“Migranten komen speciaal voor onze sociale bijstand!”
Nieuws, Samenleving, Politiek, België, Migratiebeleid, Asielbeleid, Aanzuigeffecten -

“Migranten komen speciaal voor onze sociale bijstand!”

Cafépraat is leuk. Vaak zit er ook een stuk waarheid in. Maar het lastige aan cafépraat is dat de werkelijkheid dikwijls genuanceerder en ingewikkelder is.

woensdag 18 mei 2011 16:00

Als cafépraat ook buiten het café begint te circuleren – bijvoorbeeld in de media of bij beleidsmakers – wordt het gevaarlijk. Als niet-onderbouwde stellingen losgelaten worden op het publiek en zo mee het ‘maatschappelijk debat’ gaan bepalen, mag die cafépraat gerust van repliek gediend worden. Een geknipt antwoord op een verknipte vraag!

2. ‘Migranten weten wat voor paradijs het hier is. Ze komen speciaal voor onze sociale bijstand.’ *

Zoals in: “Al die asielzoekers weten dat België het land van melk en honing is”, “Die migranten komen vooral naar hier om te profiteren van onze sociale zekerheid en steun van het OCMW”, “Die vluchtelingen hadden niet echt een probleem in hun land, maar komen naar hier omdat je hier geld krijgt om niks te doen”, “Zieke illegalen komen naar hier om zich hier gratis te laten opereren”, “Een te sociaal migratiebeleid zal alleen extra migranten aantrekken. Een te sociaal beleid heeft een aanzuigeffect.”

Twee hypothesen

De cafépraat-stelling hierboven gaat uit van twee hypothesen.
Ten eerste dat migranten op voorhand goed geïnformeerd zijn over het ‘welvaartssysteem’ van een land, en dan rationeel de keuze maken om naar dat land te komen om daar van de bijstand te kunnen genieten.

Ten tweede de hypothese van het ‘aanzuigeffect’. Dat we vandaag al veel migranten binnen krijgen door ons sociaal migratiebeleid, en dat – moest dat beleid nóg socialer worden – we enkel meer migranten zouden aantrekken. Dat we dan een ‘aanzuigeffect’ zouden creëren.

Dit is een hypothese die gebruikt wordt om al te sociale migratieregelingen tegen te houden (liefst geen nieuwe regularisatie van mensen zonder papieren, liefst geen financiële steun aan vluchtelingen, liefst geen extra opvang van asielzoekers,…) en zelfs om bestaande regelingen aan te vallen en te verminderen (dringende medische hulp aan mensen zonder papieren aan banden leggen, meer controles aan de grenzen, mogelijkheden tot regularisatie of gezinshereniging beperken,…).

We gaan verder in op deze twee hypothesen.

Migranten komen speciaal voor onze bijstand

Het is waar dat sommige migranten speciaal voor onze bijstand komen. Er zijn netwerken van mensenhandelaars, die vluchtelingen perfect inlichten over wat ze kunnen krijgen in België. Met de aangekondigde regularisatie van mensen zonder papieren in 2009 kregen we extra migranten binnen, die hun kans op verblijf wilden wagen.

Toen de opvangcrisis in 2010 leidde tot noodopvang van asielzoekers in hotels, kregen we migranten binnen die tot in hun thuisland over die ‘geweldige hotelopvang’ gehoord hadden. Er komen mensen zonder papieren naar Antwerpen, om met de regeling ‘dringende medische hulp’ erg goedkoop een operatie te laten doen. Er komen migranten uit Nederland naar België om hier te trouwen, omdat de regels rond gezinshereniging hier soepeler zijn.

Mensen met zulke motivaties bestaan, maar het gaat om een marginale minderheid. De bijstand in België kan absoluut niet de totale migratie naar België verklaren. De reden daarvoor is eenvoudig. Speciaal komen voor de bijstand, veronderstelt dat de migrant op voorhand perfect op de hoogte is van het bijstandssysteem in België en andere landen en vervolgens rationeel een keuze maakt. Dit strookt echter niet met de realiteit.

Veel mensen slaan holderdebolder op de vlucht en willen vooral zo snel mogelijk het gevaar in eigen land verlaten. Veel mensen weten ook op voorhand niet dat ze in België terecht zullen komen. Ze weten vaak niet eens waar België ligt of dat België überhaupt bestaat. In veel gevallen wordt gewoon vertrokken ‘naar Europa’, waar meer veiligheid of welvaart is.

Over medisch toerisme valt hetzelfde te zeggen. Moesten vluchtelingen massaal naar hier komen om zich te laten verzorgen, zouden ze minstens vóór hun reis al ziek moeten zijn en naar hier komen om gezondheidsredenen. Onder het cliënteel van Dokters van de Wereld, die in Antwerpen zieke vluchtelingen verzorgt, was dat het geval bij niet meer 6% van hun klanten.  

Migratie valt dus niet te verklaren vanuit ‘de aanwezigheid van sociale bijstand’. Hoe dan wel? Veel theorieën spreken over twee factoren die mensen doen migreren. De pushfactoren die mensen uit hun land wegdrijven en de pullfactoren die mensen naar bepaalde nieuwe landen trekken.

De pushfactoren

Onder de pushfactoren valt uiteraard oorlog. In veel landen in de wereld zijn gewapende conflicten, die mensen op de vlucht jagen (zie figuur 1). Dat mensen vluchten voor oorlog, merk je ook aan de nationaliteiten van de asielzoekers in België. In 2010 bestond de top vijf van die landen uit Kosovo, Irak, Rusland (vooral Tsjetsjenië), Afghanistan en Guinee: allemaal conflictgebieden. Het idee dat asielzoekers ‘vooral economische gelukszoekers’ zijn, klopt dus niet.

Ook demografische factoren drijven mensen op de vlucht. Als een bevolking snel groeit, is er vaak te weinig werk voor al die extra jongeren, waardoor mensen ook beginnen migreren. Zeker het Afrikaanse continent kent vandaag een gigantische bevolkingsexplosie, wat de migratie – ook naar Europa – de komende decennia enkel zal doen toenemen (zie figuur 2). 

Ook de economische situatie in landen is een belangrijke pushfactor. Als mensen arm en werkloos zijn, zullen ze allicht willen migreren naar gebieden waar wél geld en werk is. De rijkdom is erg ongelijk verdeeld in de wereld (zie figuur 3). De 20% rijksten op deze planeet bezitten 82,7% van het totale wereldinkomen, de 20% armsten krijgen 1,4%.

Die ongelijkheid neemt ook toe: niet enkel tussen landen en tussen Noord en Zuid, maar ook binnen landen. Toch zijn het niet de armste landen die het meeste migranten uitzenden. Eenvoudigweg omdat je al een zeker kapitaal moet hebben om te migreren. Migratie zal ook niet stoppen door landen meer te gaan ‘ontwikkelen’. Als landen het economisch beter doen, neemt de migratie uit die landen de eerste dertig jaar net toe (net omdat meer mensen de middelen krijgen om te migreren). Maar economische factoren blijven dus een sterke pushfactor.

De ongelijke verdeling van de rijkdom in de wereld komt niet zo maar uit de lucht vallen, maar past in een groter systeem. Socioloog en econoom Immanuel Wallerstein spreekt van een wereldsysteem. Volgens hem heeft het kapitalisme, als economisch systeem, de wereld herschapen tot wat hij nu is.

In dit wereldsysteem vormen bepaalde gebieden de kern. Dit zijn kapitaalkrachtige gebieden, zoals de VS en West-Europa, waar industriële goederen worden afgewerkt, maar die daarvoor behoefte hebben aan grondstoffen. De periferie zijn de achtergestelde gebieden in de wereld die die grondstoffen goedkoop leveren. Vaak zijn dat de vroegere kolonies van de kernlanden, de zogenaamde Derde Wereld. Tussen kern en periferie liggen de gebieden in de semiperiferie: landen die vroeger tot de kern behoorden maar nu achteruit gaan, of opklimmende ontwikkelingslanden.

De drie gebieden staan in relatie tot elkaar. Maar die relatie is er geen van gelijkwaardigheid, maar van afhankelijkheid en uitbuiting. De kern verplicht de periferie tot het leveren van goedkope grondstoffen, gebruikt haar om goedkope afgewerkte producten te dumpen, en vestigt haar bedrijven er om te profiteren van goedkope arbeidskrachten (met bedrijfssluitingen en ‘delocalisatie’ in de kern tot gevolg). Anderzijds gaan migranten uit periferie en semi-periferie ook naar de kern, om daar als goedkope arbeidskracht de gaten in de arbeidsmarkt op te vullen, zowel voor legaal als zwartwerk (zie figuur 4).

De pullfactoren

En dat brengt ons bij de pullfactoren. Migranten kunnen uit hun land verdreven worden, maar wat maakt dan voor welk bestemmingsland ze kiezen? Kiezen ze daarbij speciaal voor die landen waar de welstand en sociale bijstand het grootst is? Dat is onze cafépraat-stelling, maar ook iets wat veel Vlamingen geloven. Een studie uit 2003 toonde nog eens aan dat 61% van de Vlamingen ervan overtuigd zijn dat asielzoekers naar België zijn gekomen om van de sociale zekerheid te profiteren.

Maar als dat werkelijk zo zou zijn, dan zouden de erg welvarende Scandinavische landen zeer migranten moeten aantrekken. Dat is echter niet zo. Verschillend onderzoek probeerde ook het verband aan te tonen tussen migratie naar een land en het welvaartssysteem van dat land. Zo een verband werd niet gevonden.

Landen werden bijvoorbeeld gegroepeerd volgens hun ‘type verzorgingsstaat’ en het soort sociale bescherming dat ze aan hun burgers aanbieden. Landen met weinig sociale bescherming, zoals de VS en het Verenigd Koninkrijk, werden bijvoorbeeld als ‘liberaal’ gegroepeerd. Landen met een sociaal bijstandssysteem vergelijkbaar met België werden als ‘conservatief’ gegroepeerd. De Scandinavische landen vormen samen de ‘sociaal-democratische’.

Moest het nu zo zijn dat migranten speciaal komen voor sociale bijstand, dan zou dat betekenen dat landen met eenzelfde type verzorgingsstaat, een vergelijkbare massa migranten aantrekt. De migratiestromen naar die landen werden onderzocht, van 1970 tot 2000, en er werd geen enkel verband gevonden tussen migratie en type welvaartsstaat. Landen binnen eenzelfde groep tonen meer verschillen in migratietoestroom onderling dan in vergelijking met andere types verzorgingsstaten (zie figuur 5).

De aanwezigheid van het sociaal bijstandssysteem kan de migratie naar dat land dus niet verklaren. Wat zijn dan wél verklarende pullfactoren? Onderzoek in migratiestromen naar 21 Europese landen over 25 jaar tijd kwam tot een paar opvallende resultaten.

Zo blijkt de economie en de aanwezigheid van werk in een land een belangrijke pullfactor voor migranten. Als in een land behoefte is aan arbeidskrachten, worden die gaten in de arbeidsmarkt binnen het jaar opgevuld door migranten. (Het feit dat België een nationale cultuur heeft van zwartwerk, zou ook veel migranten aantrekken. Sommige onderzoekers beweren zelfs dat strengere controle op zwartwerk de migratie sterker zou doen verminderen dan strenger bewaakte grenzen).

Een tweede belangrijke pullfactor blijkt cultureel van aard. Historische banden tussen landen (bijvoorbeeld tussen België en haar vroegere kolonie Congo) zou maken dat meer migranten naar dit land komen. (Congolezen vormen vandaag de grootste groep onder de Afrikanen in België. De Indiërs vormen een grote groep in Engeland. De Surinamers in Nederland.)

Ook de aanwezigheid van netwerken van landgenoten, die eerder al naar het land migreerden, zou meer migranten trekken. Die netwerken dienen er immers voor om op terug te kunnen vallen, huisvesting en werk te vinden. Denk aan de instroom Marokkaanse en Turkse migranten in België, die terugvallen op een netwerk dat al met de gastarbeiders uit de jaren zestig werd ingezet.   

Een te sociaal migratiebeleid zou enkel meer ‘aanzuigeffect’ creëren   

De vooronderstelling dat migranten speciaal naar België komen om hier van onze bijstand en sociale bescherming te genieten, wordt door media en beleidsmakers vaak het ‘aanzuigeffect’ genoemd. Daarbij wordt gesteld dat een te sociaal migratiebeleid enkel meer migranten aantrekt. En dat, als we ‘de grote toestroom’ migranten willen tegenhouden, we die sociale migratiepolitiek dus ook moeten terugschroeven.

In realiteit wordt de hypothese van het ‘aanzuigeffect’ zelden onderbouwd. Het is moeilijk te bewijzen dat migranten speciaal komen voor ons bijstandssysteem. Indien we bovendien dat bijstandssysteem zouden terugschroeven en er komen nadien minder migranten binnen, is het ook moeilijk te bewijzen dat dit hierdoor komt.

Beleidsmakers geloven dat uiteraard erg graag: dat ze door een aangepaste politiek de migratiestromen die op ons af komen, kunnen sturen. In realiteit zijn migratiestromen veel complexer én veel minder stuurbaar. Een concreet voorbeeld om dit te illustreren is de wijziging in het opvangbeleid voor asielzoekers.

Een voorbeeld: het gewijzigde opvangsysteem voor asielzoekers

Eerst een korte geschiedenis van de feiten. Tegen het jaar 2000 was het aantal asielaanvragen in België enorm toegenomen. Minister Vande Lanotte, op dat moment bevoegd voor asiel, weet dat voor een groot stuk aan het ‘aanzuigeffect van ons opvangsysteem’.

Tot dan kregen asielzoekers vanaf de eerste dag van hun aanvraag financiële steun van het OCMW. Die bleven ze maandelijks krijgen, in afwachting tot België een definitieve beslissing nam over de aanvraag. De redenering ging dat dat ook in de thuislanden van de migranten bekend was. Daarom zouden er steeds meer naar België komen.

Vande Lanotte besloot het systeem terug te schroeven: vanaf 2001 zouden asielzoekers niet zo maar geld in handen krijgen, maar enkel nog ‘materiële steun’. Ze zouden opgevangen worden in open asielcentra. Daar zouden ze geen geld meer krijgen, maar wel onderdak en begeleiding, tot het antwoord in hun asielprocedure kwam.

De wijziging leek direct effect te hebben. Na 2000 namen de asielaanvragen in België weer sterk af. Het beleid klopte zich op de borst. In 2007 werd de wijziging van het opvangsysteem vertaald in een heuse opvangwet: elke asielzoeker verblijft nu heel zijn procedure lang in een opvangcentrum.

Hulpverleners en de opvangsector vroegen zich toen al af of dit op termijn niet tot problemen zou leiden. Asielzoekers, die vroeger geld kregen om zelfstandig te gaan wonen, allemaal in de opvangcentra stoppen? Zouden die centra dan niet binnen de kortste keren overvol zitten?

Nee, verzekerde het beleid. Want de asielprocedure zou korter gemaakt worden, mensen zouden sneller uitsluitsel krijgen over hun aanvraag, en dus ook sneller het centrum weer verlaten. De asielprocedure werd verkort en eenvoudiger gemaakt. Dit was niet genoeg. De achterstand bij de Dienst Vreemdelingenzaken en Commissariaat Generaal, die de aanvragen van asielzoekers behandelen, liep ook op (na een dalende trend tot 2008 zitten we in 2010 met een achterstand van 10.560 dossiers bij CGVS). Mensen bleven dus tóch langer in het opvangcentrum, zodat er al spoedig geen plaats meer was voor nieuwe, pas aangekomen asielzoekers. 

Dat leidde al in 2009 tot een ‘opvangcrisis’. Er was simpelweg geen plaats meer om nieuwe asielzoekers op te vangen. Door politiek geruzie werd er ook niet snel een oplossing gevonden en de situatie werd erger. In de winter van 2010 stonden zo’n 6.000 asielzoekers gewoon op straat. Mensen die oorlogsgebieden waren ontvlucht en vaak maandenlang gereisd hadden, moesten overnachten op straat en in de vrieskou. Terwijl België hen, volgens de opvangwet, allemaal onderdak zou moeten geven.

Toen de situatie erg dramatisch werd, besloot de regering alvast 1.200 asielzoekers op te vangen in hotels. Het was noodopvang: mensen werden met velen tegelijk in kleine, gammele hotelletjes gezet, met een minimale begeleiding en maaltijdcheques van 6 euro per dag, om mee rond te komen. Andere asielzoekers trokken naar de rechter en zwaaiden met de opvangwet waarin België opvang voor alle asielzoekers garandeert. De rechter gaf hen gelijk en veroordeelde België tot een dwangsom van 500 euro per dag, zolang ze geen opvang voor de betreffende asielzoeker vond. België maakte daarop regelmatig een plaats vrij in een opvangcentrum, door een andere asielzoeker op straat te zetten.

Dat er niet snel een oplossing kwam voor de opvangcrisis, had niet te maken met het feit dat we “overspoeld worden door asielzoekers”, zoals verschillende partijen stelden. Het aantal asielzoekers lag toen beduidend lager dan bijvoorbeeld in 2000 en toen waren er geen problemen rond opvang (zie figuur 6). Het ging vooral om politieke onwil om snel een oplossing te creëren. En daar kwam zelfs opnieuw de redenering van het aanzuigeffect bij: “als we er nu opvangcentra bij bouwen, komen er enkel nóg meer asielzoekers hier naartoe.’  

Het aanzuigeffect getoetst

We kunnen de redeneringen rond de opvangcrisis nu gaan toetsen. Vande Lanotte stelde dat de toegenomen asielaanvragen tegen 2000 vooral te maken hadden met het ‘aanzuigeffect’ van de financiële steun, die asielzoekers hier direct kregen. Maar dat valt moeilijk te bewijzen.

Als we de cijfers van asielaanvragen in Europa erbij halen, zien we zelfs dat in heel de EU de asielaanvragen tot 2000 toenamen (zie figuur 7). Dat had vooral te maken met het Kosovo-conflict in 1999, met ook in België een toename van gevluchte Roma.

Wanneer na 2000 de asielaanvragen weer dalen, kloppen de beleidsmakers zich op de borst, door te beargumenteren dat dit komt doordat zij de financiële steun hebben terug geschroefd. Maar ook die daling was een Europese trend en had waarschijnlijk weinig met België te maken. Bovendien omvatten de asielcijfers enkel de mensen die effectief een asielaanvraag doen. Wanneer dit na 2000 afneemt, kan dat evengoed betekenen dat er nog evenveel vluchtelingen binnen komen, maar nu meer mensen kiezen om geen asielaanvraag te doen en vanaf het begin in de clandestiniteit te duiken, omdat ze bijvoorbeeld zien dat het Belgisch asielbeleid strenger wordt.

De wijziging van het opvangbeleid, als manier om het ‘aanzuigeffect’ tegen te gaan, heeft ironisch genoeg ook geleid tot precies het tegenovergestelde. De hervorming leidde tot de opvangcrisis en opvang in hotels en dwangsommen. Waarop verschillende partijen riepen dat het “een aanzuigeffect heeft. Migranten weten al tot in hun thuisland dat je hier wordt opgevangen in hotels en anders wel dwangsomgeld krijgt van de rechter. Dat trekt een massale stroom extra migranten aan.”

De toetsing valt ook te doen in andere gevallen. Om het aanzuigeffect van het welvarende Europa tegen te gaan, werken de landen van de EU de laatste vijftien jaar steeds meer samen. Om de migratiestromen naar Europa in te dijken. Zo investeren ze bijvoorbeeld steeds meer in het beschermen van de buitengrenzen, met muren en prikkeldraad. Maar ook met politiepatrouilles en helikopters voor de Spaanse kust, warmtegevoelige scanners die vluchtelingen uit containers naar Engeland moeten halen en een samenwerking tussen de verschillende Europese politiediensten in Frontex en Europol.

Of die strakkere samenwerking de migratiestromen naar de EU ook effectief tegenhoudt, is nog maar de vraag. Betere grensbewaking doet immers niets aan de oorzaken waarom mensen vluchten. Oorlogen en crisissen in Afrika en Azië drijven nog steeds veel mensen weg. Bij een betere grensbewaking gaan die alleen meer risico’s nemen om tóch de EU binnen te raken. Met bootjes de gevaarlijker, maar minder bewaakte zee-engtes oversteken, de stranden ontwijken, maar via gevaarlijker bergpassen binnenglippen.

Het nettoresultaat is vooral meer migrantendoden aan de grens. Het aantal vluchtelingen dat aan de buitengrenzen van de EU sterft door verdrinking, honger of onderkoeling in containers of explosies omdat ze via gevaarlijker gebieden met mijnenvelden probeerden binnen te komen, neemt alleen maar toe. Een strenger asielbeleid, gevolgd door een strakker uitwijsbeleid, doet ook het aantal zelfmoorden in de gesloten centra binnen de EU toenemen (zie figuur 8).

Conclusie

Bepaalde migranten komen effectief naar België, omdat ze weet hebben van het bijstandssysteem hier, maar dat is een marginale minderheid. Migratie is een erg ingewikkeld fenomeen, dat afhangt van pushfactoren (armoede, oorlog, achterstelling in thuislanden) en pullfactoren, die mensen naar bepaalde landen trekken. Het sociale bijstandssysteem van een land is daarbij – volgens verschillend onderzoek – verwaarloosbaar.

Het zijn vooral de economische factoren (mogelijkheid tot werk), culturele factoren (bijvoorbeeld vroegere koloniale banden) en netwerkfactoren (de aanwezigheid van een gemeenschap landgenoten) die mensen aantrekken.

Het ‘aanzuigeffect’ van een sociaal (bijstands)systeem is dus moeilijk te bewijzen. Dat verhindert beleidsmakers niet om bijstandssystemen voor migranten terug te schroeven om zo de migratiestromen in te perken. Of ze daar ook in realiteit in slagen, valt niet te bewijzen. Migratiestromen zijn complexer en moeilijker stuurbaar dan beleidsmakers graag zouden geloven.     

Bronnen:
Dokters van de Wereld, Rapport van de European Observatory, 2010
Pauwels F., HIVA Leuven, Internationale migratiedynamieken, lezing 15/03/2011
Corluy V., De relatie migratie en de verzorgingsstaat, Universiteit Antwerpen, thesis
Hooghe M., Trappers A., Meuleman B., Reeskens T., Migration to European Countries. A structural explanation of patterns, 1980-2004
Meuleman B., Migratie en de welvaartsstaat, lezing op 16/11/2010
www.migreurop.org

* Een cafépraat-stelling uit de reeks:
1) ‘We worden overspoeld door migranten!’
2) ‘Migranten weten wat voor paradijs het hier is. Ze komen speciaal voor onze sociale bijstand.’
3) ‘Gezinshereniging geeft alleen meer arme migranten! En het houdt integratie tegen!’
4) ‘Migranten krijgen meer sociale voorrechten dan Belgen.’
5) ‘Migranten vallen massaal terug op sociale bijstand’
6) ‘Migranten vallen terug op bijstand omdat ze niet willen werken!’
7) ‘Die migranten hebben nooit bijgedragen, en zouden hier dan ineens steun krijgen? We kunnen toch niet het OCMW van de wereld zijn?’
8) ‘Antwerpen voert een eigen migratiepolitiek. Maar de situatie in Antwerpen is ook bijzonder, en vraagt dus om bijzondere maatregelen.’
9) ‘Extra migranten geeft ook extra vraag naar scholen, Nederlandse les, kinderopvang, sociale huisvesting, dienstverlening… En daar is gewoon geen geld voor!’
10) ‘Er is ook veel geld nodig voor vergrijzing en gezondheidszorg. En dan nog al die migranten? Willen we nog voor onze eigen mensen kunnen zorgen, moeten we een strengere migratiepolitiek voeren.’

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!