Mahmoud Ahmadinejad, president van Iran
Verslag, Nieuws, Iran - Marc Botenga

Na Egypte, Iran?

De Iraanse oppositie organiseerde maandag een solidariteitsbetoging met Egypte en Tunesië. Hoewel bepaalde oppositiesites over 350.000 betogers spraken, geven foto's van BBC Persian een bescheidener beeld. Hillary Clinton hoopt dat de Iraanse 'Groene Beweging' het voorbeeld van de Egyptische revolutie volgt. Hoe waarschijnlijk is het dat ook de Iraanse regering straks moet opstappen?

woensdag 16 februari 2011 15:42
Spread the love

Aan de ene kant zijn er natuurlijk een aantal gelijkenissen tussen Iran en bijvoorbeeld Egypte en Tunesië. De drie landen kennen allemaal belangrijke socio-economische problemen, een jonge hoogopgeleide bevolking.

Ook de Iraanse regering gaat, zeker sinds 2009, steeds repressiever en hardhandiger om met de oppositie. De beelden van radicale conservatieven die in het parlement de dood van oppositieleiders Mousavi en Karroubi vroegen, waren ronduit schrikwekkend.

Aan de andere kant zijn er ook een aantal verschillen. In tegenstelling tot de Arabische oppositiebewegingen, ontstond de ‘Groene Beweging’ bijvoorbeeld niet uit een algemene ras-le-bol tegen het regime. Groen was de campagnekleur van Mir-Hossein Mousavi, één van de vier kandidaten in de Iraanse presidentsverkiezingen van 2009.

De uiteindelijke officiële uitslag gaf Ahmadinejad 64,2 procent van de stemmen en Mousavi 33,9 procent. De verkiezingen in Iran waren duidelijk vrijer en opener dan in Egypte, waar Moebarak meestal de enige kandidaat was, of Tunesië, waar Ben Ali gegarandeerd minstens 90 procent behaalde. Mousavi beweerde echter dat hij, en niet Ahmadinejad, de verkiezingen gewonnen had en riep zijn aanhangers op om op straat te komen.

Er volgden een aantal grote betogingen en groen werd het symbool voor diegenen die de verkiezingsuitslag niet aanvaardden. Sindsdien poogt de oppositie af en toe te mobiliseren, maar de echt grote betogingen blijven uit. In – weliswaar georchestreerde – betogingen slaagt de Iraanse regering er zelf ogenschijnlijk wél in miljoenen betogers op de been te brengen.

Ook woensdagochtend waren er incidenten tussen voor- en tegenstanders van de regering. De Iraanse bevolking is duidelijk verdeeld. Sommigen steunen de regering volledig, anderen slechts ten dele, nog anderen helemaal niet. Hoe talrijk de aanhangers van deze groepen precies zijn, is moeilijk te zeggen, maar de zaken voorstellen als  “regime tegen bevolking” is duidelijk te makkelijk. Sterker nog, recente opiniepeilingen van onder meer het Amerikaanse US Institute for Peace en Charney Research lijken de officiële uitslag van 2009 te bevestigen.

Dat de Groene Beweging niet meteen heel veel mensen op de been krijgt, heeft ze in de eerste plaats aan zichzelf te wijten. In 2009 incarneerde ze nog het oprechte gevoel van mensen die vonden dat hun stem niet gehoord werd, maar sindsdien ging het bergaf. Begin 2010 schreef het Amerikaanse Iran Regional Presence Office (IRPO) dat Westerse media het belang van het protest overschatten en dat de impact van de “Groenen” zeer beperkt was.

Mousavi had al opgemerkt dat de Groene beweging meer aandacht moest geven aan de werkende klassen. Het IRPO stelde vast dat arbeiders en etnische groepen weinig boodschap hadden aan de Groene beweging. 

Twee weken geleden maakte de Iraanse communistische partij Tudeh in haar nieuwsbrief duidelijk waarom. Volgens de Tudeh heeft de oppositie dringend nood aan een “progressief economisch programma”. Dat men dergelijk programma twee jaar na de verkiezingen nog steeds ontbeert, is natuurlijk veelzeggend.

Ook inzake buitenlandse politiek blijft de vraag waar de beweging eigenlijk voor staat. In 2009 bekritiseerde ze Ahmadinejad eerst voor zijn “confrontationele diplomatie”, maar toen de president wat later het westerse ‘uranium-swap-voorstel’ aanvaardde, was hij opeens “te toegeeflijk”.

Op de ‘solidariteitsbetoging’ van maandag deed de slogan “Noch Gaza, noch Libanon; [maar] Tunesië, Egypte en Iran” dan weer uitschijnen dan niet alle volkeren de “groene” solidariteit waard zijn.

Het maakt de beweging kwetsbaar voor manipulatie. Het Iraanse persbureau Fars News meldde dat bepaalde betogers door vanuit het buitenland gesteunde organisaties bewapend waren. En ook Mousavi gaf toe dat ‘buitenlanders’ de Groene Beweging voor hun eigen doelen proberen te gebruiken.

Het hoeft dus niet te verbazen dat ondanks de steun van Clinton, veel Iraniërs twijfelen. De overgrote meerderheid wil wel hervormingen, maar geen nieuwe revolutie. Dat is begrijpelijk. Enerzijds bracht de Islamitische Republiek een zekere sociale vooruitgang, zelfs voor vrouwen. Een geboortebeperkingsplan bracht het gemiddelde aantal kinderen per vrouw terug van 6,2 in 1986 tot 2,1 in 2003.

De alfabetiseringsgraad voor meisjes steeg van 35 procent in 1976 naar 74,5 procent in 1996.  Een hele verbetering tegenover de Sjah-periode. Volgens Unicef is vandaag 97 procent van de vrouwen tussen de 15 en de 24 geletterd. Het aantal vrouwelijke universiteitsstudentes is dermate groot geworden dat de overheid minimumquota van 30 procent mannelijke studenten voorstelt. In die context verbaast het niet dat Iran ook een vrouwelijke vicepresident heeft.

Maar de economische problemen blijven wel enorm. Niet alleen zijn er de werkloosheid en de groeiende kloof tussen arm en rijk, ook de economische afhankelijkheid van olie maakt het Iran niet makkelijk. Door een hoge interne consumptie en een gebrek aan raffinaderijen moet het olierijke Iran zelfs brandstof invoeren, een serieuze rem op haar ontwikkeling.

Via de ontwikkeling van nucleaire energie, het investeren in raffinaderijen en het afschaffen van energiesubsidies hoopt Ahmadinejad hier verandering in te brengen. Het afschaffen van subsidies werd eerder al geprobeerd door presidenten Rafsanjani en Khatami, nu in de oppositie.

Maar het is risicovol, want hoewel de president de minderbedeelden een helpende hand belooft, zou het de armoede in Iran – en de voedingsbodem voor het protest – wel eens sterk kunnen doen toenemen. Een voorbeeld hiervan zagen we in Abadan waar oliewerkers maandag het werk neerlegden.

Dat Clinton nu haar ‘solidariteit’ uitspreekt met de protesten is de schaamte voorbij. De steeds strengere internationale sancties zijn er immers in de eerste plaats op gericht deze problemen nog groter te maken. Washington wil de Iraanse economie helemaal wurgen door handel onmogelijk te maken.

De sancties treffen de burgerluchtvaart en de financiële sector, maar ook ziekenhuizen en mogelijk tot 850.000 kankerpatiënten. Hoe meer armoede en miserie, hoe makkelijker het land te destabiliseren valt, denkt Washington. Een perverse redenering, waar vooral de gewone Iraniër het slachtoffer van wordt.

Marc Botenga

Marc Botenga (Ph.D., IMT Institute for Advanced Studies, Lucca, Italië) studeerde in Iran en werkt momenteel als onderzoeker over het land.

take down
the paywall
steun ons nu!