Nieuws, Wereld, Afrika, Islam, Egypte, Moslimbroederschap, Egyptische revolutie -

De plaats van islamisme in de Egyptische revolutie

Sinds de start van de revolutionaire omwentelingen in Tunesië en Egypte wezen commentatoren op de islamitische factor en drukten vaak hun bezorgdheid uit dat deze landen het voorbeeld van de Islamitische republiek Iran zouden kunnen volgen. Hoe belangrijk is de islamitische factor in de Egyptische revolutie?

woensdag 25 mei 2011 16:15

Dit is een zorg en soms een uitgesproken angst die vooralsnog weinig ondersteund wordt door de werkelijke ontwikkelingen in de Arabische  landen waar volksprotesten plaatsvinden.

In Egypte zijn de ogen in de eerste plaats gericht op de houding van de Moslimbroederschap, de grootste en best georganiseerde islamistische beweging die in 1928 door Hassan al-Banna werd opgericht.

Veel minder aandacht bestaat er voor de minder zichtbare aanwezigheid van salafistische groeperingen die een veel strictere en rigide strekking van de islamitische moraal nastreven. De kennis over deze laatste groeperingen is ook bijzonder schaars.

In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de plaats van islamisten – hoofdzakelijk van de Moslimbroederschap – in de Egyptische maatschappij en in de protestbewegingen voorafgaande en in de verdere ontwikkeling van de Egyptische revolutie. 

Door de harde politieke repressie gedurende decennia vormden islamisten samen met liberalen, socialisten en Nasseristen meermaals eenzelfde front voor politieke hervormingen. Door een verschillende politieke agenda, waarbij islamisering en sociaal-culturele hegemonie centraal staat, verbrak de Moslimbroederschap deze tijdelijke allianties en positioneerde zich naast de reactionaire krachten in post-25 januari revolutionair Egypte. Anderzijds doet de interne verdeeldheid van de organisatie een aantal hervormingsgezinde liberale figuren nieuwe ‘progressieve islamistische’ partijen stichten.

Veranderende sociale achterban sinds Sadat

Om de complexe standpunten van de Moslimbroederschap te begrijpen en het huidige uiteenspatten van de organisatie in verschillende politieke partijen te verklaren, moet men even terug in de geschiedenis.  De Moslimbroederschap toont opmerkelijke verschillen in sociale samenstelling, politiek discours en strategie doorheen de tijd.

De beweging vormde in de periode voorafgaande aan het presidentschap van Gamal Abdel Nasser de grootste nationale politieke massabeweging, ijverde voor staatsgeleide economische ontwikkeling en speelde een grote rol  in de anti-koloniale strijd. Dit veranderde radicaal wanneer in de vroege jaren zeventig onder Sadat een “nieuwe Moslimbroederschap” opstond uit het puin dat was achtergelaten door de repressie van de beweging door Nasser. Deze nieuwe versie van de beweging was financieel sterk afhankelijk van Saoedi-Arabië en steunde Sadats politiek van economische liberalisering.(1)

Leden waren op dit moment voornamelijk burgerij en elitegroepen die er reactionaire standpunten op na hielden tegenover de positie van vrouwen en de Koptische minderheid.

De ‘nieuwe Moslimbroederschap’ kreeg pas echt vorm na uitbreiding in de middenklasse en de samensmelting  in de jaren zeventig met de zeer sterk geworden islamitische studentenverenigingen onder het leiderschap van Essam al-Erian en Abdel Moneim al-Futuh.

Onder de studenten groeide intussen het ongenoegen over Sadats politiek, meer bepaald over het vredesakkoord met Israël dat hij sloot in 1979. De integratie van de studentenverenigingen markeerde het begin van een graduele transformatie van de Moslimbroederschap tot een nieuwe massabeweging met een sterke basis bij de hoger opgeleiden.

Zij profileerde zich als islamitisch hervormingsgezind  en zweerde bij het gebruik van legale politieke strategieën zoals deelname aan verkiezingen in de beroepsverenigingen en nationale raden. Lijnrecht hiertegenover ontwikkelde zich de jihadi – strekking onder de islamisten, die de ideologie van Sayyid Qutb volgde en ten uitvoer bracht.

Succes voor de Moslimbroederschap

De versmelting met de islamitische studentenbewegingen legde de Moslimbroederschap geen windeieren. De studenten zetten niet alleen de toon in de campussen maar stootten ook door naar leiderschapsposten in de beroepsverenigingen waarin ze terecht kwamen na hun studies. De overgrote meerderheid van de afgestudeerden kwam terecht in de werkloosheid omdat de creatie van nieuwe jobs de groei van het universitair onderwijs niet kon bijhouden.

Het sociaal discours van de broederschap veranderde dan ook grondig. Een pleidooi voor gelijkheid, sociale rechtvaardigheid, morele vernieuwing en een kritiek op corruptie en de verwaarlozing van het algemeen belang  werden voortaan kernpunten. (2)

De opmars van de Broederschap verliep tegelijk in de armere buurten waar de staat zich door haar neoliberale politiek uit had teruggetrokken en gestopt was met het verlenen van sociale basisdiensten. Islamisten vulden deze leemte op en richtten islamitische ngo’s en liefdadigheidsorganisaties op.

Zowel de gewelddadige jihadi strekking als de Moslimbroederschap boekte grote successen met sociaal werk op buurtniveau. De jihadi groeperingen werden echter met de wortel uitgeroeid onder president Moebarak eind jaren negentig.  Door de afwezigheid van de staat op deze terreinen konden islamisten zoals de Moslimbroederschap deze rol op zich nemen en zichzelf hierbij succesvol positioneren als zowel een politiek als economisch en cultureel alternatief voor het regime.

De vele gezichten van de Moslimbroederschap

De Moslimbroederschap is geen monolithisch blok maar een heterogene beweging met een lange geschiedenis en diepe onderlinge generationele en ideologische verschillen als gevolg van haar gevarieerde en ruime sociale achterban. Deze verschillen komen het meest naar de oppervlakte met betrekking tot haar standpunten met betrekking tot politieke economie, buitenlandse politiek en democratie.

Er vormden zich meer en meer tegenstellingen binnen de beweging naarmate de effecten van neoliberale hervormingen zich lieten voelen. De nieuwe Broederschap steunde aanvankelijk sterk de liberaliseringspolitiek – infitah – van Sadat, als deel van een strategische alliantie tegen de linkerzijde. Maar vanaf de eerste Structurele Hervormings Programma’s van het IMF in de vroege jaren negentig verschenen er tegenstellingen in de officiële standpunten.

De aanvankelijke kritiek op de door de staat geleide economische planning en de publieke sector ruimde plaats voor een pleidooi voor het recht op staken en een kritiek op de neoliberale hervormingen. Vanaf diezelfde jaren richtte men zich meer en meer naar industriële arbeiders en verhoogde hun aantal zitjes in de leiding van beroepsverenigingen  aanzienlijk tijdens de jaren tachtig. In de (staatsafhankelijke) vakbonden heeft de Moslimbroederschap als organisatie nooit een groot succes gekend, mede omwille van staatsmanipulatie maar ook omdat industriële arbeiders steeds meer naar het nasserisme en socialisme neigden.

Tegen eind 2007 heeft de beweging een politiek programma uitgeschreven dat men zou verdedigen voor als het mogelijk zou worden om zich legaal als politieke partij te organiseren. (3)

Het programma had een antwoord kunnen bieden op de vele kritieken dat de beweging steeds vage en dubbelzinnige posities aanneemt en geen eenduidige visie naar voren schuift, maar doet dat dus niet. Het bevestigt integendeel de grote kloof die er vandaag bestaat tussen de zogenaamde ‘hervormers’ of ‘liberalen’ en de ‘conservatieve vleugel’. (4) Kenmerkend voor de Broederschap is dat zij bijgevolg zeer verschillende standpunten kan verspreiden al naargelang de sociale positie van de toehoorders.

Een dubbele agenda?

Het voorstel van partijprogramma pleit voor een vorm van een gecorrigeerde vrije markteconomie.  Men ziet een sterke centrale rol weggelegd voor de staat in de economische strategie, zonder de principes van de vrije markt en het neoliberalisme af te schrijven. 

Wat sociale rechten betreft bepleit het programma dan weer in de eerste plaats een actieve rol voor islamitische liefdadigheidsorganisaties en ngo’s. Deze positie kan men begrijpen als een tegemoetkoming aan de sterk economisch heterogene achterban, die zowel de upperclass en zakenmiljonairs als jonge werkloze intellectuelen en arbeiders omvat. 

Op een gelijkaardige manier probeerde de beweging te balanceren op het koord van de internationale politiek. Als er radicale anti-imperialistische standpunten verschenen tegenover de Amerikaanse en Israëlische bezetters van Irak en Palestina werden zij vervolgens onvermijdelijk getemperd door  de meer “realistische” en “pragmatische” stemmen die het westen moeten geruststellen.(5)

Onmiddellijk na de revolutie van 25 januari 2011 gebeurde dit opnieuw.  De dominante houding was dat de bestaande vredesbestanden en akkoorden met Israël zulllen gerespecteerd worden, mochten zij aan de macht komen. (6)

Reactionaire uitspraken van de conservatieve vleugel, in combinatie met het pleidooi om de sharia te volgen, waren een hoogst dankbaar instrument in handen van het regime onder Moebarak om de beweging te bevechten met militaire processen, intimidatie en arrestaties onder het voorwendsel van bestrijding van extremisme of fundamentalisme.

Het antiliberalisme van sommige leiders kwam het regime goed uit om een doembeeld op te hangen waarin het land terecht zou komen met de Moslimbroederschap aan de macht. Het ondersteunt tevens de bezorgdheid van westerse regeringen dat de gematigde islamistische groepering er een dubbele agenda op na houdt, waar er zich in realiteit een interne machtstrijd afspeelt.

Geen tweede Iran

De Moslimbroederschap vormt de grootste en oudste oppositiebeweging in Egypte en streeft expliciet naar een islamitische staat en samenleving. In de weken volgend op de 25 januari revolutie bezweek de beweging onder haar interne verdeeldheid.

De leiding gaf aan naar de volgende verkiezingen te trekken als de nieuwe ‘Rechtvaardigheid en Vrijheid Partij’ (RVP) terwijl liberale groepen zich afscheurden om andere partijen op te richten. Mocht de ‘Rechtvaardigheid en Vrijheid Partij’ aan de macht komen, dan zijn de kansen echter zeer klein dat zij een theocratische staat zou willen inrichten naar het voorbeeld van de Islamitische Republiek Iran.

Een aantal specifieke kenmerken van de politieke en religieuze geschiedenis van Iran maken dat een ‘Iraans scenario’ helemaal niet zo makkelijk elders gekopieerd zal worden. Een historisch verschillende politieke en sociale status van de klasse van religieuze geleerden (ulama), een verschillende islambeleving ten aanzien van westerse moderniteit en de verschillende mate van politieke controle, verklaren waarom er zich in 1979 in Iran wel een islamitische revolutie afspeelde terwijl in Egypte de maatschappij sterk islamiseerde zonder dat dit gepaard ging met een politieke revolutie.(7)

De islamisten zijn er in Egypte in geslaagd om tegen de jaren negentig een breed gedragen islamitische sociale beweging tot stand te brengen binnen de civil society zonder echter de politieke structuur van het land weten te veranderen.

Dat was een bewuste strategie. Voor de dominante ‘conservatieve’ vleugel binnen de Moslimbroederschap – vandaag de RVP – blijft religie en het islamitische sociale werk op het terrein prioritair ten opzichte van succes boeken in het politieke spel.

Een constante in de mainstream overtuiging van de Moslimbroederschap sinds de jaren zeventig tot vandaag is, dat het bewandelen van de weg van dawa – het streven naar islamisering – een project is van lange duur. Als het ideaal van een islamitische samenleving bereikt is, zal dit zich volgens hen automatisch vervolmaken in een islamisering van het politieke niveau.

De salafi – groeperingen daarentegen waren steeds zeer apolitiek en streven niet naar het oprichten van een islamitische staat zoals de Broederschap of de jihadi-strekkingen. Zij pleiten wel voor een strenge vorm van islamitische praktijk en moraal aan de hand van preken, sociaal werk en dienstverlening op lokaal niveau, zonder op het landelijke politieke niveau te verschijnen.

De rol van islamisten in de prodemocratische beweging

Tegelijk warm en koud blazen om aan de heterogene achterban tegemoet te komen, was ook op het vlak van democratie en gelijke rechten een specialiteit van de Moslimbroederschap. De harde repressie van het regime, dat de beweging zoveel mogelijk trachtte te bannen uit de politiek, verenigde de militanten in hun strijd voor politieke rechten.

De Broederschap profileerde zich bijgevolg in het laatste decennium als een groot voorvechter van de parlementaire democratie en speelde een cruciale rol in het succes van de prodemocratie beweging in de voorbije jaren. 

Het was de start van de tweede Palestijnse intifada in september 2000 dat het begin inleidde van een hernieuwd Egyptisch activisme en politiek protest. Demonstraties en protestmarsen werden decennialang verboden of hardhandig neergeslagen onder de  noodwet die door president Sadat werd ingevoerd.  In solidariteit met de strijd van de Palestijnen – en algauw ook met de Irakezen – kwam voorzichtig een nieuwe golf van activisme tot stand.

Voor het eerst in de moderne Egyptische geschiedenis werkten ideologisch rivaliserende politieke fracties (liberalen, marxisten, islamisten etc.) samen en stichtten het ‘Volkscomité ter ondersteuning van de Intifada’ in 2000. Aangezet door deze vernieuwende vorm van actievoeren ontspruiten er een aantal andere tijdelijke coalities en actiegroepen die streven naar politieke hervorming. (8)

Een van de grotere actiegroepen, Kifaya, werd in 2004 in het leven geroepen door een brede groep van activisten waaronder opnieuw ook islamisten aanwezig waren. Het is precies het amalgaam van verschillende politieke ideologische achtergronden en de onafhankelijkheid van de traditionele oppositiepartijen als al-Ghad partij (liberalen), en de illegale Karama (Nasseristen) en al-Wasat (islamisten, een liberale afsplitsing van de Moslimbroederschap uit 1996) partijen waarmee Kifaya en andere groepen nieuw leven blies in politiek activisme en daarom een grote aantrekkingskracht uitoefende. (9)

Hernieuwd zelfvertrouwen

De prodemocratische beweging kwam op volle toeren in de aanloop naar het referendum van mei 2005 dat Moebarak in staat zou stellen voor de vijfde keer tot president ‘verkozen’ te worden voor een termijn van zes jaar. Een van de succesfactoren achter de toenmalige demonstraties is volgens Rabab al Mahdi de gecreëerde ruimte voor het overstijgen van ideologische verschillen.

Terwijl de seculiere groepen moeizaam 2000 demonstranten verzamelden, mobiliseerde de Moslimbroederschap tienduizenden over het hele land. (10)

De mobilisaties in 2005 waren tevens het resultaat van hernieuwd zelfvertrouwen, samenwerking, leiderschap en organisatie technieken die tijdens de eerdere acties opgebouwd werden.

In hetzelfde jaar kwamen verschillende coalities tot stand die Moebarak opriepen om af te treden. De meest opvallende is ongetwijfeld de Nationale Coalitie voor Verandering, bestaande uit socialisten, de Islamisitische Arbeiderspartij en de Moslimbroederschap. Dit markeerde een ongezien initiatief tot formele samenwerking tussen organisaties met radicaal verschillende politieke overtuigingen.

In de praktijk werd nog op deze manier samengewerkt in de stakingbewegingen. El Mahdi juicht deze ontwikkeling in 2009 toe als een belangrijke verwezenlijking van prodemocratische activisme, “dit is veelbelovend voor politieke liberalisering en bredere verandering”.(11) Haar woorden werden nog geen twee jaar later gerealiseerd in de massademonstraties vanaf 25 januari 2011 in steden over het hele land.

Islamisten, geen revolutionairen

Voorafgaand aan de revolutie speelden een aantal factoren de interne verdeeldheid van de organisatie in de hand wat leidde tot een aanvankelijk lauwe deelname aan de revolutionaire protesten Een eerste belangrijke breuklijn volgde op de bekendmaking van het voorstel van partijprogramma in 2007.

Het programma staat niet alleen vol met inhoudelijke tegenstellingen, er wordt ook een controversiële Hoge Raad van Ulama (religieuze geleerden) naast de regering in voorgesteld. Kopten en vrouwen werden uitgesloten van de presidentiële stoel. Dit stootte tegen de borst van heel wat mensen die tot het liberale kamp worden gerekend. Belangrijke figuren als Abdel Moneim Abul Futtuh en Gamal Hishmet verwierpen het programma radicaal.

Een tweede cruciale factor in het verdelen van de beweging waren de interne verkiezingen van december 2009 voor het “Leiding Bureau”, het zestien koppig uitvoerend orgaan van de organisatie.  Deze eerste interne verkiezingen in veertien jaar brachten bijna uitsluitend conservatieven van de oudere generaties aan zet.

De uitsluiting van belangrijk hervormers Essam al-Arian en Abdel Moneim Abul Futtuh was een bittere pil voor de “liberalen” en de verkiezingen werden door hen openlijk gecontesteerd.

De politieke leiding bleef ondanks het interne verzet bijna integraal in handen van leiders met reactionaire standpunten tegenover vrouwen en de Koptische minderheid die de organisatie kenmerken sinds de jaren zeventig.

De verkiezing in 2010 van hardliner Mohammad Badie als nieuwe leider, in opvolging van Mahdi Akef, droeg bij tot de teleurstelling van het dissidente kamp – vaak jongere stemmen die pleiten voor volledige en gelijke (politieke) rechten voor iedereen.  Analysten voorspelden een sterk politiek verzwakte Moslimbroederschap voor de parlementsverkiezingen van november 2010.

Het nieuwe leiderschap vertoonde veel minder politiek engagement, activiteit en geloof in de politieke strategie maar leek meer te verwachten van het langzame pad van da’wa. Tegen deze achtergrond werd de start van de revolutionaire protesten met gemengde reacties onthaald.

De kaders van de Broederschap ondersteunden de oproep voor de nationale dag van woede op 25 januari, de start van de protesten. Hun deelname in de daaropvolgende dagen bleef niet onopgemerkt. Ooggetuigen verklaarden hoe moslimbroeders de andere manifestanten probeerden te beschermen tijdens de aanvallen van de regimegetrouwe baltagiyya op het Tahrir plein.

De beelden van biddende gelovigen die beschermd werden door christenen gingen de wereld rond. Jongeren van de Moslimbroederschap sloten aan bij coalitie van de Jongeren van de Revolutie (Shabab at-Thawra), een platform dat protesten organiseerde en eisen formuleerde.

Het referendum en de stem van de salafi’s

Een belangrijke test voor de positie van de islamisten en de Moslimbroeders in de ontwikkeling van de revolutie was het referendum van 19 maart waarbij enkele amendementswijzigingen van de grondwet aan de bevolking werden voorgelegd. Alle progressieve en liberale krachten zetten zich samen in voor een nee-stem omdat de wijzigingen volgens hen nog geen democratisch verloop van verkiezingen verzekerden en de macht van de toekomstige president  nog niet genoeg inperkten.

Zij pleitten voor een geheel nieuwe grondwet voordat er nieuwe verkiezingen konden plaatsvinden. De Broederschap en de salafigroepen daarentegen vielen op in een sterke ja-campagne en stonden hierbij in hetzelfde kamp van het leger en de oude regimegetrouwen (NDP – partij) (12), wat de interne verdeeldheid van de Broederschap verder op de spits dreef.

De onophoudelijke interne discussies in de nasleep van de protesten en naar aanleiding van het referendum gaven enkele “hervormers” een bepalende zet om de stap uit hun geliefde Broederschap te zetten en aparte partijen op te richten. (13)  

De Broederschap zelf zal zich met de ‘Rechtvaardigheid en Vrijheid Partij’ (RVP) verkiesbaar stellen. Hamed al-Dafrawy stapte eruit en zal de ‘Vrede en Ontwikkeling Partij’ oprichten. Maar belangwekkender zijn de geruchten dat de zeer populaire hervormer Abdel Moneim Abul Futtuh de nieuwe partij ‘Egypte’s renaissance’  (Nahdet Masr) zou oprichten. Dit zou een aanzienlijke verzwakking van de organisatie betekenen en een leegloop van de ‘liberale’ vleugel.

Wie zich nog meer in de kijker werkte tijdens de referendumdiscussies zijn de salafigroepen. Zij voerden een omvangrijke ‘religieuze campagne’ en stelden dat het een religieuze plicht was om ‘ja’ te stemmen. Het artikel 2 van de grondwet, dat zegt dat de Egyptische wetgeving gebaseerd is op de sharia, bleef immers ongewijzigd in de voorgestelde amendementen en de salafigroepen wensen dit zo te houden.

Bij de bekendmaking van de overwinning van de  ja-stem met 77 procent, stelde salafileider Mohamed Hussein Yacoub dat het volk voor religie had gekozen en “dat diegenen die zich daar niet willen aan houden het land moeten verlaten”. (14)

De doorgaans apolitieke ‘stille’ salafigroepen blijven niet langer zwijgzaam. Kort na het referendum maakten zij bekend dat zij het politieke veld willen betreden. Zij verzetten zich grondig tegen liberalisme en democratie als Westerse uitvindingen die door de mens gemaakte wetten boven Gods wet plaatsen.

Een ‘civiele staat’ is bijgevolg illegitiem omdat zij “burgers gelijk stelt daar waar God verschillen heeft gelegd”. (15) Analisten denken dat de salafi’s vrezen voor hun marktaandeel in de islamistische strekking.

Nu de politieke repressie wegvalt en er een kans bestaat op open democratische verkiezingen zouden de gematigde of liberale islamisten veel veld kunnen winnen.  Hoewel politieke macht de salafi’s nog steeds niet interesseert, vrezen zij hierbij om de steun in de publieke ruimte te verliezen, het hart van politieke en in het bijzonder van islamistische contestatie.

Die publieke ruimte onderging aanzienlijke veranderingen in de laatste maanden en werd de plaats bij uitstek van discussie en gedachtenwisseling, veroverd op het oude dictatoriaal regime. Ook de salafi’s willen in deze beweging niet achterblijven.

Strijd om de harten en geesten van de Egyptenaren

Samengevat kan men stellen dat de islamistische strekking sterk gegroeid is in de laatste vier decennia maar inspanningen in de eerste plaats gericht waren op het islamiseren van de publieke ruimte en het sociale leven.

De strijd voor politieke hervormingen werd belangrijker vanaf de jaren negentig, wanneer de staatsrepressie van islamisten (zowel van de jihadi-strekking als van de Moslimbroederschap) sterk verhoogd werd. In tijdelijke coalities met socialisten en Nasseristen werd in de jaren 2000 een gemeenschappelijk front gevormd rond een aantal concrete eisen zoals het opheffen van de noodwet en tegen de opvolging van Hosni Moebarak door zijn zoon Jamal.

Maar de aanpak van de dominante, ‘conservatieve’  strekking binnen de Moslimbroeders is niet confrontationeel, maar volgt eerder het langzame pad van dawa en sociaal werk.

De meer progressieve ‘liberale’ vleugel onderscheidde zich in haar activisme voor democratie en volledige gelijke politieke rechten, ook voor vrouwen en de koptische minderheid. Na de revolutie van 25 januari zijn de interne breuklijnen groter dan ooit en scheuren enkele figuren uit de ‘liberale’ vleugel van de Moslimbroederschap zich af om eigen democratisch-islamistische partijen op te richten.

Ook de apolitieke salafigroeperingen laten van zich horen door hun verzet tegen concepten als liberalisme, democratie en een ‘civiele staat’. Zij betreden voor het eerst de politieke arena om hun strikte litteralistische islampraktijk en -beleving te promoten. In de nieuwe, vrije, publieke ruimte strijden islamisten onderling, net als de andere politieke strekkingen, om de harten en geesten van de Egyptenaren.

Dit artikel verscheen eerder in MANAzine, een magazine van Mana vzw
http://www.manavzw.be

Voetnoten:

1. Deze goede relaties met Saoedi-Arabië en ander Golfstaten eindigen met de tweede Golfoorlog in 1991 wanneer de Moslimbroederschap zich radicaal verzette tegen de aanwezigheid van Amerikaanse troepen in de regio. Zij verloren hierbij hun politieke en financiële banden met de Golfstaten. 

2. Naguib, Sameh: “Islamism(s) old and new”, uit: Egypt, moment of change, 2009, p. 113.

3. De Moslimbroederschap heeft nooit officieel in eigen naam aan verkiezingen mogen deelnemen maar slaagde er wel in haar kandidaten te laten verkiezen voor het parlement en de shura (tweede kamer) als onafhankelijken. 

4. Een analyse van dit programma door Natan Brown en Amr Hamzawy kan je downloaden op http://www.carnegieendowment.org/publications/index.cfm?fa=view&id=19835

5.  Spraakmakend waren de afwijkende reacties tijdens de Israëlische oorlog in Libanon in 2006. Leider Mahdi Akef verklaarde bereid te zijn om 10.000 strijders naar Libanon te sturen om Hezbollah ter hulp te komen, een verklaring die later door andere leiders genuanceerd werd als metaforisch bedoeld.

6. http://www.washingtontimes.com/news/2011/feb/3/muslim-brotherhood-seeks-end-to-israel-treaty/

7. Bayat, Asef: “Revolution without Movement, Movement without Revolution: Comparing Islamic Activism in Iran and Egypt”, Comparative Studies in Society and History, Cambridge University Press, Vol. 40, No. 1 (Jan., 1998), pp. 136-169.

8.  Als protest tegen de oorlog in Irak vond er op 20 maart 2003 reeds een kleine “Tahrir Intifada” plaats. Het plein werd voor meer dan vierentwintig uur bezet onder de slogan “Al-Shari’a lina” – “De straat is van ons” vooraleer de veiligheidsdiensten hen verdreven. El Mahdi, Rabab: “The democracy movement: cycles of protest”, uit: Egypt, moment of change, 2009, p. 95.

9. El Mahdi, Rabab: Idem, p. 89.

10. Naguib, Sameh: “Islamism(s) old and new”, uit: Egypt, moment of change, 2009, p 117.

11.  El Mahdi, Rabab: Idem, p. 99.

12.  Enkele officiële Broederschap verklaringen ondersteunen de vele oproepen van de ex-NDP om protesten te staken “omdat het economisch leven dringend moet hervat worden”. Een groot deel van de linkerzijde ziet deze toenadering tussen het leger, ex-NDP en de Broederschap dan ook als een manier om de grote stakingsgolf en de zich ontwikkelende sociale revolutie  die volgde na 25 januari te onderdrukken.

13. Het is op dit moment nog onduidelijk of de beweging van de Moslimbroederschap lidmaatschap van andere (islamistische) politieke partijen behalve de Rechtvaardigheid en Vrijheid Partij (RVP) tolereert.

14. http://www.almasryalyoum.com/en/node/376389

15. http://www.almasryalyoum.com/en/node/377801

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!