Thuishaven van de coöperatie Mondragon

 

Nieuws, Economie, Samenleving, België, Crisis, Sociale bewegingen, Coöperaties, Sociale economie, Kapitalisme, Dienstencheques, Gent, Tiens tiens, Tegenmacht, Concurrentievervalsing, Activeringsbeleid, Reguliere arbeidsmarkt, Subsidiebeleid, Economische efficiëntie, Doorstroming, Doelgroepenbeleid, Uitsluiting, Arbeidszorg, Buurt- en nabijheidsdiensten, Lokale diensteneconomie, Sociale desintegratie -

De comeback van de sociale economie

Ondanks alle onheilsberichten over bedrijven in moeilijkheden, massaontslagen en piekende werkloosheidscijfers is er toch één sector die het uitstekend blijft doen. De sociale economie met name; die een ware bloeiperiode lijkt te beleven. Maar of dat nu echt zo’n goed nieuws is valt nog te bezien.

woensdag 22 september 2010 11:30

Het is namelijk niet de eerste keer dat we een opbloei van de sociale economie zien. Specialisten terzake hebben het zelfs over verschillende ‘golven’. En die golven blijken altijd op te komen in periodes waarin het globaal bekeken niet zo goed gaat.

Back to the future

De eerste golf kwam er in het begin van de negentiende eeuw en viel samen met de industrialisering en de doorbraak van het kapitalisme. Voor een groot deel van de bevolking betekende dat zoals bekend allesbehalve een zegen.

De negentiende-eeuwse pioniers van de sociale economie hadden dan ook van meet af aan de ambitie een alternatief te bieden voor dat kapitalisme. Ze wilden af van een eenzijdig op winst en efficiëntie gerichte economie en vroegen ook aandacht voor de sociale dimensie.

Overal in de industrialiserende wereld ontstonden sociale bewegingen die een sociale en economische tegenmacht wilden opbouwen. Deze bewegingen maakten het mogelijk sociale correcties aan te brengen en diensten te verlenen aan hun leden.

De werkvorm die bij deze eerste generatie het populairst was, was de producentencoöperatie. Die coöperaties werden sterk gepromoot door de vroegste socialistische bewegingen. Maar ook bij sociale christenen die zich zorgen maakten over de teloorgang van de sociale verbanden en het isolement van het individu vond de idee van de coöperatie weerklank.

In de jaren dertig van de negentiende eeuw was er aan de Leuvense universiteit al een leerstoel ‘sociale economie’.

En zelfs sommige liberalen waren bepaalde aspecten van de sociale economie niet ongenegen. Hoewel ze het vrij ondernemerschap boven alles plaatsten en elke staatstussenkomst verwierpen, waren ze precies om die reden ook voorstander van ‘zelfhulporganisaties’ onder de arbeiders.

De tweede golf deed zich voor tijdens en na de grote crisis van de jaren 1870. Als nieuwe werkvorm ontstonden toen de landbouwcoöperaties en de spaar- en kredietcoöperaties.

De volgende golf kwam er na de crash van 1929 en de daaropvolgende grote depressie. Toen  kwamen ook de consumptiecoöperaties voor voedsel en huisvesting in zwang.

De vierde golf

De constante bij deze drie eerdere bloeiperiodes van de sociale economie lijkt te zijn dat ze ontstonden onder druk van de omstandigheden. En die omstandigheden kwamen erop neer dat de ‘reguliere‘ economie een groot sociaal deficit veroorzaakte waaraan de overheid niet kon en/of wou verhelpen.

Dat lijkt ook de voornaamste oorzaak van het ontstaan van de huidige – vierde – golf te zijn. Die is niet toevallig eind jaren zeventig opgekomen, samen met de aanvang van de ’neoliberale mondialisering’.

Die combineerde verregaande deregulering met een zich terugtrekkende overheid; alle heil zou voortaan van een dankzij deze combinatie uitbundig bloeiende privésector komen.

Maar van dat befaamde ‘trickle down effect’ – één van de centrale geloofsartikelen uit de neoliberale catechismus – bleek in de praktijk maar weinig in huis te komen. In plaats daarvan kregen we een duale samenleving met een steeds breder en dieper wordende kloof tussen ‘haves’ en ‘have-nots’.

Bovendien zorgde die neoliberale mondialisering nog voor een hele reeks andere problemen, zoals de milieucrisis en niet aflatende migratiestromen. En de overheid, noch de markt leek in staat deze problemen het hoofd te kunnen bieden. Daarmee was opnieuw voldaan aan de voorwaarden die in het verleden voor een opbloei van de sociale economie hadden gezorgd.

En opnieuw probeerden burgers in het vacuüm dat daardoor ontstond een antwoord te formuleren op de acute en onopgeloste problemen die zich stelden.

Er ontstonden dan ook tal van initiatieven die een oplossing wilden bieden voor de milieuproblematiek, de Noord-Zuidproblematiek en een hele reeks sociale kwalen zoals de sociale desintegratie en het nieuwe probleem van de structurele werkloosheid waarmee een groot deel van de vooral lagergeschoolden geconfronteerd werd.

En dat via het leveren van goederen en diensten – via economische activiteiten dus – maar dan op een manier dat niet alleen de organisatoren van die activiteiten daar voordeel bij hebben, maar ook de samenleving als geheel.

De problemen waarop de sociale economie een antwoord wil bieden, zijn heel verscheiden en ook de sociale economie zelf vertoont bijgevolg een even grote verscheidenheid. Tegenwoordig zijn er ongeveer 800 bedrijven actief in de sector die samen werk bieden aan bijna 30.000 mensen.

Oneerlijke concurrentie

Het beeld dat de meeste mensen hebben van de sociale economie is dat van een sector die vooral werkverschaffing beoogt voor diegenen die in het normale economische circuit uit de bood vallen (of geduwd worden, zo u wilt).

Maar dat was oorspronkelijk dus niet helemaal het geval. De definitie die het Vlaams Overleg Sociale Economie in de jaren negentig hanteerde, was ruimer: “De sociale economie bestaat uit een verscheidenheid van bedrijven en initiatieven die in hun doelstellingen de realisatie van bepaalde maatschappelijke meerwaarden voorop stellen en hierbij de volgende principes respecteren: voorrang van arbeid op kapitaal, democratische besluitvorming, maatschappelijke inbedding, transparantie, kwaliteit en duurzaamheid.”

De evolutie naar een steeds concurrentiëlere economie die steeds meer en hogere eisen stelt aan werknemers heeft er voor gezorgd dat steeds meer mensen daar niet meer aan de bak komen waardoor het probleem almaar acuter werd.

Hierdoor zijn de bedrijven in de sociale economie zich ook meer gaan richten op deze problematiek. Bovendien heeft de sector ook steun gezocht en gekregen bij de overheid en dat net op het moment dat die het neoliberalisme light van de actieve welvaartstaat voorstond.

En het aloude adagium ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt‘ lijkt ook hier weer op te gaan. De overheid lijkt van de sociale economie te verwachten dat die zich inschakelt in haar ‘activeringsbeleid’.

Er is nog een andere groep die zo haar eigen verlanglijstje heeft ten aanzien van de sociale economie. Dat zijn de ondernemers uit de reguliere economie die de sector met een scheef oog bekijken.

‘Oneerlijke concurrentie’, want gesubsidieerd door de overheid, weet je wel. Ook de werkgeversorganisaties hebben dus hun stem in het kapittel. Ze zijn er in geslaagd om op vrijwel alle niveaus waar beslissingen vallen, vertegenwoordigd te zijn en hebben zo ook directe invloed op de evolutie van de sector.

Een voorbeeld van de richting waarin de sector evolueert, is de omvorming van de in de jaren negentig ontstane ‘buurt- en nabijheidsdiensten’ naar ‘lokale diensteneconomie’.

De buurt- en nabijheidsdiensten waren oorspronkelijk zeer lokaal verankerde organisaties die een zeer verscheiden aanbod van diensten, zoals kinderopvang, boodschappen doen voor bejaarden, hulp bij het schoonmaken of verhuizen, sociale restaurants, enzovoort hadden voor de onmiddellijke omgeving waarin ze gevestigd waren.

En dat was vooral in kansarme buurten omdat hun voornaamste doelstelling het verhogen van de kwaliteit van de leefomgeving was. Wat zij deden, was een soort van combinatie van samenlevingsopbouw en socale stadsvernieuwing.

Volgens een definitie van de Koning Boudewijnstichting uit 2003 beantwoordden ze daarbij aan volgende kenmerken: “ze verhogen de leefkwaliteit van de gebruikers door in te spelen op relevante collectieve en persoonlijke behoeften, ze creëren duurzame arbeidsplaatsen voor alle medewerkers – waarvan minstens de helft gerekruteerd wordt uit kansengroepen en ze betrekt medewerkers en andere belanghebbenden op een participatieve wijze bij zowel de interne organisatie als de externe dienstverlening”.

“Deze drie kenmerken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zodat de voorziening meer is dan een gewone som van de onderdelen.”

Nu werden deze ‘buurt- en nabijheidsdiensten’ vanaf 2006 met de collectieve invoegbedrijven samengevoegd in de ‘lokale diensteneconomie’ waarbij ze sterk werden ingeperkt en aan een hele reeks nieuwe en bijkomende voorwaarden moesten voldoen.

Zo mag hun aanbod voortaan alleen nog maar ‘aanvullend zijn ten aanzien van het bestaande reguliere dienstenaanbod, zowel wat betreft hun specificiteit als hun kostprijs én toegankelijkheid’.

Het gaat met andere woorden enkel nog om diensten die ‘niet commercieel vermarktbaar zijn.’ Ook kan er niet meer met dienstencheques worden betaald voor hun diensten, kwestie van niet ‘concurrentievervalsend’ te zijn.

Ook worden ze op een andere manier betoelaagd. Waar ze vroeger een brede experimentele enveloppefinanciering, waarmee zowel werkingskosten als personeelskosten betaald konden worden, krijgen ze nu een gerichte subsidie per doelgroepmedewerker, en dan nog enkel voor doelgroepwerknemers die bijkomend worden aangeworven.

En die doelgroepmedewerkers zijn strikt omschreven: een doelgroepwerknemer mag maximaal een diploma HSO hebben en moet minstens één jaar ingeschreven zijn bij de VDAB als niet-werkend werkzoekende.

Dat enkel nieuwe doelgroepwerknemers voor subsidie in aanmerking komen, wijst erop dat de overheid verwacht dat er aan ‘doorstroming naar de reguliere arbeidsmarkt’ wordt gewerkt.

Anders en beter?

Dat zijn evoluties die door de pioniers en de oude rotten in de sector soms met lede ogen worden aangezien. De gecombineerde invloed van een overheid die vooral activering hoog in het vaandel voert en werkgeversorganisaties die concurrentievervalsing vrezen en daarom vooral aandringen op meer ‘economische efficiëntie’ en ‘marktconformiteit’ zorgt er voor dat de sector grondig veranderd is.

De nadruk op ‘activering’ zorgt ervoor dat de aanpak van de ‘doelgroepwerknemers’ vooral veel restrictiever is geworden. Dit wil zeggen gericht op disciplinering en aanpassing aan de eisen van de arbeidsmarkt.

Ook al komt er van de beoogde ‘doorstroming’ in de praktijk maar weinig terecht, de verstrengde eisen aangaande economische efficiëntie zorgen ervoor dat de sociale economie toch vooral economie is.

Dat is onder meer te merken aan de uitval van personeel. Want deze evoluties zorgen ervoor dat ook in de sociale economie steeds meer mensen uit de boot vallen. Uitsluiting is ook in de sociale economie al lang geen zeldzaamheid meer.

Maar geen nood, daar hebben we intussen een aparte werkvorm voor. Arbeidszorg met name. Arbeidszorg is volgens de definitie van VOSEC “bedoeld voor mensen die niet, nog niet of niet meer terechtkunnen in het reguliere of beschermde arbeidscircuit. De arbeidszorg wilt ook voor deze mensen het recht op arbeid waarborgen. De arbeidszorg biedt hen arbeidsmatige activiteiten aan in een werkomgeving die ofwel op productie ofwel op dienstverlening is gericht, en ondersteunt hen daarbij”. 

Daar worden ze dan wel niet voor betaald, hoewel arbeidszorg in sommige gevallen – voor wie het geluk heeft in aanmerking te komen voor het meerbanenplan – wel verplicht is.

Maar goed, je kunt ook niet alles willen.

Koen De Stoop

Koen De Stoop is redacteur bij de Gentse stadskrant TiensTiens. Dit artikel verscheen eerder in het zomernummer (nr. 22) van ‘TiensTiens. De andere k(r)ant van Gent’.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!