Economische groei: bijvoorbeeld in de strijd tegen klimaatverandering
Nieuws, Wereld, Economie, Milieu, Sociaalecologische economie, Krimpeconomie, Tmd, Groene New Deal, Groene beweging -

Green Growth of Degrowth? Ideeënstrijd binnen de groene beweging

Er zijn verschillende stromingen binnen het groene gedachtegoed, en al zeker in het denken over groene economie. Het is belangrijk om dat te onderkennen en ook te aanvaarden.

woensdag 2 maart 2011 12:05

Er is niet zoiets als één enkele ecologische economie die de waarheid in pacht heeft. We hebben overigens geen nood aan een ‘Ecologisch Manifest’. Er zijn verschillende wegen om de berg te beklimmen: men kan de lange weg nemen en met kronkelwegen geleidelijk naar de top klimmen, of steil omhoog klauteren met houwelen en klimijzers.

De kritiek op de ongebreidelde groei van zowel productie als consumptie is zowat de essentie van het groene denken. De groene economie staat loodrecht op de klassieke economie, die alle heil verwacht van de groei van het bruto nationaal product. Creatieve vernietiging en innovatie zorgen volgens Joseph Schumpeter voor steeds nieuwe groeigolven. Meer groei staat voor meer welvaart, en vertraging van groei voor verarming. Groene filosofen en economen stellen deze groeidwang in vraag. Want de ongeremde groei van materiële welvaart stuit op ecologische grenzen: beperkte energie- en grondstoffenvoorraden en de beperkte draagkracht van onze planeet. Het rapport aan de Club van Rome (Grenzen aan de Groei, 1972) was baanbrekend. Vandaag duiden peak oil, de klimaatverandering en het uitsterven van soorten op deze grenzen.

Over deze probleemstelling bestaat een grote eensgezindheid onder ecologisten. Maar dat geldt veel minder voor de oplossingen. Moeten we nu pleiten voor minder groei, nulgroei of zelfs een krimp? Kiezen we voor een ecologische modernisering van de economie met vormen van selectieve groene groei? Moeten bepaalde sectoren of werelddelen groeien en andere krimpen ? Of moet heel de economie tot stilstand komen? En is welvaart zonder groei mogelijk?  Intussen hebben honderden auteurs en verschilllende groene denkrichtingen zich over dit dilemma uitgesproken. Om het probleem duidelijk te stellen, kiezen we twee auteurs en ‘groene scholen’ uit: de verdedigers van groene groei bij de VN en in de VS enerzijds, en de pleitbezorgers van degrowth of décroissance in Frankrijk anderzijds. Vervolgens bekijken we hoe dicht het nieuwe boek Welvaart zonder groei van Tim Jackson bij een synthese komt. 

Green Growth

De  groene kritiek op economische groei werd door sociaal-democraten en anderen al snel overgenomen en omgebogen tot een project van ‘ecologische modernisering ‘  van de economie. In eigen land werd deze idee uitgedragen door oud-milieuminister Norbert De Batselier .  De markt moest niet alleen op sociaal vlak maar ook op ecologisch vlak gecorrigeerd worden. Economische groei kan losgekoppeld worden van grondstoffenverbruik of milieudruk. Eco-efficiëntie is hiervoor het redmiddel: we kunnen dezelfde welvaart produceren, maar toch een factor x minder vervuilen.

De titel van de eco-efficiëntiebijbel Factor Four: Doubling Wealth, Halving Resource Use (1998)   zegt het helemaal. Het boek  werd geschreven door SPD-politicus Ernst Ulrich Von Weiszäcker en door het koppel Amory en Hunter Lovins. In een nieuw boek spreekt Von Weiszäcker inmiddels van Factor Five (2009) en in andere bijdragen zelfs van Factor 10 . Voor Amory en Hunter Lovins was het Factor 4-boek de logische aanloop naar hun hoofdwerk Natural Capitalism. Creating the Next Industrial Revolution’ (1999), waarin ze onverholen pleiten voor een vergroening van het bestaande kapitalistische model.

Het zal geen verwondering wekken dat het begrip ‘groene (of duurzame) groei’ gretig werd ingepikt door organisaties zoals de Wereldbank en de OESO. Maar het is al te makkelijk om dit zonder meer af te doen als een laagje groene vernis over klassieke groeiscenario’s. Meer zelfs, de keuze voor groene groei is dikwijls uitdrukkelijk ingegeven vanuit de zorg om de ontwikkelingskansen van de armste landen. Bijvoorbeeld bij Nicholas Stern die met zijn rapport over de kosten van het niet aanpakken van de klimaatproblemen, een sterke reputatie opbouwde bij de groene beweging. Hij komt in zijn nieuwe boek The Global Deal   op voor een low-carbon growth: ‘sustained, cleaner, safer, quieter and more biodiverse’ dan klassieke groei. Maar hij is hard tegen een groeivermindering: ‘It is neither economically necessary nor ethically responsible to stop or drastically slow growth to manage climate change’, stelt hij ferm. Hij beseft ook dat de wereld niet onbeperkt kan groeien, dat het idee van onbegrensde groei niet plausibel is. Maar een keuze afdwingen tussen groei en klimaatbeleid, is voor hem ‘ethisch onverantwoord en politiek destructief’.

Het begrip ‘groene (of duurzame) groei’ werd gretig ingepikt door organisaties zoals de Wereldbank en de OESO, maar is wel dikwijls uitdrukkelijk ingegeven vanuit de zorg om de ontwikkelingskansen van de armste landen.

Wachten op een groene Roosevelt

Ook de secretaris-generaal van de VN  Ban Ki-moon is een warme pleitbezorger voor groene groei  . Hij verdedigt wereldwijd het voorstel van een Global Green New Deal. Het milieuprogramma van de VN (UNEP) maakte een studie op rond de kansen voor de creatie van groene jobs door de omschakeling naar een low-carbon economy. 
 
Het model van de New Deal van de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt  heeft de laatste jaren bijzonder aan kracht gewonnen. Vooral na de financiële crisis van 2008.  In Groot-Brittannië werd een radicale Green New Deal uitgewerkt door de New Economics Foundation (NEF) , met beleidsvoorstellen om zowel de financiële crisis, de crisis van de stijgende olieprijzen als de klimaatcrisis aan te pakken. De groene partijen namen deze voorstellen wereldwijd over. De Europese groene partijen lieten een eigen studie uitvoeren.

Vooral in de VS slaat het idee van een groene New Deal aan. President Roosevelt slaagde erin na de grote bankencrisis  in 1929 en de Grote Depressie in de jaren ’30 van de vorige eeuw, Amerika uit het economische moeras te trekken door een keynesiaans beleid te voeren van overheidsinvesteringen en zo duizenden mensen terug aan het werk te helpen. Veel progressieve Amerikanen dromen nu al enkele jaren van een nieuwe ‘groene’ Roosevelt die dit huzarenstukje kan herhalen en de sluipende afgang van de VS als wereldmacht op deze wijze kan afblokken. Amerika moet weer echt leiderschap aan de dag leggen, heet het dan.

Voor Thomas Friedman   is global warming de absolute kans op nieuwe groei, welvaart en jobs. Hij wil Amerika opnieuw opstuwen in de vaart der volkeren via een groene revolutie. Friedmans verhaal is doordrenkt van patriottisme, maar hij trekt ook de sociale kaart : we hebben meer groene groei nodig, want zonder groei komt er geen oplossing voor het armoedeprobleem. Voor Friedman is kiezen voor groen niet kiezen voor minder, maar voor meer. ‘We can consume more and conserve more at the same time’. Maar hij nuanceert ook. Hij sluit niet uit dat er grenzen zijn aan de consumptiegroei. Maar hij voelt weinig verwantschap met antikapitalistische, anticonsumptie- en terug-naar-de-natuurgroepen die zich verkneukelen in het feit dat we welvaart moeten inleveren. Dat is voor hem voorlopig niet aan de orde.  Terwijl er nog zo veel voor de hand liggende slimme groene keuzes (op het vlak van eco-efficiëntie) niet gemaakt zijn. Tegelijk distantieert hij zich van bestsellers met bedrieglijke titels als It’s easy being green of The Lazy Environmentalist: ‘We are not going to consume our way out of this problem’, waarschuwt hij. Hij pleit integendeel voor een structurele aanpak van de omschakeling naar een ander energiesysteem en voor een belangrijke rol voor de overheid. Hij stelt al zijn hoop op de nieuwe Amerikaanse president.

Dezelfde hoge verwachtingen spreken uit de toekomstroman Sixty Days and Counting (2007) van de bekende Amerikaanse sf-auteur Kim Stanley Robinson . Het boek handelt  over Phil Chase, een nieuwe daadkrachtige president van de VS die een groene New Deal in de praktijk tracht om te zetten, maar op krachtige tegenwerking stuit, voor en achter de schermen, van de klassieke economische lobby’s.  Het boek beschrijft de eerste zestig dagen van de presidentiële termijn, waarin het land op nieuwe sporen dient gezet te worden. President Chase overleeft een aanslag op zijn leven en kan dan eindelijk zijn groene programma doordrukken. Het is een mengeling van verregaande  voorstellen op het vlak van hernieuwbare energietechnologieën, ICT,  geo-engineering, maar ook sociaal bewogen neokeynesiaanse programma’s. Het boek is een embleem voor de hoop die veel Amerikaanse progressieven de voorbije jaren stelden op een nieuwe president die radicaal zou breken met het tijdperk van de oliemagnaten en George Bush II.

Green for All

Diezelfde hoop is de drijvende kracht achter het boek van Van Jones The Green Collar Economy . Het boek is een afspiegeling van een hele sociale beweging  die de voorbije jaren in de VS groeide rond de ideeën van groene groei en een groene New Deal. Hier gaat het zeker niet meer om een groen sausje over een neoliberaal groen verhaal. Daar kunnen we Friedman of Stern nog van verdenken, maar niet Van Jones. Hij is de bevlogen zwarte woordvoerder van een beweging voor sociale gerechtigheid, in de geest van Martin Luther King, die zich vooral richt op de armsten in de stedelijke getto’s. De beweging komt op voor groene jobs voor allen en zet zich sterk af tegen het ‘witte’ elitarisme van de oude milieubeweging.

De salon-ecologisten van de middenklasse hebben het verknald. Zij zeuren al jaar en dag over milieu en klimaat, maar zonder een greintje resultaat. Door de armen en de werklozen worden ze uitgespuwd. Voor 80% van de mensen hebben ze geen boodschap. Van Jones vat het samen onder de term ‘eco-apartheid’. De nadagen van de orkaan Katrina in New Orleans zijn voor hem het zinnebeeld van wat er de laatste jaren misliep in het sociaal beleid in de VS. Mensen, vooral zwarten en armen, liet men in New Orleans letterlijk en figuurlijk verzuipen. Dit mag nooit meer gebeuren. De regering moet voortaan de zijde kiezen van de mensen én van de planeet.

Van Jones wil het anders aanpakken: hij wil een ‘Green Growth Alliance’  van vakbonden, burgerrechtenbewegingen, ecologisten,  studenten en kerken, een ‘Green New Deal  Coalition’ die mensen uit de armoede tilt en in hun waardigheid herstelt. De groene economie is er niet voor de ‘life style greens’, de rijke bezitters van een Toyota Prius. De groene economie is er in de eerste plaats om arme mensen een deftige baan te geven.

De slogans van de beweging spreken voor zich : ‘Green Jobs for All’ – ‘ Greening the Ghetto First’ – ‘Green Jobs, not Jails’,… Van Jones pleit voor ‘ecopopulisme’ en geeft er ook een gebalde definitie van: ‘Always foreground those green solutions that can improve ordinary people’s standard of living.’ Soms gaat hij zich te buiten aan parabolen: ‘Amistad meets the Titanic’…
  
De verwachtingen ten aanzien van de nieuwe president zijn hoog gespannen. Roosevelt zette indertijd met zijn civilian conservation corps 2 miljoen mensen aan het werk. De groene New Deal moet minstens 5 miljoen groene jobs opleveren, 20% energiebesparing tegen 2015, 25% minder CO2-uitstoot tegen 2020 en 80% minder tegen 2050.

Van Jones erkent dat het doel op lange termijn allicht een steady state economy is en dat het idee ‘groei’ op termijn in vraag gesteld dient te worden. Maar hij vindt dat hij van de eco-elite geen lessen te leren heeft: hij wil groei om de kwaliteit van leven van miljoenen mensen te verbeteren, wat niet noodzakelijk betekent dat de hoeveelheid consumptiegoederen ook navenant moet toenemen. Maar de snelle sprong naar een postgroei- of postconsumptie-ecotopia is voor hem gewoon antisociaal.

Obama

Intussen is Barack Obama al meer dan twee jaar aan de macht. Hoe groen is de president? Heeft hij de verwachtingen kunnen inlossen? Net als in de sf-roman van Robinson, maakte de Amerikaanse president een vliegende start. Bijvoorbeeld met de benoeming van Steven Chu als secretaris voor energie. Er werd ruimte gecreëerd voor groene jobs in het economisch herstelprogramma (American Recovery and Reinvestment Act) in 2009 en daarbovenop kwamen nog eens federale belastingskredieten voor groene jobs. Er kwam een federale klimaat- en energiewet, ook al was die niet superambitieus. Dankzij Green for All werden daarin extra garanties opgenomen voor werk- en opleidingskansen voor arme Amerikanen in de groene economie (de zgn. equity provisions). De wet werd goedgekeurd in de Kamer, maar sneuvelde deze zomer in de Senaat. En dat kan fataal zijn, als de democraten hun meerderheid verliezen in een van beide kamers bij de tussentijdse verkiezingen op 2 november. Intussen wordt onderzocht of de administratie zelf ook zonder wettelijk sluitstuk, de broeikasgasemissies verder kan reguleren. Tot grote verontwaardiging van de Republikeinen.

De Amerikaanse klimaatonderhandelaar Tod Stern ontkent intussen dat het uitblijven van de klimaatwet van groot belang is voor de klimaattop in Cancun. Maar het is zonder meer duidelijk dat het de Chinezen een extra argument geeft om niet over de brug te komen. Obama maakte ook geen al te beste beurt in de opvolging van de olieramp in de Mexicaanse golf. Wat bovendien kwalijke herinneringen opriep aan het gestuntel van Bush jr. na de ramp met de orkaan Katrina… Op het eerste gezicht werd de kans gemist om de grootste olieramp ooit om te zetten tot een boost voor investeringen in groene alternatieven.

Het grootste probleem voor president Obama is echter dat de werkloosheid in de VS torenhoog blijft. De nieuwe jobs, laat  staan de nieuwe groene jobs, blijven uit.  Obama lanceerde op 7 september 2010 een nieuw investeringsprogramma van 50 miljard dollar in wegen, spoorwegen, waterwegen, start- en landingsbanen en een nieuw energienet. Een deel van deze investeringen kan als groene investeringen beschouwd worden. Maar te vrezen valt dat het in het beste geval om een klassieke New Deal gaat, met hooguit enkele groene spatjes.

Na de democratische nederlaag bij de tussentijdse verkiezingen begin november 2010, tracht de president opnieuw een tandje bij te steken. In zijn state of the Union van januari 2011 herpakt hij zich en kondigt hij een ‘spoetnikmoment’ aan voor de VS. Door sterk in te zetten op investeringen in innovatie wil de president alsnog de beloofde jobs creëren. En opnieuw belooft hij groene jobs. Obama wil dat tegen 2035 tachtig procent van de Amerikaanse energie uit hernieuwbare bronnen afkomstig is. Over vier jaar hoopt hij in het verkeer een miljoen elektrische wagens te zien. De vraag is of zelfs zijn eigen achterban hem nog gelooft. De teleurstelling over het feit dat een echte klimaatwet door de republikeinse meerderheid in het Congres nu definitief van de baan is, blijft nog nazinderen…

Van Jones zelf werd in maart 2009 benoemd tot Special Advisor for Green Jobs, Enterprise and Innovation op het Witte Huis, maar moest intussen ontslag nemen na een controverse over onder meer zijn marxistisch verleden. Het is tekenend. Ook Carol Browner, de klimaatadviseur van Obama stapt op. De activisten van Green for All plooien zich intussen meer en meer terug op het werk aan de basis, in steden en buurten.

Degrowth

Veel groene denkers hebben geen boodschap aan een loutere eco-efficiëntie, groene groei of zelfs een duurzame ontwikkeling die al te makkelijk wordt uitgerokken tot ‘duurzame groei’.
De meest radicale kritiek op onbegrensde groei werd geformuleerd door Ivan Illich. In zijn basiswerk Tools for Conviviality (1973)   toont hij aan dat er onvermijdelijk grenzen zijn aan de groei van industrieel geproduceerde goederen. Maar ook aan de groei van diensten en instellingen, zoals het medisch bedrijf, het onderwijs, het energiesysteem of het verkeer. Hij formuleert de wet van de twee drempels. Voorbij een eerste drempel zijn ontwikkelingen positief, productief, zorgen ze voor meer welzijn. Voorbij een tweede drempel slaat de ontwikkeling om in haar tegendeel en wordt meer groei antiproductief.

Illich gelooft in de komst van een postindustriële samenleving, met name een ‘conviviale samenleving’, waar mensen autonoom en creatief met mekaar omgaan, werktuigen hanteren, en goederen en diensten produceren. Een belangrijk deel van de productie van goederen en diensten wordt dan onttrokken aan de industriële productiemachine. André Gorz  sprak in dit verband van een ‘autonome sfeer’, die tot markt noch staat behoort, die zich onttrekt aan de klassieke groei-economie, de gemonetariseerde productie van goederen en diensten. Tegenover destructieve groei stelde Gorz productieve décroissance.

In dezelfde periode publiceert Herman Daly in de VS zijn standaardwerk over de Steady-State Economics (1973) . Daly wil af van kwantitatieve groei, een economie die zich wel nog ontwikkelt in kwalitatieve zin, maar in omvang niet meer groeit: ‘an economy with constant stocks of people and artefacts, maintained at some desired, sufficient levels by low rates of maintenance throughput.’ De instrumenten die Daly verdedigt om te komen tot een dergelijke stabiele economie, zijn redelijk draconisch: maximuminkomensgrenzen, quota voor het gebruik van grondstoffen (depletion quota) en verhandelbare geboorterechten.

Volgens Daly is de term ‘duurzame ontwikkeling’ uitgehold en hij maakt daarom een onderscheid tussen zwakke en sterke duurzaamheid. Om iets te maken heb je natuurlijk kapitaal nodig, zoals natuur, grondstoffen enzovoort, en artificieel of door mensen gemaakt kapitaal, zoals machines, gebouwen of infrastructuur. Als je ervan uitgaat dat natuur een prijs heeft en mee kan verwerkt en vermarkt worden, wordt het natuurlijk kapitaal inwisselbaar voor door mensen gemaakt kapitaal. Een productieproces is dan (zwak) duurzaam als de som van natuurlijk en menselijk kapitaal  niet afneemt. Maar als je ervan uitgaat dat natuur in feite onbetaalbaar is en niet verloren mag gaan of juist eerder moet toenemen, kies je voor sterke duurzaamheid. Zwakke duurzaamheid valt makkelijk te rijmen met groene groei; voor sterke duurzaamheid wordt dat bijzonder moeilijk.

Ook de Roemeen Nicholas Georgescu-Roegen wordt gezien als een van de grondleggers van het antigroeidenken. Op basis van de wetten van de thermodynamica, bewees hij dat exponentiële groei op een begrensde planeet uitgesloten is. Maar Georgescu-Roegen was een leerling van Schumpeter en geloofde in een evolutionaire economie. Het geloof in een stationaire economie was voor hem een fabeltje. Want ook in een stationaire economie zou men niet ontsnappen aan de wetten van de thermodynamica en grondstoffen blijven verbruiken.

‘Undoubtedly, the current growth must cease, nay, be reversed. But anyone who believes that he can draw a blueprint for the ecological salvation of the human species < in the stationary state > does not understand the nature of evolution, or even of history — which is that of permanent struggle in continuously novel forms, not that of a predictable, controllable physico-chemical process, such as boiling an egg.’ 

In Duitsland hebben het Wuppertal Institut en  Wolfgang Sachs   veel invloed. Sachs stelt dat we het met eco-efficiëntie alleen niet zullen halen. Hij pleit ook voor consistentie, of het afstemmen van technologie en productieprocessen op de natuur. Maar volgens Sachs zal naast een betere, meer efficiënte en consistente productie ook gewoon een vermindering van de totale productie- en consumptiehoeveelheid nodig zijn, en dan vooral in de rijke landen. Minder auto’s, minder vlees eten, minder verre reizen…Hij noemt dit ‘ecosufficiëntie’ en voor hem is dit een positief verhaal, omdat het nauw verbonden is aan de keuze voor meer levenskwaliteit: beter met minder.

Aan de grondslag van het pleidooi voor sufficiëntie ligt de vaststelling dat de economische groei steeds weer de efficiëntiewinsten ‘opeet’; de auto’s worden schoner, maar er komen er meer van en ze rijden meer kilometers. Dat noemt men ook wel het ‘rebound-effect’: de onvermijdelijke terugslag of weerbots die je ondervindt als je alleen maar rekent op meer efficiëntie en rationalisering. Ecosufficiëntie is dan weer niet strijdig met meer groei in de culturele of immateriële sfeer. Wolfgang Sachs had grote invloed op de Duitse, maar ook op de Vlaamse Groenen.

Reinhard Loske, een parlementlid van de Duitse Groenen pleit in dezelfde geest voor een eind aan de groeidwang in zijn recente boek Abschied von Wachstumzwang (2010). Hij breekt een lans voor een politiek van matiging. Groei staat allang niet meer gelijk aan welvaart. Vormen van groei en krimp zullen volgens hem in de toekomst samengaan. Hij pleit voor een structurele en culturele omslag én voor een verandering van levensstijl. Concrete hefbomen zijn volgens hem een 20-urenweek en Burgergeld wat een soort van basisinkomen is.

L’enfer c’est la croissance

In Frankrijk kent de beweging voor décroissance  de laatste jaren terug veel bijval. Er is zelfs een aparte partij onder die naam opgericht  .  Deze objecteurs de croissance volgen met argusogen de stellingnames van de Groenen en Génération Ecologie in Frankrijk. Vooral Daniel Cohn-Bendit is dikwijls de gebeten hond omdat hij met evenveel gemak pleit voor ‘croissance sélective’ als ‘décroissance sélective’. Volgens de antigroeipartij zijn veel groene tenoren te veel in de richting van het mainstreamgroene-groeidenken doorgeschoten. Maar Yves Cochet, ook een van de boegbeelden van Les Verts, stelt het wel duidelijk in zijn laatste boek Antimanuel  Ecologique: ‘La décroissance est inéluctable.’

Bij de Europese verkiezingen van 2009 namen de woordvoerders van Génération Ecologie een verzoenend standpunt in. ‘Nous croyons à la nécessité d’une décroissance soutenable et d’une croissance progressive du vivre mieux en vivant et travaillant autrement’, stelde Daniel Cohn-Bendit. Maar hij kon niet iedereen overtuigen. Ook Nicolas Hulot die in 2006 uitpakte met zijn Pacte Ecologique en pleitte voor een ecologische revolutie, kreeg bakken kritiek, omdat hij te dicht aanschurkte bij die andere Nicolas (Sarkozy), en omdat hij zou kiezen voor groene groei.

Serge Latouche is de vaandeldrager geworden van deze nieuwe beweging voor  décroissance. Latouche ontmaskert in zijn boek Le Pari de la Décroissance (2006)   een voor een alle vormen van ecologisch reformisme. Hij wil geen nieuwe wijn in oude zakken. Zoals daar zijn de industriële ecologie, de groene groei, duurzame ontwikkeling en zelfs de stationaire economie. Ook het werken met nieuwe economische indicatoren lost volgens hem fundamenteel niets op. Eco-efficiëntie leidt tot rebound-effecten en dus meer in plaats van minder economische groei. ‘Les technologies efficaces incitent à l’augmentation de la consommation; le gain est surcompensé par un accroisement des quantités consommées.’ Het principe is al meer dan een eeuw bekend en werd het eerst geformuleerd door Stanley Jevons: een stoommachine verbruikt minder kolen, maar daardoor komen er meer stoommachines en neemt het verbruik van kolen juist sterk toe… Een nooit eindigend verhaal.

Voor Latouche staat décroissance echter niet gelijk met een negatieve groei van het bnp of de economie, of met nulgroei of regressie. Ook niet met de huidige economische crisis: er is niets ergers dan een samenleving gebaseerd op groei, waar die groei stil valt. Juist om dit te vermijden is een samenleving nodig die gebouwd wordt op décroissance, convivialiteit en autonomie.  Het gaat om een culturele omwenteling en het terugdringen van de onderwerping van alle goederen en diensten aan de marktlogica (‘omnimarchandisation’). Er is nood aan een ‘éthique de la décroissance volontaire’.

Het kan gaan om individuele keuzes voor vrijwillige versobering (‘simplicité volontaire’ of ‘downshifting’). Maar het zou fout zijn om de consumptiedwang te vervangen door een versoberingsdwang. Een andere levensstijl kan niet opgelegd worden door ‘groene Khmers’. Bovendien zullen louter persoonlijke beslissingen om anders te gaan leven, niet volstaan. We moeten eerst en vooral ook de productiemethodes zélf aanpakken, het systeem veranderen. Latouche geeft het sprekend voorbeeld van een yoghurtpotje. Moeten we – om onze ecologische voetafdruk te verminderen – minder yoghurt gaan eten, of moeten we door nieuw beleid vermijden dat yoghurtpotjes gemiddeld 8000 kilometer afleggen voordat ze op ons bord terecht komen? Kiezen voor zelfproductie is goed, werken aan ontmarkting (‘démarchandisation’) van goederen en diensten op ruimere schaal, is beter.

Latouche formuleert zijn alternatief met een aantal R-werkwoorden. De eerste zijn ‘reévaluer’ en ‘reconceptaliser’: we moeten de dwangmatige consumptiedwang omdenken en mensen opvoeden om beter te leren leven met minder. Vervolgens is er nood aan ‘restructurer’ en ‘redistribuer’: we dienen een uitweg te vinden niet enkel uit het kapitalisme, maar ook uit het systeem van productivisme en consumentisme. Vervolgens dienen we de milieugoederen, welvaart en arbeid eerlijk te herverdelen.  Latouche legt ook sterk de nadruk op lokale productie voor lokale behoeften, de lokale economie (‘relocaliser’). En ten slotte zijn er de klassieke eco-efficiënte  imperatieven (‘reduire’ – ‘réutiliser’ – ‘recycler’). Groei door herstel van milieugoederen, ziet Latouche wél zitten. In feite gooit hij de prioriteiten helemaal om: eerst is een ommekeer nodig in het denken, een culturele omslag, dan pas heeft het zin om te gaan voor minder productie en consumptie, meer lokale productie en ten slotte meer eco-efficiëntie.

Welvaart zonder groei

Green growth of degrowth? Is een synthese mogelijk? De eerste aanzetten zijn gegeven. Bijvoorbeeld door het Nederlands Planbureau voor de Leefomgeving, met hun rapport Growing within Limits  dat concrete voorstellen bevat om te komen tot een low-carbon economy, een beleid  dat een stop zet op biodiversiteitsverlies en inefficiënt landgebruik, en als overheidsorgaan zelfs een lans breekt voor vleesmatiging. Het rapport pleit voor een politiek van grenzen, maar ziet tegelijk een window of economic opportunities in de huidige crisis om te breken met de heersende trends en een nieuwe groene economische sector tot ontwikkeling te brengen.

Peter Tom Jones lost het probleem op door een tijdslijn te schetsen. Eco-efficiëntie en een groene New Deal zijn nodig op de korte termijn. Het is het ‘laag hangend fruit’, dat zonder veel moeite geplukt kan worden. Duurzame transities in verschillende sectoren zoals energie, verkeer en wonen zorgen voor uitdagingen op de middellange termijn. We moeten komen tot duurzame consumptie en dat kan via effectieve strategieën van gedragsverandering. Op langere termijn is echter een metatransitie nodig naar een stabiele ecologische economie waar de groei, ook de groene groei, tot stilstand komt.
De titel van het boek van Tim Jackson, Prosperity Without Growth, doet een soortgelijke poging tot synthese vermoeden.

Tim Jackson schetst het dilemma van de economische groei: meer bnp-groei stuit op ecologische grenzen, maar maakt ook zijn beloftes niet waar: de sociale ongelijkheid neemt toe en mensen worden niet gelukkiger door meer groei. Anderzijds leidt de keuze voor degrowth binnen het bestaande economische systeem tot recessie, werkloosheid en welvaartsverlies. Er is dus nood aan een herdefiniëring van wat echte welvaart is en aan een nieuw macro-economisch model.  Daarvoor moeten we zien te ontsnappen uit de ‘ijzeren kooi van de consumptiedwang’.

Tim Jackson onderzoekt verschillende varianten van gecorrigeerde groei. Hij gelooft niet in een ontkoppeling van groei en milieu-impact. Dan zouden we moeten gaan voor een ‘factor 130’ of meer. Dat is op korte termijn niet realistisch. Economische groei leidt spontaan tot meer eco-efficiëntie. Dat is goed. Maar daaruit volgt zeker niet dat de beste weg naar ecologische oplossingen meer groei is. Velen geloven in een groei die steeds minder beslag legt op het milieu. Men spreekt dan van ‘relatieve ontkoppeling’: de belasting van het milieu neemt minder sterk toe dan de economische groei. Maar in feite is men steeds bedrogen uitgekomen en richtte de groei toch veel meer schade aan dan men had verwacht. Dus niets wijst erop dat zoiets als een ‘absolute ontkoppeling” mogelijk zou zijn, een groei waarbij de druk op het milieu totaal niet meer zou toenemen of zelfs zou afnemen.

Jackson ziet de enorme kansen van een groene New Deal, bijvoorbeeld de creatie van groene jobs. Maar tegelijk is hij erg kritisch: uiteindelijk is de bedoeling, verscholen achter alle groene herstelprogramma’s, dat we de groei van de consumptie opnieuw op gang moeten trekken. Het gaat om een ander soort groei, een groene groeimachine, maar het blijft groei. Keynesianen willen uiteindelijk de groei van de consumptie terug in ere herstellen. Maar een economie gebaseerd op consumptiegroei, zal nooit duurzaam zijn. Een patstelling dus.

Na veel wikken en wegen formuleert Jackson echter zijn bevrijdend besluit: ‘Investment is needed .. not to stimulate ever higher levels of consumption, but to build new infrastructures, to effect the transition to renewable energy and to deliver key environmental and social goals.’ Investeringen in duurzaamheid: dat is de oplossing. Bijvoorbeeld investeringen in het behoud of het herstel van ecosystemen. Kortetermijnwinsten zijn dan niet te verwachten, maar op langere termijn zijn ze wel voordelig, zowel voor de ecologie als voor de economie. In feite wil dit zeggen dat geïnvesteerd wordt in stabiliteit, in de ‘veerkracht’ (resilience) van ecosystemen en economie. ‘Flourishing within limits’ is dan mogelijk, als we echt breken met de consumptielogica. En dan horen we echo’s van Latouche. Simplistische oproepen om mensen aan te zetten om te consuminderen, zijn gedoemd om te mislukken. Alles overlaten aan individuele keuzes, is  hypocriet. Het systeem moet aangepakt worden: de materialistische visie op welvaart moet actief ontmanteld worden. ‘Reconceptualiser’ noemt Latouche dit. Ook Jackson pleit voor een sterke rol voor de overheid die stappen kan zetten in de richting van een duurzame economie: een plan voor groene investeringen, een groene New Deal, is zo een stap. Maar de cultuur van het consumentisme keren is een even noodzakelijke stap. Zo komt Jackson wel degelijk tot een voorlopige synthese.

Epiloog

Het laatste woord is nog niet gezegd. In het werk van Jackson ontbreekt de brandende ambitie van de ‘marxist’ Van Jones om de armoede van de getto’s rabiaat te lijf te gaan met groene groei. Het boek staat in het verlengde van een rapport opgemaakt voor de Britse regering. Het is misschien even sociaal geëngageerd, maar het blijft intellectueel, verder weg van de praktijk.

Jackson toont in zijn boek aan hoe consumptiegoederen in onze samenleving drager van zin en betekenis geworden zijn en zet zich ook af tegen de consumptiedwang. Maar de kritiek van Serge Latouche op de vermarkting van veel sectoren van ons leven, boort dieper. Het perspectief van een autonome sfeer, waar mensen zich niet alleen maar bevrijd weten van de consumptiedruk, maar ook loskomen van de hele gemonetariseerde economie, wordt slechts terloops beroerd. Maar Tim Jackson geeft wel de richting aan waarin we de synthese kunnen zoeken en uiteindelijk vinden. En dat is een grote verdienste.

Laat ons intussen focussen op wat alle ecologisten  bindt: het verzet tegen ongeremde groei, de nood aan nieuwe indicatoren en spelregels, een geëngageerde overheid en kansen voor mensen om hun eigen leven in handen te nemen.

Johan Malcorps is al jarenlang actief bij  Agalev en Groen!, onder meer als hoofd van de studiedienst en de politieke cel, als politiek secretaris, als parlementslid en nu als fractiesecretaris van de Groen!-fractie in het Vlaams Parlement.

Deze bijdrage verscheen in Oikos – Denktank voor sociaal-ecologische verandering

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!