Bertolt Brecht
Nieuws, Politiek, Cultuur -

Kan literatuur nog dienen voor politieke verandering?

Tijdens het jaarlijkse Poetry International Festival in Rotterdam werd op 19 juni een programma gewijd aan de communistische schrijver en dichter Bertolt Brecht (1898-1956). Joris Note sprak daar een lezing uit over literatuur en politiek. Hieronder volgt, met lichte aanpassingen, de tekst van dat betoog.

maandag 27 juni 2011 09:58

Nieuwe moed – het is waarschijnlijk een van de beste dingen die kunst en literatuur ons kunnen geven

Kan literatuur vandaag nog dienen voor een politiek project of voor politieke verandering? Zo luidt de vraag die me werd voorgelegd, en natuurlijk kan ik die vraag niet beantwoorden, ik kan hoogstens wat suggesties doen die misschien helpen om erover na te denken. Dat laatste woord verdient de nadruk: je moet op zo’n vraag niet spontaan willen reageren, je moet er echt over nadenken, en dus: studeren.

Je moet een vraag over de kans op verandering, politieke of andere, ook niet benaderen vanuit een waanwijze ironie, vanuit de inbeelding dat wij tegenwoordig verstandiger zijn dan onze arme voorgangers. Ik las onlangs een essay dat wilde laten zien hoe gedateerd de fameuze regel ‘Du musst dein Leben ändern’ (1908) van Rainer Maria Rilke wel is: enerzijds werd er getoond dat voor een gemiddelde hedendaagse jongere woorden als leven en verandering iets totaal verschillends inhouden, iets banaals (lifestyle!), en anderzijds werd Rilkes visie afgezet tegen de blijkbaar modernere of postmodernere van de Amerikaanse dichter Wallace Stevens. Het leek heel slim, maar sloeg nergens op; want uiteraard zag ook de gemiddelde tijdgenoot van Rilke leven en verandering niet op dezelfde manier als de dichter – en (met alle respect) waarom zou juist Stevens een maatstaf moeten vormen, en niet pakweg Ezra Pound, Langston Hughes, Aimé Césaire of Mahmoud Darwish?

Alles moet altijd opnieuw overdacht worden, tegen alle ontgoocheling in, tegen alle ontluistering in.

Duisterheid

Kan literatuur vandaag nog dienen voor politieke verandering? We kunnen vragen stellen bij die vraag, zoals: wat is politiek, en wat betekenen de woorden ‘vandaag nog’? Bertolt Brecht schreef dat hij in duistere tijden leefde, en iedereen weet ongeveer waar dat op slaat: crisis, nazisme, wapengekletter; Brecht was typisch een man van de periode 1914-1945, die we nu soms aanduiden als ‘de tweede dertigjarige oorlog’.

De tijd waarin Europeanen vandaag leven is daar niet mee te vergelijken; hij is even duister, maar wel op een andere manier. Eén verschilpunt moet ik speciaal beklemtonen: juist toen, in Brechts tijd, dachten zeer velen dat er ondanks alles een fundamentele verbetering van de maatschappij mogelijk was, en het alomtegenwoordige geweld zagen ze vaak als geboortepijn van een nieuwe wereld. In de jaren zestig staken de grote verwachtingen opnieuw de kop op, maar vandaag weten we beter: slechts één economisch en politiek systeem is aanvaardbaar, en wie er anders over denkt heet al gauw extremistisch, of erger.

Hoe zou iemand in déze constellatie literatuur kunnen schrijven die gericht is op politieke verandering? Hoe zou er ‘vandaag nog’ een oeuvre kunnen ontstaan dat enigszins vergelijkbaar is met dat van Brecht?

Maar heeft het werk van Brecht zelf wel noemenswaardige politieke impact gehad? Talloze lezers werden er persoonlijk door beïnvloed, maar ik bedoel nu iets specifiekers. Als we aannemen dat Brecht met name via zijn toneelstukken toeschouwers uit de arbeidersklasse wilde bewustmaken van onderdrukking en ze zo tot handelen brengen, dan kun je moeilijk van een groot succes spreken. Dat heeft deels te maken met de omstandigheden, met het feit dat Brecht meestal geen normale verhouding tot zo’n publiek kon hebben – eerst door zijn emigratie (weg uit het Duitse taalgebied) en later door zijn positie in Oost-Berlijn. Maar ook los daarvan is het twijfelachtig of een dergelijke berekening te maken valt: dus of er een rechtlijnige opeenvolging kan bestaan van kunstwerk naar bewustwording naar handelen. Helaas wekt politiek geëngageerde literatuur, ook in de Brechtiaanse variant, doorgaans alleen het politieke enthousiasme op van degenen die al min of meer overtuigd waren.

In het beroemde gedicht ‘An die Nachgeborenen’ (‘Aan hen die na ons komen’) drukt Brecht de hoop uit dat de machthebbers door zijn toedoen minder zeker zouden zitten, maar is dat niet per definitie een misplaatste hoop? Zijn de machthebbers wel in het geding? Volgens de filosoof Jacques Rancière gaat het in literatuur en kunst niet om de macht, maar om de consensus.

Consensus, dat betekent hier niet de overeenstemming van méningen over de werkelijkheid. Het is de zwijgende vastlegging van wat werkelijkheid ís, de evidentie die aan meningen voorafgaat, het geformatteerd-zijn van de werkelijkheid. Literatuur lijkt in staat om die evidentie te doen wankelen, om samenstelling en indeling van de realiteit te doen verschuiven, om dingen en mensen waarneembaar te maken die het niet waren, die zogezegd illegaal waren of minstens oningeburgerd. De realiteit wordt dan opengebroken, of losgesneden uit een bepaalde blik en taal; iets wat weggesloten zat komt aan het licht. En tegelijk verliest ook het ik (het subject, de stem…) van de tekst zijn evidentie en eenheid.

Telkens als literatuur zoiets doet, heeft ze politieke implicaties. En dat kan net zo goed in ons conservatieve heden als in de jaren dertig of de jaren zestig.

Mogelijkheid

Het werk van Brecht zit vol met zulke momenten. De gestorven veldheer Lucullus krijgt van de rechter van de onderwereld te horen dat zijn deugden, zijn sterktes, niet tellen en dat alleen in zijn zwakheden iets positiefs te vinden is. En het vers ‘Vragen van een lezende arbeider’ wijst op aspecten van de geschiedenis die verborgen plegen te blijven: volgens de boeken werd ‘het zevenpoortige Thebe’ gebouwd door koningen, maar: ‘Hebben de koningen de rotsblokken erheen gesleept?’

Deze simpele voorbeelden zijn wat misleidend in zoverre ze nog over een politieke inhoud gaan. Laten we bedenken dat het door Brecht beoogde ‘vervreemdingseffect’ in oorsprong alleen maar een literair procédé was om het gewone als ongewoon voor te stellen. Het doorslaggevende zijn de technieken en perspectieven, de manieren van zien en van spreken die losmaken wat vastzit en daardoor aan politiek doen. De doorbreking of ondermijning van de realiteit is dan ook evengoed aanwezig bij dichters die geheel wars waren van politieke bedoelingen. Denk aan Fernando Pessoa, die schrijft dat er ‘een leerschool in verlering’ nodig is om echt te kunnen zien; en denk aan Roberto Juarroz, die zegt dat elke blik bedrog is, omdat een waarachtige, diepgaande blik zou moeten achterblijven in wat hij bekijkt.

Het zal duidelijk zijn dat ik het hier niet heb over een eis van buitenaf, maar over een eigenschap van goede literatuur, of juister: een mogelijkheid ervan. Mógelijkheid, nooit zekerheid. Het effect is niet te voorzien, je weet nooit op voorhand of een tekst als dissident zal functioneren, en bij wie of wanneer. Teksten hangen af van lezers, van toe-eigening door lezers. Dat betekent overigens ook dat je een meer expliciet politieke lezing kunt proberen bij teksten die daar op het eerste gezicht volstrekt ongeschikt voor zijn. Bij Pessoa of Rilke bijvoorbeeld, of bij de middeleeuwse mystica Hadewijch, of in de roman ‘De tienduizend dingen’ van Maria Dermoût. Maar ook als lezer heb je het niet in de hand, je wordt vaak helemaal onverwachts uit balans gebracht.

Schandelijkheid

Er is geen behoefte aan een nieuwe politiek geëngageerde literatuur, auteurs moeten geen Opdracht krijgen, en ze moeten zich niet als Leermeesters gedragen. Laat ze gewoon hun werk doen! Maar wat is dat, hun werk? Misschien zie ik toch een soort eisen. Vóór alles kun je van schrijvers en dichters vragen, zoals trouwens van alle mensen, dat ze niet corrupt zijn: dat ze niets toegeven ter wille van succes en aanzien. En verder kun je ze om radicaliteit vragen, om grondigheid tegenover de wereld en grondigheid tegenover de taal. Ze moeten bereid zijn tot het ondergraven van het hele complex van opvattingen en gevoelens waarin ze zelf thuishoren.

Ik kan me echt niet voorstellen dat er zinnige literatuur zou ontstaan vanuit zelfvoldaanheid; en bij zelfvoldaanheid denk ik ook aan het Identiteitsbesef dat nu zo in trek is, of aan de trots op Onze Waarden, of aan het misprijzen voor dwaze gewone mensen zoals de ‘internetproletariërs’. Serieuze literatuur vloekt altijd met het voor de hand liggende en het moralistische, en heel vaak zelfs met het redelijke. Een van de krachtigste personages van Brecht is de rechter uit het stuk ‘De Kaukasische krijtkring’, een zuipende lomperd die geld aanneemt van de rijken en alleen vonnissen velt ten gunste van de armen, dus eigenlijk iemand die de rechtsstaat vrolijk aan zijn laars lapt. De Italiaanse denker Giorgio Agamben zegt dan ook ergens dat voor een bepaald messianisme de tekenen van het toekomstige heil zich schuilhouden in schandelijke en belachelijke figuren. We moeten ze weten te vinden.

Mogelijk ruikt – of stinkt? – dit allemaal sterk naar inspanning en moeite, maar zoals ik zei is ook het onverwachte essentieel, en hetzelfde geldt voor de blijde herkenning. Het kan me overkomen bij teksten van Herman Gorter of André Breton, het kan me overkomen bij schilderijen van Matisse of Pollock of El Lissitzky. En het overkwam me toen ik het werk van Brecht weer opensloeg. Wát overkomt me dan? Een geluksgevoel, maar niet van het gezapige of weemoedige soort, veeleer: een aansporing om door te gaan. Nieuwe moed – dat is iets wat we allemaal broodnodig hebben nu en dan, en het is waarschijnlijk een van de beste dingen die kunst en literatuur ons kunnen geven.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!