Hoe strikt is de grens tussen kruisbestuiving en GGO-technologie?
Verslag, Nieuws, België - Erik Van Bockstaele

Hoe strikt is de grens tussen kruisbestuiving en GGO-technologie?

in het GGO-debat duikt een vals dilemma op: of je gebruikt géén GGO, en dan zit je met “puur natuurlijke zaden”, of je gebruikt GGO. In de zaadveredeling bestaat er eerder een continuüm dan een harde grens tussen het wel of niet toepassen van biotechnologische methodes. Aldus professor Erik Van Bockstaele, administrateur-generaal van ILVO, één van de partners van de veldproef in Wetteren.

vrijdag 24 juni 2011 15:19

Naar aanleiding van de polemiek rond de veldproef met ziekteresistente GGO-aardappelen in Wetteren valt op hoe de GGO-sceptici ons een vals dilemma voorhouden: “Je blijft OF bij de “gewone” zaden en pootgoed, OF je maakt de stap naar GGO’s.”

Louter technisch bekeken, en dus los van ideologische, emotionele, historische, financiële of politieke discussies, is die keuze redelijk absurd. Men weet wellicht gewoon te weinig over de hedendaagse landbouw- en veredelingspraktijk.

Wie met plantaardige productie bezig is weet dat plantenrassen ontstaan uit een rijk pallet aan vermeerderingstechnieken, inbegrepen de biotechnologie. Het doel is altijd om het agrarisch ecosysteem aangepaster en gezonder te maken. 

Plantenveredeling is eeuwenoud. De landbouwer – en later de plantenveredelaar – koos/kiest steeds die zaden of vegetatieve plantendelen die het best beantwoordden aan de behoefte en aan de teeltomgeving.

Plantenveredeling is ook een discipline in voortdurende beweging: men streeft naar planten met een lagere bemestings- en beschermingsmiddelenbehoefte, de markt/de consument eist een bepaalde eenvormigheid, smaak, houdbaarheid, het klimaat duwt ons naar planten die droogte en (andere) ziektes beter aankunnen.

Veredeling, het beter of edeler maken, is gesteund op genetische variatie, de recombinatie en de selectie van de gewenste eigenschappen. Bij een goed nieuw ras is altijd sprake van een uitgebalanceerd compromis. Een paar goede eigenschappen leveren nog geen ras met een goede gebruikswaarde voor boer en consument.

De meest eenvoudige, ook door gepassioneerde hobbyisten beoefende veredeling is kruisingsveredeling. Je kiest interessante kenmerken bij een vader- en een moederras en je hoopt op een combinatie van betere kenmerken. Bij kruisingen in de natuur vermengt het DNA zich voortdurend en spontaan. Een veredelaar stuurt het proces door geduldig en met een kritisch oog  nakomelingen te selecteren. 

Veel hedendaagse rassen van granen, grassen, klavers, prei etc zijn op die manier ontstaan. Maar kruisingsveredeling is vaak een grove en een beetje blinde fifty-fifty vermenging van DNA. En je botst onvermijdelijk op beperkingen:
  
(1) er is enkel kruising mogelijk tussen zeer nauw verwante soorten,
(2) ongewenste, mee ingekruiste, eigenschappen kunnen pas na lange terugkruisingsprocedures weggewerkt worden,
(3) sommige plantensoorten bezitten een mechanisme om zelfbestuiving (dus uniforme vermeerdering van het kruisingsresultaat) tegen te gaan.

De jongste 30 jaar gebruiken veredelaars daarom meer en meer slimme techniekjes, die vooral in de beginfase van het veredelingsprogramma meer mogelijkheden tot genetische variatie bieden: 

Om kruisingsbarrières op te heffen gaat men de ongeopende bloem bestuiven (knopbestuiving). Of men stimuleert een plant via suboptimale omstandigheden (koudestress, droogte, einde seizoen) om zelfbestuiving te ‘aanvaarden’. Men plukt een weinig levensvatbaar embryo (bevruchte eicel) en kweekt het op buiten de moederkelk (embryo-redding). Men kruist  middels een tussensoort (brugkruisingen). Ettelijke rassen (vb. kolen, ziekteresistente tomaat, luisresistente sla) zijn via dergelijke trukjes ontstaan.

Tegenwoordig zijn er nog verfijndere technieken ontwikkeld op cel- en genniveau, in plaats van op (volledig) plantniveau. Zij openen voor het eerst mogelijkheden om specifieke eigenschappen uit een andere verwante soorten in een plant over te brengen. Biotechnologie dus, maar zonder dat er sprake is van genetisch gewijzigde planten. Ik geef een paar voorbeelden:

– Je kan jonge cellen uit het (virusarme) groeipunt van een plant in een proefbuis opgroeien  tot  plantjes die spontaan allerlei, misschien wel interessante variaties kunnen vertonen. Zo kwamen veredelaars vb. tot zouttolerantere rijst. Het is een vermeerderingstechniek die in talloze Vlaamse in vitro-sierteeltbedrijven gebeurt.
– Uit pollen of eicellen kan je planten met een verdubbeld aantal chromosomen kweken, die dan genetisch volledig homogeen zijn. Een techniek die erg vaak het begin vormt van de latere veredelingsstappen.
– Je kan het normaal aantal chromosomen in een plantencel verdubbelen (van diploïde naar tetraploïde vb.) waardoor de plantencellen, en dus de plant sappiger en groter wordt. Raaigras- en klaverrassen zijn op die manier lekkerder, suikerrijker en sappiger gemaakt.
– Je kan de celwand van twee soortverwante planten pellen en ze zo fuseren in een proefbuis. Uit een koolzaadcel en een radijsjescel ontstond zo onlangs een interessanter koolzaadras.
– Je kan tenslotte aan bepaalde eigenschappen een moleculaire merker op DNA-niveau (een herkenningsetiket) verbinden. Los van de groeiomgeving of het stadium kan de veredelaar dan ras, authenticiteit of gewenst kenmerk vaststellen.

Wat maakt dan het verschil met feitelijke genetisch gewijzigde organismen (GGO’s) ? Waar tot voor kort de vermenging van het genetisch materiaal (DNA) enkel mogelijk was via stuifmeel, is het nu ook mogelijk via een bacterie (Agrobacterium spp.) of via een soort schietoefening een bepaald gen binnen te brengen in het chromosoom van een ontvangende plantencel.

Dat betekent dat je een al bijna perfecte cultivar niet meer met ongewenste genen opzadelt. De transformatie gebeurt alleen met dat ene gen (vb. uit een aanverwant organisme) waarvan de eigenschap op voorhand jarenlang bestudeerd is.

De potentiële wetenschappelijke voordelen zijn bekend. Specifieke genen uit niet kruisbare soorten zijn toch over te brengen. De winst op vlak van snelheid en precisie is spectaculair te noemen. Als je een ziekteresistent ras beoogt, slaagt alleen de GGO-technologie erin om meerdere, onafhankelijk van elkaar werkende resistentiegenen tegelijk in een plant te brengen.

De kans dat een virus, insect of schimmel die resistentie doorbreekt via mutatie is exponentieel kleiner dan bij een enkelvoudig-resistent ras. De biotechnoloog moet uiteraard- net als de veredelaar- weten wat hij precies beoogt: welke eigenschap (gen) wil hij voor welk doel inbouwen?

In het geval van de GGO-aardappelen uit Wetteren gaat het om een cocktail van maximum drie genen uit wilde aardappelrassen uit Peru, die maken dat de plant niet meer toegankelijk is voor de schimmel Phytophthora (de aardappelziekte).

Net zoals nieuwe rassen uit kruisingsveredeling worden transgene rassen (GGO’s) zwaar getest voor ze ‘toelating voor teelt’ krijgen. Hun eigenschappen (expressie) moeten 100 procent stabiel zijn, er mag geen enkel negatief punt voor de omgeving of de landbouwkundige toepassing te vinden zijn. Ze worden officieel en onafhankelijk gedurende een aantal testjaren gescoord op de officiële criteria voor onderscheidbaarheid, homogeniteit, stabiliteit en gebruikswaarde.

Tenslotte eist Europa een pak bewijzen inzake veiligheid voor het milieu en voor de gezondheid (indien de toepassing te maken heeft met menselijke of dierlijke consumptie). 

En tenslotte: wat is nu het risico op ongecontroleerde vermenging in de natuur als je GGO gewassen buiten plant ? In het algemeen zie je dat landbouwkundig interessante genen meestal geen voordelen hebben voor wilde natuurplanten.

Als er al toevallige pollenbestuiving ontstaat dan verdwijnen de nakomelingen door natuurlijke selectie zeer snel uit de wilde populatie. Voor het vermengingsrisico tussen dezelfde GGO en niet-GGO landbouwgewassen (vb GGO-maïs en biologische maïs) bestaan er in Europa sluitende coëxistentiewetten.

Voor hedendaagse veredelaars is de biotechnologie dus één van de middelen om genetische variatie te verruimen. Veredeling en genetische modificatie staan niet tegenover maar naast elkaar als het gaat om bij te dragen tot een duurzame en milieuvriendelijke landbouw .

Prof. Dr. Ir. Erik Van Bockstaele doceert als buitengewoon hoogleraar aan de Facuteit Biowetenschappen aan de UGent  “grondige studie van plantenveredeling”. Hij is administrateur-generaal van ILVO, Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek in Merelbeke. ILVO is een Vlaamse wetenschappelijke instelling die het beleid adviseert en onderzoek uitvoert naar systemen en technieken inzake land- en tuinbouw, sierteelt, veeteelt, voeding en visserij. ILVO is één van de vier partners die betrokken zijn bij de GGO-aardappelveldproef in Wetteren.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!