Nieuws, Wereld, Afrika, Politiek, Egypte - Tarek Osman

Voorpublicatie: Egypte · Een geschiedenis van Nasser tot na Mubarak

In dit toegankelijke boek onderzoekt Tarek Osman wat er gebeurde met dit grootste en belangrijkste Arabische land sinds Nasser in 1952 de macht overnam. Lees hier exclusief een voorpublicatie uit dit boek.

dinsdag 6 september 2011 17:31

In dit toegankelijke boek onderzoekt Tarek Osman wat er gebeurde met dit grootste en belangrijkste Arabische land sinds Nasser in 1952 de macht overnam. Hij beschrijft de ontwikkelingen van het Arabisch nationalisme, de radicale islam, de verslechterende relatie tussen moslims en kopten, en de gapende kloof tussen de kosmopolitische elite en de slecht opgeleide en werkloze massa van wie ruim de helft jonger is dan dertig. Osman stelt ook de vraag naar de toekomst, nu Mubarak weg is.

Hoofdstuk 6: Het tijdperk Mubarak

De these van Jonathan Fenby’s verhelderende boek France on the Brink – dat het karakter, de stijl en de persoonlijke ervaring van een president het politieke systeem van het desbetreffende land sterk kunnen beïnvloeden – gaat zonder meer op voor wat Egypte heeft meegemaakt. Door de absolutistische aard van het Egyptische presidentschap sinds het begin van de republiek in 1953 was de persoonlijkheid en visie van de heerser van wezenlijk belang voor zijn onderdanen.

Het Egypte van Gamal Abdel Nasser was dynamisch en revolutionair. Het heeft het politieke landschap van de regio met een overdonderende staatsgreep door elkaar geschud, de monarchie afgeschaft, het republikanisme ingevoerd, de sociaal-economische structuur van het land hervormd, complete sociale lagen geëlimineerd en andere in het leven geroepen, volledige industrieën gesticht, baanbrekende politieke systemen geïntroduceerd, nieuwe politieke krachten geschapen, oorlogen ontketend (dichtbij en ver weg) en de regio overspoeld met de politieke tsunami van het Arabisch nationalisme.

Ook op cultureel gebied heeft het nieuwe tijdvak de weg vrijgemaakt voor een bedwelmend artistiek klimaat waarin literatuur, films en toneelstukken de maatschappelijke beroering op zinderende wijze werden weerspiegeld en uitdrukking hebben gevonden. Nassers ambitie, energie en intelligentie waren voor Egypte onmisbaar om zich in de jaren vijftig en zestig opnieuw uit te vinden. Nasser was niet alleen een leider met grootse ambities, maar ook een man met een brede en veelzijdige interesse, van beeldende kunst, cinema, fotografi een muziek tot de studie van de geschiedenis en biografieën. Nassers aanhangers schilderen hem af als een grotere figuur dan hij in werkelijkheid was, vergelijkbaar met Otto von Bismarck, Nehru of Charles de Gaulle.

Ook Anwar Sadat heeft Egypte een tijdperk van veranderingen binnengevoerd. De koers die de nieuwe president aanhield – na de oorlog tegen Israël in 1973 – kwam feitelijk neer op een tegencoup tegen Nassers model. Op een aantal punten vond een totale ommekeer plaats: Sadat brak met de Sovjet-Unie om Egypte tot een loyale bondgenoot van de Verenigde Staten te maken, gaf de aanzet tot het vredesproces met Israël door zijn opzienbarende vliegreis naar Jeruzalem in 1977 en voerde Egypte weg van de centraal geleide economie in socialistische stijl naar iets wat was bedoeld om uit te groeien tot vrijemarktkapitalisme. Zijn beleid heeft grote veranderingen teweeggebracht in de samenstelling van de middenklasse van het land. Het mag Sadat dan hebben ontbroken aan charisma, hij wist niettemin een vaderlijke, stamhoofdachtige uitstraling te cultiveren waardoor hij zich aanzienlijke populariteit onder het volk heeft verworven.

In tegenstelling tot Nasser, die met zijn volk omging als de visionaire figuur wiens leiderschap nationale glorie en verlossing zou brengen, had Sadat het imago van de dorpsoudste (oumda): een traditioneel geklede, eerbiedwaardige, vrome en bescheiden gast bij bruiloften, begrafenissen en regionale festiviteiten, altijd bereid om deel te nemen aan gesprekken over de dagelijkse aangelegenheden van de mensen.

Onder Hosni Mubarak kreeg Egypte een heel ander aanzien. Deze man bezat noch Nassers grandeur noch Sadats charme. Een toonaangevend Egyptisch tijdschrift beschreef Mubarak ooit als iemand met een schrijnend tekort aan leiderschapskwaliteiten maar die uitblonk in het volbrengen van taken en het realiseren van beleid. Ten tijde van Mubaraks abrupte ambtsaanvaarding na de moord op Sadat in oktober 1981 voerden sommigen aan dat de nieuwe president dankzij dit profi el geknipt was voor zijn functie, aangezien Egypte en de Egyptenaren behoeft e hadden aan een tranquillizer om hun pijn te dempen.

Het was inderdaad een aannemelijke veronderstelling dat het land na de tumultueuze veranderingen van de voorgaande drie decennia – van Arabisch nationalisme naar islamisme, van Nassers politieke massabewegingen naar Sadats abrupte hervormingen, van frequente confl icten naar onophoudelijke maatschappelijke en economische verandering – behoefte had aan een periode van rust. Met zijn ontspannen optreden en een gezag dat voortkwam uit zijn indrukwekkende militaire ervaring, bood Mubarak een hoopgevend uitzicht op een Egypte dat zijn evenwicht hervond en de tijd kreeg om zijn geschonden zelfvertrouwen op te vijzelen.

Gedurende een groot deel van zijn eerste termijn in de jaren tachtig kweet Mubarak zich met aanzienlijk binnenlands succes van zijn taak. Een aantal controversiële wetten die Sadat in zijn latere jaren had geïntroduceerd, werd stilzwijgend op de lange baan geschoven.

Daarnaast werden duizenden gevangenen vrijgelaten en werd de perscensuur zodanig versoepeld dat het mogelijk was ieder vooraanstaand lid van het regime te bekritiseren – al bleef de president verboden terrein. Burgerorganisaties namen snel in aantal toe. Beroepsverenigingen mochten steeds openlijker een politieke rol spelen, vooral in het opeisen van burgerlijke vrijheden. Het regime deed ook handreikingen aan verschillende politieke groeperingen in het land. Zo werden verscheidene parlementsverkiezingen gehouden onder een nieuw ‘lijstsysteem’, waardoor het voor oppositiepartijen mogelijk werd om stemmen te bundelen die anders zouden zijn toegekend aan kiesdistricten waar de Nationale Democratische Partij oppermachtig was.

De nieuwe president zag ook af van veel van Sadats opzichtige machtsvertoon: de faraonische staf die Sadat altijd droeg, het militaire uniform dat zijn voorganger door Pierre Cardin voor zich had
laten ontwerpen, de onophoudelijke verplaatsingen tussen paleizen en besloten villa’s. Mubarak sloeg ook een andere toon aan. Uit de strekking van zijn toespraken, de keuze van zijn woorden, de manier waarop hij zichzelf en zijn visie op de toekomst van het land presenteerde, kwam een man naar voren die zich niet zozeer bezighield met zijn nalatenschap of hoe hij als leider werd gezien, maar met hoe hij iets tot stand kon brengen. Mubarak leek pragmatisch, helemaal in beslag genomen door de dringende economische problemen van het land, de erfenis van de infi tah.

In de jaren tachtig zag een overmaat aan economische initiatieven en programma’s het licht, de meeste gericht op de verbetering van de gebrekkige infrastructuur van het land. Egyptenaren grapten zelfs dat president Mubarak tussen de inwijding van een nieuwe brug en een nieuwe tunnel… een nieuwe brug zou inwijden.

Toch kwamen deze programma’s nooit in de buurt van de ‘structurele hervormingen’ waarop het Internationale Monetaire Fonds (imf) herhaaldelijk had aangedrongen. Mubaraks pragmatische inslag en zijn doelstelling om voor alles de stabiliteit te bewaken maakten hem huiverig voor de ontwrichting die een vergaand economisch hervormingsprogramma tot gevolg zou kunnen hebben, in het bijzonder als dat negatief zou uitpakken voor de levensstandaard van de lagere inkomensgroepen. Uiteindelijk had Mubarak echter geen keus. De daling van de olieprijs in het midden en het eind van de jaren tachtig betekende dat honderdduizenden Egyptische gastarbeiders in de Golfregio hun baan verloren; bovendien zakten de directe buitenlandse investeringen in en daalden de inkomsten uit het handelsverkeer door het Suezkanaal. Het Egyptische regime had dringend behoeft e aan financiële hulp op de korte termijn en was in 1991 gedwongen de voorschrift en van het imf te aanvaarden.

Deze ommekeer had wellicht niet zoveel uitgemaakt als een decennium van pijnstillende behandeling was gevolgd door het duurzame effect dat een heilzaam geneesmiddel teweeg zou moeten brengen. Dat gebeurde echter niet. Integendeel, de structurele hervormingen van het imf, die fors sneden in de sociale voorzieningen, pensioenen en essentiële subsidies, maakten duidelijk dat Egypte (en de Egyptenaren) voor het eerst sinds vele decennia geen eigen nationaal project had (en hadden): geen op Europa geïnspireerd moderniseringsprogramma, geen levendig liberaal experiment dat Egypte moest bevrijden van de bezetter, geen grootse Arabische droom, noch een omvangrijke politieke of economische transformatie. Het enige wat nog leek te resteren, waren pijnlijke maatregelen om tegemoet te komen aan de economische en financiële doelstellingen in verschillende herstructureringsprogramma’s en een trage bedrijvigheid waarmee men probeerde te voldoen aan de ontwikkelingsnormen van de elkaar opvolgende vijfjarenplannen.

Het was duidelijk dat het schortte aan politieke hervormingen; de regerende ndp werd nog steeds beheerst door dezelfde ja-knikkers, onder wie ministers die in de vroege jaren tachtig waren benoemd en in de nieuwe eeuw nog steeds aan de macht waren. Dat de economische ontwikkeling zich in een slakkengang voltrok en de levensstandaard onder het volk amper verbeterde, hielp ook niet. Toen het tranquillizerbeleid tot verlamming scheen te leiden, werd de stijl van president Mubarak het symbool voor lethargie, stilstand en gebrek aan verbeelding.

Een groot deel van het probleem was dat president Mubarak niet in staat of niet bereid was een meer ‘persoonlijke’ band met zijn volk aan te gaan. Zelfs nadat ze bijna dertig jaar door hem geregeerd waren geweest, wisten Egyptenaren heel weinig over Hosni Mubarak als persoon. Hij bleef geassocieerd worden met ceremoniële plichtplegingen en publieke gebeurtenissen, terwijl de gedachten, gevoelens en eigenaardigheden achter die façade voor de mensen een raadsel waren.

Egyptenaren vernamen dat hij graag een partijtje squash mocht spelen en er goed in was en dat hij van traditionele Egyptische volksmuziek hield, maar in het openbaar beoefende hij deze sport nooit, en van die muzikale voorkeur gaf hij nooit publiekelijk blijk. Wellicht nog verrassender en wezenlijker is dat Mubarak in tegenstelling tot al zijn voorgangers geen eigen stempel op de Egyptische samenleving heeft gedrukt. Een dergelijke scheiding tussen heerser en samenleving is een niet eerder vertoonde afwijking van een patroon waarbij zowel de voorkeuren als de visie van Egyptische leiders bepalend zijn geweest voor de ontwikkeling van het land.

Modern Egypte, en dan vooral Caïro en Alexandrië, heeft vorm gekregen door de visie én de voorkeuren van kedive Ismael. Het liberalisme van koning Farouk, zijn dweperij met Europa en zelfs zijn losbandigheid hebben de maatschappelijke tolerantie en onbevooroordeeldheid in de jaren veertig bevorderd. Nassers deugdzaamheid en integriteit lagen aan de basis van de grandeur en het staatsceremonieel van de jaren vijft ig en zestig. Sadats vroomheid en onvoorspelbaarheid hebben de golven van religiositeit veroorzaakt en de tumultueuze veranderingen die de maatschappij in de jaren zeventig heeft ondergaan.

Mubaraks eigen stempel ontbreekt; waar nasserisme en ‘sadatisme’ de hartstochten doen oplaaien (van enthousiasme en bewondering dan wel verwerping en hekel), daar heeft hun opvolger nooit echte volgelingen gekend. De Egyptenaren kennen hem niet, ondanks de miljoenen woorden en beelden die de Egyptische staatsmedia sinds 1981 aan Mubaraks daden en aanwezigheid hebben gewijd.

Het resultaat is des te opmerkelijker gezien het feit dat de omstandigheden waaronder hij aan de macht kwam Mubarak alle gelegenheid hebben geboden om een groot leider te worden. In de aanpak die het opkomende militante islamisme vereiste, kregen hij en het Egyptische regime bij uitstek de kans zich te onderscheiden.

Het militante islamisme vormde een daadwerkelijk gevaar; het tartte het gezag van het regime en bedreigde de veiligheid en rust van de hele samenleving – en daarvan waren de Egyptenaren zich bewust. Hoewel het politieke islamisme aan populariteit en invloed won, had de grote meerderheid van de Egyptenaren een diepgewortelde afkeer van extremisten die moordden en plunderden in naam van de godsdienst, en zij stonden dan ook achter de pogingen van het regime om hen te bestrijden. Van degenen die directe schade hadden ondervonden vanwege de afnemende inkomsten uit toerisme tot degenen die de aanwezigheid van iedere militante groepering in het land verafschuwden, ondersteunden Egyptenaren het regime in zijn strijd, zelfs als daarbij geweld werd gebruikt; deze daden schenen volstrekt legitiem (een vrij ongewoon verschijnsel in de moderne geschiedenis van Egypte). Maar ondanks het ontbreken van een nationaal project, de halfslachtigheid van de verschillende hervormingsprogramma’s van de jaren tachtig en negentig (die soms bovendien een regelrecht fiasco waren) en de steeds mattere manier waarop het regime zichzelf presenteerde, nam het bewind van Mubarak de gelegenheid niet te baat om het volk achter een meer omvattend doel te scharen.

In plaats daarvan maakte het regime er een veiligheidskwestie van, zonder de sociale en ontwikkelingsvraagstukken erbij te betrekken en verbazingwekkend genoeg ook zonder de steun van de bevolking in te zetten. De strijd van het regime tegen het militante islamisme vond in dezelfde tijd plaats dat het maatschappelijke geweld en de onrust in het nabijgelegen Algerije tot angstaanjagende hoogten steeg in een vergelijkbare oorlog tussen radicaal islamisme en het regime.

De overgrote meerderheid van de Egyptenaren was ontzet bij het denkbeeld dat Egypte net als Algerije de weg van chaos en burgeroorlog op zou gaan. En toch werd het aan een paar fi lms en tv-series overgelaten om ‘het probleem van het terrorisme’ neer te zetten als een verschijnsel dat voortkwam uit diepere spanningen in de Egyptische samenleving.

Daarmee ging de kans verloren om de campagne tegen het militante islamisme om te buigen tot een positieve en constructieve nationale onderneming die de hele natie kon samenbinden.

Dat het zo liep, was met name in de jaren tachtig voor een belangrijk deel te wijten aan de stijl van regeren van president Mubarak. Ondanks het beladen begin van zijn presidentschap had Mubarak geen last van tegenstand binnen het regime zelf zoals Nasser of Sadat die hadden ondervonden door de aanhang van hun voorgangers. Nasser had op z’n minst de eerste drie jaar na de revolutie strijd te leveren met de ‘vijanden van de revolutie’, hoofdzakelijk restanten van het monarchale Egypte en later de Moslimbroederschap, terwijl Sadat in 1970 en 1971 (de eerste twee jaar dat hij aan de macht was) in een hevige politieke strijd verwikkeld was met enkele van Nassers voornaamste
adjudanten.

Mubarak daarentegen kon rekenen op de binnenlandse veiligheidsdiensten die hij had geërfd, en die hem in staat stelden de touwtjes strak in handen te houden. En in de eerste jaren van zijn bewind breidde Mubarak de Egyptische fbi (Mabaheth Amn al-Dawlah) en de ‘centrale veiligheidsdienst’ (mobiele eenheid en ordetroepen) sterk uit. Bovendien had Mubarak, opnieuw anders dan zijn voorgangers, zijn vertrouwen niet gesteld in zijn zichtbare entourage of op zijn belangrijkste ministers.

Ook verliet hij zich niet op ervaren adviseurs of to

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!