechter voegde nog toe, “ten aanzien van de kennelijk humoristische en ironiserende bedoeling van de parodie geldt ook hier, dat niet nodig is dat iedereen erom kan lachen.” Wat Bruna waarschijnlijk ook niet deed.

Beste Dick, trek je tenen in en blijf voortaan gewoon met je fikken van de azijn.

Ondertussen in België

Ole Ahlberg- Moonstruck In 2007 sprak het Hof van Beroep in Brussel zich uit in een rechtszaak aangespannen door de erven van Hergé tegen Deens kunstenaar Ole Ahlberg, onder andere gekend voor zijn parodieën op Kuifje die dikwijls erotisch getint zijn (rechts ziet u het werk Moonstruck).

Hij lag al sinds 2001 verwikkeld in een juridische strijd vanwege zijn gebruik van figuren uit de Kuifje-strips. Uiteindelijk gaf het Hof van Beroep hem gelijk.

Het Hof oordeelde dat Kuifje werd gepresenteerd in een totaal nieuwe omgeving. Volgens het Hof kon er geen sprake zijn van schade aan de reputatie van Hergé gezien geweten is dat pornografie geen inspiratiebron was voor Hergé. Er bestond dus ook geen gevaar voor verwarring. De werken van Ahlberg werden ‘geoorloofde parodieën’ bevonden.

In 2010 besliste het Hof van Cassatie dat het proces overgedaan moet worden te Luik omdat het Brusselse Hof te weinig zou hebben gemotiveerd waarom de erven van Hergé feitelijk inbreuken pleegden op de auteursrechten van Ahlberg door hun dreigen met processen en eis tot vernietiging van zijn werken. Of de classificatie van Ahlbergs werken als parodieën terecht is, daarover wordt in het cassatiearrest niet gerept. Door de beslissing van Cassatie is zijn werk in België nog steeds verboden.

Voor u zich nu in zeven haasten aan een parodie waagt, is het misschien toch niet slecht om te weten aan welke voorwaarden uw werk tegenwoordig door het Belgische gerecht getoetst zou kunnen worden.

In mei van dit jaar werd Lijst Dedecker (LDD) veroordeeld voor het gebruiken van figuren uit de strip Lucky Luke tijdens de verkiezingen in 2007. Hoewel de rechter in eerste aanleg in Brugge nog oordeelde dat de gewraakte spotprent een parodie was, oordeelde het Hof van Beroep in Gent anders.

Volgens het Hof van Beroep in Gent moet om van een parodie te kunnen spreken aan zeven cumulatieve voorwaarden voldaan zijn:

  1. de parodie moet origineel zijn;
  2. moet een ironisch of humoristisch karakter hebben;
  3. moet kritiek bevatten op of contrast oproepen met het origineel;
  4. mag niet meer vormelementen opnemen dan nodig;
  5. mag niet tot verwarring leiden;
  6. mag niet louter of hoofdzakelijk een commercieel doel nastreven;
  7. mag niet louter of hoofdzakelijk de intentie hebben het originele werk te schaden.

Volgens het Hof was niet voldaan aan de derde voorwaarde aangezien het beeld geen kritiek leverde op de gebruikte stripfiguren. Ook hier oordeelde het hof net zoals in de zaak tegen Deng dat LDD wou aanhaken bij het succes van de stripfiguren en dat ze enkel werden gerecupereerd voor politieke doeleinden. Wat strijdig is met de eerlijke gebruiken. Bijgevolg had LDD de toestemming moeten vragen aan de rechthebbenden.

Ook het Vlaams Belang moest in februari nog de duimen leggen tegen rechtenhouders van Suske en Wiske. De partij had zich voor de omslag van een kalender gebaseerd op de strip De Wilde Weldoener om burgemeester Termont te hekelen, die kwistig met geld strooit naar mensen van allochtone afkomst. Het Vlaams Behang voerde eveneens aan dat het een politieke spotprent was.

De rechter oordeelde echter dat de karikatuur weinig origineel was en vooral vormelementen bevatte van het stripalbum van Suske en Wiske. Door dit gebrek aan originaliteit kon het werk niet als een intellectuele creatie beschouwd worden en voldeed ze niet aan de basisvoorwaarden van een parodie. Wat me niet verbaast. Intellectuele creativiteit is gewoon moeilijk te rijmen met het Vlaams Behang. Veeleer intellectuele atrofie.

LDD - Lucky LukeVlaams Belang - De Wilde Weldoener

.                             .                   .

De parodie-uitzondering werkt beperkend

Wat we kunnen vaststellen, is dat de parodie erkend wordt als een genre met zekere rechten en het auteursrecht op werken die geparodieerd worden, ingeperkt wordt.

Wat een zeer goede zaak is en kadert in de artistieke vrijheid. Echter zijn er voorwaarden en opvattingen die de creativiteit en vrijheid van meningsuiting en expressie nog steeds beperken.

Bijvoorbeeld dat de parodie een parodie of een kritiek moet zijn op het originele werk. Vraag is of dit terecht is? Naar mijn mening niet. Of dat de parodie die in een commerciële context wordt aangewend (bv. de publicatie op de cover van een blad) veelal als strijdig met de ‘eerlijke gebruiken’ wordt beschouwd. Trouwens, wie beoordeelt het humoristische of ironische gehalte? Er wordt immers aanvaard dat niet iedereen hetzelfde humoristisch of ironisch vindt.

Gents hoogleraar Mediarecht Dirk Voorhoof merkte naar aanleiding van de rechterlijke uitspraken betreffende LDD en het Vlaams Belang op dat uit de uitspraken blijkt dat de parodie-uitzondering in de praktijk maar zelden soelaas biedt bij karikaturaal of parodiërend gebruik van auteurswerk. Voorhoof pleit dan ook voor een versoepeling van de wetgeving hieromtrent. Waarin ik hem volg.

Als we naar de geschiedenis kijken, merken we op dat het gebruik van iemand anders’ werk herhaaldelijk gebeurt. In de postmoderne kunststroming hebben we bijvoorbeeld de Appropriation Art waarbij elementen van een ander werk bewust geleend worden en in een andere context worden geplaatst.

Gebruikte strategieën in de Appropriation Art zijn onder andere de parodie, pastiche, parafrase, mimicry en homage. Kunstenaars die deze kunstvorm beoefenen, hebben daardoor rechtzaken tegen hen zien opstarten en ook verloren.

Jef Koons - String of PuppiesJef Koons voor zijn werk String of Puppies (foto rechts), een zeer gedetailleerde sculptuur gebaseerd op een zwart-witfoto op een postkaart die hij in een souvenirwinkel had gekocht. Koons voerde in 1991 als verweer voor een rechtbank in de VS fair use en parodie aan. Met zijn werk, zo beweerde hij, wou hij de moderne samenleving in het algemeen parodiëren.

In het arrest lezen we: “Koons argues that his sculpture is a satire or parody of society at large. He insists that “String of Puppies” is a fair social criticism and asserts to support that proposition that he belongs to the school of American artists who believe the mass production of commodities and media images has caused a deterioration in the quality of society, and this artistic tradition of which he is a member proposes through incorporating these images into works of art to comment critically both on the incorporated object and the political and economic system that created it.”

De rechter verwierp dit verweer omdat de foto niet het doelwit was van de parodie en oordeelde vanwege de gedetailleerdheid dat het beeld een kopie was van het werk Puppies van fotograaf Art Rogers. Om een dergelijke algemene parodie te maken, had Koons het werk van Rogers niet hoeven te kopiëren.

“It is the rule in this Circuit that though the satire need not be only of the copied work and may, as appellants urge of “String of Puppies,” also be a parody of modern society, the copied work must be, at least in part, an object of the parody, otherwise there would be no need to conjure up the original work. […] The problem in the instant case is that even given that “String of Puppies” is a satirical critique of our materialistic society, it is difficult to discern any parody of the photograph “Puppies” itself. […] The circumstances of this case indicate that Koons’ copying of the photograph “Puppies” was done in bad faith […] and did not constitute a parody of the original work.”

Deze redenering ligt in de lijn van onze rechtspraak maar beperkt en ondergraaft de mogelijkheden van een parodie of karikatuur wezenlijk. Het is een behoorlijke inperking van de artistieke vrijheid.

Andere kunstenaars die zich baseerden op het werk van anderen en hiervoor ofwel veroordeeld werden of een regeling moesten treffen, zijn onder anderen nog Damien Hirst voor Hymn, een zes ton wegende sculptuur van zes meter en tien centimeter hoog, die een uitvergroting is van een anatomieset voor kinderen. Maar ook bijvoorbeeld Andy Warhol, icoon van de Pop Art en nog vele anderen.

Het zou een evidentie moeten zijn dat de artistieke vrijheid, de vrijheid van meningsuiting en expressie in het kader van een artistiek werk of experiment niet verhinderd of beperkt worden. Dit is fundamenteel om cultuur levend te houden en toe te staan blijvend te evolueren.

Echter, de parodie-uitzondering, zoals ze momenteel toegepast wordt door onze rechtbanken, creëert niet genoeg ruimte om daar op redelijke wijze gebruik van te maken.

(1) Rechtbank Den Haag, 7 april 1959, NJ 1962/149, vonnis met betrekking tot het opvoeren van de stripfiguren Sjors en Sjimmie in een toneelstuk. De rechtbank oordeelde echter wel dat het gebruik van de karakters uit de strip onrechtmatig was: er werd volgens de rechter op onbetamelijke wijze geprofiteerd van de bekendheid van de stripfiguren.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!