Wat is de plaats van de sociaal-artistieke beweging in de wereld van ‘kunst en cultuur, vraagt Geert Six zich af
Nieuws, Cultuur, België, Harelbeke, Dèmos, Geert Six, Bloemenwijkfeesten, Kunstenaarsschap, Sociaal-artistieke beweging - Geert Six

Ist jeder Mensch ein Künstler?

Wat is de plaats van de sociaal-artistieke beweging in de wereld van ‘kunst en cultuur? Op de boekvoorstelling 'Kunst in deze wereld', maandagavond in het Brusselse Kaaitheater, dacht Geert Six daarover na.

woensdag 26 januari 2011 16:45

Goeieavond, ik ben Geert. Zo begint dat, ik zeg mijn naam. Ik zeg wie ik ben. Een naam, een mens, met een adres.

We schrijven begin de jaren zeventig, de mens was nog maar net op de maan geland. De oliecrisis brak uit, mijn vader viel zonder werk, er waren autoloze zondagen, er werd betoogd en gestaakt. De politici deden nog huisbezoeken, de pastoor kwam nog zagen en klagen wanneer je niet voor zijn onderwijsnet koos.

Ik had net voor de eerste keer toneel gespeeld, verkleed als ‘boerinneke‘, de koeien denkbeeldend melkend. Dat toneelke was onderdeel van de bloemenwijkfeesten in Harelbeke. Ieder jaar werd daar door de wijkbewoners een groots bal opgezet, dat duurde dan een zeer lang weekend lang. Er was een tombola, een vinkenzetting, een teken- en ballonwedstrijd voor de allerkleinsten.

Er was spel-zonder-grenzen voor de al wat grotere kinderen met tal van prachtige prijzen, zoals onder meer stiften in een gekleurde etui. “Een etui”, zei mijn zus trots!

Er was ook een wielerwedstrijd voor junioren en koffienamiddag voor de bejaarden. Een openingsreceptie op vrijdagavond, een groots dansfestijn op zaterdagavond opgeluisterd door o.m Will Blondy en het Anra-sextet, op zondagavond was er dan een themavond, dan danste de hele wijk verkleed. Het belangrijkste voor de papa’s was de doorlopende worstenkaarting.

Het belangrijkste voor mij was echter het jaarlijkse optreden van Vader Kapoen in de kleuterklas. Vanaf mijn vier jaar mocht ik mee de poppenkast in, ik gaf de poppen aan en maakte de geluiden. Ik scheen met een gekleurde zaklamp en maakte wind met papier en metaal. Achteraf werd ik beloond met een frisco. Later besefte ik dat die frisco veel groter was dan ik ooit had kunnen denken.

Enfin, de bloemenwijkfeesten, niemand verdiende er een frank aan, er was gratis entree, het bier was nooit lauw en ook niet duur, de feesttent werd samen opgezet en afgebroken, de hele wijk was betrokken, niemand werd vergeten, niemand werd uitgesloten. Er moest nog geen subsidiedossier worden opgemaakt, geen geluidsnorm gerespecteerd, geen veiligheidsvoorwaarden nageleefd. Er was van doelgroep of participatie nog geen sprake.

“Enfin, de bloemenwijkfeesten, niemand verdiende er een frank aan, er was gratis entree, het bier was nooit lauw en ook niet duur, de feesttent werd samen opgezet en afgebroken, de hele wijk was betrokken, niemand werd vergeten, niemand werd uitgesloten”

Niemand vroeg zich af of er hier sprake was van een ontmoeting tussen subculturen, welke de positieve of negatieve aspecten waren van dit gebeuren. Geen enkele student kwam de wijkbewoners bevragen omtrent mogelijke persoonlijke veranderingen die de feesten met zich meebrachten. Geen thesis, geen verslag. Enkel de uitslag van de tombola in het stadskrantje.

Intussen is het feest ter ziele gegaan. Het feestcomité werd te oud om de boel te blijven trekken, en de nieuwe jonge inwoners die in de jaren negentig in de wijk kwamen wonen, hadden aan dat soort feest geen boodschap meer. Het plein waar vroeger de feesttent stond, is nu een parkeerplaats geworden waar de tweede of derde auto staat van de nieuwe middenklasse die, mee opgevoed door media en kapitaal, liever alleen de polonaise danst.

Intussen zijn in Harelbeke ook de drie volkshuizen van de drie heersende politieke partijen verdwenen: de Germinal van de sossen, de Gilde van de tsjeven en Au Cercle van de liberalen. Alledrie die volkshuizen zijn nu vervangen door banken. Die hebben alle crisissen overleefd, die van de jaren zeventig, tachtig, negentig en de meest recente. Steeds doken er vers kapitaal en nieuwe woekerwinsten op. Steeds werd iedereen een beetje rijker. Allen werden we armer. Zuurder, eenzamer, kwader, meer gestresseerd.

“Steeds werd iedereen een beetje rijker. Allen werden we armer. Zuurder, eenzamer, kwader, meer gestresseerd”

We verloren een gemeenschappelijk kunstenaarsschap. Dat van: we zetten een bakske bier buiten en we babbelen met elkaar, het zijn frieten vandaag, eet ge mee? Het zal op gene patat aankomen. Onze cultuur is verstoord. We geraken niet meer voorbij onze façade, de theorie vindt de praktijk amper. We beheren en organiseren alles tot ver voorbij de komma. Maar de echte begeerte is weg, het grote ideaal gestorven.

We zoeken antwoorden via entertainment, via zachte heelmeester TV. Man bijt hond. Die hond trekt weer de wijk in op zoek naar de ‘volksmens’, op zoek naar menselijkheid en banaliteit. Op zoek naar datgene wat we zelf liever niet zijn. Of heb ik het verkeerd?

Los daarvan is die mens en zijn verhalen het opzoeken en omzetten waard. Niet voor het exotische ervan, maar voor de complexiteit. Voor de raakpunten die die verhalen hebben met hoge en lage kunst. Om aan te tonen dat de existentiële strijd van de overlever / outsider, in een land dat nog amper zijn naam wil dragen, essentieel is voor het vinden van nieuwe inzichten in de kunsten, de politiek, de economie.

Wat heeft dit nu allemaal te maken met het sociaal artistieke werkveld? Simpel gezegd … alles

De bloemenwijkfeesten zijn de humus geworden van mijn werk. Iedere keer weer probeer ik dat feest vorm te geven, een hoogmis van menselijke en creatieve uitwisseling. Een gevecht tegen vooroordelen en hoon. Een kunst die niet voor kunst wordt aanzien. Onze wc-bril staat nog niet in het museum.

Nee, in de artistieke wereld is de outcast niet echt welkom. Zijn taal en gedrag lijkt wezenlijk te verschillen van die van de kunstenaar. Ze blijken onverenigbaar. Het ene verhaal waarschijnlijk te banaal, te simpel, te laagdrempelig voor de kunst zelf. Het andere verhaal dan weer te onbereikbaar, onverstaanbaar, te abstract, te duur voor Jan met de pet.

“Een gevecht tegen vooroordelen en hoon. Een kunst die niet voor kunst wordt aanzien. Onze wc-bril staat nog niet in het museum”

Gelukkig is er voor die outcasts nu een aparte categorie, het sociaal-artistieke. Een duidelijke sector, goed omkaderd en beheerd door zij die over macht en retoriek beschikken.

Natuurlijk is het woord ‘transversaal’ een schoon woord, maar in de praktijk plooien alle sectoren het liefst terug op zichzelf.

In het sociaal-artistieke is het dus de kunst om te zoeken naar een andere taal en andere symbolen. Samen met diegenen die buitenspel staan of een ander spel willen spelen. Die buitenstaanders blijken onuitputtelijke bronnen van inspiratie. Door hun existentiële strijd bieden ze de kunstenaar de kans om zich los te maken van zijn veilige positie.

De kunstenaar kan er ontsnappen aan de wurgende drang van productie en concurrentie. De kunstenaar kan er een ander en vrij traject afleggen in een ongekend bad.

“In het sociaal-artistieke is het dus de kunst om te zoeken naar een andere taal en andere symbolen. Samen met diegenen die buitenspel staan of een ander spel willen spelen”

Dat is toch wat iedere kunstenaar wil? Het gevaar opzoeken? De actuele problematieken aan den lijve ondervinden? Zichzelf kunnen plaatsen binnen een tijdsgeest?

Dat is toch wat de kunstenaar wil? Of heb ik het verkeerd?

De kunstenaar die met het sociaal-artistieke aan de slag gaat, verliest op slag al zijn gekende instrumenten. Geen methode die soelaas brengt als de speler dakloos is of wordt, met kunstgeschiedenis kun je dan niets uitrichten. Op het eerste gezicht.

Wanneer je echter daadwerkelijk luistert en zoekt, vind je tussen het stof en de krassen op de ziel heel ons repertoire terug. Dat is een lang proces. Dat vergt van de kunst, van haar handelen en spreken een andere ethiek, een andere morele code, een open houding tegenover de brede waaier aan menselijke en contextuele diversiteit.

In een snel veranderende tijd, op het moment dat de sociaal-democratie op haar adem trapt, moet ook de kunst zichzelf in vraag durven te stellen. Wil ze een kritisch en innoverend instrument blijven waar het vrije onderzoek kan leiden tot nieuwe stromingen?

“In een snel veranderende tijd, op het moment dat de sociaal-democratie op haar adem trapt, moet ook de kunst zichzelf in vraag durven te stellen”

Binnen de kunst zelf, maar ook nieuwe wegen opent voor maatschappelijke en politieke hervormingen. Dan moet ze zich ten volle in de samenleving werpen. Met haar volledig kapitaal, met haar verbeelding en anarchistische kracht. Niet om de samenleving of de heersende elite ter wille te zijn, maar om die elite en zichzelf in vraag te stellen.

Achter de vinkenzetting komt de zon op. Vogels zingen hun lied. Dit is een wedstrijd. Mannen, vrouwen en kinderen zetten krijtstrepen op houten stokken. Er heerst een sacrale stilte. In de verte dendert een trein. Het licht verandert bijna onopgemerkt. Boven de hoofden cirkelt een vliegtuig met een reclamewimpel waarop staat: “Ist jeder Mensch ein Künstler?”

Het publiek denkt na. Iemand roept na een lange stilte: “EINDE”. Zo gaat dat met locatietheater.

Geert Six

Geert Six is als acteur en regisseur één van de gangmakers van de sociaal-artistieke beweging ‘De Unie der Zorgelozen’. Hij speelt momenteel in Godses, een universeel verhaal over oorlog en een veranderende wereld.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!