Er was ook een bord met "Tihange ?" op.

Opinie, Nieuws, Milieu, Tmd, Kernenergie - Bas Eickhout

De mythe van de kernenergie-renaissance

Even leek het alsof kernenergie aan een renaissance toe was. Dat was toch het beeld dat de kernlobby wist te creëren. Maar is dat wel zo? En maakt Fukushima een einde aan dat beeld?

zondag 26 juni 2011 11:39

De eer was aan Cumberland, Verenigd Koninkrijk: op 17 oktober 1956 opende Koningin Elizabeth II daar de eerste commerciële kernreactor ter wereld. De koninklijke opening liet zien dat kernenergie gelijk stond aan vooruitgang en moderniteit: een moderne vorm van energie die ons minder afhankelijk moest maken van fossiele brandstoffen.

De oliecrisis in jaren ’70 betekende de grote sprong van kernenergie. De bouw van nieuwe kernreactoren bereikte een tijdelijk hoogtepunt in 1989 met 424 draaiende reactoren wereldwijd, 3 jaar na Tsjernobyl en 10 jaar na Three Miles Island.

In 1979 toonde de ramp van Three Miles Island al duidelijk aan dat kernenergie geen veilige manier van energie opwekken is, maar voor Europa betekende vooral Tsjernobyl een einde aan de kernenergie-hausse. In Nederland verdwenen de plannen voor 3 nieuwe kerncentrales van tafel.

In Italië werden alle kerncentrales onmiddellijk gesloten. En in veel andere Europese landen was de bouw van nieuwe centrales voortaan taboe. Het verhaal van de kernenergie leek ten einde.

Althans, op termijn. Want het afbouwen van kerncentrales kost tijd. Op dit moment is de gemiddelde leeftijd van alle kernreactoren wereldwijd 26 jaar. Van de inmiddels gesloten kernreactoren is dat 22 jaar. In Europa staan vooral veel oude kerncentrales die wachten op sluiting, hoewel we net doen of we nog jaren kunnen doorgaan.

Zo leidt de bestaande wetgeving in België, die uitgaat van een maximale levensduur van 40 jaar, tot het sluiten van haar 7 reactoren tussen 2014 and 2025. Een wetsvoorstel om deze sluitingen uit te stellen met 10 jaar wacht nog op goedkeuring van een nieuw kabinet.

In Nederland is de sluiting van Borssele uitgesteld naar 2033, wat neerkomt op 60 jaar operatietijd. Een tijdsduur die nog nooit vertoond is en waarmee Nederland het record van 48 jaar zou verbreken. Van de nu in totaal 437 draaiende reactoren is de verwachting dat er de komende 10 tot 15 jaar meer dan 100 wegens ouderdom zullen worden gesloten.

De zogenaamde renaissance

Rond de millenniumwissel begon men te spreken over renaissance om de hernieuwde populariteit van kernenergie te beschrijven. Die populariteit is vooral te verklaren door twee factoren: stijgende olieprijzen door geopolitieke spanningen in het Midden-Oosten en klimaatverandering. 

Als je de volledige productieketen  van uraniummijnen tot afvalopslag  in ogenschouw neemt kun je lang discussiëren over de hoogte van de CO2-uitstoot van kerncentrales, maar het is wel algemeen erkend dat kernenergie een lagere CO2-voetafdruk heeft dan kolencentrales of gascentrales.

Als klimaatmaatregel werd dan ook sinds 2001 steeds vaker kernenergie bepleit, meestal onder de verhullende terminologie ‘low-carbon strategies’ om kernenergie in dezelfde categorie te laten vallen als duurzame energiealternatieven.

Maar hoe zit het nu echt met die renaissance? Kernenergie is slechts theoretisch in opkomst. Wat gebeurt er namelijk echt in de wereld? Ten eerste bereikte het aantal reactoren in 2002 een record van 444, maar met slechts een toename van 20 ten opzichte van 1989. Inmiddels is dat in 2011 gedaald tot 437 reactoren. Als we de 7 ‘tijdelijk’ gesloten reactoren van Duitsland als definitief gesloten beschouwen, komen we zelfs uit op 430 reactoren; bijna weer terug op het niveau van 1989.

En wat wordt er gebouwd? In de Verenigde Staten wordt er één centrale gebouwd, in Tennessee. Overigens wordt hier al aan gebouwd sinds 1973…

En in Europa? In Finland en Frankrijk wordt er gebouwd aan elk één centrale, waarbij Finland in 2005 de primeur had door voor de eerste keer sinds 15 jaar in Europa weer aan een nieuwe centrale te beginnen. De bouw in Finland ligt nu al 4 jaar achter op schema en de kosten zijn ondertussen verdubbeld, waarbij het onduidelijk is wie voor die hogere kosten moet gaan opdraaien.

In Frankrijk is de bouw van een nieuwe reactor (Flamanville-3) gestart in 2007, maar ook hier is de bouw al 3 jaar vertraagd en zijn de kosten 50 procent hoger dan geraamd. Formeel zijn er ook 4 centrales in aanbouw in Bulgarije en Slowakije, maar in beide landen zijn die constructies opgeschort in 1989 door de politieke veranderingen en de lessen van Tsjernobyl. Beide landen hebben problemen met de herstart door niet-kloppende vergunningen.

In andere Europese landen bestaan de plannen op dit moment alleen nog op papier, maar is tot nu toe geen spade in de grond gegaan door problemen met het vinden van financiers.

Alleen in Azië, of beter gezegd China is er van enige renaissance sprake. Daar zijn 27 nieuwe reactoren in aanbouw. Maar Fukushima heeft geleid tot een tijdelijk moratorium op nieuwe aanvragen in China. De Aziatische renaissance heeft op zijn minst een knauw gekregen door Fukushima.

De ware opkomst: duurzame energie

Als je alle cijfers van kernenergie op een rij zet, is de enige conclusie dat de renaissance van kernenergie vooral op papier bestaat. Daarmee heeft de kernenergie-industrie wel een succesvolle lobbycampagne op haar conto geschreven. Het gevoel is namelijk dat kernenergie wel degelijk aan een opmars bezig is, terwijl alternatieven als wind en zon nog in de marge zitten.

Als de opkomst van kernenergie in werkelijkheid tegenvalt, hoe zit het dan met die zogenaamde marginaliteit van zon en wind? Ook hier helpt het door naar de cijfers te kijken.

Hierbij is het van belang om te kijken naar de jaarlijkse cijfers nieuwe stroomaansluitingen mondiaal. Waar sinds 1990 kernenergie niet boven de 10 GW extra komt, zit windenergie hier al sinds 2005 boven en nadert windenergie in 2010 het getal van 50 GW extra. Oftewel: windenergie stijgt harder dan kernenergie. Sinds een paar jaar geldt dit ook voor PV (zon).

Dit zijn mondiale cijfers. Voor Europa is de trend nog duidelijker. Van de totale elektriciteitsvraag wordt binnen de EU ongeveer 30 procent opgewekt door kernenergie, waarbij dit gemiddelde vooral zo hoog ligt door Frankrijk (hier is ongeveer 75 procent van de totale stroomproductie afkomstig van kernenergie).

De verwachting voor 2020 is dat dit percentage niet veel zal toenemen, of juist zal afnemen als het effect van Fukushima zich doorzet (uitfasering in Duitsland, geen nieuwe centrales in Italië etc.).

Duurzame stroom ligt op dit moment in Europa tussen de 15 procent en 20 procent en neemt snel toe. Met name landen als Denemarken (nu al 20 procent windenergie), Spanje (een totaal van 35 procent, voornamelijk zon en wind) en Duitsland (bijna 20 procent) hebben een snel toenemende duurzame stroomproductie.

Deze toename wordt gedeeltelijk veroorzaakt door de Europese doelen: in 2020 moet de hele energievoorziening voor 20 procent van duurzame bronnen komen. Maar omdat sectoren als landbouw en transport niet zo snel kunnen groeien, betekent dit vooral een verduurzaming van de Europese stroomproductie. De verwachting van het Europese Milieu-Agentschap is dan ook dat in 2020 35 procent van de EU-stroomproductie uit duurzame bronnen komt. Kortom: in 10 jaar tijd zullen de duurzame bronnen kernenergie voorbij gestreefd hebben.

En als we dan nog eens 30 jaar verder kijken, wordt de situatie voor kernenergie nog een stuk somberder: ongeveer elke maand laat een nieuwe wetenschappelijke studie zien dat de EU in 2050 haar stroom volledig uit duurzame bronnen kan halen. Als daar tenminste politiek voor wordt gekozen. Dat is ook hoe het debat nu moet zijn: het is een politieke keuze of je atoomstroom wilt of duurzame stroom. In Duitsland wordt die discussie op dit moment ook zo gevoerd. Nederland en België lopen in die discussie hopeloos achter.

De sluitende ‘window of oppportunity’

Niet alleen in absolute hoeveelheden sluit de window of opportunity voor de kernenergie-industrie. Ook in productiekosten zijn de cijfers voor kernenergie hard. Laten we beginnen door naar de bouwkosten van kernenergiecentrales te kijken. Bijna elke energievorm wordt door de jaren heen goedkoper dankzij een leercurve: ervaring en technologische vooruitgang drukt de kosten. Een kostencurve laat dus bijna altijd een dalende trend zien.

Bijna altijd, want bij kernenergie is het tegenovergestelde gaande. Kijk naar de Verenigde Staten. Waar de eerste bouw van een kerncentrale kosten kende van ongeveer 1000 dollar per te produceren kWh begin jaren ’70, waren die kosten gestegen tot 5000 dollar per kWh midden jaren ’90. Een vervijfvoudiging dus ondanks de toch flink opgedane ervaring over die 25 jaar. Of neem het andere kernenergieland Frankrijk. Over diezelfde periode van 25 jaar zijn de bouwkosten per opgewekte kWh in Frankrijk meer dan verdrievoudigd. Na Fukushima zullen de aangescherpte veiligheidseisen voor de bouw van kerncentrales leiden tot nog meer kosten. Een minder prettig vooruitzicht voor de kernenergielobby.

En duurzame energie? Die bronnen laten klassiek dalende kosten zien dankzij de leercurves. De prognoses voor 2020 zijn dan ook positief: wind op land zal in totale kosten rond de 2 euro per kWh gaan liggen aldus de Performance and Innovation Unit van de Britse regering. Wind op zee zal iets duurder zijn door de hogere installeringskosten, alhoewel dit weer deels gecompenseerd wordt door beter energie-efficiency. Volgens dezelfde bron van de Britse regering maximaal 3 euro per opgewekte kWh.

En kernenergie? In de opwekking komt kernenergie neer op 3 tot 4 euro per kWh. Wind op land en op zee zon zijn dus aanzienlijk goedkoper.

Zonne-energie zal in 2020 nog wel duurder zijn, maar dan kijken we alleen naar de totale directe kosten. En daar heeft kernenergie nog een nadeel. Ten eerste is er geen verzekeringsmaatschappij die garant staat voor 100% van de mogelijke kosten als het misgaat.

Oftewel: de overheid neemt een groot deel van die verantwoordelijkheid op zich om de bouw van een kerncentrale mogelijk te maken. En ook het opruimen van een oude gesloten kerncentrale (‘decommissioning’) is tot nu toe nog nooit mogelijk geweest zonder financiële steun van de overheid. Meeste ervaring heeft het Verenigd Koninkrijk, waar tot nu toe de overheid telkens moest bijspringen omdat de kosten hoger uitvielen en/of het einde van de centrale eerder was dan voorzien.

Deze indirecte kosten maken het toekomstplaatje voor kernenergie nog somberder, helemaal omdat het probleem van kernafval tot nu toe totaal niet belicht is in dit stuk. Met al deze feiten op een rij wordt het wel duidelijk waarom de kernenergielobby erg zenuwachtig wordt naarmate die window of opportunity snel sluit.

Waarom toch die lobby?

Blijven we met één vraag zitten: waarom wordt er zo intensief gelobbyd voor kernenergie? Het is natuurlijk gissen, maar er is wel een verklaring voor te geven. Belangrijkste reden is de voorspelbaarheid van kernenergie, als de centrale eenmaal draait. De operator weet precies hoeveel stroom hij per dag zal leveren, wat een stabiele situatie oplevert, zowel qua productiehoeveelheid als qua prijs. Een bedrijf dat gewend is aan gecentraliseerde stabiel draaiende kolencentrales is dus snel geneigd om over te stappen op kernenergie.

En jawel; zie daar de verklaring dat dezelfde grote spelers die nadenken over kernenergie degenen zijn die nu de elektriciteitsmarkt beheersen. In die zin is kernenergie een continuering voor dezelfde marktpartijen.

Duurzame energie gaat om veel meer productie-eenheden die afhankelijk zijn van meteorologische omstandigheden die veel minder goed in te plannen zijn. Maar niet onmogelijk als je goed investeert in een bredere infrastructuur en goed nadenkt over opslagcapaciteiten, bijvoorbeeld met bestaande waterkrachtcentrales. En zeker niet onmogelijk als je nu investeert in centrales die de fluctuaties van duurzame bronnen goed kunnen opvangen, zoals beter regelbare gascentrales. Het vergt echter wel een cultuurverandering in de bestaande energiebedrijven. Gemakzucht is dus zeker ook een factor in dit spel.

Daarnaast speelt natuurlijk de angst voor meer spelers op de markt ook een belangrijke rol. De RWE’s en Vattenfall’s van deze wereld investeren veel liever in een paar grote centrales die ze zelf in bezit hebben, dan dat ze vele kleinere molens en zonnecellen in de handen geven van veel kleine producenten, veelal gewone huizenbezitters die hun eigen energie kunnen opwekken. Tel daarbij nog het ‘toys for boys’-gevoel dat onmiskenbaar ook een rol speelt en de kernenergielobby is grotendeels verklaard.

Graag geeft die lobby het gevoel dat we aan de vooravond van een nieuwe kernenergiedoorbraak staan ten opzichte van een kleinschalige, romantisch maar weinig zoden aan de dijk zettende duurzame energie-concurrent.

Die lobby is de laatste 10 jaar redelijk efficiënt geweest. Maar Fukushima heeft de rollen weer omgedraaid: nu moet de kernenergielobby weer aantonen waarom zij toch voor kernenergie zijn in plaats van dat de tegenstanders moeten uitleggen waarom ze tegen zijn.

Met een snel sluitende window of opportunity voor kernenergie kan Fukushima daarmee de nekslag zijn voor kernenergie. Maar niet getreurd: de echte duurzame alternatieven nemen die plek in de energiemix graag in. Nu nog politici die dat inzien.

Bas Eickhout is Europees parlementslid voor GroenLinks. Dit artikel is een voorpublicatie uit voorpublicatie uit nr. 57 van het tijdschrift Oikos dat volledig in het teken staat van kernenergie.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!