Opinie, Nieuws, Afrika, Libië -

Wie redt Libië van zijn westerse bevrijders?

In maart gingen westerse machten en Arabische autocratieën een coalitie aan voor wat werd voorgesteld als een korte militaire operatie “ter bescherming van de Libische burgerbevolking”.

donderdag 25 augustus 2011 12:10

Op 17 maart werd in de VN-Veiligheidsraad resolutie 1973 aangenomen waarmee deze ‘coalitie van de willenden’ groen licht kreeg om haar kleine oorlog op te starten. Deze begon met controle over het Libische luchtruim, dat vervolgens werd gebruikt om door de NAVO lukraak gekozen doelen, te bombarderen.

Blijkbaar verwachtten de coalitieleiders dat de dankbare burgerbevolking van deze krachtdadige ‘bescherming’ gebruik zou maken om Khaddafi omver te werpen die, naar men beweerde, “zijn eigen volk wilde vermoorden”.

Uitgaande van de veronderstelling dat Libië netjes verdeeld was tussen enerzijds ‘het volk’ en anderzijds ‘de slechte dictator’, verwachtte men dat de omverwerping van het regime maar enkele dagen op zich zou laten wachten.

In westerse ogen was Khaddafi zo mogelijk nog een ergere dictator dan Ben Ali in Tunesië of Moebarak in Egypte. Hun regimes vielen zonder NAVO-ingrijpen, dus Khaddafi zou nog zoveel sneller baan ruimen.

Vijf maanden later blijken zowat alle vooronderstellingen, die aan de basis van de oorlog lagen, in min of meerdere mate fout. Mensenrechtenorganisaties zijn er niet in geslaagd bewijzen te verzamelen van Khaddafi’s “misdaden tegen de menselijkheid” tegen “zijn eigen bevolking”.

De erkenning van de Nationale Overgangsraad (nvdr: de regering van de rebellen) als de “enige legitieme vertegenwoordiging van het Libische volk” was eerst voorbarig en later zelfs grotesk te noemen. De NAVO heeft het vuur aan de lont van een burgeroorlog gestoken, die steeds meer op een impasse begint te lijken.

Hoe ongegrond en absurd de oorlog ook mag lijken, hij blijft wel doorgaan. En wat kan hem doen stoppen?

Het beste leesvoer van deze zomer was het nieuwe steengoede boek van Adam Hochschild over de eerste wereldoorlog: ‘To end all wars’. Er kunnen vele lessen uit dit boek worden getrokken voor onze tijd, maar misschien is de meest relevante vaststelling wel dat eens een oorlog is opgestart, hij zeer moeilijk te beëindigen is.

Degenen die de Eerste Wereldoorlog zijn begonnen, dachten ook dat het maar voor korte tijd zou zijn. Maar zelfs toen de oorlogsmachine miljoenen mensenlevens opeiste en de uitzichtloosheid van de hele onderneming voor iedereen duidelijk werd, sleepte de oorlog nog vier ellendige jaren aan. De oorlog op zich genereert op zijn beurt haat en wraakzucht. Eens een grootmacht een oorlog is opgestart, moet het deze ten allen koste ook winnen.

De kost voor de oorlogvoerende NAVO-landen van de oorlog in Libië is voorlopig enkel financieel en dit kan hopelijk gecompenseerd worden door een vergoeding voor de kostprijs van de bombardementen door het ‘bevrijde land’. Het zijn enkel de Libische burgers die de oorlog met hun leven en hun infrastructuur betalen. Wat kan de slachtpartijen doen ophouden?

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was er een moedige anti-oorlogsbeweging die met haar vredesboodschap boven de chauvinistische hysterie van de oorlogsperiode uit trachtte te komen. Ze liepen grote risico’s: fysieke agressie en opsluiting. 

Hochschilds verslag van de strijd voor vrede van deze moedige mannen en vrouwen in Groot-Brittannië zou een inspiratiebron moeten zijn. De vraag is alleen: voor wie? In vergelijking met de periode 1914-1918 zijn de risico’s van verzet tegen de oorlog veel kleiner.

Maar tot op heden is er nauwelijks actief verzet merkbaar. Dit is in het bijzonder het geval in Frankrijk, het land dat onder leiding van president Nicolas Sarkozy het voortouw heeft genomen in deze oorlog.

Bewijzen voor de dood van Libische burgers, ook kinderen, ten gevolge van de NAVO-bombardementen, stapelen zich op. De bommen komen terecht op burgerlijke infrastructuur, waardoor de meerderheid van de bevolking basisvoorzieningen, zoals voedsel en water, wordt ontzegd.

Dit zou de mensen moeten inspireren om Khaddafi omver te werpen. De oorlog die zogezegd bedoeld was om de burgerbevolking te beschermen, heeft de gedaante van terreur en marteling aangenomen, om zo de door de NAVO gesteunde Nationale Overgangsraad de kans te geven de macht te grijpen.

Deze kleine oorlog in Libië ontmaskert de NAVO als crimineel en incompetent. Het toont ook aan dat de linkerzijde in de NAVO-landen compleet nutteloos en overbodig is. Het is misschien nog nooit zo gemakkelijk geweest om zich tegen een oorlog te verzetten, maar de Europese georganiseerde linkerzijde kijkt lijdzaam toe.

Toen de door Al Jazeera georchestreerde mediahype rond Libië drie maanden geleden losbarstte, aarzelde de linkerzijde niet om een standpunt in te nemen. Een aantal Franse en Noord-Afrikaanse linkse organisaties riepen op tot een ‘solidariteitsmars met het Libische volk’ in Parijs op 26 maart.

Hun verwarring blijkt uit het feit dat zij tegelijkertijd opkwamen voor de erkenning van de “Nationale Overgangsraad als enige legitieme vertegenwoordiging van het Libische volk” en voor “de bescherming van inwijkelingen en migranten” die in realiteit juist beschermd moesten worden tegen de rebellen die de Overgangsraad uitmaken.

Terwijl ze impliciet de militaire operaties ter ondersteuning van de Nationale Overgangsraad bijtraden, riepen ze ook op waakzaam te zijn voor de dubbelzinnigheid van westerse regeringen en de Arabische liga en de mogelijke escalatie van de voorziene operaties.

Deze oproep werd door uiteenlopende organisaties onderschreven: Libische, Syrische, Tunesische, Marokkaanse en Algerijnse oppositiegroepen in ballingschap, de Franse groenen, de antikapitalistische partij, de Franse communistische partij, de antiracistische beweging MRAP (nvdr: Mouvement contre le Racisme et pour l’Amitié entre les Peuples) en ATTAC.

Samen vertegenwoordigen deze groepen zowat het hele politieke spectrum links van de Socialistische Partij. Deze laatste steunde de oorlog volop, zonder een oproep tot waakzaamheid.

Nu het aantal burgerslachtoffers van de NAVO-bombardementen gestaag toeneemt, is er geen spoor meer te bekennen van de beloofde “waakzaamheid ten aanzien van een escalatie van de oorlog”. De activisten, die in maart nog met grote overtuiging verdedigden dat een hypothetisch bloedbad moest worden vermeden, doen vandaag niets om een reële en zichtbare afslachting te stoppen.

Het probleem dat aan de basis ligt van het “we moeten iets doen”-kamp aan de linkerzijde, is de betekenis van het woord ‘we’. Als men daarmee letterlijk ‘we’ bedoelde, kon men niet anders dan een soort van internationale brigades oprichten om aan de zijde van de rebellen te gaan vechten.

Maar ondanks het feit dat men alles wou doen om de rebellen te steunen, was dit natuurlijk nooit de bedoeling. Met ‘we’ beoogde men de westerse machten, de NAVO en vooral de Verenigde Staten, het enige land met het ‘unieke vermogen’ om een dergelijke oorlog te voeren.

Het “we moeten iets doen”-kamp vermengt gewoonlijk twee soorten eisen. Van het eerste type eisen kan realistisch worden verwacht dat deze door de westerse machten kunnen worden ingevuld: de rebellen steunen, de Nationale Overgangsraad erkennen als vertegenwoordiging van het Libische volk. Maar van het andere soort eisen kan niet verwacht worden dat de grootmachten die inwilligen – en die ze zelf trouwens ook niet kunnen verwezenlijk: de bombardementen beperken tot militaire doelwitten en het beschermen van de burgerbevolking en het kader van de VN-resoluties nauwgezet respecteren.

Deze twee eisen zijn onverzoenbaar. In een burgeroorlog is het naleven van VN-resoluties of de bescherming van de burgers voor geen enkele partij van prioritair belang. Elke kant wil winnen en het verlangen naar wraak leidt vaak tot gruweldaden. Als men de rebellen ondersteunt, geeft men hen in de praktijk carte blanche om zelf in te schatten wat ze noodzakelijk achten om te winnen.

Maar men geeft eigenlijk ook carte blanche aan de NAVO en westerse bondgenoten. Deze zijn misschien minder bloeddorstig dan de rebellen, maar ze beschikken over veel destructievere middelen. En het zijn grote bureaucratieën die willen overleven. Ze moeten winnen. Anders lopen ze het risico geconfronteerd te worden met een geloofwaardigheidsprobleem (net als de politici die de oorlog hebben gesteund) met alle gevolgen van dien.

Eens de oorlog is opgestart, is er – bij gebrek aan een doortastende anti-oorlogsbeweging – geen kracht in het westen die de NAVO kan dwingen zich aan de restricties van VN-resoluties te houden. Op deze manier valt het tweede soort vragen van de linkerzijde in dovemansoren. Ze dienen enkel om de voorstanders van de oorlog aan de linkerzijde ervan te overtuigen dat hun bedoelingen ‘zuiver’ zijn.

Door de rebellen te steunen, hebben de voorstanders van een interventie aan de linkerzijde de doodssteek gegeven aan de anti-oorlogsbeweging. Het is immers zinloos om rebellen in een burgeroorlog, die smeken om een buitenlandse interventie, te steunen en tegelijkertijd dergelijke interventies te verwerpen. De voorstanders van een interventie aan de rechterzijde zijn dan veel consequenter.

Wat de voorstanders van een interventie aan de linker- en rechterzijde met elkaar gemeen hebben, is hun overtuiging dat wij (= het beschaafde democratische Westen) het recht en de mogelijkheid hebben om onze wil aan andere landen op te leggen.

Bepaalde Franse groeperingen, die het verwerpen van racisme en kolonialisme als handelsmerk hebben, herinneren zich blijkbaar niet dat alle koloniale veroveringen werden uitgevoerd op satrapen, Indische prinsen en Afrikaanse koningen, die als autocratisch werden bestempeld (wat ze ook waren).

Daarenboven lijken ze geen vraagtekens te plaatsen bij het feit dat Franse organisaties beslissen wie de legitieme vertegenwoordigers zijn van het Libische volk.

Ondanks de inspanningen van een aantal geïsoleerde individuen is er geen volksbeweging in Europa die in staat is om de acties van de NAVO te vertragen, laat staan te stoppen. De enige hoop die er nog is, is een ineenstorting van de rebellenbeweging, verzet in de Verenigde Staten of een beslissing van de economische oligarchie, die vindt dat de oorlog te duur wordt.

Ondertussen heeft de Europese linkerzijde haar kans gemist om zichzelf terug op de kaart te plaatsen door zich te verzetten tegen één van de meest onvergeeflijke oorlogen van het moment. Europa zal zwaar lijden onder dit morele bankroet.

Jean Bricmont en Diana Johnstone

Jean Bricmont is auteur van ‘Humanitaire interventies. Mensenrechten als excuus voor oorlog’. Diana Johnstone is auteur van ‘Fools’ Crusade’.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!