Libië: naar een politieke oplossing voor een asymmetrisch conflict?
Opinie, Nieuws, Wereld, Libië, Opinie, Nicolas Sarkozy, VN-Veiligheidsraad, VN-resolutie, Humanitaire militaire interventie, Kolonel Muammar Khaddafi, No-flyzone, Hélène Passtoors, Gewapende opstand -

Libië: naar een politieke oplossing voor een asymmetrisch conflict?

Zonder specialist te zijn van Libië of de Arabische wereld, integendeel, maar met enige ervaring van burgerconflict, werd ik op mijn manier verscheurd door vragen, twijfels en vrees ten aanzien van de militaire interventie beslist door de Veiligheidsraad en de toekomst van de opstand en het conflict in Libië.

maandag 28 maart 2011 13:45

Allemaal volgden we met verraste vreugde de ontluiking van de ‘Arabische lente’ en dan met groeiende angst het lot van de Libische opstandelingen onder vuur van de legermacht van Khaddafi. Wat gedaan? Na te veel talmen en onenigheid onder onze regeringen was dat plots geen retorische of theoretische vraag meer: er moest iets gedaan worden om te vermijden dat de opstand in bloed werd gesmoord in hun bolwerk Benghazi, een stad met een miljoen inwoners.

Militaire interventie

De Libische opstandelingen vroegen om een beperkte militaire interventie onder mandaat van de VN. Nu moesten we stelling nemen ten aanzien van een dergelijke interventie. Dat was voor niemand gemakkelijk. Anderzijds is zich verschuilen achter besluiteloosheid ook geen eerbare oplossing. En zo woedt het debat voort, hartstochtelijk, vol bezorgdheid over het vervolg en de consequenties van de interventie, soms hatelijk, minachtend, beschuldigend over en weer. Het debat en de opstelling van eenieder grijpt in het bijzonder, tot in het diepst van hun wezen, hén aan die hechte banden hebben met de Arabische wereld.

Temidden van alle geraas merkt men een overdaad aan shortcuts en ondoordachte argumenten op die weinig of niets bijdragen, tenzij om de gemoederen nog meer te verhitten en het debat te doen verzanden in een dovemansdialoog.

Herstellen van de krachtsverhoudingen

Ik wil proberen om een duidelijker zicht te krijgen op één van die argumenten: het alternatief voor de interventie zoals verwoord door Rony Brauman, de voormalige vooerzitter van Artsen Zonder Grenzen, in een interview van de Franse krant Libération en die onder meer echo vond op de invloedrijke blog van Hugues Le Paige, politieke analyst en journalist van de RTBF. (1)

In plaats van een militaire interventie waarvoor Brauman de gebruikelijke argumenten aanvoert, had men de Nationale Raad voor de Transitie (NRT) van de opstandelingen in Benghazi moeten erkennen zoals Frankrijk gedaan heeft maar eveneens, zegt hij, “de opstand militair steunen, de opstandelingen van wapens en militaire adviezen voorzien teneinde het evenwicht van de krachtsverhoudingen op het terrein te herstellen.”

Dezer dagen lijkt dit idee steeds meer terrein te winnen aan verschillende kanten van het politieke en ook militaire spectrum, nu als een uitweg uit een militaire interventie waarvan het einde onaangenaam vaag in de mist gehuld blijft.

De vraag die ik hier stel is: wat betekent een dergelijk voorstel van militaire steun aan de Libische oppositie, wat betekent ‘herstellen van de krachtsverhoudingen’? Of men nu op het eerste gezicht neigt naar goedkeuring of afkeuring van zulke steun, is het een goede vraag want ze richt de aandacht op belangrijke aspecten van het Libische conflict en wat er eigenlijk op het spel staat.

Strategische doeleinden

Laat ik voor alle duidelijkheid vooropstellen dat in een dergelijk burgerconflict, inbegrepen een gewapend conflict met gebruik van ‘tegengeweld’ door de opstandelingen, de doelstelling altijd een wijziging van de politieke – niet van de militaire – krachtsverhoudingen is.

De strategische doeleinden van de oppositie zijn enerzijds een zo groot mogelijke aanhang onder de burgers verwerven. (2) Anderzijds wil men verdeeldheid veroorzaken binnen het regime. Deze twee luiken van de strategie moeten uiteindelijk leiden tot onderhandelingen. Alle burgerconflicten eindigen immers vroeg of laat aan de onderhandelingstafel. (Uitgezonderd de staatsgreep, dat is een ander debat.) Voor de partijen van het conflict is het daarom belangrijk om aan die tafel te komen met de meest gunstige krachtsverhoudingen.

Anderzijds moet men niet verwachten dat een regime gemakkelijk toegeeft aan de dwang van geweld (zeker dit regime niet). De eerste, ‘natuurlijke’ reactie is rangen sluiten. Vervolgens moeten er interne scheurtjes komen om de zaken in beweging te zetten. Met louter militair geweld lukt het niet. Verandering door louter militaire middelen is de militaristische hoop die keer op keer de grond in wordt geslagen in alle burgerconflicten en vroeg of laat ook na militaire staatsgrepen in binnenland of van buitenaf.

Ik geloof dus dat men in dit geval alle hoop moet vestigen op de inspanningen van de bemiddelaars van de Afrikaanse Unie, met ondersteuning van de Arabische wereld, om op die interne scheuren in te werken en het regime te overtuigen dat een staakt-het-vuren en een begin van onderhandelen ook in hun belang is. Aan de kant van de opstandelingen zal het daarentegen waarschijnlijk niet gemakkelijk zijn om te beslissen wanneer zich open te stellen voor onderhandelingen met het regime. Zij moeten zich de vraag stellen wanneer de politieke krachtsverhoudingen in hun ogen voldoende omgeslagen zijn in hun voordeel.

Militaire steun

Wat moet men dan denken van de militaire interventie zoals die besloten werd door de Veiligheidsraad (op verzoek van de Arabische Liga en gesteund door Zuid-Afrika en Nigeria, de twee Afrikaanse leden van de Veiligheidsraad) met als doel om een einde te maken aan de inzet van de meest vervaarlijke middelen waarover een modern leger beschikt tegen burgers in opstand?

Zou een goed alternatief, zoals Rony Brauman beweert, bestaan uit militaire steun rechtstreeks aan de opstandelingen om “het evenwicht van de krachtsverhoudingen op het terrein te herstellen”? Ten eerste moet men opmerken dat het doel van dit ‘alternatief’ in wezen niet verschilt van dat van de huidige militaire interventie.

Maar in tegenstelling tot de Veiligheidsraad zou Brauman dat doel willen bereiken door het bewapenen van de oppostie. Men moest dus, volgens hem, de opstandelingen voorzien van wapens en een heel scala aan militaire middelen. Mooi idee, maar wíe moet hen bewapenen? Onze regeringen? Om op die manier ‘de krachtsverhoudingen te herstellen’? Dewelke dan, militaire? Hóe? Door vliegtuigen, tanks, zware artillerie alsook instructeurs te sturen?

Laten we realistisch blijven. Er kan geen sprake zijn van militaire krachtsverhoudingen. Het gaat hier om een zogenaamd asymmetrisch gewapend conflict, waarin per definitie de gewapende burgers nooit in een positie verkeren om de legermacht van de machthebbers militair te verslaan. De enige manier om in een dergelijk conflict met gewelddadige repressie de politieke krachtsverhoudingen te helpen omslaan ten voordele van het burgerverzet, zijn de tactieken van de guerrilla (laten we het hier niet hebben over terrorisme; er bestaat een belangrijk tactisch en moreel verschil tussen beiden).

Cruciaal dus gecombineerd met een strategie voor het mobiliseren van de burgers en daaraan in feite ondergeschikt als het gaat om een democratische omwenteling. Het alternatief voor miltaire interventie zou dus bestaan uit het bewapenen en trainen van een guerrilla. (En het kan zijn dat ze nog een lange guerrilla voor de boeg hebben, zelfs na het eventueel slagen van de beperkte militaire interventie.)

Alleen hebben de westerse regeringen in het verleden nooit zelfs de legitiemste bevrijdingsbewegingen en de meest terughoudende wat betreft het gebruik van geweld bewapend en getraind. Dat deden de Sovjet-Unie, Oost-Duitsland, Cuba enzovoort. En ja, soms ook het Libië van Khaddafi …

En als ze dat wél gedaan hebben, met name de VS maar ook anderen, was dat in het geheim voor burgeroorlogen ‘bij volmacht’, denk bijvoorbeeld aan de contra’s in Nicaragua of Afghanistan in de tijd van de Sovjet-interventie. Is dat wat we willen? Of geven we in afwachting niet liever de voorkeur aan een interventie onder mandaat van de VN en onder de controle van onze parlementen?

Het is overigens duidelijk dat de Libische opstandelingen al geruime tijd militaire steun ontvangen. Alleen waren – en zijn – ze nog niet klaar voor een dergelijk asymmetrisch conflict. Dat is geen kwestie van moed en geestdrift, hoe bewonderenswaardig dan ook, of van de hoeveelheid wapens. Een dergelijke gewapende strijd kan niet geïmproviseerd worden.

(In feite maakte de Libische oppositie dezelfde fout als destijds het Chileense gewapende verzet kort na de staatsgreep van Pinochet in 1973. Ze dachten dat ze het Chileense leger militair konden verslaan. Met als resultaat dat ze zonder veel probleem uitgeschakeld werden.)

Anderzijds wordt een gewapende volksopstand, één met wijdverspreide bewapening van burgers, nog minder geïmproviseerd tegenover de middelen waarover hedendaagse regimes beschikken. De situatie in Libië is daar een duidelijk voorbeeld van. Daarom vroeg de NRT in Benghazi om de internationale interventie te beperken tot het uitschakelen van de meest geduchte militaire middelen van het regime. Zo kon men ongetwijfeld ook tijd winnen om zich te organiseren en voor te bereiden op het vervolg.

Het is anderzijds evenzeer duidelijk dat Khaddafi’s strategie bedoeld is om te verhinderen dat de oppositie aan macht wint, zich kan organiseren, mobiliseren en bewapenen en trainen om uiteindelijk het regime omver te werpen als het nog steeds niet bereid is om te buigen voor de wil van het volk.

Als er alternatieven bestonden voor deze militaire interventie, dan lagen die in het domein van de diplomatie (waartoe ook Sarkozy’s erkenning van de NRT behoort). En daarin hebben de Europese regeringen de trein gemist, omdat ze niet in staat bleken om tot een  gemeenschappelijk diplomatiek offensief te komen, vooraleer de situatie in Libië kritiek werd.

Vandaar die verscheurende keuze voor links: aangezien een gespierde diplomatieke interventie te laat zou komen om te voorkomen dat de Libische opstand in bloed gesmoord werd – en daarmee de kans ook groot was dat hetzelfde in andere landen van de regio zou gebeuren, moesten we dan niet de militaire interventie binnen de beperkingen opgelegd door Veiligheidsraad steunen?

Of je die nu ‘humanitair’ noemt of – zoals ik zou zeggen – eerder politiek, inbegrepen economische berekeningen voor de toekomst, na een machtsovername. Ik geloof van wel.

(Tussen haakjes, vanuit dit oogpunt kun je ook begrijpen – hoezeer je ook mag walgen van de passiviteit van het Westen tegenover Israël – dat een dergelijke interventie nooit overwogen is in het geval van Palestina bijvoorbeeld. Roepen over morele hypocrisie, duistere complotten en zo meer in vergelijking met Libië is zinloos: de situatie dient zich in de twee gevallen duidelijk heel anders aan.)

Laten we dus hopen dat de inspanningen van de Afrikaanse Unie en de Arabische wereld snel op gang komen en leiden tot het begin van onderhandelingen onder de Libiërs zelf.

Onlangs begon de Afrikaanse Unie in Addis Abeba vredesgesprekken met kopstukken van het Libische regime in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de VN, de Arabische Liga, de Islamitische Conferentie en de EU. Op het Afrikaanse panel voor Libië zetelen vijf landen waaronder Zuid-Afrika dat voor de interventie stemde in de Veiligheidsraad waarmee het zich als bemiddelaar verzekert van zo noodzakelijke legitimiteit ook bij de opstandelingen.

Enkele andere Afrikaanse landen hebben inmiddels ingestemd met de ‘no-flyzone’ wellicht door politieke motivatie. Khaddafi hoorde bij de stichters en bleef een belangrijke figuur van de Afrikaanse Unie. Hij gaf ook veel arme landen financiële steun.

(Sommigen hameren vreemd op een bemiddelingsaanbod van Hugo Chavez van Venezuela. Chavez kan geen druk uitoefenen binnen een belangrijk samenwerkingsverband en bezit als bemiddelaar geen morele autoriteit bij de opstandelingen. Hij zou trouwens lang niet de enige van de ‘vrienden’ zijn die Khaddafi opgebeld heeft om hem te manen tot terughoudendheid, vergeefs.)

Ondertussen is het onze taak en die van onze politici om te verzekeren dat de militaire interventie beperkt blijft tot de doelstellingen, zowel in Libië zelf als om andere regimes af te schrikken van het gebruik van de volle macht van hun strijdkrachten tegen legitiem verzet van burgers.

Het overige – en dat is bijna alles – moeten de volkeren zelf doen en beslissen.

Hélène Passtoors

Hélène Passtoors werkte in zuidelijk Afrika als taalkundige. Ze was onder meer verbonden aan de E. Mondlane Universiteit in Maputo, Mozambique. Daar kwam ze in contact met het ANC en sloot zich erbij aan. Van 1985 tot 1989 zat ze als antiapartheidsactiviste gevangen in een Zuid-Afrikaanse cel. Onder internationaal protest kwam ze in 1989 vrij. Na 20 jaar in Afrika leefde ze van 1992 tot 2002 in Chili. Passtoors was redacteur voor ‘Espérances des Peuples’ en ‘Alternatives Sud’ van CETRI in Louvain-la-Neuve. Zij schreef het boek ‘Saamstaan’ (1991).
Er is van haar een boek op komst over Zuid-Afrika
 dat later dit jaar verschijnt bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!