Nieuws, Wereld, Afrika, Politiek, Nigeria, Verkiezingen, Goodluck Jonathan, Peoples Democratic Party, PDP, Congress for Progressive Change (CPC) -

Nigeria: Jonathans democratische noodtoestand

Op 16 april 2011 heeft Goodluck Jonathan de presidentsverkiezingen in Nigeria gewonnen. Zijn verkiezingsoverwinning ging gepaard met een ongezien electoraal bloedblad in het noorden van het land en massale stembusvervalsing. Een analyse van de verkiezingen in Nigeria.

dinsdag 14 juni 2011 15:45

In drie staten in het noorden heerst nog steeds de noodtoestand. Een brand op 26 mei 2011 in het kantoor van de voorzitter van de nationale kiescommissie maakt van Jonathans democratische noodtoestand een Nigeriaanse tragikomedie.

De ondersteuning van Jonathans beëdiging op 29 mei 2011 door antiterreurexperts uit Israël en de VS, gooit er een schep democratische suspense bovenop. We geven hier een opheldering van de electorale onrusten in het noorden tijdens de afgelopen verkiezingsreeks.

De verkiezingsoverwinning – op 16 april 2011 – van Goodluck Jonathan van de Peoples Democratic Party (PDP), is in het noorden van Nigeria bij aanhangers van Muhammadu Buhari, van de Congress for Progressive Change (CPC), zwaar in het verkeerde keelgat geschoten. Buhari gold als de meest gevreesde oppositiekandidaat uit het Noorden. Tussen 16 april en 20 april 2011 braken er in bijna alle noordelijke deelstaten onlusten uit.

Een maand vóór de verkiezingen had Buhari nog verklaard: “Met wat er in Noord-Afrika, het Midden-Oosten en de Golfstaten gebeurt, denk ik dat de boodschap doordringt bij politici, vooral dan bij die van de regerende partij (PDP): ze zullen zich moeten gedragen of het gewone volk zal het overnemen.” (Rigging, 23-02-2011)

Volgens de berichtgeving van de Nigeriaanse krant Daily Sun zou Buhari tijdens een verkiezingsmeeting in Kaduna eveneens hebben gezegd: “Je mag nooit de kiesbureaus verlaten vooraleer alle stemmen zijn geteld en vooraleer de winnaar wordt bekendgemaakt; je moet iedereen lynchen die met de stemmen probeert te knoeien.”  (Paulinus, 03-03-2011)

In de kille handen van moordbendes

Buhari’s pre-electorale dreigementen gaven blijkbaar voldoende buskruit om, volgens wat mensen zeggen, vooral ongeschoolde straatjongeren te mobiliseren om in het noorden overal terreur te zaaien. Omdat de onlusten nog te recent zijn, hebben mensenrechtenorganisaties nog niet kunnen vaststellen of er, zoals bij vorige onlusten, ook deze keer Area Boys bij betrokken waren.

Area Boys zijn een gekend begrip in Nigeria. Het zijn ingehuurde jongeren die zowat een middenweg vormen tussen politieke knokploegen en lijfwachten van toppolitici. Alle politieke machthebbers hebben wel permanent zo een groep in dienst.

Tijdens politieke onlusten worden ze gesignaleerd als ‘bij tijden goed gerichte moordmachines’. Area boys zijn in Nigeria een groot taboe. Openlijk wordt er niet over gesproken, maar mensen hebben het er wel binnenkamers over. Hoe dan ook, het afgelopen postelectoraal geweld is, volgens wat mensen ons vertellen, op zijn minst het werk van de in de steden talrijk rondhangende straatjongeren, ook wel hooligans genoemd.

Wellicht zijn er met de onlusten honderden tot enkele duizenden mensen omgekomen. In de deelstaten Kaduna, Gombe, Bauchi en Kano, de thuisbasis van Buhari, werden zware rellen opgetekend. In Kaduna woedde de strijd het hevigst. Hausa-straatjongeren zouden op hun basis, rond de centrale markt in Kaduna-stad, de andere niet-Hausa-hooligans weggejaagd hebben. Buhari heeft dan wel de verkiezingen verloren, maar in Kaduna zijn er blijkbaar enkelen die op eigen terrein grenzen hebben kunnen afbakenen om hun markt veilig te stellen of te vergroten.

Mensen trekken ook weg uit Kaduna, een plaats van meer dan 6 miljoen mensen. Een vrouw liet ons weten dat, bij verder bloedvergieten, zij ook haar boeltje zal inpakken. In feite trekken hele families weg uit de stad. Mannen gaan op zoek naar bescherming voor hun dierbaren. Ambtenaren proberen overplaatsing te vragen naar andere plaatsen in Nigeria.

Van iemand anders uit Kaduna vernamen we dat we het juiste aantal doden nooit zullen kennen. Nigeriaanse journalisten hebben geleerd dat omstandige berichten onvermijdelijk represailles uitlokken. Het juiste aantal moet, hoe dan ook, hoog liggen.

Dat kunnen we ook afleiden uit de berichtgeving van het Rode Kruis. Volgens hen zijn 60.000 mensen op de vlucht geslagen. Zoiets gebeurt niet wanneer er slechts sprake is van enkele tientallen doden. Kerken, moskees, de paleizen van emirs, winkels, kantoren van de nationale kiescommissie (INEC) en vooral huizen van PDP-politici werden in brand gestoken.

De gezochte PDP-kopmannen konden onderduiken. Maar voor de rest van de bevolking was dit niet mogelijk. Het was een kwestie van geluk om niet in de kille handen van moordbendes te vallen. Moslims en christenen werden gelyncht omdat ze de PDP aan christenen uit het zuiderse blok linken en moslims die met hen meewerken, als verraders zien. De aangevallenen sloegen op hun beurt toe met even verschrikkelijke represailles. Het is een oud zeer in het Nigeriaanse noorden en de Middle Belt-zone, waar moslims en christenen samen leven. Dit soort brute geweld kent geen genade.

Buhari heeft het post-electorale geweld van vorige maand vlug veroordeeld. Is hij geschrokken van de vernietigende impact van zijn pre-electorale dreigementen? Concentreerde hij zich achter de schermen al vlug op wat anders? Feit is dat hij de media heeft kunnen gebruiken om zijn handen in deze affaire in onschuld te wassen. Na zijn te late oproep tot kalmte is de rust in de meeste steden wel teruggekeerd. Dat zegt op zich ook wel iets belangrijks over de verantwoordelijkheid van zijn politieke medewerkers.

Volgens Jonathan (21-04-2011) zijn de voorbije onlusten “… trieste herinneringen aan de gebeurtenissen die Nigeria in een onfortuinlijke burgeroorlog van 30 maanden stortte.”

Jonathan verwijst hier naar de gruwelijke Biafraanse oorlog (1967-1970) waarbij tussen de 2 à 3 miljoen mensen omkwamen, vooral dan door hongersnood. Het olierijke Igboland in zuidoostelijk Nigeria streed in deze burgeroorlog tegen de federale regering, voor onafhankelijkheid.

Jonathan heeft direct na de verkiezingen, niet zonder enig politiek belang, de noodtoestand uitgeroepen in het noorden van Nigeria. De militaire aanwezigheid is er tot vandaag in de steden een opvallend straatbeeld. Het is nog maar de vraag wanneer de kersverse president, na zijn beëdiging op 29 mei 2011, deze noodtoestand zal opheffen en zijn troepen uit het noorden zal laten terugtrekken.

In het noorden van Nigeria gaan er verschillende stemmen op die beweren dat de post-electorale onlusten kunnen worden toegeschreven aan ongeschoolde jongeren van de Hausa- bevolking. Verschillende getuigen brengen ons dit verhaal. Zo liet iemand ons weten: “Ik zou dit niet mogen zeggen, maar die Hausa zijn te ongeletterd om de situatie te begrijpen, om in te zien dat ze met geweld niet veel kunnen bereiken.”

Nu, dit is vlug beweerd, want ook geleerde Hausa zeggen dat ze telkens weer geprovoceerd worden omdat hun leven in Kaduna wordt bedreigd door inwijkende etnische groepen. Nochtans zijn er ook vele Hausa die resoluut stemden voor Jonathan Goodluck. De noordelijke rangen van de PDP kennen overigens ook veel Hausa-leden.

Hoe kunnen we deze complexe politieke turbulenties en hun verschrikkelijke gevolgen in een juiste context plaatsen? Gaat het om een conflict tussen moslims en christenen of tussen het noorden en het zuiden? Maar waarom slaan moslims dan ook hun moslimbroeders de kop in? Welke rol speelt een deel van de Hausa hierin? Welke rol speelt de PDP hierin? Wie heeft deze politieke dramaturgie eigenlijk in handen. Welke sociale- en politieke gevolgen hebben de recente verkiezingen voor de toekomst van het zogenaamde democratische Nigeria, de reus van West-Afrika?

We proberen hier slechts de grote lijnen van een klein stuk van de complexe politieke realiteit in Nigeria op te helderen. We willen aantonen dat Nigeria, politiek gezien, voortdurend op het scherp van de snede leeft.

De koloniale erfenis speelt hierin zeker een rol, maar dan niet in perverterende zin, alsof de Britse kolonisten de etnische verschillen hebben uitgevonden. De teloorgang van het ooit machtige en unieke Sokoto-kalifaat van de Hausa-Fulani in het noorden, ligt mee aan de basis van de huidige politieke turbulenties.

Hun historisch bepaalde machtsfixatie zorgt ervoor dat ze het noorden niet graag uit handen geven aan sommige van hun leiders, die samenwerken met rivalen, zoals christenen en niet-Hausa. Maar zoals verschillende mensen ons getuigen, zijn het dus Hausa die aan de basis liggen van de noordelijke onlusten. Tegelijkertijd mag men op nationaal vlak de verderfelijke rol van de almachtige PDP en de vernietigende impact van het neoliberalisme niet uit het oog verliezen.

Een gedwongen koloniaal huwelijk

Nigeria is het resultaat van een gedwongen koloniaal huwelijk tussen de 250 à 400 etnische groepen, tussen het noorden en het zuiden, tussen moslims, christenen en andere religies. Nigeria is niet meer dan een onzalige schepping, ontsproten uit de romantische, agressieve geest van empire-builder George Goldie (1846-1925).

De erfenis van dit Britse imperialisme blijft als een grimmige schaduw boven het land hangen. Sinds Nigeria’s onafhankelijkheid in 1960, wordt het land onophoudelijk geplaagd door – wat de Nigeriaanse historicus Toyin Falola en Matthew Heaton (2008:159) de ‘angst voor dominantie’ noemen – angst voor etnische dominantie, geografische dominantie en religieuze dominantie.

De grootste etnische groepen, de Hausa-Fulani (28 procent) uit het noorden, de Igbo (17 procent) uit het zuidoosten en de Yoruba (21 procent) uit het zuidwesten, vrezen de politieke dominantie van de ene etnische groep over de andere.

Deze angst probeert men in te perken door zonale rotatie voor het presidentschap. De kleinere etnische groepen vrezen eveneens dat de grote etnische groepen of andere kleinere, hen willen domineren. Het voortdurend opdelen van het land in deelstaten, lokale beleidsafdelingen (Local Governments areas) en nu zelfs ‘traditional rulers’ gebieden, moet gezien worden als een poging om zoveel mogelijk etnische groepen tevreden te stellen.

Sinds de onafhankelijkheid, tot en met de laatste herinvoering van de democratie in 1999, waren haast alle staatsleiders afkomstig uit het noorden. Tijdens de gruwelijke burgeroorlog in Igboland, kwam de nationale eenheid weliswaar even op de helling te staan. Sindsdien hebben machthebbers het zogenaamde ‘Igbo-gevaar’ ontzenuwd door ze categoriek elke toegang tot machtige politieke posten te ontzeggen.

Nu het zuiden sinds 1999 aan zet is, wordt Nigeria tegenwoordig politiek beschouwd als een land met een hopeloze Noord-Zuid-verdeeldheid. Dit valt in grote mate samen met een christen-moslimopdeling, wat politieke kopmannen ook bespelen. Het zuiden vreest dat het noorden het land volledig wil domineren en omgekeerd. De christenen vrezen, omdat dit hen wijsgemaakt wordt, dat de moslims uit het noorden het land volledig willen islamiseren. De moslims laten zich ook overweldigen door de vrees dat christenen uit het zuiden het land volledig willen kerstenen.

De Hausa-ideologie van Abubakar Gumi

De dreiging dat het noorden het zuiden, of andersom, wil domineren, kan misschien nog het best gezien worden als een beangstigende verwachting. Tijdens elk moment van politieke onrust kan deze beangstigende verwachting zichzelf vervullen.

De Hausa uit het noorden hebben op dit vlak zelfs een bijzonder slechte reputatie. Dit heeft historische, politieke redenen. De Hausa hebben met hun Sokoto-kalifaat, het verenigde Hausa-Fulani-rijk, immers twee eeuwen lang geregeerd. Dit was voor de Hausa zelf ook al eeuwenlang het geval tijdens de niet-verenigde Hausastadstaten. Tegenwoordig weerspiegelen die grotendeels de huidige deelstaten in het hoge noorden van Nigeria.

Toen het Brits imperialisme in het begin van de 20ste eeuw het huidige Nigeria koloniseerde, werd vanuit de dominante Hausa-Fulani-optiek het adagium ingeroepen dat moslims niet door ongelovigen bestuurd konden worden. Niettemin werden ze, door de Britse indirecte vorm van bestuur, machteloze getuigen van de verzwakking van het eens zo machtige imperium van de Fulani Uthman Dan Fodio in West-Afrika.

Men moet hier wel een onderscheid maken tussen de Hausa en de Fulani. De Fulani stonden aan het hoofd van het oude kalifaat en vandaag hebben ze vaak nog iets aristocratisch, zoals dat bijvoorbeeld geldt voor de familie van de kortelings overleden president Yar’adua. 

Buhari is ook een Fulani met familiale wortels in de heersende klasse van weleer. De Hausa, die in de meerderheid zijn, omvatten het gewone volk. We hebben het voortaan hier enkel over de Hausa.

Vandaag horen we de Hausa nog steeds zeggen: “We zijn niet zo ongeletterd als men laat uitschijnen. Wij hebben geen westerse opvoeding nodig om geletterd te zijn. Men vergeet dat wij bijzonder geschoold zijn in de islamitische wetenschappen en in de kennis van het Arabisch. Waarom zou dit minderwaardig zijn?”

De Hausa realiseerden zich al tijdens het koloniale tijdperk dat de opmars van het christendom in Nigeria het slinkse werk was van de kolonist; die wilde de plaatselijke bevolkingsgroepen kerstenen. De missionering werd door de kolonist eerder aangewend voor politieke doeleinden.

Op het eerste gezicht leken de Britse imperialisten het kalifaat en de islam, in het noordelijke gedeelte van hun nieuwe kolonie, met rust te laten. Maar men wilde er ook taksen innen. Achter de rug om werd er wel degelijk alles in het werk gesteld om het Hausa-Fulani-imperium te ondermijnen.

De sociale mobilisering, die van het christendom kon uitgaan, en de incentieven die de ‘heidense’ minderheden  erdoor konden krijgen, werden een krachtig politiek wapen. Het spreekt voor zich dat de Hausa-moslims zich daardoor, tijdens de koloniale periode, bedreigd voelden. Ze dragen de teloorgang van hun machtig imperium, tot vandaag, als een zware last. De meesten van de Hausa-Fulani-leiders hebben nu eenmaal een voorliefde om het noorden politiek te domineren. Vandaag voelen ze zich opnieuw bedreigd door de politieke figuur van Goodluck Jonathan.

Jonathan verpersoonlijkt immers drie gevaren die de Hausa doet huiveren. Jonathan is in de eerste plaats lid van de machtige Pinksterkerken. De politieke theologie van de Pinksterkerk maakt in de ogen van de Hausa-Fulani de dreiging van christelijke dominantie reëel.

De nieuwe president, die afkomstig is uit het zuidoostelijke deel van Nigeria, wordt in het noorden ook gezien als een ‘binnenlandse kolonist’. Wanneer de dreiging van etnische dominantie in de schaduw van het politieke landschap loert, spreekt men in Nigeria altijd over het gevaar van binnenlandse kolonisten. Tenslotte kan Jonathan ook rekenen op de morele goedkeuring van het Westen, wat dan wordt gezien als de dreiging van de verwestering, ten koste van de islam.

Dit zwaard van Damocles, waarvan de Hausa geloven dat het voortdurend boven hun hoofd hangt, is een ideologisch verhaal afkomstig van hun religieuze held, de oppermachtige sjeik Abubakar Gumi-overleden in 1992 en rechterhand van alle noordelijke moslim- staatshoofden, op Buhari na. Hij heeft tientallen jaren niets anders gepredikt dan dat de islam verbiedt dat moslims zich door ongelovigen zouden laten besturen.

Gumi’s ideologisch verhaal heeft altijd een verpletterende invloed uitgeoefend op de ongeschoolde Hausa. Hij heeft dan ook voortdurend opgeroepen om elke stembusslag koste wat kost binnen te halen. Aangezien de laatste jaren, in het post-Gumi-tijdperk, keer op keer verkiezingen worden verloren, heeft het deel van de Hausa, dat geen lid is van de regerende PDP, nu wel degelijk gereageerd.

Nigeria herleiden tot enkele bevattelijke tegenstellingen, zoals Gumi deed, is echter een aanfluiting van de realiteit van diversiteit. Het bekende westerse mediaverhaal, van het noorden als overwegend moslim en het zuiden als overwegend christelijk, moet dan ook gerelativeerd worden. Men mag niet uit het oog verliezen dat ook in het zuiden veel moslims wonen en in het noorden veel christenen.

Beide religies herbergen ook in Nigeria verschillende theologische opvattingen en wereldbeelden. Er is de heersende klasse, een kleine middenklasse en een enorm grote onderklasse. Nigeria bestaat bovendien niet enkel uit een noordelijk en zuidelijk deel. In de deelstaten Nasawara en Adamawa in de Middle Belt-zone is de populatie overwegend moslim. Hetzelfde geldt ook voor de zuidwestelijke deelstaten Oyo en Kwara (ook niet alle Yoruba bv. zijn christenen, enzovoort).

De eigenlijke constante factor in deze verderfelijke cultuur van dominantieangst, heeft te maken met de politieke machtsstrijd van enkele leiders en hun godfathers. De ultieme doelstellingen zijn de lucratieve politieke postjes en de toegang tot de natuurlijke bodemrijkdommen, met als hoofdtrofee de olie- en gastoevloed uit het zuidoosten.

Etnische, geografische en religieuze identiteiten worden dan ook telkens ingezet als krachtige platforms, als sociaal kapitaal om stemmen te ronselen. Tijdens lokale verkiezingen in verschillende beleidzones en voor de aanstellingen van traditionele chefs, ontspint zich dan ook telkens een verbeten strijd tussen etnische en/of religieuze groepen. Er wordt zelfs op de man af gestreden, inclusief met moordpartijen.

De machtsgreep van de PDP

Zoals we al opmerkten, gaan wij ervan uit dat de zogenaamde voorstelling van de politieke realiteit à la Abubakar Gumi, een simplistische omkering is van de politieke realiteit in Nigeria. Niettemin heeft het ook iets te maken met de machtsdrang van de Hausa-Fulani. Nochtans wordt de politieke dramaturgie op nationaal vlak gedomineerd door de Peoples Democratic Party (PDP).

Wat men vaak uit het oog verliest of verzwijgt, is dat de PDP geen exclusief christelijke of zuidelijke partij is. De huidige nationale voorzitter van de PDP, Mohammed Haliru Bello is een moslim. De voortijdig overleden president Alhaji Umaru Yar’adua was een islamitische Fulani uit de noordelijke deelstaat Katsina, enzovoort. Er bestaat kortweg geen zuidelijke en noordelijke versie van de PDP.

Sinds Nigeria in 1999 op beslissende wijze opnieuw de overgang maakte van een militair bewind naar een democratisch bestuur, domineert deze partij wel het politieke landschap in de vier windrichtingen. In de 19 noordelijke deelstaten (inclusief de federale zone Abuja) is de PDP, sinds 1999, in acht ervan, onafgebroken aan de macht. Van 1999 tot 2003 had de PDP er 10 gouverneurs. Van 2003 tot 2007 werden er dat 12 en van 2007 tot 2011 heeft de partij er 13.

Tijdens de recente gouverneursverkiezingen hebben ze hun aantal gouverneurs tot 14 kunnen brengen. In Kano en Bauchi veroverden ze de zetels van de All Nigerian Peoples Party (ANPP). Maar in Nassarawa moesten ze hun zetel afstaan aan de CPC van Buhari. In het noorden hebben de PDP met 14 gouverneurszetels tegenover de zetel van de CPC en 3 zetels van de ANPP, bijna de absolute macht verworven.

Op nationaal vlak heeft de PDP tijdens de afgelopen verkiezingen 23 van de 36 zetels veroverd. Haar sterkste tegenhanger is het Action Congress dat 7 gouverneurszetels binnenhaalde. Van een eenpartijstaat, geleid door de PDP, kan niet gesproken worden. Niettemin is de almacht van de PDP voor het presidentschap, opnieuw een politiek feit.

Alle overwinningen tijdens lokale en federale verkiezingen, heeft de PDP op een frauduleuze en gewelddadige manier bekomen. Onderzoeken van ondermeer Human Rights Watch (HRW) en International Republican Institute (IRI) tonen telkens opnieuw aan dat vooral de PDP zich tijdens verkiezingen schuldig maakt aan stembusvervalsingen.

Andere partijen maken zich natuurlijk ook schuldig aan deze praktijken. Maar de PDP is beter gepositioneerd om de stembusgang te vervalsen en jongerenbendes in te huren voor electoraal geweld tijdens verkiezingsperioden. De PDP heeft nu eenmaal sinds 1999 de staatsmachine en de schatkist in handen.
Hoe treedt het vervalsen van stembussen in werking? We volstaan hier met enkele meldingen van surrealistische situaties uit de aangehaalde studies.

In het onderzoeksrapport van het IRI over het verloop van de verkiezingen in 2003, stellen ze vast dat er in de noordelijke deelstaat Nassarawa bij één stembureau, op twee uur tijd, 800 mensen hun stem uitbrengen. Alle stemmen waren voor de PDP. Volgens de waarnemers van het IRI kon men op zo een korte tijd onmogelijk zoveel stemmers laten passeren.

In de zuidoostelijke deelstaatCross Rivers stellen de waarnemers vast dat het campagneteam van PDP T-shirts uitdeelt met daarop ‘say no to violence!’. Aanvankelijk waren ze aangenaam verrast. Maar het was slechts een manier om de PDP aanhangers te onderscheiden van de anderen.

In de beleidszone van de zuidoostelijke havenstad Calabar droegen medewerkers van INEC op het telbureau ook zo een T-shirt. Uit veiligheidsoverwegingen moest het IRI-team plots het telbureau verlaten. De verkiezingen van 2003, waarbij PDP’er Olesugun Obasanjo won, worden algemeen beschouwd als vervalste verkiezingen.

In een studie van HRW, net na de verkiezingen van 2007, lezen we een getuigenis over de corrupte macht van de PDP. Een voormalige Area Boy antwoordt waarom jongeren zich sneller laten inhuren door de PDP dan door andere partijen: “De PDP is nu al acht jaar aan de macht en ze hebben dus het geld en de macht…; andere partijen zeggen, als ze in de regering zijn, zullen wij van het geld kunnen genieten. Maar de PDP zal je onmiddellijk betalen: mensen vinden dit beter. De PDP betekent wapens en geld.”

De verkiezingen van 2007, die werden gewonnen door PDP’er Yar’adua, worden algemeen beschouwd als de meest gewelddadige en frauduleuze verkiezingen sinds 1999.

Ter consolidering van de politieke macht in de vier windstreken, vermorzelde de PDP onderweg ook de sterkste oppositiepartij, de ANPP, die een overwegend islamitisch karakter heeft. De presidents kandidaat van deze partij, Ibrahim Shekaru, behaalde tijdens de afgelopen presidentsverkiezingen amper stemmen.

Dat heeft vooral te maken met de lange reeks van corruptieschandalen, verbonden aan deze partij. De partij is daarom in ongenade gevallen bij de noordelijke bevolking. De pas opgerichte CPC, de partij van Buhari, heeft allicht de finale doodsteek toegediend aan de ANPP. De populaire Buhari was immers tot voor kort lid van deze partij en presidentskandidaat tijdens de verkiezingen van 2003 en 2007. Zijn aanhangers zijn dus ook automatisch overgestapt.

De PDP is allerminst democratisch. In de Nigeriaanse pers wordt deze partij geregeld gelijkgesteld met een criminele bende die zich enkel bezighoudt met zichzelf te verrijken. Natuurlijk zijn deze vernietigende oordelen politiek gekleurd. Nochtans zijn deze aantijgingen een sterke benadering van de politieke realiteit. De PDP is de partij die de belangen van de heersende klasse in Nigeria het beste verdedigt.

In een artikel voor Sahara Reporters merkt bijvoorbeeld de bekende mensenrechtenactivist Femi Falana ironisch op dat de PDP-ideologie er in bestaat de armoede onder het Nigeriaanse volk te verspreiden, in de vier windrichtingen.  Maar de PDP heeft wel degelijk een ideologie en dat is het neoliberalisme, wat natuurlijk mooi aansluit bij de belangen van de heersende klasse.

Het niet zo onschuldige geluk van Jonathan

Op welke manier past de figuur van Jonathan in deze PDP- geschiedenis van corruptie, electoraal geweld en politieke dominantie? Jonathan wordt, sinds zijn aantreden als interim-president, vaak voorgesteld als een beloftevolle, tot op het bot zuivere politicus. Hij zou wel eens het roer van de Nigeriaanse politiek op een grondige positieve wijze kunnen dooreen schudden.

Verschillende gegevens over zijn politieke geloofsbrieven maken het echter bijzonder moeilijk om hem het voordeel van de twijfel te gunnen. Alleen al het feit dat Jonathan erin geslaagd is, om binnen de PDP, zijn kandidatuur voor de presidentsverkiezingen te doen  gelden, maakt hem verdacht. Hij wist immers heel goed dat de komende legislatuur eigenlijk was voorbehouden voor een moslim uit het noorden. Zijn herhaalde uitspraak tijdens de verkiezingswedloop, dat er vanwege zijn kandidatuur geen doden hoeven te vallen, heeft nu wel een bloederige nasmaak gekregen.

Volgens de officiële hagiografie komt de nieuwe president uit een bescheiden familie van kanomakers. Jonathan is een Ijaw, afkomstig uit Otueke in het koninkrijk Ogbia, in de zuidoostelijke deelstaat Bayelsa. Jonathan is dus afkomstig uit de olierijke zuidoostelijke regio. De Ijaw weerspiegelen 10 procent van de bevolking. Deze etnische groep is eigenlijk een kleine groep onder de grootste etnische groepen.

Hij heeft een master hydro- visserijbiologie en een doctoraat zoölogie op zak. Dat sluit mooi aan bij de problemen in de Nigerdelta. De Ijaw leven gewoonlijk van de visvangst. Voor zover bekend is, heeft hij zich echter nooit ingelaten met het verzet tegen de westerse oliemultinationals in de Nigerdelta. Hij heeft niets te maken met de bekende Ijaw Youth movement (IYW), een verzetsbeweging die men kan vergelijken met de Movement for the Emancipation of the Niger Delta.

Het is niet toevallig dat Jonathan alleen in de 11 zuidoostelijke deelstaten monsterscores behaalt van 87 tot 99,6 procent. Maar dat heeft weinig te maken met zijn etnische achtergrond of met de verwantschap tussen de Ijaw en de Igbo. Dergelijke monsterscores wijzen alleen op massale stembusvervalsing.

Jonathan is ook niet meteen een politiek figuur die zijn etnische achtergrond uitspeelt. Jonathan heeft qua politieke corruptie, officieel gezien, een onbesproken blad. Maar sinds zijn eerste stappen in de politiek, begeeft Jonathan zich wel te midden van een corrupte elite.

In Vanguard laat een prominente jeugdleider van IYW optekenen dat ze ervan overtuigd zijn dat “Jonathan een creatie is van bepaalde mensen.” (Swear, 26-01-2010). De belangrijkste daarvan is ongetwijfeld oud-president Olesugun Obasanjo. Tegen Obasanjo bestaan er verschillende aanklachten van corruptie. Tijdens zijn regeerperiode (1999-2007) maakte hij zich ook geregeld schuldig aan grove schendingen van mensenrechten.

Maar tot op heden is hij daar nog niet voor berecht. Hij is nu eenmaal nog steeds één van de machtigste godfathers in Nigeria en door de VS wordt hij voor zijn rol als voorzitter van de Afrikaanse Unie, voorgesteld als een democratische vredesduif.

Het is Obasanjo die Jonathan, na een duister corruptieschandaal rond gouverneur Diepreye Alamieyeseigha, benoemt tot nieuwe gouverneur van Bayelsa. Jonathan was voorheen wel de rechterhand van Alamieyeseigha. Vervolgens wordt Jonathan opnieuw door Obasanjo aangeduid als de running mate van Yar’adua tijdens de verkiezingen van 2007.

Jonathan werd wellicht de uitverkorene omdat hij politiek gezien kleurloos is. Hij mist de overtuiging en daadkracht om de echte problemen van Nigeria aan te pakken. Voor zover zijn zuidelijke Ijaw-achtergrond hierin een rol speelt, moet hij gezien worden als een soort compromisfiguur om de problemen in de Nigerdelta onder controle te houden.

De nieuwe president van Nigeria lijkt dus minder onschuldig dan hij zich voordoet. Twee nieuwe bijkomende gegevens pleiten hier nog eens extra voor. In de eerste plaats is er het merkwaardige voorval van een brand in het kantoor van de voorzitter, Attahiru Jega, van de Nationale kiescommissie (INEC) in Abuja. (Abdallah, 26-05-11).  Op 26 mei 2011 vloog dat kantoor in brand door een defect met een airconditioner.

Buhari merkte zorgwekkend op dat het incident plaats vond op de dag dat het gerecht, op vraag van de CPC, toelating gaf voor het opstarten van het Ayo Salami-tribunaal: dit om de stembrieven die werden gebruikt tijdens de presidentsverkiezingen, te onderwerpen aan een forensisch onderzoek; (Buhari, ibidem). Buhari had eerder ook al voorgesteld om de stembussen veilig op te bergen in de Nationale Bank in Abuja.

Het is een merkwaardig verzoek, want net na de verkiezingen van 2007 werd op 26 januari ook al een stuk van het oude deel van die bank, door een ongeluk, in de as gelegd. Dergelijke gebeurtenissen worden door de Nigeriaanse media verslagen als fait divers; de corrupte en gewelddadige politiek in Nigeria vervalt ook geregeld in een wervelende klucht.

Ten tweede vond de ceremoniële beëdiging van Jonathan tot nieuwe president, op 29 mei in Abuja, plaats in een ongezien sterk gemilitariseerde sfeer. 5.000 legertroepen en 37.000 plaatselijke politiemannen zorgden ervoor dat de inauguratie van Jonathan vlekkeloos verliep. De hulp van antiterreurexperts van de Israëlische en Amerikaanse veiligheidsdiensten, werd daarbij ook ingeroepen. De kostprijs voor heel het gebeuren bedroeg maar liefst 10 miljoen dollar. Dat de beëdiging van Jonathan zich op dergelijke wijze moest voltrekken, komt allerminst onschuldig over.

De VS heeft er blijkbaar alle belang bij dat de Nigeriaanse oligarchie door hen veilig wordt gesteld. De jarenlange ervaring van Israël in het hanteren van diverse geweldtechnieken om de Palestijnse bevolking te onderdrukken, vormt een ‘handige bijdrage’ om mogelijke opstanden in het ‘Nigeria van Goodluck’ op vernuftige wijze te onderdrukken. Alles bij elkaar genomen, moet Jonathan vooral gezien worden als een aanhangsel van de Nigeriaanse oligarchie. Op zijn fansite staat er bijvoorbeeld een veelzeggende foto waar de tweede rijkste zakenman van Nigeria, de dollarmiljardair Femi Otedola, hem in Abuja feliciteert met zijn verkiezingsoverwinning.

Noordelijke verkiezingsuitslagen

Jonathan kon ook onmogelijk de verkiezingen winnen zonder de steun van het noorden. De politieke dominantie van de PDP in het noorden weerspiegelt zich ook in enkele overwinningen en redelijke scores in de noordelijke deelstaten waar Buhari wint. Van de in totaal 73.528.040 geregistreerde stemgerechtigden, hebben slechts 53,7 procent of 39.469.484 hun stem uitgebracht. 1.259.506 stemmen werden ongeldig verklaard. Maar dat zijn slechts de officiële cijfers die wellicht een sterk vertekend beeld geven. Men plaatst immers nog steeds overleden personen op kiezerslijsten.

In de Bayelsa-deelstaat, de thuisbasis van Jonathan, is ondertussen al gebleken dat er meer stemmen werden uitgebracht dan er stemgerechtigden stonden geregistreerd. Er is ook het probleem van minderjarige stemmen en PDP-leden die voor INEC werken. We hebben ook uit goede bronnen kunnen vernemen dat men in het noorden van het land, op betaling, bussen vol kiezers liet overkomen uit buurland Niger.

Hoe dan ook, volgens de officiële resultaten lag de kiezersopkomst in het noorden, net zoals in de rest van het land, beduidend laag. Meestal kwam net iets meer dan de helft zijn/haar stem uitbrengen. In Sokoto kwam slechts 40 procent van de geregistreerde stemgerechtigden hun stem uitbrengen. De onverschilligheid, de overtuiging dat toch niets zal veranderen en vooral de angst voor electoraal geweld, moeten groot geweest zijn om toch maar niet te gaan stemmen.

Buhari heeft de presidentsverkiezingen in 12 noordelijke deelstaten gewonnen, in het hart van het moslim-Hausaland. In zijn thuisbasis Kano haalt Buhari 61 procent van de stemmen. De hoogste scores behaalt hij in drie andere deelstaten. In Bauchi behaalt hij met 82 procent van de stemmen, de hoogste score. In Borno behaalt hij 77 procent van de stemmen en in Katsina behaalt hij 71 procent.

Jonathan wint in de overige noordelijke deelstaten Plateau, Kwara, Taraba, Adamawa en in de federale zone Abuja. Het meest opvallende is dat Jonathan in 14 noordelijke deelstaten meer dan 25 procent van de stemmen wist binnen te rijven.

Om verkozen te geraken, moest de presidentskandidaat, volgens de kieswet, in ten minste 24 deelstaten meer dan 25 procent van de stemmen halen. Dat Jonathan nog redelijke scores kan neerzetten in de noordelijke deelstaten, heeft hij wellicht te danken aan zijn plaatselijke PDP- gouverneurs.

In de 13 van 14 deelstaten waar Jonathan meer dan 25 procent haalt, zijn alle gouverneurs van de PDP. In Kano krijgt hij 19,69 procent van de stemmen. Hier kon hij onmogelijk meer dan 25 procent halen, omdat het de thuisbasis is van Buhari. Bovendien werd de emir van Kano, Alhaji Shehu Idres, in maart 2011 door de CPC beschuldigd van het aannemen van 500 miljoen naira (bijna 2,3 miljoen euro) voor PDP-steun.

In een nogal omvangrijke volksopstand werd de emir toen al uit zijn paleis weggejaagd. Net na de verkiezingsuitslagen werd zijn paleis in brand gestoken. In Bauchi haalt de christen Jonathan met 16,05 procent de laagste score. Dat is merkwaardig omdat het indruist tegen de overwegend christelijke bevolkingssamenstelling in Bauchi en waar ook de sha’ria geldt. Het is hier dat Buhari zijn hoogste score neerzet.

De religieuze achtergrond van Jonathan en Buhari heeft in het noorden uiteraard een belangrijke rol gespeeld. Tegelijkertijd moeten er ook veel christenen uit de Middle Belt-zone en het noorden voor oud-militair Buhari hebben gestemd. Ze zien in hem de enige president die de corruptie op een doortastende manier zal aanpakken. Men kan heel wat kritiek geven op de korte militaire regeerperiode van Buhari en zijn bridage-generaal Tunde Idiagbon, tussen 1983-1984. Buhari heeft zijn duister verleden bij de zogenaamde ‘maffia’ van Kaduna, een toenmalige groep van onklopbare politieke machthebbers (niet te verwarren met maffia in de gebruikelijke zin van het woord). Maar hij is wel de enige in de reeks van Nigeriaanse staatshoofden, die de politieke corruptie in Nigeria consequent wilde aanpakken.

Wie in Nigeria de cultuur van corruptie wil bestrijden, kan immers het beste van bovenaf beginnen. Dat is ook wat Buhari met zijn politiek van verantwoordelijkheid deed, in de periode waarin hij president was. Een contactpersoon uit Jos wist ons te melden dat hij alleen om die reden in Buhari de rechtgeaarde president kan zien. Nochtans werd de vader van deze christen door Hausa-moslims vermoord tijdens één van de rellen in Jos in 2009. Jos is de hoofdstad van de Plateau-staat, gelegen in de Middle Belt-zone.

Jonathans droom wordt nachtmerrie 

Als we de protesten van Buhari’s aanhangers in het noorden, in de dagen na de verkiezingen, en ook de doelwitten van destructief geweld van naderbij bekijken, wordt duidelijk dat die hoofdzakelijk  gericht zijn tegen de nieuwe evolutie in de dramatische machtsgreep van de PDP tijdens de gouverneursverkiezingen.

Dit was eigenlijk al duidelijk tijdens de verkiezingen van 2007. Bijna alle ANPP-gouverneurs uit het hoge Hausa-moslimnoorden, moesten toen, na twee termijnen van corrupt bestuur, de duimen leggen voor de PDP-kandidaten, die nog zuiver waren of meer geld hadden om belanghebbenden om te kopen.

Feit is dat de Hausa die machtsgreep toen hebben toegelaten omdat ze met Yar’adua de verwachte moslimpresident kregen. Buhari heeft, na zijn nederlaag, ook minder van zich laten horen. Er werd toen ook wel gedreigd met islamitische nationalisme. Maar Yar’adua werd toen handig naar voren gebracht: hij was tegelijk moslim en onbesproken qua corruptie. Het paste perfect in de visie van de moslimgelovige. Zijn zwakke gezondheid werd er toen wel met een bang hart bijgenomen.    

De afgelopen onlusten namen in Kaduna, zoals ook in het verleden al gebeurde, de meest dramatische vormen aan. De hel brak er wellicht los omdat Jonathan de voormalige gouverneur, de moslim Namadi Sambo, bombardeerde tot zijn running mate. Hij werd vervangen door de christen Patrick Ibrahim Yakowa.

Het was voor de eerste keer dat er in Kaduna een christen tot gouverneur werd aangesteld, iets wat totaal vreemd is aan de Hausa-moslim dominantie in deze staat. De huizen van Sambo en Yakowa werden dan ook in brand gestoken. In Kaduna ligt bij de Hausa-moslim de PDP-opmars van christenen heel moeilijk.

De kieswet stelt in de praktijk wel dat de posten van Executive Governor en Deputy Governor telkens naar een moslim en een christen moeten gaan. Yakuwu werd uiteindelijk in Kaduna, tijdens de verkiezingen van 11 april, de eerste verkozen christen voor de hoogste positie van Executive Governor. Alles bleef tot hiertoe rustig, na de rellen van de weken ervoor, bij de bekendmaking van Buhari’s nederlaag. Mensen laten ons weten dat de noodtoestand en de militaire aanwezigheid in de straten daar alles mee te maken heeft.

De onlusten in het noorden, april 2011, kwamen er niet zomaar uit onvrede met de verkiezingsoverwinning van Jonathan. Volgens Buhari en verschillende van zijn aanhangers, heeft de PDP ook deze keer de stembusgang gefraudeerd. Hij stelt dat in 22 van de 36 deelstaten de verkiezingsuitslagen werden vervalst.

De monsterscores van Jonathan in de zuidelijke deelstaten zijn, volgens hem, leugenachtig. In een interview met Al Jazeera vertelde hij bewijzen te hebben dat de computers werden geprogrammeerd om de resultaten te vervalsen. (Post-election, 21-04-2011)  Een zegsman van de CPC, Prince Tony Momoh, stelt dat de organisatie van verkiezingen deels werd uitgeoefend door leden van de PDP.

De voormalige minister Nasir Ahmad El Rufai (19-04-2011) stelt ook dat er fictieve kiesbureaus bestonden en dat er in verschillende telcentra werd geknoeid met de resultaten, vooraleer deze terechtkwamen bij de hoofdkantoren van INEC in Abuja. De CPC- aanhangers van Buhari worden uiteraard ook beschuldigd van stembusvervalsing. Ze worden ervan beticht dat 40 procent van hun stemmen te danken zijn aan minderjarige stemmers. Dit klinkt eigenlijk heel logisch omdat 70 procent van de Nigeriaanse bevolking jonger is dan 35 jaar. Vele arme minderjarigen verkopen dan ook hun stem voor enkele naira’s.

Maar ook van buitenaf wordt er beweerd dat het vervalste verkiezingen waren. Zo stelt de voormalige VS-ambassadeur voor Nigeria, John Campbell, zelfs dat er ten voordele van de PDP werd vervalst. Maar Campbell vertegenwoordigt duidelijk niet de visie van Washington. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Hillary Clinton, heeft namens president Barack Obama de verkiezingen bestempeld als eerlijk, vrij en geloofwaardig. Washington herkent natuurlijk wel dat er ongeregeldheden waren, maar roept het INEC, eerder pro forma, op daar in de toekomst verandering in te brengen.

De lijst van aantijgingen over stembusvervalsing is eigenlijk eindeloos en verwarrend. Weldra zullen we, uit grondig onderzoek van mensenrechtenorganisaties, een glimp kunnen opvangen van de waarheid. De kans is alvast vrij groot dat er serieus werd vervalst. Alleen al de lage kiezersopkomst leert ons dat die verkiezingen niet vrij zijn verlopen. Miljoenen mensen bleven thuis uit angst voor electoraal geweld.

Men moet ook het oordeel van de internationale waarnemers in vraag durven stellen. Zij beperken zich vaak in hun oordeel tot wat ze hebben gezien. Nochtans bestaat er een groot verschil tussen wat men ziet en wat er gebeurt. Het is niet omdat de verkiezingen zelf grotendeels rustig verliepen, dat ze onmiddellijk als vrij en eerlijk kunnen worden beschouwd. Bovendien konden de internationale waarnemers niet overal aanwezig zijn.

Als je weet dat er in totaal 120.000 kiesbureaus, 8.000 Ward Collation Centers en 780 Local Government Collation Centers waren, dan heb je, om nauwkeurige waarnemingen te kunnen maken, minstens 250.000 medewerkers nodig. Minimaal 2 internationale waarnemers per kies- en telcentrum inzetten, is een bijzonder kostelijke aangelegenheid.

Als je bijvoorbeeld elke waarnemer 500 euro betaalt, dan heb je alleen al 1,25 miljard euro nodig, zonder inbegrip van de vliegtuigtickets en hotelkosten. Het blijft dan ook een surrealistische krachttoer te beweren dat de verkiezingen over het algemeen genomen, vrij, eerlijk en geloofwaardig zijn verlopen.

Gronden voor een volksrevolutie?

We stellen vast, zoals we hierboven al beschreven, dat een deel van de Hausa niets liever wil dan de absolute macht in het noorden  heroveren. We hebben ook aangetoond dat de machtsgreep van de PDP de zogenaamde etnische, religieuze en geopolitieke tegenstellingen overstemt.

De politieke machtstrijd is dus het centrale gegeven. De religieuze, etnische en geopolitieke verschillen spelen daarin een verderfelijke mobiliserende rol. Het is natuurlijk wel een feit dat in Nigeria etnische minderheidsgroepen op verdoken politieke en economische gronden worden onderdrukt. In een politieke cultuur van corruptie en geweld worden de middelen in ieder geval onrechtvaardig verdeeld.

Dit alles hangt wellicht, op de één of andere manier, samen met de  machtswissels om het presidentschap, waarvan men informeel (maar effectief) vraagt dat die om beurten naar een zuiderling en een noorderling gaan.

Met Jonathan wordt die regel nu doorbroken en dat is voor het noorden van de dominante Hausa dus een doorn in het oog. Men zegt dat Jonathan in staat moet zijn om voor iedereen op een gelijke manier te regeren. Het valt alleen nog te bezien hoe hij het nationale beleid zal uitstippelen.

Toch is het bijzonder merkwaardig te moeten vaststellen dat men in Nigeria in het zuiden de armoede toeschrijft aan de dominantie van het noorden en omgekeerd. De echte tegenstellingen, die van armoede en rijkdom, van man en vrouw, etc, zijn in Nigeria echter overal aanwezig. De armoede in Lagos is even erg als de armoede in Kaduna. De levensstandaard van een arme Hausa in het noorden is even beklagenswaardig als die van een arme Benin in Edo of van een Igbo in Rivers of een Ibibio in Akwa Ibom, enzovoort. De rijkdom van de heersende klasse in het zuiden is even exuberant als de rijkdom van de heersende klasse in het noorden of in de Middle Belt-zone.

Ongeschooldheid is dan wel een groot probleem in Nigeria. Overal ter wereld hoort men wel eens beweren dat ongeschoolde mensen niet in staat zijn hun beklagenswaardige onderklassenpositie te doorgronden. Maar ongeschoolde mensen kan men niet gelijkstellen met ‘arme beesten’. Men moet geen hoge opleiding hebben genoten om op een gegeven moment te beseffen dat de maat vol is, dat de tralies van abjecte armoede en onderdrukking moeten worden neergehaald. Mensen die in beklagenswaardige omstandigheden leven, zoeken overal ter wereld naar een verklaring voor hun sociaal-onrechtvaardig lijden.

De objectieve voorwaarden voor een volksrevolutie zijn overal in Nigeria overduidelijk aanwezig. Kunnen de afgelopen onlusten in het noorden dan ook gezien worden als de voorbode van een volksrevolutie?

Is de subjectieve voorwaarde, namelijk de organisatiekracht die nodig is om een volksrevolutie te starten, ook aanwezig? Mensen laten ons weten dat we niet te vlug moeten denken aan de mogelijkheid van een revolutie.

Er is weliswaar een deel in de partij van Buhari die droomt van een broodnodige revolutie. Maar men beseft in het noorden wel heel goed dat de huidige machthebbers van de PDP nooit zouden kunnen toelaten dat Buhari de macht grijpt. Dat kunnen ze gewoonweg niet riskeren omdat hun plek in de gevangenis dan al gereserveerd zou zijn. Men verwacht immers van Buhari dat hij in zijn strijd tegen corruptie de heersende klasse en hun politieke vertegenwoordigers bij de PDP, zwaar zal aanpakken als hij aan de macht komt.

Maar Buhari zal hoe dan ook de macht niet kunnen grijpen. Zelfs niet via een of andere staatsgreep. Buhari’s aanhang in het zuiden is immers niet sterk genoeg. De onrusten tijdens de afgelopen verkiezingsperioden hebben trouwens ook niet de omvang van de Arabische revoluties bereikt.

Er zijn geen miljoenen mensen op straat gekomen die hand in hand en geweldloos hun protest uitten tegen de ‘democratie’ van de Nigeriaanse regering en hun godfathers. Het noorden van Nigeria is op dit moment ook grondig politiek verdeeld. Er bestaat geen voldoende basis om mensen te mobiliseren, tenzij men religieuze en etnische verdeeldheden kan overstijgen. Ook moslims zijn in het noorden verdeeld over de talrijke sektes met hun leiders en aanhangers.

Er is uiteraard ook de verdeeldheid tussen de politieke partijen. De zoon van een lokale chef liet ons bijvoorbeeld weten dat hij een PDP-man is. Hij zou breken met eender wie in zijn omgeving, zelfs met zijn eigen vrouw of dochter, als hij hoort dat die op een andere partij zouden stemmen.

Mensen in het noorden van Nigeria, zo laat men ons ook weten, beseffen heel goed dat een revolutie door een meerderheid van de bevolking moet worden gedragen. Een nationale volksrevolutie blijft dus voorlopig een verre toekomstdroom.

Revolutiegezinde mensen uit het noorden vrezen dat, als er een kentering voor de deur staat, de regerende machtshebbers eerder een nieuwe burgeroorlog zullen uitlokken. Als die er daadwerkelijk komt, zal die de humanitaire ramp van de Biafraanse burgeroorlog kunnen overtreffen.

De fragiele stabiliteit in West-Afrika kan daardoor tevens mee de dieperik in gesleurd worden. Het feit dat Jonathan de herinnering aan de Biafraanse oorlog oproept, moet dan ook gezien worden als bangmakerij. Een zogenaamde humanitaire interventie van buitenaf, waar sommige analisten uit Washington zich al enkele jaren op voorbereiden, zal leiden tot een onmetelijke humanitaire catastrofe op het Afrikaanse continent.

De wrede maskerdrager ontmaskeren

De agressieve neoliberale koers, het bijna gemilitariseerde democratiseringsproces en de onomkeerbare demografische groei maken van Nigeria een explosief land. De afgedwongen invoering van structurele aanpassingsprogramma’s (SAP) van de Wereldbank en het IMF, tijdens de jaren tachtig van de vorige eeuw, is overgegaan tot een bijzonder agressieve vorm van kapitalisme.

Buhari’s weigerachtigheid om het SAP-kapitalisme tijdens zijn korte regeerperiode toe te passen, was trouwens één van de redenen waarom generaal Ibrahim Babangida (1985-1993) in 1985 Buhari van de macht verstootte (Falola & Heaton, 2008: 215-216).

Het Nigeriaanse kapitalisme heeft diepe kraters in de sociale weefsels van de samenleving geslagen. In onderzoeksrapporten van de VN kan men dan wel lezen dat de armoede sinds de herinvoering van de democratie in 1999, is afgenomen, toch tonen deze rapporten niet concreet aan wat ze beweren.

Zelfs de verbluffende economische groeicijfers van gemiddeld 9 procent, die Nigeria de laatste jaren weet neer te zetten, leveren helemaal niet de broodnodige sociale voordelen op voor de grote meerderheid van de sterk verarmde bevolking.

De armoede en economische uitzichtloosheid blijven overal in Nigeria ronduit schrijnend. Kaduna was bijvoorbeeld tot de jaren tachtig een welvarende stad met een bloeiende staatsindustrie en veel kansen op tewerkstelling. Tegenwoordig gaat de noordelijke miljoenenstad gebukt onder stedelijke verloedering, industrieel verval, economische uitzichtloosheid en armoede. De stad wordt net daarom door mensen aangestipt als een mogelijk permanent kruitvat.

Het is net door de stijgende armoede, sinds de herinvoering van de democratie, dat ook het zorgwekkend fenomeen van bendevorming overal de kop opsteekt. Men spreekt zelfs van een ‘wapencultuur’ omdat er sinds de Biafraanse oorlog (1967-1970) 1 tot 3 miljoen lichte vuurwapens in de omloop zijn.

Bendes en straatjongeren worden alsmaar gewelddadiger, waarop de overheid reageert met een al niet minder gewapende repressie. Het is een bittere consequentie van de cultuur van politiek geweld die de Nigeriaanse samenleving sinds haar onafhankelijkheid in een wurggreep vasthoudt.

In Nigeria wordt de politieke strijd voor sociale rechtvaardigheid steevast bemoeilijkt doordat politieke machthebbers het maatschappelijk bewustzijn van de bevolking op gewelddadige wijze vervormen. Ze vergiftigen het revolutionaire bewustzijn van de mensen met de angst voor dominantie. In hun verbeten machtstrijd spelen ze het sociale kapitaal van etnische, geografische en religieuze identiteiten uit als de grote tegenstellingen, als de ultieme verklaringsgrond voor het kwaad.

Wat we dan zien gebeuren, is de morbide uitwerking van het zondebokmechanisme. Mensen worden, als het erop aankomt, over ideologische of etnische lijnen, economisch tegen elkaar uitgespeeld. Machtige politici ontlopen altijd deze dans van het kwaad. Enkel de arme bevolking zit in het heetst van de strijd, voor, tijdens en na de onlusten.

De cultuur van politiek geweld leidt paradoxaal genoeg ook tot een toenemende militarisering. De laatste verkiezingenreeks werd op vele plaatsen, zoals in Akwa Ibom, Bayelsa en in het noorden, op beangstigende wijze gekenmerkt door een sterke aanwezigheid van militairen. Dergelijke manier van politiek en het uitblijven van de gewenste sociaal-economische hefbomen, zorgen er natuurlijk ook voor dat bij vele Nigerianen het geloof in positieve verandering ver zoek is.

De euforie van de onafhankelijkheid in Nigeria is dan ook voorgoed voorbij. Hoe kan het toch dat een Afrikaans land als Nigeria, dat rijk is aan grondstoffen en door het IMF in 2010 werd gezien bij de 40 sterkste BNP-landen in de wereld, toch zoveel vormen van ellende en onderdrukking in zich draagt?

Rita Edozie (2008: 49-50), een geëngageerde onderzoekster van Nigeriaanse afkomst, analyseert de situatie als volgt: “Vergeleken met de geavanceerde industriële democratieën zijn in Afrika zelfs de rijkste democratieën beduidend arm. Geen wonder daarom dat in de context van een globale economie, die gefocust is op een agressief laissez-faire-kapitalisme, een crisis van de democratische legitimiteit het gevolg is. De huidige democratische politiek en zijn processen zijn vermengd met een kapitalistische productie en het bewerkstelligen van een klasse-hiërarchie.”

De toekomst voor Nigeria ziet er somber uit. Men mag ook niet uit het oog verliezen dat de demografische groei in Nigeria zich onomkeerbaar doorzet. Terwijl Nigeria in 2006 al 140 miljoen inwoners telde, verwachten demografen dat de Nigeriaanse bevolking in 2020 maar liefst 210 miljoen inwoners zal tellen. In 2006 legde een volkstelling het aantal inwoners in bijvoorbeeld Kaduna vast op 6 miljoen, maar dat moet tegenwoordig meer zijn.

Het blijft moeilijk om exacte cijfers te verkrijgen. De bevolkingssamenstelling in Kaduna kent immers een jojo-effect, doordat mensen er uit wegtrekken vanwege bijvoorbeeld het recente electorale geweld. In kalme tijden trekt de stad dan weer immigranten aan, die wegvluchten voor het geweld in omliggende deelstaten zoals Bauchi en Plateau.

Tot overmaat van ramp zullen hoofdzakelijk de miljoenensteden in Nigeria de verwachte demografische explosie moeten dragen. Deze steden barsten nu al uit hun voegen en ze worden overal opgevuld met uitdijende sloppenwijken. De extreme armoede en economische uitzichtloosheid op het platteland hebben er tijdens de afgelopen jaren voor gezorgd dat vandaag meer dan de helft van de Nigeriaanse bevolking in steden leeft.

Bij een onveranderde gang van zaken op politiek en sociaal-economisch vlak, zal dit prachtige land onvermijdelijk botsen tegen de klippen van deze verwachte demografische explosie.

Ken Saro-Wiwa (1941-1995), de bekende mensenrechtenactivist die tijdens het regime van Sani Abacha werd opgeknoopt, heeft ooit het probleem van Nigeria mooi samengevat in een krachtige beeldspraak: “Wanneer een maskerade het kwaad te extreem uitbeeldt, mogen moedige toeschouwers het masker afrukken. Het masker valt en de miezerige man erachter wordt zichtbaar zoals hij werkelijk is: uitsluitend vlees en bloed, de zoon van die-en-die. De ontmaskering van de wrede maskerdrager is een heel belangrijke gebeurtenis. Het is echter een zware opgave.”

De miezerige man kan hier worden gezien als de corrupte Nigeriaanse elite. Ze dragen het masker van een kapitalistische democratie. Wanneer de Nigeriaanse bevolking deze verderfelijke machtsconstellatie op een beslissende wijze kan ontmaskeren, blijft enkel de tegenstelling tussen arm en rijk over.

Dan pas kan de strijd aangebonden worden tegen de echte sociale onrechtvaardigheden; dan pas kan het belang van nationale eenheid zegevieren. Maar voorlopig weerklinkt de melodie van de Nigeriaanse volkszanger Dan Zaki slechts als de wegstervende echo van een hoopgevende song over nationale eenheid.

Thierry Limpens en David Van Peteghem

Thierry Limpens (1971) werkt aan de universiteit van Gent. Hij schrijft een doctoraat over politiek en religie in Kaduna. David Van Peteghem (1976) beheert de weblog: ‘ondertussen in West-Afrika’.

Bronnen

(*) Dit artikel is deels gebaseerd op veldwerk dat werd verricht door Thierry Limpens in de noordelijke regio tussen 2005 en 2011. De namen van de getuigen die we voor deze analyse recentelijk interviewden, hebben we hier ter bescherming van hun persoonlijke levenssfeer, weggelaten.

Abdallah, N.M. (26-05-2011). INEC chairman’s office fire disturbing – Buhari. (Opgevraagd op 28-05-2011 van http://allafrica.com/stories/201105260640.html).

Agboton-Johnson, C., Ebo, A., & Mazal, L. (2004). Small arms control in Ghana, Nigeria and Senegal. (Opgevraagd op 26-12-2008 from http://www.iansa.org/regions/wafrica/documents/west_africa2_27_04_04.pdf).

Awoniyi, O. (s.d.). Nigeria leader says unrest recalls civil war build-up. (Opgevraagd op 22-05-2011 van http://www.thejakartaglobe.com/afp/nigeria-leader-says-unrest-recalls-civil-war-build-up/436753).

Aziken, E., Agande, B., & Akinrefon, D. (19-04-2011). Nigeria: Buhari rejects results in 22 States. Vanguard (Opgevraagd op 22-04-2011 van http://allafrica.com/stories/201104190056.html).

Blench, R., Longtau, S., Hassan, U., & Walsh, M. (2006). The role of traditional rulers in conflict prevention and mediation in Nigeria. (Prepared for DFID, Nigeria). (Opgevraagd op 04-01-2009 van www.rogerblench.info/Development/Nigeria/Conflict%20resolution/Final%20Report%20TRs%20September%2006.pdf).

Bugaje, U. (1994). Introduction. In G. Basri, Nigeria and Shari’ah: aspirations and apprehensions (pp. 7-16). Leicester, Nariobi, Kano: The Islamic Foundation.

Buhari condemns post-poll violence, as mosque attacked. (19-04-2011). RFI English (Opgevraagd op 20-04-2011 van http://allafrica.com/stories/201104190684.html).

Buhari condemns violence as skirmishes hit parts of Abuja . (18-04-2011). (Opgevraagd op 22-04-2011 van http://newsdiaryonline.com/buhari_pleads.htm).

Campbell, J. (20-04-2011). Nigerian presidential elections: the devil is in the ballot collating. (Opgevraagd op 21-04-2011 van http://www.saharareporters.com/article/nigerian-presidential-elections-devil-ballot-collating).

Central bank of Nigeria, Abuja: press statement. (23-01-2007).  (Opgevraagd op 28-05-2011 van http://www.cenbank.org/OUT/PUBLICATIONS/PRESSRELEASE/GOV/2007/PR24-1-07.PDF).

Clinton, H. (19-04-2011). Clinton statement on election in Nigeria. U.S. Department of State, Office of the spokesman; IIP Digital (Opgevraagd op 23-04-2011 van http://iipdigital.usembassy.gov/st/english/texttrans/2011/04/20110419194125su0.7123616.html).
Commonwealth Observer Group. (2006).

The National Assembly and presidential elections in Nigeria: 12 and 19 April 2003 – The report of the Commonwealth Observer Group. London: Commonwealth Secretariat.

Edozie, R. K. (2008). New trends in democracy and development: Democratic capitalism in South Africa, Nigeria and Kenya. Politikon , 35 (1), 43-67.
El-Rufai, N. A. (19-04-2011). The Nigerian 2011 elections: an opportunity lost? (Opgevraagd op 22-04-2011 van http://allafrica.com/download/resource/main/main/idatcs/00020807:d96e251a1bc57d6872c53c84a1ac9693.pdf).

Falana, F. (20-04-2011). Blame the reactionary politicians for ‘Operation Wetie’ in the North. (Opgevraagd op 22-04-2011 van http://www.saharareporters.com/news-page/blame-reactionary-politicians-%E2%80%98operation-wetie%E2%80%99-north).

Falola, T. (1998). Violence in Nigeria: the crisis of religious politics and secular ideologies. Rochester: University of Rochester Press.

Falola, T., & Heaton, M. M. (2008). A history of Nigeria. Cambridge (UK), New York (NY): Cambridge University Press.

Falola, T. (2009). Colonialism and Violence in Nigeria, Bloomington: Indiana University Press

FOS – Nigerian Federal Office of Statistics. (1999). Poverty profile for Nigeria 1980-1996. Abuja.

Igbafe, A. A., & Offiong, O. J. (2007). Political assassinations in Nigeria: an exploratory study 1986-2005. African Journal of Political Science and International Relations , 1 (1), 9-19.

IMF – International Monetary Fund. (08-2007). Nigeria: poverty reduction strategy paper – progress report. (IMF Country Report No. 07/270). Washington, D.C.: International Monetary Fund.

International Republican Institute. (2003). 2003 Nigeria election observation report. (Opgevraagd op 23-04-2011 van http://aceproject.org/ero-en/regions/africa/NG/nigeria-final-report-general-elections-iri-2003).

Isyaku, B. (2001). Issues and perspectives in Kaduna crisis. In I. O. Albert (ed.), Building peace, advancing democracy: experience with third-part interventions in Nigeria’s conflicts (pp. 213-232). Ibadan: John Archers.

Jonathan, G. (21-04-2011). Enough is enough. (Opgevraagd op 22-04-2011 van http://www.facebook.com/notes/goodluck-jonathan/enough-is-enough/213617285332581).

Jonathan’s inauguration – US, Israeli anti-terrorist squads besiege Abuja. (24-05-2011). (Opgevraagd op 28-05-2011 van http://indepthafrica.com/nigeria/headlines/jonathans-inauguration-us-israeli-anti-terrorist-squads-besiege-abuja/).

Kaduna launches new security outfit, security taskforce codenamed “Operation Yaki”. (10-01-2008). (Opgevraagd op 03-11-2010 van http://www.kadunastate.gov.ng/11_news3.htm).

Ladan, M. T. (1999). The role of youth in inter-ethnic and religious conflicts: the Kaduna/Kano case study. In E. E. Uwazie, I. O. Albert, & G. N. Uzoigw (eds.), Inter-ethnic and religious conflict resolution in Nigeria (pp. 97-112). Lanham (MD), Oxford: Lexington.

Loimeier, R. (1997b). Islamic reform and political Islam: The example of Abubakar Gumi and the Yan Izala movement in Northern Nigeria. In E. E. Rosander, & D. Westerlund (eds.), African Islam and Islam in Africa : encounters between Sufis and Islamists (pp. 286-307). London: Hurst & Company.

Nigeria: violence erupts as INEC declares Jonathan winner. (19-04-2011). Leadership, Abuja (Opgevraagd op 22-04-2011 van http://allafrica.com/stories/201104190780.html).

Nigerian President Yar’Adua dies after long illness. (06-05-2010). BBC news, online edition (Opgevraagd op 12-06-2010 van http://news.bbc.co.uk/2/hi/8663824.stm).

Ohia, P. (22-04-2011). Nigeria: Buhari – Violent protests were spontaneous. This Day online. With agency report, Chuks Okocha, Onyebuchi Ezigbo and Damilola Oyedele in Abuja (Opgevraagd op 23-04-2011 van http://allafrica.com/stories/201104220050.html).

Osaghae, E. E. (1995). Strucutral adjustment and ethnicity in Nigeria. ( Research Report; 98). Motala: Nordiska Africainstitutet.

Paulinus, A. (03-03-2011). April polls: lynch anybody who attempts to rig, Buhari tells Nigerians. (Opgevraagd op 23-03-2011 van http://64.182.81.172/webpages/news/national/2011/mar/03/national-03-03-2011-013.htm).

Post-election violence: INEC postpones gubernational elections Bauchi and Kaduna. (21-04-2011). (Opgevraagd op 22-04-2011 van http://debord.saharareporters.mayfirst.org/news-page/post-election-violence-inec-postpones-gubernatorial-elections-bauchi-and-kaduna).

Presidential elections 1999-2011 in figures. (23-04-2011). (Opgevraagd op 20-05-2011 van http://www.vanguardngr.com/2011/04/presidential-elections-1999-2011-in-figures).

Sani, S. (21-08-2003). Kaduna: a paradise lost. Biafra Nigeria World; taken from: Daily Independent Online (Opgevraagd op 18-08-2010 van http://news.biafranigeriaworld.com/archive/2003/aug/21/117.html).

Sani, S. (2007). The killing fields: Relgious violence in Northern Nigeria. Abuja, Benin City, Lagos, Owerri, Zaria: Spectrum Books.

Saro-Wiwa, K. (1996). Een maand en een dag : notities uit de gevangenis. Amsterdam, Den Haag, Brussel: Mets, Novib, NCOS, cop.

Smith, D. J. (2007). A culture of corruption: everyday deception and popular discontent in Nigeria. Princeton (NJ): Princeton University Press.

Swear in Jonathan or leave our oil Ijaw youths declare. (26-01-2010). (Opgevraagd op 22-04-2010 van http://www.vanguardngr.com/2010/01/swear-in-jonathan-or-leave-our-oil-ijaw-youths-declare).

The Norwegian Directorate of Immigration. (2004). Report from a fact-finding trip to Nigeria (Abuja, Kaduna and Lagos) 23-28 February 2004. Opgevraagd op 02-03-2009 van http://www.landinfo.no/asset/162/1/162_1.pdf.

Tibenderana, P. K. (1988). The irony of indirect rule in Sokoto Emirate, Nigeria, 1903-1944. African Studies Review , 30 (1), 67-92.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!