Nieuws, Wereld, Economie, Politiek, Recensie, Mao, Grote Sprong, Frank Dikötter -

De Grote Sprong en de nog grotere hongersnood

Mao’s Grote Sprong (1958-1962) was een grootschalig communistisch avontuur, bedoeld om agrarisch China in hoog tempo om te vormen tot een industriële grootmacht, die zou kunnen wedijveren met de Sovjet-Unie en Groot-Brittannië.

maandag 14 maart 2011 13:10

Het experiment van boerenzoon Mao, een voluntarist zonder economische opleiding, ontaardde in de meest dramatische periode uit de 62-jarige geschiedenis van de Volksrepubliek.

Frank Dikötter is sinoloog, van Nederlandse origine en professor aan de universiteiten van Hongkong en Londen. Hoewel die hongersnood nog altijd taboe is in het huidige China, waar vetklinieken voor tieners van 100 tot 300 kilo het omgekeerd fenomeen vormen, mocht de auteur een resem provinciale archieven inkijken. De centrale archieven van de CCP in Beijing zullen wellicht pas in de verre toekomst toegankelijk zijn. De provinciale archieven bevatten schrijnende getuigenissen en doen Dikötter concluderen dat het dodental 45 miljoen was, in plaats van 30 miljoen, zoals tot nu toe verondersteld werd.

De auteur geeft eerst een algemeen chronologisch overzicht van de gebeurtenissen in China, de Sovjet-Unie en zijn bondgenoten tussen 1949 en 1966. Daarbij zien we dat Mao en andere partijleiders de Sovjet-Unie bezochten in 1949 en 1957. Chroesjtsjov kwam naar Beijing in 1958. Tijdens de ontmoeting in november 1957 voorspelde Chroesjtsjov dat zijn land de VS zou inhalen in 15 jaar tijd en dat China hetzelfde zou doen met Groot-Brittannië. De tweede voorspelling kwam uit, maar pas na 50 jaar.

Aan de Grote Sprong ging al een Socialistisch hooggetijde of Kleine Sprong vooraf. De collectivisatie in 1955-1956 leidde tot verzet van de boeren, die hun vee afslachtten en hun graan verstopten, met hongersnood als gevolg. Premier Zhou Enlai en economieplanner Chen Yun zagen dit in en wilden de omvang van de collectieve boerderijen reduceren, een beperkte vrije markt herinvoeren en meer privéproductie toelaten. Maar Mao zag dit als een aanval op zijn persoon. Geïnspireerd door de Hongaarse revolutie, lanceerde hij in april 1957 de 100-bloemencampagne, om zijn critici te ontmaskeren. Toen de critici ook de partij en zijn leiderschap in vraag stelden, was hij woedend. Hij belastte Deng Xiaoping met het oppakken van een half miljoen studenten en intellectuelen; ze werden gedeporteerd naar afgelegen werkkampen.

Dan lanceerde hij zijn Grote Sprong Voorwaarts. Weinigen durfden nog weerstand te bieden. Pas in 1961 zien Liu Shaoqi en anderen de omvang van de hongersnood, die pas ophoudt op het einde van 1962.

De aanloop

Dikötter onderzoekt hoe het zo ver is kunnen komen. Hij vertrekt daarbij in de jaren 20, bij de burgeroorlog tussen Mao en Tsjang. De dood van Stalin in 1953 was voor Mao een opluchting: er kwam een einde aan bijna 30 jaar van vernederingen door en onderdanigheid aan Stalin. Mao zag zichzelf nu als het leidende licht van het communisme, dat op het punt stond het kapitalisme omver te werpen. Hij was het toch die een tweede Oktoberrevolutie had bezorgd aan één vierde van de wereldbevolking.

Voor Chroesjtsjov had Mao weinig respect. In navolging van Stalin noemde hij hem een leeghoofd. Maar precies die Chroesjtsjov zorgde voor een massale transfer van technologie naar China: honderden fabrieken werden er gebouwd, met Russische hulp. Overal en op alle domeinen waren Russische adviseurs aanwezig en 10 000 Chinese studenten mochten in de Sovjet-Unie verder studeren. In oktober 1959 leverde Chroesjtsjov in het grootste geheim zelfs de felbegeerde atoombom aan Mao. De kostprijs hiervan is onbekend.

De Grote Sprong

De Grote Sprong dan. Zoals de Sovjet-Unie binnen 15 jaar de VSA zou inhalen, zocht Mao naar een middel om Groot-Brittannië in dezelfde termijn te overtreffen. Wie bedenkingen of twijfels uitte, zoals Zhou Enlai of Chen Yun, werd vernederd.

Er werden zinloze projecten uitgevoerd, zoals een dam in de Gele Rivier, waardoor de hoeveelheid slib verdubbelde in plaats van te verdwijnen. Overal werden miljoenen mensen gedwongen om zware arbeid te verrichten bij irrigatieprojecten, aanleggen van waterreservoirs etc. Li Zhisui, lijfarts van Mao, 38 jaar jong en stevig, was na twee weken uitgeput. De dorpsbewoners kregen te horen dat ze nooit een slecht woord mochten zeggen over de Grote Sprong tegen bezoekers. Uit heel het land kwamen lovende rapporten binnen over nieuwe records bij de oogst van katoen, rijst, tarwe, pindanootjes. Mao vroeg zich zelfs af wat hij moest doen met de overschotten. Maar de cijfers waren opgeschroefd en wat 410 miljoen ton was op papier, was in feite slechts 200 miljoen (p. 62).

In zijn zoektocht naar een alternatief voor het Sovjetmodel, bracht Mao de industrie naar de dorpsbewoners in plaats van omgekeerd. Ze moesten allemaal staal produceren in kleine oventjes in hun tuin en dat moest de productie verdubbelen in één jaar tijd. Vóór het einde van 1960 zou hij de Britten ver achter zich laten, de Sovet-Uniet evenaren en in 1962 de VS overtreffen. In 1957 sprak hij nog over 5,35 miljoen ton, voor 1962 voorspelde hij 100 miljoen of bijna het twintigvoudige. Vele dorpsbewoners zagen dit niet zitten en trokken naar de steden.

Hongersnood

In 1958 stierven al ongeveer 5 miljoen mensen aan de honger. Dikötter toont dit aan met een massa cijfers uit vele provincies (p. 67, 89 e.v.). De hongerrapporten bereikten ook Mao, hij versoepelde zijn eisen, maar hij week niet af van zijn utopische plannen. Het platteland moest nog meer graan naar de steden sturen en nog meer voedsel leveren als betaalmiddel voor de import uit het buitenland. Deze import van tienduizenden machines en fabrieken kwam bijna uitsluitend uit de Sovjet-Unie en het Oostblok, want de VN en de VSA hadden in 1951 een embargo opgelegd wegens Mao’s agressieve houding in de Koreaanse oorlog.

In 1958 wilde Mao de Grote Sprong  versnellen en drong hij bij de Russen en de DDR aan op meer hulp. De import uit beide landen groeide met 7 procent in 1958-1959. Ook Engeland en de BRD vermenigvuldigden hun export naar China (p. 75): het embargo was dus niet waterdicht. Premier Zhou Enlai drong bij de Russen ook aan op de bouw van een moderne zee- en luchtmacht. De schuld van China bij de Sovjet-Uniet steeg tot 1,4 miljard roebel. China betaalde met zeldzame mineralen, goederen en levensmiddelen (graan, rijst, sojabonen, fruit, huishoudolie, vlees in blik, tabak).

Die levensmiddelen kwamen Chroesjtsjov goed van pas in zijn campagne om meer consumptiegoederen te fabriceren en de VS te overtreffen in de productie van graan, melk en boter. Ook Walter Ulbricht kon meer levensmiddelen gebruiken om de leegloop van zijn DDR te stoppen en voor zijn belofte in 1958 dat hij binnen 3 jaar  de BRD zou inhalen. Hongarije en Tsjecho-Slowakije kregen ook Chinese voedingsmiddelen. China exporteerde ook kleren onder de kostprijs, terwijl de eigen bevolking in het binnenland de winter moest trotseren in katoenen kleding (p. 80).

In april 1959 raadde Mao vegetarisch voedsel aan, om meer vlees te kunnen exporteren. Behalve het varkensvlees, moest ook meer huishoudolie uitgevoerd worden. Alle handelspartners hadden klachten over de slechte kwaliteit van de Chinese producten, die toen niet konden tippen aan de huidige: de blikjes waren verroest, de schoenen defect, de batterijen lekten, in de eieren voor de BRD zat salmonella (p. 82). Gevolg: China moest ze vervangen, wat ook weer veel kostte (300 miljoen yuan, p. 83).

Buitenlandse en binnenlandse spanningen

In 1959 steeg het handelstekort met Oost-Europa en de Sovjet-Unie tot 300 miljoen yuan. Dit leidde dan weer tot spanningen in 1960. Mao beval dan om nog meer graan op te eisen bij de boeren, zowel voor de stadsbewoners als voor de export. Liu Shaoqi, Zhou Enlai, Chen Yun, Zhu De en Lin Biao waagden het om kritiek te uiten, maar ze kregen ervan langs. Enkel Deng ontsnapte aan de verwijten van Mao. Peng Dehuai werd zelfs ontslagen als minister van defensie.

De berichten over hongerdoden bereikten ook de Sovjet-Unie. In juni-juli 1959 liet partijleider Chroesjtsjov weten dat hij niet langer meewerkte aan de ontwikkeling van Chinese nucleaire wapens en dat hij ook de communes en de Grote Sprong afkeurde. De Chinezen verweten op hun beurt de Russen dat ze India steunden in het grensconflict met China. Vanaf 1960 eiste Mao ook het leiderschap op van het wereldcommunisme.

In juli 1960 verlieten ca. 4000 Russen China (p. 104). Voor Mao was dit een regelrechte economische ramp: de handelsrelaties stortten in, lopende projecten en de transfer van militaire technologie vielen stil.

Normaal was er nu meer voedsel voor de bevolking, maar trots en hybris deden Mao besluiten de schulden aan de SU vervroegd af te betalen in twee i.p.v. zestien jaar, hoewel de Russen dat niet vroegen. Bijgevolg moest er nog meer graan,rijst, katoen, plantaardige olie uitgevoerd worden en vielen er tussen 1960 en 1962 tientallen miljoenen hongerdoden (p. 105). Vanaf 1961 moest China zelf graan importeren uit Australië, Canada en andere Westerse landen.

Het had geen valuta om het te betalen; het ging ten koste van de goud- en zilverreserves, die slonken. De Sovjet-Unie wou graan leveren, maar Mao was te trots om het uit hun hand te aanvaarden. De twee communistische broederstaten leverden ook nog eens strijd in Afrika om de nieuwe onafhankelijke regimes aan hun kant te krijgen.

Bij het opeisen van graan stond Mao niet alleen: ook Zhou Enlai en Deng Xiaoping werkten ongenadig mee. Mao gaf dan ook nog eens het bevel om minder hectaren te bebouwen: 107 miljoen in 1961 tegenover 130 in 1958. En door gebrek aan zaaigoed lagen in 1962 nog meer hectaren braak. Ook de katoenproductie ging fel achteruit en het aantal varkens daalde tot ¼ tussen 1958 en 1961 (p. 160-161).

De industrie kwam eveneens in verval. Een delegatie uit de DDR zag in 1961 in Shanghai en Wuhan meer verroeste, verwaarloosde en afgebroken machines dan functionerende. De helft van de arbeiders leed honger. Ook het transport kwam in verval (p. 146-156).

Bouw- en vernielzucht

Maar Mao was niet in te tomen. Het Tiananmen plein moest en zou groter worden dan het Rode Plein in Moskou. Er moesten 400 000 mensen voor hem kunnen paraderen. En zo geschiedde.

De Middeleeuwse wallen, poorten en straten werden met de grond gelijk gemaakt om een plein te creëren van 60 voetbalvelden (37 km²) voor de viering van de tiende verjaardag van de Chinese Oktoberrevolutie in 1959 (p. 163). Er kwam een treinstation met een capaciteit van 200 000 reizigers, een grote hal van het volk, een museum van de Chinese geschiedenis, een monumentaal gedenkteken voor de helden van het volk. Ook elders in het land werden prestigemonumenten neergezet. Het geld kon niet op.

Twee derde van de religieuze gebouwen zoals kerken, tempels en moskeeën moesten plaats ruimen voor werkplaatsen, kantines, slaapzalen. Voor de religieuze leiders had Mao een oplossing: ze werden bij de arbeiders aan het werk gezet. Ook historische monumenten moesten het ontgelden: eeuwenoude grafmonumenten, tempels, stadsmuren werden afgebroken en de stenen werden benut als bouwmateriaal (p. 168). Nog vóór de Culturele Revolutie was er dus al een grote schoonmaak gehouden.

Ook de bossen werden gedecimeerd: het hout moest dienen voor de staaloventjes. Irrigatieprojecten, lederfabrieken, papier- en scheikundige bedrijven vervuilden massaal het water van de rivieren. De campagne tegen de spreeuwen (1958) kreeg zoveel enthousiaste medewerkers en was zo succesvol dat het land in 1959-1960 overspoeld werd door insecten, die ongenadig rijst, graan en katoen vernietigden.

Naast de miljoenen spreeuwen sneuvelden ongetwijfeld evenveel andere nuttige vogels. De ijver waarmee de bevolking in de klopjacht te werk ging, was zo indrukwekkend, dat getuigen zoals de Russische expert Mikhail Klochko hun ogen niet konden geloven. Zijn beschrijving illustreert dat Mao de massa kon mobiliseren als geen ander.

Gelijkheid relatief

De auteur besteedt ook een hoofdstuk aan de gelijkheid in China. Dit begrip was relatief, zoals in de andere communistische regimes. Ook hier was een nomenclatura, met stevig bewaakte residenties achter hoge wallen, eigen winkels, betere kwaliteit van tabak, etc. De hongersnood had geen vat op hen. Eet- en drinkfestijnen gingen vrolijk verder (p. 193-194).

Het gewone volk daarentegen moest vanalles doen om te overleven: handel drijven in alles, stelen bij bedrijven, buren of uit de peutertuinen, aanvallen op graanschuren van de overheid en op goederentreinen (p. 224), wegvluchten uit de dorpen, in de overtuiging dat in de steden rijst en werk in overvloed aanwezig waren, wat helaas een illusie was.

De lokale dorpshoofden traden hard op tegen de vluchters of tegen hun achterblijvende familie. Op 18 juni 1961 besloot de partijleiding om 20 miljoen mensen terug naar de dorpen te jagen, gespreid over twee jaar. Wie kon, vluchtte naar Hongkong, Vietnam, Kazachstan (toen deel van de Sovjet-Unie). Een veel voorkomende straf voor diefstal van voedsel was het afpakken van alle kleren en de man of vrouw naakt te doen werken in de vrieskou.

Folteringen kwamen ook voor: kokend water of urine werd over mensen gegoten, het haar werd uitgetrokken, de oren of neus afgekapt (p. 294-295). Het aantal zelfmoorden haalde epidemische proporties. Kannibalisme kwam ook voor (p. 320).

Armoede

De armoede trof vooral de armsten. Moeders brachten hun kindjes massaal naar de peutertuinen om zelf te kunnen werken en zodra de kinderen de schoolleeftijd bereikten, moesten ook zij gaan werken. Sommigen werden verkocht of weggegeven om voedsel uit te sparen. De honger leidde tot allerlei ziektes bij de vrouwen: onregelmatige menstruatie, verzakking van de baarmoeder, kinderloosheid. Ook de bejaarden waren te beklagen: velen werden op een hongerdieet gezet.

De hongersnood veroorzaakte ook allerlei ziektes zoals bloeddiarree, tyfus (hongerkoorts), hepatitis, malaria. Dorpsbewoners roofden de bossen leeg, niet enkel voor het hout, maar ook om hun lege maag te vullen met planten, bessen, noten, zelfs boomschors en bladeren. Ook zieke dieren werden opgegeten.

In de laogai lag het aantal doden nog hoger dan in de dorpen : ca. 700 000 op 1,8 miljoen in 1958-1962 (p. 289).

Hoeveel doden waren er in de periode 1958-1962 in totaal? In het verleden liepen de schattingen uiteen van 23 tot 46 miljoen op een bevolking van 650 miljoen. Dikötter houdt het bij minstens 45 miljoen (p. 324-325). Het definitieve cijfer zullen we pas kennen als de CCP alle archieven openstelt. Hier heeft ze m.i. weinig of niets bij te winnen zolang ze Mao overeind wil houden en hem niets wil verwijten. Het zal ook nog even duren voordat dit boek in China zal mogen verschijnen.

Oordeel

Ons oordeel dan. Het boek lijkt één lange klaagzang; als lezer vraag je je af of er dan niets goeds gebeurde in die jaren. Het is ook erg gedetailleerd, soms langdradig en zich zelf herhalend. Je moet het dus niet lezen als ontspanning.

Tegelijk is het één van de meest degelijke studies over het Mao-tijdperk en over de relaties met het Oostblok, die duidelijk ruimer waren dan enkel met de Sovjet-Unie. Ook in de DDR, Albanië, Noord-Vietnam e.a. had men Chinese rijst, graan, huishoudolie en katoen.
Dikötter legt ook een verband tussen de Grote Sprong en die andere catastrofe, de Culturele Revolutie (1966-1976). Premier Liu Shaoqi was aanvankelijk ook een aanhanger van het experiment, maar zodra hij in april 1961 zijn eigen provincie Hunan bezocht en daar geconfronteerd werd met de afgrijselijke hongersnood, wiep hij zich op als felle tegenstander en overtuigde hij Mao om ermee te stoppen.

Maar Mao nam weerwraak met zijn Culturele Revolutie: Liu was één van de eerste slachtoffers van de barbaarse studentenacties. Hij stierf in 1974 aan kanker, in bijzonder triestige omstandigheden.

Dikötter kreeg de kans om  meer archieven in te kijken dan zijn voorgangers Jasper Becker (Hungry Ghosts : Mao’s Secret Famine, 1996 ) en het duo Jung Chang – Jon Halliday (Mao : The Unknown Story, 2005). Zijn knappe studie bevat een rijkdom aan informatie voor geduldige lezers. Zijn Engels is niet eenvoudig.

Referentie :

Frank Dikötter, Mao’s Great Famine. The history of China’s most devastating catastrophe, 1958-1962. Uitgeverij Bloomsbury, London, 2010. 422 p.; kaart, chronologisch overzicht, foto’s, bibliografie, noten, register. ISBN 97807475 9508 3 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!