Een Gents taalminnend studentengenootschap: Zal ‘t Gaan?
Documentaire, Samenleving, België, Ugent, Nsv, PFK, Vlaamse beweging, Studentenvereniging, Maoïsten, Universiteit gent, Filosofie, Gent, Vlaams-nationalisme, Tom Lanoye, Anarchisme, Atheïsme, Trotskisten, Vrijdenkers, Moraalwetenschappers -

Een Gents taalminnend studentengenootschap: Zal ‘t Gaan?

GENT - Het vrije denken in Gent beleeft een nieuw hoogtepunt. Studentenvereniging ’t Zal Wel Gaan zit in een periode van hoogconjunctuur. Dat Tom Lanoye en Herman Balthazar prominente ex-leden van ’t Zal zijn, is bekend. Maar waarvoor staat het Taalminnend Studentengenootschap eigenlijk, historisch gezien en tegenwoordig? Biografie van een anarchistische vrijdenkersvereniging.

donderdag 1 september 2011 15:55

’t Zou gegaan zijn…

De oorsprong van ’t Zal Wel Gaan ligt bij drie leerlingen van het Gentse atheneum aan de Ottogracht in 1852. Zij richten een Vlaamse kring op onder invloed hun leraar Heremans, die een vertegenwoordiger is van een nieuwe politieke generatie, beïnvloed door de economische en sociaal-politieke crisis van de jaren veertig van de 19de eeuw, waarin Vlaanderen structureel achterop loopt op Wallonië.

Stichtend lid Julius Vuylsteke zal het initiatief meenemen naar de Gentse Rijksuniversiteit, waar hij in het academiejaar 1853-1854 het Taalminnend Studentengenootschap ’t Zal Wel Gaan opricht.

De belangrijkste elementen die het jonge ’t Zal in de beginjaren kenmerken, zijn de steun voor de jonge Vlaamse beweging en het verzet tegen de macht van de kerk, die zich uitspreekt tegen het vrij onderzoek.

Het motto van ’t Zal ‘Klauwaard en Geus‘, drukt deze tweeledige bekommernis uit. Klauwaard, als verdediging van de Vlaamse strijd. Geus, als vrijzinnig verzet tegen de macht van de kerk. De leden kwamen uiteraard uit de liberale burgerij, zoals we kunnen verwachten van een 19de eeuwse studentenvereniging van een universiteit met 318 studenten.

Deze twee elementen, Klauwaard en Geus, zullen gedurende de hele geschiedenis van ’t Zal een belangrijke rol blijven spelen, hoewel elke generatie zich op een andere manier tegenover de Vlaamse beweging en de vrijzinnigheid zal verhouden.

In 1857 zal de kerk de ban uitspreken over de literaire almanak van ’t Zal. Deze ‘ban’ zal later deel uitmaken van de ludieke toonzittingen van de vereniging, door speeches van leden te belonen met een ‘ban’.

In 1858 ontstaat er opschudding in Gent als de jonge ‘t zaller, Adolf Dufranne, voor het eerst burgerlijk begraven wordt. Dufranne stond samen met een andere ‘t zaller, Emiel Moyson, aan de wieg van de eerste Gentse vakbonden.

Vanaf 1870 worden de tijden steeds woeliger: de Frans-Duitse oorlog, de commune van Parijs, een schoolstrijd, het teloorgaan van de Eerste Internationale, groeiende studentenaantallen en een steeds grotere katholieke vertegenwoordiging onder die studenten. Dit zijn tijden waarin de politieke tegenstellingen op scherp staan en waar ’t Zal de vruchten van plukt, onder de vorm van groeiende ledenaantallen.

In 1885 wordt ter ere van de vijfentwintigste studentenalmanak besloten een bond op te richten voor oud-leden van ’t Zal. Deze bond, kortweg de BOL genoemd, staat vanaf dat moment blijvend in een dialectische verhouding met het vanaf dan zogenaamde ‘Jong ’t Zal’ en botst over tal van politieke en levensbeschouwelijke onderwerpen met de jonge generaties. We kunnen zelfs beweren dat deze dynamiek tussen leden en oud-leden bepalend is voor de identiteit van ’t Zal.

De periode rond 1885 is een zeer belangrijke voor ’t Zal, aangezien de leden zich mengen in debatten en deel uitmaken van commissies en verbonden die pleiten voor een vernederlandsing van het onderwijs. ’t Zal maakt deel uit van de voorhoede die streeft naar Nederlandstalig hoger onderwijs. Pas in 1930 zal de Gentse universiteit overigens definitief en volledig een Nederlandstalige universiteit worden.

In 1904 leidt de strijd voor Nederlandstalig hoger onderwijs zelfs tot een schisma in ’t Zal. Aangezien in het parlement enkel de christendemocraten bij monde van priester Fonteyne een vernederlandsing van het hoger onderwijs genegen zijn, stellen een aantal ‘t Zallers voor deze Vlaamsgezinden te steunen.

De motie haalt het niet binnen ’t Zal, maar een antiliberale fractie besluit uit het Taalminnend Studentengenootschap te stappen, met als argument dat ’t Zal apolitiek zou moeten zijn en enkel nadruk moet leggen op het vrijzinnige en Vlaamse karakter ervan.

De na dit schisma overgebleven liberale (en een enkele socialistische) vrijzinnigen van ’t Zal worden, zeker tegen de achtergrond van de Eerste Wereldoorlog, steeds huiveriger voor een nieuw Vlaams radicalisme, dat bovendien gesteund zal worden door de Duitse bezetter. De Vlaamse vrijzinnigheid raakt in een impasse, aangezien ze niets te maken hebben met deze nieuwe generatie Vlaams-nationalisten.

Dit zal na de Eerste Wereldoorlog leiden tot een belangrijk twistpunt tussen het Jong ’t Zal en de oud-ledenbond. De studenten zullen immers meer en meer gebruikmaken van de faciliteiten die hun aangeboden worden door de activistische nieuwe Vlaamse beweging. Ze verwerpen de politieke (liberale) positie van de oud-leden, die hier niet mee ingenomen zijn.

In de jaren dertig zijn de tijden echter voorspoedig voor vrijzinnige studentenverenigingen, wat zich uit in een hoogtepunt van intellectuele creativiteit en ludieke bijeenkomsten vol zelfkritische en cynische humor, wellicht ter compensatie van de heftige confrontaties en schisma’s in de jaren ervoor.

Uiteindelijk zal dit ook leiden tot een steeds groter antifascistisch politiek engagement. Het ludieke antibestuur van ’t Zal, bestaat steeds vaker uit militante communisten, waarvan er twee zelfs zullen sneuvelen in de Spaanse burgeroorlog.

Na de Tweede Wereldoorlog blijft ‘t Zal strijden tegen het fascisme. Een groot aantal leden zijn omgekomen in de oorlog. ’t Zal breekt dan ook volledig met de nationalistische Vlaamse beweging en de communistische vertegenwoordiging blijft groot. Politiek gezien blijft ’t Zal echter links en rechts in dialoog tegen het fascisme en voor de vrijzinngiheid.

De jaren zestig luiden een nieuwe anarchistische periode voor ’t Zal in. De leden spelen in alle maatschappelijke veranderingen, en de rol van de studenten daarin, een prominente rol. Door het antiautoritaire elan van de tijd neemt ’t Zal het bijkomende motto Geen God, Geen Meester aan.

Volgens Manu Robbroeckx is de periode tussen 1965 en 1967 de mooiste periode van ’t Zal Wel Gaan. Dit was op het hoogtepunt van de provobeweging, waar alle ’t Zallers in die tijd deel van uitmaken.

De ledenpopulatie bestaat in die tijd uit kunstenaars en hogeschoolstudenten. In de naoorlogse periode, met een sterke economisch opleving en een groeiend jongerencohort, reageert deze generatie op de consumptiemaatschappij die wordt opgedrongen. Dit is niet wat ze willen. Drie thema’s leven sterk bij de provo-’t Zallers: de revolutie in Cuba, de oorlog in Vietnam en het existentialisme.

Provo ontbindt zich uiteindelijk in 1967, ten gevolge van de druk van maoïstische en trotskistische groeperingen, onder de vorm van orde en discipline, op de jongerenbewegingen.

Bovendien zien ze dat de arbeidersgroepen uiteindelijk liever kiezen voor een autootje en een tv, dan voor de revolutie. Ze beslissen dat als ook de arbeiders vallen voor het consumptiekapitalisme het geen zin heeft om nog te vechten. Het vrije, decentrale en anarchistische provo besluit te stoppen op het hoogtepunt.

Na het einde van provo ontstaat er een conflict in ’t Zal. Een groot aantal leden is het niet meer eens met de apolitieke stellingname van ’t Zal. Zij verlaten de vereniging en sluiten zich aan bij trotskistische en vooral maoïstische studentenbewegingen.

Dit wordt ruimschoots gecompenseerd door de aanwas vanuit een nieuwe generatie, die juist niet op een politieke lijn willen doorgaan.

In de tijd van provo wordt het bestuur afgeschaft en komt de macht van ’t Zal te liggen bij de algemene vergadering. In 1971 eisen een aantal leden een verkozen bestuur en plegen een putsch. Deze machtsstrijd wordt beslecht in het voordeel van zij die tegen een bestuur zijn.

De putschisten verlaten ’t Zal en richten een nieuwe vereniging op, die het overigens niet lang zal volhouden. Een nieuwe ledenaanwas voor ’t Zal is het gevolg.

In de tweede helft van de jaren zeventig neemt de belangstelling af, tot er eind jaren zeventig nog maar enkele leden over zijn. De oud-ledenbond doet een poging nieuwe mensen te vinden. Dit lukt. Begin jaren tachtig beleeft ’t Zal een nieuwe hoogtepunt met mensen als Luc Taillard en Tom Lanoye. In 1981 verschijnt er weer een almanak van ’t Zal. Onder impuls van Tom Lanoye richt ’t Zal een literair tijdschrift op: ‘t Zwarte Gat.

… ‘t Zal blijven gaan

Eind jaren tachtig is ’t Zal praktisch uitgestorven. ’t Zal zou twee jaar lang op legendarische wijze in stand gehouden zijn door één lid, Philip François, dat elke dinsdagavond met zichzelf samenkwam en monologen hield met zichzelf en daar verslag van maakte. In de officiële organen van de universiteit kan het studentengenootschap statutair overeind blijven.

Begin jaren negentig maakt ’t Zal zich schuldig aan fraude. Er wordt aan de universiteit een aanvraag ingediend voor subsidies namens de studentenvereniging Grand Cru, een vereniging voor atheïstische champagne drinkende studenten. Op een gegeven moment komt boven water dat deze vereniging enkel uit ‘t Zallers bestaat, die met deze constructies hopen dubbele inkomsten te krijgen.

De rest van de jaren negentig betekenen opnieuw een hoogtepunt voor ’t Zal. Mark Duyck, lid uit die tijd en huidig voorzitter van de oud-ledenbond, vertelt dat er in die periode een wild allegaartje mensen uit zeer uiteenlopende studierichtingen lid is van ‘t Zal. Uit deze dynamiek ontwikkelt zich zelfs een sociaalliberale denktank met de naam ‘V’ uit ’t Zal.

De grootste inhoudelijke onenigheid uit deze periode draait rond de vraag of extreemrechtse partijen een publiek forum moeten krijgen of niet. Het absolute voorlopige hoogtepunt zijn het einde van de jaren negentig. Honderden mensen wonen dan de debatten bij die ’t Zal organiseert. Ook laten honderden studenten zich ‘ontdopen’, naar aanleiding van een campagne die ’t Zal opzet.

In de eerste jaren na de eeuwwisseling dooft dit enthousiasme echter weer uit. De generatie studeert af en ’t Zal loopt weer leeg. Als de situatie onhoudbaar wordt, besluit de oud-ledenbond een strategie te ontwikkelen om ’t Zal nieuw leven in de blazen.

Alex Klijn, lid uit de generatie van de jaren negentig, wordt aangemaand om nieuwe leden onder de studenten te werven.

Begin 2004 organiseert SKEPP in samenwerking met ’t Zal (d.w.z. Alex Klijn) een avond met James Randi. Enkele geïnteresseerde studenten, waaronder een Zeeuwse oud-leerling van Alex Klijn uit het Atheneum in Zelzate, Mieke de Regt, komen daarna samen op de zolder van café Bluesette. Tussen de nog stomende emmers spaghettisaus en onder goedkeurend oog van een groot wit jezusbeeld komt hier een nieuwe generatie ’t Zallers tot leven.

Mieke getuigt over deze periode: “Alex had een jaarplan uitgezet voor interne discussies. We hadden dus geen uitgenodigde sprekers. Iemand sprak wat en dan wordt er daarover gediscussieerd. De discussiecultuur was anders dan nu. Je kon gewoon heel hard met iemand discussiëren en achteraf gemoedelijk een pint met elkaar pakken. Dan voelde je dat er echt een band was.”

Mieke zou langzaamaan steeds meer verantwoordelijkheid voor het taalminnend studentengenootschap krijgen, zodat uiteindelijk het jonge ’t Zal Wel Gaan weer op eigen benen kon staan.

De tweede golf onstaat met de komst van Constantijn Vermaut en Anna De Bruyckere. Zij brengen een nieuwe inhoudelijke debatcultuur mee, die zal leiden tot steeds bredere maatschappelijke discussies en een grote interesse vanuit het studentenpubliek.

Onder impuls van Constantijn zal ’t Zal zich meer expliciet gaan verklaren als zijnde ‘atheïstisch’. Hij geeft hieraan een brede humanistische betekenis.

Constantijn verklaart: “Het is een foute interpretatie om atheïsme enkel te begrijpen als een positie die het bestaan van goden miskent. Nietzsche zei: blijf de aarde trouw. Atheïsme is een methodologische positie: je moet het leven hier op aarde niet verwerpen door hoop te zoeken in een hogere wereld. Er is geen verlossing in het hiernamaals, dus je moet hier en nu leven. In nog een andere betekenis duidt het atheïsme op de eis dat iedereen in een democratie moet kunnen spreken en dat niemand zijn stem ontnomen kan worden vanuit een of ander dogma.”

’t Zal is volgens Constantijn zo populair omdat er een grote vraag is naar een goede debatcultuur, zeker tegen het licht van een universiteit die steeds bureaucratischer wordt. Je krijgt in ’t Zal als het ware een vorming om deel te nemen aan het publieke debat. Niettemin staat de deur voor iedereen open en is de sfeer informeel en vaak zelfs anarchistisch of absurdistisch. Deze combinatie is de kracht van ‘t Zal.

Volgens Joris Luyckx, huidig lid van ’t Zal, is het succes van het genootschap te verklaren door het feit dat het één van de enige expliciet apolitieke verenigingen is.

Tegen het licht van de groei van de studentenpopulatie heeft een neutrale en inhoudelijke vereniging dan een extra aantrekkingskracht. Daar staat volgens hem wel tegenover dat het expliciete atheïsme ook weer bepaalde mensen afschrikt, die een antireligieuze houding in de trant van de new atheists afschrikwekkend vinden.

Volgens Wouter Helsen speelt ook de behoefte van mensen in deze onzekere en postmoderne tijden aan nieuwe ‘grote verhalen’ een rol. Door je aan te melden als lid van een vereniging onderschrijf je een verhaal. Joris voegt daaraan toe dat ook veel leden trots zijn om te vermelden dat ’t Zal de oudste nog bestaande studentenvereniging van Vlaanderen is. Dit geeft betekenis.

Daarmee is ’t Zal ook een exponent van de hernieuwde zoektocht naar zingeving. Meerdere leden komen uit een religieuze achtergrond en hebben daar intussen mee gebroken. ’t Zal biedt aan de ene kant een verzet tegen het religieus denken, maar levert ook een substituut. Het vervangt de traditionele religieuze en politieke zingevers die hebben afgedaan.

De betekenis van het woord ‘taalminnend’ slaat historisch gezien natuurlijk op de Nederlandse taal en de Vlaamse emancipatiebeweging. Vandaag speelt deze Vlaamse agenda veel minder een rol in ’t Zal.

’t Zal interpreteert ‘taalminnend’ vandaag meer als een liefde voor poëzie, retorica en schone letteren. De schrijvers die ’t Zal uitnodigt, die nog expliciet Vlaams-denkend zijn, zijn in de minderheid.

Ook onder de oud-leden vinden we evenveel mensen die flamingant zijn als mensen die dat niet zijn. Er vindt op dat vlak dan ook geen breuk plaats tussen oud en jong.

De laatste jaren konden de oud-ledenbond en het Jong ’t Zal zich overigens ook weinig verschil van mening permitteren. Zonder de oud-leden had het huidige ’t Zal immers niet meer bestaan en als deze jonge generatie niet was opgestaan, dan zou de oud-ledenbond op den duur ook het loodje hebben gelegd.

Een uitzondering vormt de NSV-kwestie (Nationalistische Studentenvereniging). In 2009 vindt er in het PFK (het orgaan waarin alle erkende politieke en filosofische verenigingen van de universiteit zetelen) een stemming plaats over de toelating van het NSV.

’t Zal wel gaan brak immers met de antifascistische houding die het sinds 1945 had aangenomen. Na avonden lang uiterst verscheurende discussies besluit een meerderheid van de leden om vóór toetreding te stemmen.

Mieke getuigt: “De vraag die open lag, was: past een vereniging binnen de doelstellingen van het PFK. Ik meende dat ’t Zal Wel Gaan niet het recht heeft om het NSV een podium te ontzeggen. We hebben er avonden lang over gediscussieerd, mensen van links en rechts tegenover elkaar gezet. We hebben de oefening gemaakt om daarin zo integer mogelijk tot een besluit te komen. De beslissing is nooit over een nacht ijs gegaan.”

De beslissing blijft echter uiterst controversieel. Links en extreemlinks uiten bedreigingen aan het adres van leden van ’t Zal. Voor de linkse partijen, die altijd nauw met ’t Zal hadden samengewerkt, is het nu afgelopen. Er worden demoniserende uitlatingen gedaan over ’t Zal.

Ook enkele oud-leden zijn woest. Uiteindelijk besluiten deze laatsten met de relativerende vaststelling dat elke generatie ’t Zallers nu eenmaal andere beslissing maakt om de zaak te laten rusten. Bij een latere herstemming in het PFK stemt ’t Zal uiteindelijk niet, maar verlaat demonstratief de zaal. ’t Zal Wel Gaan van de nieuwe generatie had eindelijk een identiteit verworven in de huidge maatschappelijke verhoudingen.

’t Zal Wel Gaan is verbonden met Gent. Een studentenvereniging van vrijdenkers zal zich natuurlijk ook veel sneller manifesteren in een stad met een rijksuniversiteit zoals Gent of een stad met een vrije universiteit zoals Brussel en minder snel in een stad met een katholieke universiteit zoals Leuven.

Volgens Joris is de traditie van het vrij wetenschappelijk onderzoek in Brussel dan weer veel meer een zaak van exacte wetenschappers, terwijl deze traditie in Gent verbonden is aan de filosofie en de moraalwetenschappen. Dat geeft meer draagvlak voor een filosofische vereniging als ’t Zal.

Toch zijn de huidige leden van ’t Zal zeker niet enkel moraalwetenschappers en filosofen. Er zitten economen, ingenieurswetenschappers, informatici, letterkundigen en zelfs bedrijfskundigen onder de leden van ’t Zal.

Volgens Wouter is er zelfs ooit ingegrepen door de voorzitters, omdat bepaalde leden in discussies een te hermetisch filosofisch discours hanteerden, waardoor andere leden weleens afgeschrikt zouden kunnen worden.

De hoogconjunctuur van ’t Zal heeft geleid tot het onstaan van een aantal inhoudelijk verwante verenigingen. Zo zal Kafka! volgend jaar een aanvraag indienen om subsidies te ontvangen van de universiteit.

Kafka! werd opgericht door een aantal informatici en ingenieurs die zich meer willen richten op de rol van de wetenschap onder vrijdenkers. Deze vereniging zal aan de ene kant zorgen voor concurrentie, maar aan de andere kant ook een potentieel opleveren voor samenwerking, aangezien ’t Zal zich meer toespitst op moraliteit en Kafka! op wetenschap.

Veel ophef heeft ook de oprichting van de studentenvereniging Kajira veroorzaakt. Enkele stichtende leden ervan waren en zijn eveneens actief in ’t Zal. Kajira pleit voor een grotere acceptatie van bdsm: bondage en sadomasochisme. ’t Zal  wel gaan besteedt zelf ook regelmatig aandacht aan discussies over een meer liberale seksualiteit, in de Gentse traditie van Jos van Ussel en Jaap Kruithof.

Ongetwijfeld zullen er in de toekomst weer minder vette jaren komen voor ’t Zal. De huidige generatie staat op het punt af te studeren. Activering van studenten om engagement op te nemen in een vereniging duurt immers altijd even. Tegen de tijd dat dit proces gerijpt is, verlaten de studenten de universiteit alweer.

Voor ’t Zal maken deze conjunctuurgolven deel uit van haar essentie. Het laat vooral zien dat het Taalminnend Studentengenootschap zich nergens aan onderwerpt, noch aan God, noch aan een meester. ’t Zal wel gaan, zeker?

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!