Figuur 1: CO2-uitstoot per land/ Bron: Basisdossier klimaatcampagne, 11.11.11.
Nieuws, Samenleving, België -

“We kunnen toch niet het OCMW van de wereld zijn?”

Cafépraat is leuk. Vaak zit er ook een stuk waarheid in. Maar het lastige aan cafépraat, is dat de werkelijkheid dikwijls genuanceerder en ingewikkelder is. Het zesde deel door Sam Mampaey.

woensdag 13 juli 2011 21:15
Spread the love

Als cafépraat ook buiten het café begint te circuleren – bijvoorbeeld in de media of bij beleidsmakers – wordt het gevaarlijk. Als niet-onderbouwde stellingen losgelaten worden op het publiek en zo mee het ‘maatschappelijk debat’ gaan bepalen, mag die cafépraat gerust van repliek gediend worden. Een geknipt antwoord op een verknipte vraag!

6.  “We kunnen toch niet het OCMW van de wereld zijn?”

Veel steun en bijstand aan migranten wordt vandaag betaald uit ‘solidariteit’. Uitkeringen als werkloosheid en pensioenen zijn gebaseerd op ‘wederkerigheid’ (de migrant heeft er pas recht op als hij zelf gewerkt heeft en sociale bijdragen heeft betaald). Maar andere uitkeringen en OCMW-bijstand worden betaald vanuit belastingsgeld. Vaak aan migranten die hier weinig tot niets hebben ‘bijgedragen’.

Die solidariteit komt vandaag steeds meer onder druk te staan. Ons sociale zekerheids- en bijstandssysteem is ‘territoriaal’: we willen solidair zijn met iedereen op ons grondgebied, los van nationaliteit of lengte van verblijf in België. Maar kan ons ‘territoriaal systeem’ solidair blijven met steeds meer migranten die naar hier komen? Kan ons nationaal, territoriaal systeem een ‘internationale solidariteit’ schragen? 

De solidariteit komt vooral onder druk omdat er steeds minder geld is voor bijstand en sociale politiek. Het verminderen van solidariteit wordt dan geargumenteerd vanuit onze ‘verantwoordelijkheid’. ‘Wij zijn toch niet verantwoordelijk voor de miserie waar die migranten voor vluchten? Waarom zouden we hen dan moeten opvangen of hen bijstand geven?’

Misschien moeten we dat argument omdraaien. Uiteraard migreren mensen door een complexe mix van factoren. Maar ‘het Westen’ heeft vaak veel verantwoordelijkheid in de situaties waar migranten voor vluchten. Als die mensen dan hier komen aankloppen, is steun en solidariteit misschien wel het minste dat we kunnen doen.

Kolonialisme en historische verantwoordelijkheid

Eind 18de eeuw waren Latijns-Amerika, Azië en het hele Afrikaanse continent verdeeld onder de westerse industrielanden. Het kapitalisme-in-crisis was op zoek naar goedkopere arbeidskrachten en grondstoffen, en de kolonies konden dat leveren. In hun kolonies verwoestten de bezettende grootmachten vaak de bestaande politieke en economische structuur.

In de plaats kwam een export-economie en -landbouw die grotendeels ten dienste stond van de bezetter. De plaatselijke bevolking werd uitgebuit als goedkope of gratis arbeidskracht, en politiek gecontroleerd door de bezetter. Zo werd de basis gelegd voor een achterstelling die in veel zuiderse landen vandaag nog steeds doorwerkt.

Een goed voorbeeld is onze ‘eigen’ kolonie: Congo. Congo-kenner Tony Busselen schreef een boeiende inleiding (‘Congo voor beginners’) met heel wat cijfermateriaal. Congo, dat bijna tachtig keer zo groot is als België, werd in 1885 officieel privébezit van de Belgische koning Leopold II. Hij zette zijn ‘Congolese onderdanen’ al snel in voor de verplichte rubberteelt. Uitbuiting en mishandeling zal die eerste decennia het leven kosten aan vijf tot tien miljoen Congolezen. De wantoestanden zijn zo erg dat Leopold II uiteindelijk verplicht wordt ‘zijn’ kolonie af te staan aan de staat België. Maar vanaf dan wordt de uitbuiting alleen beter georganiseerd.

Kerk en kapitaal

Grote Belgische bedrijven als de Union Minière krijgen hele lappen Congo ter beschikking, als ze ‘in ruil’ spoorwegen aanleggen. Dankzij die spoorwegen, kunnen ze de rijkdommen gemakkelijker uit Congo slepen. Rubber, ivoor, maar later ook koper, diamant, uranium en kobalt. De rijkdom wordt verhandeld via de Antwerpse haven, die daardoor ook een enorme bloei kent. In de periode 1950-1955 waren 300 Belgische bedrijven in Congo aanwezig, tegenover 9.000 in België.

Maar die 300 stonden wel in voor een kwart van alle dividenden. Die winsten werden gerealiseerd op de rug van de Congolezen. Die werden van hun beste gronden verdreven, in dwangarbeid gezet of verplicht te werken tegen erg lage lonen. In 1924 kostte een Congolese arbeider van de Union Minière 8.000 tot 9.000 frank per jaar, terwijl hij 50.000 opbracht. Een blanke arbeider verdiende gemiddeld 400.000 frank per jaar.    

De kerk speelde een belangrijke rol in het ‘temmen’ van de Congolezen. Ze kreeg daar ook gronden voor in ruil. Ze begon met het uitbouwen van gezondheidszorg en onderwijs. Er werd evenwel nooit echt geïnvesteerd in het opleiden van een geschoolde klasse. Het onderwijs was vooral lagere school, om de Congolezen te leren lezen en schrijven, en hen te disciplineren voor het fabrieksleven. Pas in 1954 opent de eerste universiteit in Kinshasa. Too little too late: wanneer Congo in 1960 onafhankelijk wordt, zijn er amper 16 afgestudeerden met een universitair diploma om het land te runnen.

Leger en administratie

Naast kapitaal en kerk stond nog een derde macht aan het koloniale roer: het leger en de administratie. De Force Publique, een leger van huurlingen en verplicht ingezette Congolezen, was al ingezet om Congo te ‘veroveren’. In een dertigjarige oorlog, onder het mom van ‘de strijd tegen de Arabische slavenhandelaars’, werden de opstandige Congolezen neergeslagen en heel Congo onderworpen.

Het leger werd echter ook ingezet tegen opstandige arbeiders. Tijdens de Tweede Wereldoorlog moet Congo extra produceren om België van grondstoffen te voorzien. De lonen bij Union Minière waren tijdens de crisisjaren sowieso al naar beneden gehaald. In december 1941 breekt een staking uit tegen de onmenselijke arbeidsomstandigheden. Die staking wordt bloedig de kop ingedrukt: het leger executeert een tweehonderdtal arbeiders en hun families. 

De Congolezen werden ook op andere manieren eronder gehouden. Een uitgebreid netwerk van administratie en ambtenaren – volledig gestuurd vanuit België – runde het land. Het was Congolezen verboden zich politiek te organiseren. Racisme en segregatie waren wijd verbreid én wettelijk verankerd. Zelfs het gebruik van de zweep was netjes geregeld.

Uiteraard investeerde België ook sterk in Congo. Zeker na de Tweede Wereldoorlog werden ziekenhuizen gebouwd, scholen, huizen en wegen. Maar vaak waren die investeringen ook in het belang van het kapitaal. Een goed transportnetwerk kon bijvoorbeeld gemakkelijker grondstoffen vervoeren.

Maar Congo is nu toch al vijftig jaar onafhankelijk? Je kan de schuld voor de achterstelling toch niet meer in de schoenen van de Belgen schuiven?

Neokolonialisme, schuldenlast en oneerlijke wereldhandel

Jammer genoeg heeft onafhankelijkheid in veel landen niet geleid tot echte soevereiniteit. Veel ex-kolonies bleven gecontroleerd door het Westen… Die controle door het Westen verliep op verschillende manieren.

Dictators aan de macht

Een eerste manier was om, na de onafhankelijkheid, dictators mee aan de macht te helpen. Dictators, die, in ruil voor westerse steun, de belangen van het westen bleven dienen. Vaak werd daarvoor ook de nationalistische beweging, die de onafhankelijkheid had geleid, bloedig neergedrukt.

Opnieuw Congo is weer een goed voorbeeld. Patrice Lumumba, die de volksstrijd voor onafhankelijkheid had geleid, kon in 1960 rekenen om massale steun van de Congolezen. Wanneer, mede door Belgische inmenging, het land na de onafhankelijkheid in een burgeroorlog verzeilt, vraagt hij hulp aan de Sovjet-Unie. Waarop de VS en België, die al langer hadden begrepen dat met een nationalist als Lumumba geen deals waren te sluiten, besluiten hem te vermoorden. Ze vervangen hem door dictator Mobutu.

In het begin is daar veel weerstand tegen bij de Congolezen. Er komt een tegenregering van oude Lumumba-aanhangers, en Mulele en Kabila leiden een guerillastrijd tegen Mobutu. In 1964 controleren ze twee derde van Congo. Maar de opstand wordt bloedig neergeslagen, met hulp van België. ‘Operatie Ommegang’, een leger huurlingen, slacht heel de Lumumba-aanhang af. En geeft zo alle macht definitief aan Mobutu, die met goedkeuring van België meer dan dertig jaar als tiran over Congo zal heersen. 

Schuldenlast

Veel ex-kolonies gaan al snel schulden aan, om de ‘opbouw van het land’ te kunnen financieren. Zo ook Mobutu. Hij zet grote prestigeprojecten op (de zogenaamde ‘witte olifanten’), die door corruptie en wanbeheer echter nooit zullen ‘renderen’.

Een voorbeeld is de Inga-stuwdam, die elektriciteit voor heel Congo moest genereren, maar die nooit meer dan 30 procent van zijn capaciteit heeft geleverd. Voor deze megaprojecten gingen veel dictators geld lenen bij westerse banken en overheden.

Leningen aan dictatoriale regimes zouden wereldwijd tot 523 miljard dollar beslaan. In 2004 nam het Afrikaanse continent al 300 miljard ervan voor zijn rekening. De projecten werden uitgevoerd door westerse bedrijven. Zo passeerde het Westen twee keer langs de kassa.

Het Westen zou leningen blijven toestaan aan Mobutu, ook toen ze zagen wat voor een dictator hij was, en ze doorhadden dat hij zijn schulden nooit zou kunnen terug betalen. Het belangrijkste was immers om Mobutu te vriend te houden. Tijdens de Koude Oorlog kozen Afrikaanse landen ofwel voor de Sovjet-Unie ofwel voor de VS. Congo ligt strategisch centraal in Afrika, en die schat verliezen aan de communisten zag het Westen absoluut niet zitten.

De leningen moesten echter ook terugbetaald worden, met intrest. In de jaren zeventig en tachtig gaan de intrestvoeten enorm de hoogte in, waardoor zuiderse staatsleiders vaak extra leningen moesten aangaan om de intresten te kunnen terugbetalen. Veel landen uit het Zuiden hebben zo hun oorspronkelijk geleend bedrag al een paar keer terugbetaald, maar blijven met schuldenlast zitten, door de gestegen intrestvoeten.

Die schuld is vaak ‘odieus’: het gaat om schulden die aangegaan zijn door dictators, voor projecten waar de bevolking zélf amper iets aan heeft gehad. De afbetaling van de schulden nijpt de ontwikkelingslanden dood. Al de zogenaamde Low Income Countries (LIC’s) betalen samen zo’n 100 miljoen dollar per dag af, of 70.000 dollar per minuut.

Ruiltermen en liberalisering

Begin jaren tachtig wordt duidelijk dat veel ontwikkelingslanden hun schulden niet zouden kunnen terugbetalen. De Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF), die instonden voor een deel van de leningen, beginnen daarom landen Structurele Aanpassingsprogramma’s (SAP’s) op te leggen. Ze moeten hun economie herzien, om zo zo snel mogelijk tóch geld vrij te maken om de schulden af te betalen. Zo moeten ze bijvoorbeeld meer gaan produceren en uitvoeren, om geld in het laatje te krijgen voor de schuldaflossing.

Maar door monocultuur (die tijdens de koloniale periode werd geïnstalleerd om de ‘moederlanden’ te bevoorraden met koffie, cacao, rijst, thee e.d.) produceren vijftig van de LIC’s nog slechts twee tot drie gewassen. 39 zelfs maar één. Bij verhoogde productie kwam er dus gewoon meer van hetzelfde gewas op de exportmarkt, waardoor internationaal de vraag én de prijs van die producten daalde.

Zuiderse landen moeten vandaag een derde meer exporteren dan in 1975-1985 om een zelfde hoeveelheid afgewerkte goederen van het Westen te kunnen kopen. Een Oegandese koffieboer krijgt vandaag 14 cent voor een kilo koffiebonen, terwijl die in een supermarkt in het  VK verkocht wordt tegen 26,40 dollar.

Naast de dalende prijzen voor hun gewassen (de zogenaamde ‘verslechterde ruiltermen’) werden zuiderse landen ook verplicht hun economie te hervormen. Ze moesten minder gaan uitgeven, om zo meer geld over te houden voor de schuldaflossing. Besparingen in gezondheidszorg, onderwijs, openbare diensten en overheidsapparaat waren het gevolg, maar ook het verkopen van staatsbedrijven aan internationale bedrijven (‘privatiseren’), en het verplicht toelaten van buitenlandse bedrijven op hun grondgebied, zodat die konden beginnen concurreren met plaatselijke producenten (‘liberaliseren’).

Veel van die bedrijven zijn grote westerse landbouwfirma’s. Hun productie wordt door de Europese Unie gesubsidieerd, waardoor ze hun producten heel goedkoop op de zuiderse markten kunnen verkopen. Zelfs goedkoper dan de plaatselijke boeren, waardoor deze kapotgeconcurreerd worden. Daardoor kan je op de Congolese markt diepvrieskippen en choco uit België kopen, maar heeft Congo geen eigen kippenindustrie. Liberalisering maakt wereldwijd boeren kapot.

Wanneer met het NAFTA-akkoord de handelsgrens tussen de VS en Mexico wordt open gegooid, kunnen Mexicaanse boeren niet meer concurreren tegen goedkope VS-producten en verliezen minstens 350.000 boeren hun werk. Niet verwonderlijk dat de Mexicaanse vluchtelingenstroom naar de VS blijft toenemen.

Het binnendringen van westerse bedrijven in het Zuiden heeft nog andere perverse effecten. Grote visbedrijven zorgen voor overbevissing voor de West-Afrikaanse kust, waardoor de plaatselijke vissers niets meer vangen, op de fles gaan en hun bootjes moeten verkopen. Aan mensenhandelaars, die die bootjes gebruiken om West-Afrikanen naar Europa te smokkelen.             
   
Onderzoekster en internationaal geroemde academica Susan George stelt dat de handelspolitiek van de EU, en de miserie die dat in het Zuiden creëert, veel beter in staat is migratie te verklaren dan al de modellen die vandaag circuleren. Ze hamert erop dat de EU haar verantwoordelijkheid moet nemen.

De EU zelf ziet migratie nog steeds als iets wat uit de lucht komt vallen, en wat vooral moet bestreden worden. Het budget voor FRONTEX, die de gezamenlijke EU-buitengrenzen moet bewaken, is het laatste decennium verdrievoudigd. In die plaats zou de EU ook haar handelspolitiek kunnen wijzigen: een veel structurelere oplossing.    

Stiekeme en open oorlogen

Het kapitalisme heeft steeds goedkopere grondstoffen en energiebronnen nodig. Als crisis en concurrentie scherper worden, zijn grootmachten bereid ook daar voor ten oorlog te trekken. Om hun controle over rijkdommen in bepaalde gebieden te behouden of uit te breiden, kan het veroveren van gebieden ook van geostrategisch belang zijn. Voor het kapitalisme-in-crisis is oorlog ook interessant. De wapenproductie kan de economie weer aanzwengelen. En na een land vernietigd te hebben, kunnen westerse bedrijven veel winst halen uit de wederopbouw.

Eén van de inzetten van de oorlog in Afghanistan was de aanleg van oliepijpleidingen tussen de energierijke onderbuik van Rusland en de Arabische zee. Pijpleidingen waar het Taliban-regime, dat mee in het zadel werd geholpen door de VS, op een gegeven moment plots niet meer van wou weten. De oorlog in Irak ging om olie. Met de oorlog in Libië wil het Westen controle herwinnen over een regio die het met de Arabische lentes dreigt te verliezen. En de rijke olie- en watervoorraden veroveren.

Die open oorlogen worden aan het publiek steevast anders verkocht. Al dan niet met medialeugens. Afghanistan werd aangevallen omdat Osama Bin Laden, de man achter de 11 september-aanslagen, zich daar zou schuil houden. Irak werd aangevallen omdat dictator Saddam Hoessein over massavernietigingswapens zou beschikken. Libië wordt aangevallen “om burgers te beschermen tegen de genocide die dictator Khaddafi tegen hen voert.”

Naast open oorlogen zijn er ook stiekeme oorlogen. Om zijn belangen te verdedigen, maakt het Westen gebruik van bestaande conflicten. Het bewapent één van de kampen, in de hoop na de overwinning te delen in de macht. Van het bewapenen van een oorlogsfront met Rwanda, Oeganda en vader Kabila tégen Mobutu, op het moment dat die oncontroleerbaar is geworden en met het einde van de Koude Oorlog zijn strategisch nut verliest.

Over het bewapenen van de Kosovaarse afscheidingsbeweging UCK, om zo de macht van de Servische nationalistische president Milosevic te breken. Tot het ondersteunen van Tsjetsjeense rebellen in hun onafhankelijkheidsstrijd tegen Rusland.

België op oorlogspad

België doet flink mee in die oorlogen, en wil daarbij steevast bewijzen ‘een kleine maar trouwe NAVO-bondgenoot’ te zijn. In 2003 al ging België mee de Afghaanse luchthaven Kaboel ‘verdedigen’. In juni 2008 werden zes F-16’s naar Kandahar gestuurd, en vandaag zitten er 600 Belgische militairen in Afghanistan.

Deze oorlog kost ons 112 miljoen euro per jaar. Omdat de NAVO-strategie op het terrein steeds meer een mislukking blijkt, wil ook België stilaan zijn troepen terug trekken. Maar defensieminister De Crem speelt nu al met de idee om de militairen door te sluizen naar Libië, het tweede oorlogsfront waar België actief is.

Inzetten van grondtroepen is expliciet niet toegelaten door de VN-resolutie1973, waarmee de oorlog tegen Libië begonnen is. Maar daar trekt de NAVO zich steeds minder van aan, ook al worden haar bombardementen scherp veroordeeld door de Afrikaanse Unie.

De situatie loopt nu al uit de hand. Voor de oorlog waren bijna 4 miljoen buitenlandse arbeiders in Libië aanwezig, die nu terugkeren naar Tunesië, Algerije en Egypte en daar de werkloosheidscijfers nog eens opdrijven. Honderdduizenden mensen zitten in vluchtelingenkampen in de buurlanden, vooral Tunesië.

Deze oorlog kost België maandelijks 5 miljoen euro. Een bedrag gelijk aan het brutoloon van meer dan 2.000 beginnende onderwijzers of verpleegkundigen. Of: waar België zijn prioriteiten legt.

Ook België doet aan stiekeme oorlogsvoering. In 2003 bestelde de  Nepalese koning Gyanendra 5.500 minimi-mitrailleurs bij het Belgische wapenbedrijf FN. Gyanendra zou die wapens gebruiken om de volksopstand tegen zijn feodaal regime bloedig de kop in te drukken.

Het Waals Gewest was meerderheidsaandeelhouder van FN, én de deal zou 25 miljoen euro opbrengen. Reden genoeg voor toenmalig buitenlandminister Louis Michel om Gyanendra’s regime een ‘prille democratie’ te noemen. De wapens zouden ingezet worden om die ‘democratie te beschermen’.

Er zijn nog andere stinkende potjes. Zo financierde de Belgisch-Franse bankengroep Dexia jarenlang de bouw van illegale kolonies van zionisten op de Westelijke Jordaanover en Oost-Jeruzalem. De dochteronderneming Dexia-Israël gaf, tussen 2003 en 2007, aan zeven kolonies en drie regionale overheden leningen, ten belope van 5 miljoen euro. Pas na lange actie van een breed platform van sociale organisaties, beloofde Dexia-voorzitter Jean-Luc Dehaene die financieringen stop te zetten.        

België heeft enerzijds een grote verantwoordelijkheid in de achterstelling van Congo, en voert nu openlijk oorlog in Afghanistan. Maar anderzijds blijft ons land erg streng als vluchtelingen uit die streken bij ons komen aankloppen. Tussen 1998 en 2002, de grote oorlogsjaren van Congo, gaf België aan amper 10 procent van de Congolese vluchtelingen een verblijfsvergunning. Afghanistan staat al jaren in de top 5 van herkomstlanden van asielzoekers, maar in 2010 gaf België aan slechts een vierde toelating te blijven.

De ecologische kwestie

De ecologische crisis drijft steeds meer mensen op de vlucht. In 2007 was, van de 51 miljoen mensen die wereldwijd in eigen land op de vlucht zijn, al de helft op de vlucht voor milieurampen. Dat aantal is sindsdien enkel toegenomen. 

De hele wereld wordt getroffen door de gevolgen van klimaatopwarming, maar de verdeling tussen Noord en Zuid is erg ongelijk. Terwijl ontwikkelingslanden het minst bijdragen tot klimaatopwarming, krijgen zij wel de zwaarste klappen. De ecologische crisis wordt zo steeds meer een Noord-Zuidverhaal. Zo sterk dat 11.11.11. besloot er haar centrale thema van te maken voor 2011 en 2012. Hun basiscampagnedossier verzamelt heel wat verontrustende gegevens.

Enerzijds ligt de grote verantwoordelijkheid voor de uitstoot van broeikasgassen duidelijk bij de rijke industrielanden. 50 procent van de wereldwijde broeikasgasuitstoot komt uit industrie en gewone huishoudens. Australië en de VS zijn daarbij koploper (23,5 ton CO2 per VS-inwoner). Maar ook België scoort hoog (13,2 ton). Hoger dan het Europese gemiddelde (10,5 ton) en veel hoger dan groeilanden als India, China (5,5 ton) en Brazilië, waar vaak met een verwijtende vinger naar gewezen wordt. (zie figuur 1)

30 procent van de uitstoot komt voort uit landbouw en handel in voedingsproducten. De resterende 20 procent komt uit verminderde CO2-opname door het kappen van tropische bossen – vaak gestimuleerd door internationale bedrijven op zoek naar hardhout, palmolie of kostbare ertsen en olie onder het regenwoud. 

De gevolgen van de klimaatopwarming komen vooral op de nek van het Zuiden terecht. Veel ontwikkelingslanden zijn afhankelijk van landbouw, maar door opwarming en verschuiving van klimaat mislukken steeds meer oogsten. De Verenigde Naties waarschuwen nu al dat “in 40 arme ontwikkelingslanden, met een gezamenlijke bevolking van 2 miljard mensen, productieverliezen als gevolg van klimaatopwarming tot een dramatische stijging van het aantal ondervoede mensen kan leiden.”

De opwarming leidt ook tot stijging van de waterspiegel – tegen 2080 mogelijk met 40 centimeter. Overstromingen zouden in dat geval het leven van 94 miljoen mensen bedreigen. Landbouwgronden die overstroomd worden door zout zeewater verzilten ook, waardoor voedselproductie nóg moeilijker wordt.

Anderzijds komt op andere plekken steeds minder water. Door het smelten van de gletsjers in de Andes en Himalaya drogen rivieren uit. Door het uitblijven van regens rukt de woestijn in Sub-Sahara Afrika op. Gebrek aan water zal steeds meer mensen op de vlucht drijven. En leiden tot wateroorlogen, zoals die vandaag al in Soedan en Kenia aan de gang zijn.

Door een teveel aan CO2 dat in de oceaan wordt opgelost, verzuurt het zeewater ook. Daardoor sterft plankton af. Maar die plankton staat wel aan de basis van een hele voedselketen: minder plankton geeft ook veel minder vis en dus nóg minder voedsel.

De opwarming versnelt ook het verspreiden van ziektes. Met de hitte rukt de malariamug meer op. En verplicht lokale gemeenschappen steeds hoger de (onvruchtbare) bergen in te trekken. Vandaag al sterven 150.000 mensen per jaar aan ziektes door een snellere opwarming.

Het Zuiden wordt dus meer getroffen door de klimaatcrisis, maar heeft tegelijk veel minder middelen om adequaat op milieurampen te reageren. Willen we een totale catastrofe vermijden, dan moet de klimaatopwarming beperkt worden tot maximaal 2°C. Hiervoor moeten rijke industrielanden dringend drastisch minder gaan uitstoten. Waar veel verregaander akkoorden voor nodig zijn dan vandaag het geval is.

Maar ondertussen moet ook massaal geld vrij gemaakt worden om de gevolgen van de ecologische crisis nú al aan te pakken. Daar is zo’n 110 miljard euro per jaar voor nodig. Gezien de verantwoordelijkheid van het rijke noorden in de ecologische crisis (‘de vervuiler betaalt’), zou Europa al minstens 35 miljard euro per jaar moeten vrij geven. De verantwoordelijkheid voor België ligt op 1 miljard euro per jaar, vanaf 2013.

Onze consumptie en moderne slavernij

Migratie is op een trieste manier ook gelinkt aan de producten die we dagelijks gebruiken. Denk aan de kledij die je bij H&M koopt, Nike-sportschoenen, Mattel-barbiepoppen of Disney-gadgets. Wij willen betaalbare producten, maar iemand moet die ook maken. De Schone Kleren-campagne toonde vanaf 1995 al hoe die productie verloopt, maar het verhaal blijft triest actueel.

Binnenlandse arbeidsmigranten

Toen het kapitalisme vanaf de jaren zeventig steeds meer in een crisis verzeilde, en bedrijven onderling harder moesten gaan concurreren, gingen ze zoals altijd op zoek naar goedkopere arbeidskrachten. Een veel beproefde formule is (nog steeds) delocalisatie: de fabriek hier dicht doen, en verhuizen naar landen waar de arbeiders minder loon vragen. Heel wat bedrijven verplaats(t)en hun productie naar het Zuiden.

Tegelijk vallen in de ontwikkelingslanden steeds meer boeren zonder werk. Omdat ze niet meer kunnen concurreren tegen de veel goedkopere importgoederen uit het Westen. Of doordat ze steeds minder geld krijgen voor hun gewassen. Die plattelandsbevolking trekt naar de steden, op zoek naar werk. En komt daar in de (gedelocaliseerde) fabrieken terecht. Binnenlandse arbeidsmigranten dus.

In China en Bangladesh draait de kledingexport bijna exclusief op zo’n werkkrachten. Vaak leven die arbeidsmigranten afgezonderd van de lokale bevolking. De fabriek zorgt voor ‘kost en inwoon’ op het fabrieksterrein.

Ze moeten werken aan arbeidsomstandigheden ver onder de basisnormen. De fabrieken maken misbruik van hun lage opleiding en het feit dat ze weinig alternatief hebben. Vakbonden zijn vaak verboden. Het leger of privémilities worden ingezet als mensen zich tóch organiseren. Lonen zijn abominabel en arbeidstijden onmenselijk.

Buitenlandse arbeidsmigranten

Naast binnenlandse zijn er ook buitenlandse arbeidsmigranten. Om de productie goedkoper te maken, laten bedrijven buitenlandse arbeidskrachten (tijdelijk) overkomen. En als die protesteren tegen de uitbuiting, worden ze vaak gewoon teruggestuurd van waar ze kwamen.

In 2008 werkten enkele honderden Srilankaanse vrouwen voor het Amerikaanse CMT op het eiland Mauritius. Toen ze vroegen voor de uitbetaling van achterstallige lonen en premies voor overwerk, werden ze zonder pardon aangehouden en op eigen kosten gedwongen gedeporteerd naar Sri Lanka.

Bedrijven maken ook vaak gebruik van migranten zonder papieren. Omdat ze zonder verblijfsvergunning in het land blijven (en dus steeds het risico lopen opgepakt en teruggestuurd te worden), maar tegelijk niet toegelaten worden op de arbeidsmarkt, zijn ze nóg meer bereid de meest abominabele arbeidsomstandigheden te tolereren.

Via schimmige constructies in onderaanneming draaien ze, volledig illegaal, mee in de industrie. Vooral arbeidsintensieve sectoren die moeilijk delocaliseerbaar zijn (bouw, groententeelt, horeca e.d.) maken hier graag gebruik van.

De tomaatjes die je deze middag bij je sla eet, zijn mogelijk geplukt door illegale arbeiders. Maar misschien wordt je kantoor ook door hen gepoetst. Is je huis door hen gebouwd. Of komt je hemd uit een Brussels textielatelier, waar sans-papiers tegen erg lage lonen werken.

Gedwongen arbeid en uitbuiting van (legale en illegale) migranten in heel ons productiesysteem is een wereldwijd fenomeen. Volgens consumentenactie Buy Responsibly zou het om 12,3 miljoen mensen gaan. In de geïndustrialiseerde landen zouden 113.000 mensen als slaven in gedwongen arbeid tewerk gesteld zijn. In het VK zouden tussen 500.000 en 600.000 sans-papiers worden uitgebuit. In Frankrijk werkt het merendeel van de Chinese migranten in gedwongen arbeid, tot 21 uur per dag. Moesten alle mensen in gedwongen arbeid en uitbuiting een eerlijk loon krijgen, zou dat oplopen tot 19,5 miljard dollar.       

Ontwikkelingshulp of solidariteit

Als je al het bovenstaande uitlegt aan mensen, is al snel de reactie: “Maar dan moeten we gewoon iets doen aan de situatie in de thuislanden! We moeten die migranten hier niet opvangen, maar gewoon meer ontwikkelingshulp organiseren!” Ontwikkelingshulp zal echter geen oplossing bieden.  

Ontwikkelingshulp

11.11.11 is duidelijk: ontwikkelingssamenwerking moet worden ingezet om het Zuiden op lange termijn duurzaam te ontwikkelen. Ze moet niet ingezet worden als middel om migratie naar het Noorden tegen te houden. Maar zelfs als het Noorden daar wèl voor kiest, is het een illusie te geloven dat ontwikkelingshulp dat kan.

Ten eerste, omdat ontwikkelingshulp vandaag veel te minimaal is. Ondanks het vele borstgeklop en de beloften in het verleden, heeft België zijn wettelijk vastgelegde doelstelling, om vanaf 2010 0,7 procent van het Bruto Nationaal Inkomen aan ontwikkelingssamenwerking te besteden, nog steeds niet gehaald.

In 2010 bedroeg het 2,261 miljard euro (of 0,64 procent van het BNI). België gaat daarmee wel vooruit tegenover vroeger, en komt op de zesde plaats van alle donorlanden. Maar 11.11.11 plaatst veel vraagtekens. “De eerste reden voor die zesde plaats zijn de zwakke prestaties van vrijwel alle andere donoren. De tweede is wat we het ‘opblazen’ van de hulp kunnen noemen, met uitgaven, die men beter niet zou meetellen.”

Zo werd de schuldkwijtschelding aan Congo ook meegenomen in de ‘ontwikkelingshulp’. Maar ook een aantal uitgaven voor Fedasil (opvang van asielzoekers). En zelfs kosten voor buitenlandse studenten. “23 procent van onze ontwikkelingshulp heeft weinig te maken met echte uitgaven voor armoedebestrijding of duurzame ontwikkeling in het Zuiden.”

“De echte hulp van België aan het Zuiden blijft al bij al hangen op ongeveer 1,74 miljard euro of net iets minder dan 0,5 procent van het BNI.” Waar België daarbovenop vanaf 2013 jaarlijks 1 miljard euro zou moeten vrijmaken om de ecologische crisis aan te pakken, bedroeg dit 40 miljoen euro in 2010. Voor 2011 en 2012 werden zelfs nog geen fondsen vrijgemaakt.    

Ten tweede is geld voor ontwikkeling hypocriet én inefficiënt, als we tegelijk het Zuiden blijven wurgen met schuldenlast, liberaliserings- en privatiseringsprogramma’s en oorlogen. Zolang het Westen zijn uitbuitingspolitiek niet stopzet, zal ontwikkelingssamenwerking weinig structureel veranderen.

Of zoals de Filipijnse academicus en andersglobalist, Walden Bello, stelt: “We moeten de VS en de Europese Unie duidelijk maken dat we geen ontwikkelingshulp willen. Wat we nodig hebben, is dat ze stoppen met ons handelsakkoorden en ‘economische partnerschapsakkoorden’ op te leggen.”

Ontwikkelingshulp aan het Zuiden weegt ook helemaal niet op tegen de geweldige geldstroom die van Zuid naar Noord vloeit. Door slechte ruiltermen, marktpositie, lage lonen, schuldaflossing en andere. Voor elke euro ontwikkelingshulp die het Zuiden krijgt, vloeit 60 euro toch terug naar het noorden. (zie figuur 2)

Ten derde is het een illusie te geloven dat meer ontwikkelingshulp leidt tot minder migratie. Onderzoek toont aan dat zelfs het omgekeerde het geval is. Bij stijgende welvaart in ontwikkelingslanden neemt emigratie (zeker de eerste dertig jaar) toe, omdat meer mensen de middelen krijgen om te migreren. En het nog steeds aanlokkelijker is naar het veel rijkere Westen te gaan dan te wachten op de eigen economische groei.

Solidariteit

‘Het Westen’ heeft een grote verantwoordelijkheid in de miserie waar veel mensen voor vluchten. Ontwikkelingshulp zal die miserie niet oplossen, en zeker niet met de ondermaatse schaal waarop ze vandaag verloopt.

Zolang ‘het Westen’ geen initiatieven neemt om structureel de miserie in de wereld stop te zetten, zou je je kunnen afvragen of het geven van steun en bijstand aan die paar migranten die naar hier komen, niet het minste is wat we kunnen doen.

‘Die paar’, omdat de migranten die het zich kunnen permitteren om helemaal tot hier te komen, in verhouding nog steeds een minderheid blijft (ter herinnering: slechts ongeveer 8 procent van de wereldwijde vluchtelingen komt naar Europa).

Vraag is dan hoe die bijstand er moet uitzien. Omdat er steeds minder geld is voor steun en bijstand, én omdat de vraag naar steun stijgt (door toenemende migratie, maar ook door vergrijzing), gaan er stemmen op om voor migranten dan maar een secundair bijstandscircuit uit te bouwen. We willen solidair zijn, maar niet tot hetzelfde niveau als met Belgen.

Migranten zouden dan niet dezelfde rechten hebben op bijstand, maar wel een soort ‘minimaal vangnet’ krijgen. Geen recht op steun, maar wel opvang in een centrum (asielzoekers). Geen recht op welzijn, maar wel minimale tussenkomst bij medische kosten (mensen zonder papieren). Recht op noodopvang, maar alleen als het hard genoeg vriest. In principe recht op financiële steun, maar in praktijk onder steeds verregaander voorwaarden.

Gevaar daarbij – en dat is wat vandaag gebeurt – is dat dat ‘minimaal vangnet’ steeds minimaler wordt ingevuld. En gaandeweg wordt afgebouwd.

Andere stemmen pleiten – vanuit solidariteit en ‘onze verantwoordelijkheid’ – voor een behoud van recht op steun en bijstand. Op een zelfde niveau als voor Belgen. Als daar geen geld meer voor is, moeten we maar naar geld gaan zoeken.

Als 9 van de 23 rijkste Belgische families vandaag hun rijkdom rechtstreeks uit de uitbuiting van Congo hebben gehaald, moeten we hun grote vermogens maar eens gaan belasten. Om zo de steun aan (Congolese) vluchtelingen betaalbaar te houden.

Als Belgische wapen- en andere bedrijven winsten maken uit oorlogsvoering en oneerlijke wereldhandel, moeten ze maar bijdragen in opvang van asielzoekers.

Als België mee oorlog wil gaan voeren in ex-Joegoslavië, Afghanistan en Libië, moeten we maar onze verantwoordelijkheid nemen en soepeler worden in het opvangen van oorlogsvluchtelingen uit die gebieden.

Als Belgische bedrijven migranten blijven discrimineren op de arbeidsmarkt, moeten ze maar bijdragen om de OCMW-bijstand te betalen, waar gedupeerde migranten op terugvallen. Zolang er geen politieke moed is voor structurele oplossingen, is solidariteit het minste wat we kunnen doen.

Bronnen

– Busselen T., 2010, Congo voor beginners, EPO

– 11.11.11, Basisdossier klimaatcampagne, www.11.be/klimaat

– George S., Examining relationships between European Union policies and migratory pressures, Transnational Institute, www.tni.org

– Bello W., The Migrant Condition, Transnational Institute, www.tni.org

– www.schonekleren.be

– www.buyresponsibly.org

– Klein N., (2004), No Logo, Lemniscaat uitgeverij

– 11.11.11, Detavernier K., 2009, Achtergrond en visienota Migratie en Ontwikkeling 11.11.11.

– 11.11.11, De Belgische ontwikkelingssamenwerking in 2010, jaarrapport

– Vandepitte M., (2004), De kloof en de uitweg, EPO

– Intal, Dexia Israël stopt financiering illegale kolonies, www.intal.be
Merckx K., 15/1/2003, Paars-groen liet eerste lading FN-Minimi-mitrailleurs overvliegen naar Nepal, Solidair

– De Belder B., 30/6/2011, De troepencaroussel van De Crem, Solidair
Franssen M., De Belder B., Busselen T., 30/6/2011, Oorlog is geen computerspel, Solidair

* Een cafépraat-stelling uit de reeks:
1) ‘We worden overspoeld door migranten!’
2) ‘Migranten weten wat voor paradijs het hier is. Ze komen speciaal voor onze sociale bijstand.’
3) ´Gezinshereniging geeft alleen meer arme migranten! En het houdt integratie tegen!’’
4) ‘Migranten krijgen meer sociale voorrechten dan Belgen.’
5) ‘Migranten zitten massaal terug op de bijstand! Omdat ze niet willen werken!’
6) ‘We kunnen toch niet het OCMW van de wereld zijn?’
7) ‘Er is ook veel geld nodig voor vergrijzing en gezondheidszorg. En dan nog al die migranten? Willen we nog voor onze eigen mensen kunnen zorgen, moeten we een strengere migratiepolitiek voeren.’
8) ‘Er is geen geld voor een sociale politiek!’
9) ‘Antwerpen voert een eigen migratiepolitiek. Maar de situatie in Antwerpen is ook bijzonder, en vraagt dus om bijzondere maatregelen.’
10) ‘Extra migranten geeft ook extra vraag naar scholen, Nederlandse les, kinderopvang, sociale huisvesting, dienstverlening… En daar is gewoon geen geld voor!’

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!