Protest tegen de NAVO-bombardementen op Libië in Washington DC, op zaterdag 9 juli 2011 (foto: GETTU)
Opinie, Nieuws, Wereld, Politiek, Libië, Repressie, Syrië, Mensenrechtenactivisten, Humanitaire militaire interventie, Westerse belangen, Kolonel Muammar Khaddafi, Arabische Revoluties, VN-resolutie 1973, NAVO-bombardementen, President Assad, Bloedige onderdrukking, James M. Dorsey -

Syrië & Libië: hoe wel of juist niet volksbewegingen steunen?

Indien Syrië zich toont als een model voor de Amerikaanse en Europese steun aan de volksbewegingen tijdens de Arabische revolutie, dan is Libië dit vast en zeker niet, schrijft de Amerikaanse journalist en onderzoeker James M. Dorsey.

maandag 1 augustus 2011 19:45

De trans-Atlantische alliantie lijkt meer dan ooit verdeeld over
het verdere verloop van de aanpak in Libië. Na een twijfelachtige
overwinning van de opstandelingen, waarbij de NAVO een vliegverbod over Libië afdwong, is de verdeeldheid zeker niet verminderd.

Radeloosheid in NAVO-kamp

Een duidelijke aanwijzing van de radeloosheid in het NAVO-kamp is de halfslachtige oproep van de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Alain Juppé, voor een politieke oplossing van de Libische crisis. Hij vroeg ook expliciet de steun van de Afrikaanse Unie om te gaan bemiddelen tussen de rebellen van de Overgangsraad en de
Libische leider kolonel Khaddafi.

De Franse minister van Defensie, Gérard Longuet, pleitte ook al voor
een ‘politieke’ oplossing. De tijd is er blijkbaar rijp voor. Hij merkte ook op dat de NAVO-bombardementen de crisis niet hebben gestopt.

Vanuit de Afrikaanse Unie, tijdens een top begin juli in Equatoriaal Guinea, gingen er stemmen op om te praten met de rebellen, zonder Khaddafi uit te nodigen. De Afrikaanse Unie vond wel dat men moest ophouden met onmiddellijk het ontslag te eisen van de Libische leider.
De minister van Buitenlandse Zaken van Zuid-Afrika, Maite Nkoana-Mashabane, drong ook aan om, los van elke overeenkomst, Khaddafi zeker niet uit Libië te verbannen.

De uitspraak van Alain Juppé volgt op eerdere oproepen vanuit Italië om de vijandelijkheden tegen Libië te stoppen om humanitaire redenen. De verklaringen van beide Franse ministers zijn des te merkwaardiger omdat precies de Franse president Nicolas Sarkozy de drijvende kracht was achter de militaire interventie tegen Khaddafi.

Hij was ook één van de eersten om de TNC, de Overgangsraad van de rebellen in Benghazi, te erkennen als de wettelijke vertegenwoordiger van het Libische volk. Eerder in juli gaf Frankrijk nog toe wapens te leveren aan de rebellen. Ook andere Europese landen hebben aangekondigd de rebellenbeweging te erkennen en hen van wapens te voorzien.

Rebellen hadden de bui zien hangen

Sommige TNC-leiders hadden blijkbaar de bui zien hangen. Zij hadden door dat vroeg of laat de Franse houding zou omslaan. Toch kwam het bij veel rebellen nog hard aan, juist nu ze de laatste weken op het terrein militaire vooruitgang boekten.

In een betekenisvolle, maar controversiële eis, zei de TNC-leider, Mustapha Abdul-Jalil, dat de tegenstanders van Khaddafi hun vraag, om hem met zijn familie uit te wijzen, hadden laten vallen. Dit was bedoeld om een einde te maken aan het conflict.

Khaddafi’s zoon, Saif al-Islam, beweerde dan weer dat zijn vader een
staakt-het-vuren, verkiezingen en democratische hervormingen wilde bespreken, maar dat hij zeker zou blijven vechten om in Libië te kunnen blijven.

Khaddafi’s zoon beweerde tijdens een interview met een Algerijnse krant, dat zijn vader, via een gezant aan het onderhandelen was met president Sarkozy. Hij citeert Sarkozy die zegt dat de TNC een Franse creatie is, bevolkt door mensen die helemaal door Frankrijk worden gecontroleerd.
De woordvoerder van het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken,  Bernard Valero, ontkende directe contacten, maar zei wel dat er boodschappen, via bemiddelaars, naar Khaddafi’s regime gezonden werden.

De Franse ommezwaai om via (indirecte) onderhandelingen de gevechten te beëindigen, duidt op een groeiend besef, binnen de NAVO, dat een voortzetting van de buitenlandse interventie veeleer contraproductief wordt. Noch de westerse belangen, noch die van de opstandelingen zijn ermee gediend.

Vragen over betrouwbaarheid van westerse steun

De opstandelingen riskeren zware verliezen te lijden omdat ze een autoritair regime bekampen dat zich, ten koste van alles en iedereen, vastklampt aan de macht en er niet voor terugschrikt brutaal geweld te gebruiken.

Het is meer dan waarschijnlijk dat er in kringen van de rebellen vragen rijzen over de betrouwbaarheid van eventuele westerse steun. Dit zou ook een signaal moeten zijn voor de opstandelingen in Syrië en andere Arabische landen, om niet te veel op westerse steun, laat staan militaire bijstand te rekenen, ook al gaan de zaken bijzonder moeilijk.

Harde repressie, maar geen vraag tot interventie in Syrië

In Syrië hebben de opstandelingen, in tegenstelling tot Libië, geen buitenlandse militaire interventie gevraagd, niettegenstaande de bijzonder harde repressie van het regime tegen elke vorm van democratische verzuchting. De verliezen aan mensenlevens lopen in Syrië nochtans elke dag hoger op.

De Libische rebellen vroegen in maart om buitenlandse hulp, wanneer het regime van Khaddafi op het punt stond het strategische bolwerk Benghazi aan te vallen.

Die dreigende aanval en de vraag om hulp deed de VN-Veiligheidsraad met een overgrote meerderheid beslissen om een vliegverbod op te leggen boven Libië. Dit gebeurde volgens VN-resolutie 1973 officieel om de burgers te beschermen tegen de aanvallen van hun eigen overheid.

Nadat de NAVO hoopte, met massale bombardementen, snel een einde te kunnen maken aan het bewind van Khaddafi, opteren de VS en de meeste Europese landen nu voor een langetermijnstrategie in Syrië. Deze aanpak zou misschien wel model kunnen staan voor de houding van het Westen tegenover toekomstige revoluties in het Midden-Oosten en Noord-Afrika.

Economische sancties, geen gezichtsverlies

De VS en de EU hebben zich tot hiertoe beperkt tot relatief lichte economische sancties tegen het brutale regime. Ze veroordelen de onderdrukking, maar vragen aan president Assad om de dialoog kansen te geven. Ze sporen Syrië ook aan om het internetcommunicatienetwerk te versterken om zo makkelijk met de buitenwereld in contact te staan.

Zo vermijdt het Westen gezichtsverlies te lijden in Syrië en aldus een herhaling te voorkomen van wat In Libië gebeurde. Daar eisten ze meteen het vertrek van de leider, zonder dat ze echter hun wil kunnen opleggen.

Er zijn zeker nog grote verschillen tussen Libië en Syrië. Khaddafi, bijna 42 jaar aan de macht, kon in die lange tijd wel wat vriendschappen opbouwen in de internationale gemeenschap. President Assad daarentegen is bepaald niet geliefd, maar wordt wel gezien als een duivel waarmee tot op zekere hoogte nog zaken te doen zijn.

De Libische rebellen, anders dan hun Syrische tegenhangers, verkregen al vrij vlug de controle over grote delen van het land en vertoonden een duidelijk herkenbaar leiderschap.

Toch wordt de NAVO-operatie in Libië steeds meer als een mislukking beschouwd, ook door sommige NAVO-leden die uit zijn op een onderhandelende oplossing.

Kritiek van mensenrechtenactivisten: stop bloedvergieten

In Syrië moesten de westerse staten veel kritiek verdragen vanwege mensenrechtenactivisten. Die verweten het Westen niet genoeg te hebben ondernomen om het bloedvergieten te stoppen. Toch is de westerse strategie in Syrië erop gericht het geweld te veroordelen, maar dan op een veeleer onopvallende manier. De VS en Europa proberen de opstandelingen bij te staan, zonder evenwel het risico te lopen verwachtingen op te bouwen die ze toch niet zouden kunnen waarmaken.

Het groeiende besef dat militaire interventies heel veel risico’s inhouden en geenszins tot een snelle oplossing leiden, helpt ook om
het originele karakter van de Arabische revoluties te beschermen.

De kracht van een volk in opstand, dat zoals in Syrië een enorme veerkracht toont om met een vastberadenheid te steunen op eigen kracht, wijst ook op de bekwaamheid om de zaken zelf op te lossen. Maar daar wordt in Syrië elke dag een dure prijs voor betaald.

James M. Dorsey

James M. Dorsey, een ex-journalist bij ‘The Wall Street Journal’, is nu een befaamd onderzoeker bij het Middle East Institute aan de nationale universiteit van Singapore. Hij is ook de auteur van de blog: ‘De turbulente wereld van het voetbal in het Midden-Oosten’.

Dit artikel verscheen in originele Engelse versie (Syria and Libya: Lessons in how and how not to support people power) op de website van de Noorse vredesbeweging Ikkevold.

(vertaling uit het Engels door André Schippers)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!