Links moet op zoek naar andere schalen: vier vaststellingen
Opinie, Nieuws, Politiek, België, Tmd, Verkiezingswaarnemers -

Links moet op zoek naar andere schalen: vier vaststellingen

Valt er nog iets toe te voegen aan de analyses van de nogal vanzelfsprekende verkiezingsuitslagen? Eric Corijn geeft kritisch commentaar.

donderdag 24 juni 2010 16:34

Eerste vaststelling: in het noorden is er aan rechterzijde een nogal radicale herschikking. Het succes van de N-VA zuigt Vlaams-nationalisten uit het Vlaams Belang, LDD, CD&V, VLD en ook uit alle andere partijen.

Positief daarbij is de uitzuivering van het Vlaams Belang, dat na twintig jaar geslaagd cordon sanitaire opnieuw wordt herleid tot de racistische Vlaamse rechterzijde. De partij kan zich nu verder intern verscheuren op zoek naar een nieuwe strategie. Maar De Winter heeft wel gelijk dat zijn agenda nu is overgenomen. En gemeengoed geworden.

Het succes van de N-VA betekent dus ook een verrechtsing van het Vlaamse centrum. De Wever neemt de positie van Leterme over op een meer expliciet economisch-liberale en ook een meer ethisch-conservatieve lijn. Zijn middenveld is eerder VOKA en UNIZO dan wel het ACW. En dat voedt ook de diepe crisis binnen de CD&V, waarin de vleugel van Kris Peeters het Vlaamse spel wil meespelen.

Krachtsverhoudingen

Of het nationalisme haar rechts programma kan uitvoeren zal afhangen van twee krachtsverhoudingen. In Vlaanderen is de linkerzijde inderdaad minder getroffen door de “tsunami”, maar hun resultaat blijft historisch laag.

Groen! gaat lichtelijk vooruit. De SP.A valt echter verder terug. Het “alle hens aan dek” draagt niet bij tot een zeer duidelijke profilering. Over een forse bezuiniging lijkt er wel eensgezindheid, en een vermogenswinstbelasting zal wel geen breekpunt zijn.

Over het algemeen blijft dat SP.A-kamp zeer “Vlaams” en durft het de premissen van De Wever nauwelijks tegen te spreken. We zullen nog zien wanneer Frank Vandenbroecke de institutionele onderhandelingen instapt.

De tweede krachtsverhouding is natuurlijk die met Elio Di Rupo. De overwinning van de PS en de nederlaag van de MR (en dus ook van het FDF) wijst erop dat het afwijzingsfront tegen een staatshervorming het heeft begeven, en dat de Franstalige kiezers nu de verworven sociale rechten willen verdedigen.

Er komt dus waarschijnlijk wel een staatshervorming, maar met welk sociaal economisch programma? Het heersende discours lijkt dat over te laten aan de “twee democratieën”.

De eerste tussenstap van De Wever naar een zelfstandig Vlaanderen zal zich dus richten op de economische en fiscale hefbomen en de arbeidsmarktpolitiek. Het behoud van één sociale zekerheid kan dan worden aanvaard als bewijs van de wil tot solidariteit. Die kan dan in een later stadium, wanneer de competitie tussen de regio’s haar vruchten heeft afgeworpen, verder worden afgebouwd.

Daartegenover zal Di Rupo nu wel degelijk een bezuinigingspolitiek aanvaarden om de staatsfinancieën te saneren en om de competitiviteit op te voeren. De gehele politiek speelt zich af in termen van “dialoog” tussen verschillen. Als er een regering komt zal die niet alleen BHV splitsen, maar ook het economisch beleid in stukken snijden.

  1. Er zijn dus wel degelijk “twee democratieën”, twee publieke opinies en dat komt door de media. Laat ik beginnen met een opmerkelijk stijlverschil in de media van noord en zuid. Er is een duidelijk verschil in de omgang met de politiek.

    De Vlaamse journalistiek is ontvoogd uit de zuilen en de partijdige berichtgeving, maar is intussen wel volledig opgegaan in een vermarkte, dus commerciële en ook zeer competitieve benadering. Journalistieke deontologie is vooral die van de kijkcijfers, het marktaandeel en de klantenbinding. Daarin is de politiek en het maatschappelijke een vreemd lichaam dat met de nodige afstand maar ook met ironie en veel sarcasme moet worden benaderd. Onafhankelijke journalistiek is dan ook dikwijls cynisch, respectloos, onbeleefd en brutaal. De vele soorten “watchers” die nu tot de sterjournalistiek behoren, permitteren zich een denigrerende stijl en persoonlijke opmerkingen die niets meer te maken hebben met professionele duiding. Commentaar is echt wel “commentaar” en geenszins “analyse”.

    In het zuiden blijven de politieke duiding en debatten traditioneler, en blijven de politiek en de politici meer aan zet. De politieke controle is er misschien nog iets groter, maar het wederzijds respect in het politiek-mediatieke complex is meer voelbaar. De toonzetting is dus sterk anders.

    In Vlaanderen zijn de media, of beter vele aspecten van de media, deel van een antipolitieke stemmingmakerij. De formats zijn die van spelprogramma’s. Interviews worden snel kwissen. En van zodra een politicus het wat minder doet wordt hem gevraagd wanneer hij er mee ophoudt, wanneer hij “een stap opzij” zal zetten of “de eer aan zichzelf” zal houden, want zo heet dat dan.

    Het zou goed zijn die dominante stijlverschillen eens onder de loep te nemen en mee te nemen als variabele in de verklaring van de grotere stabiliteit van het electoraat in het zuiden, versus een zeer volatiel electoraat in het noorden. Politiek is serieuze zaak in het zuiden, het is een spel in het noorden. De antipolitiek en het populisme scoren dan ook hoger in het noorden. Op dat terrein doet de progressieve stem het altijd minder goed.
     

  2. Er is ook een pijnlijke overeenkomst, waarschijnlijk eigen aan het mediatieke werk zelf: het is een zeer zelf-referentiëel systeem. Een goede berichtgeving of een goede uitzending wordt door de groep van makers zelf beoordeeld. Er is een grote mate van inteelt. En die inner-circle wordt meer bepaald door de structuur van de instellingen dan door de samenstelling van de maatschappij.

    Dat betekent zeer concreet dat de journalistiek in België gevangen zit in het communautaire discours, en sterk deel uitmaakt van het eigen volk en de eigen “evidenties”. De politieke berichtgeving volgt dus de agenda’s van de politieke partijen die in dit land tribaal zijn georganiseerd.

    De pers maakt zelf deel uit van de “persoonsgebonden” materies en zijn dus communautaristisch. In die zin dragen de media bij tot de voortdurende reproductie van het idee dat België bestaat uit twee (en niet drie of zelfs veel meer) gemeenschappen en tot het even onjuiste idee dat die gemeenschappen een territorium hebben (terwijl alleen de gewesten een territorium hebben en elk gewest in België een culturele minderheid heeft).

    De media, als de belangrijkste producenten van de publieke opinie, sluiten in die zin nauw aan bij sommige instellingen en politieke organisaties om de samenleving voor te stellen als eentalige gebieden met elk een bijna eenduidige eigenheid. Zij zijn de dragers van de stelling van Bart De Wever: “er zijn twee democratieën in dit land”. Het is de institutionele organisatie en haar representatie in de media die daarvan een self-fulfilling profecy maakt.

    De Belgische politiek en publieke opinie worden aan beide kanten van de taalgrens sterk nationalistisch gestructureerd. Dat daarin de nationalisten uiteindelijk ook verkiezingen winnen is logisch. Om de kiesdrempel te halen moet je het eerst maken in de media. Daar zitten de gatekeepers van het systeem. Over de mensen en over de thema’s.
     

  3. Terwijl het politieke debat beperkt wordt tot die – communautaire – schaal ontsnappen andere en soms meer beslissende schalen aan de aandacht: ik noem de Europese politiek en de stedelijke gebieden. En vermits de hoofdtegenstelling steeds die met de andere gemeenschap is, worden veelal ook de interne spanningsvelden onderbelicht.

    Brussel blijft de doorn in het oog van de nationalisten. Omdat het niet beantwoordt aan de grondregel van de Belgische federale staat: ééntalige gebieden. Daarom ook weigeren zij Brussel als een volwaardig gewest te erkennen. De eentalige gemeenschappen willen immers de volle bevoegdheid over dat stadsgewest behouden.

    De gemengde werkelijkheid van de stad zelf moet daartoe uit het zicht blijven. En juist daarin ligt de bron van het slecht bestuur dat Brussel wordt aangewreven. Zeker, er zijn teveel zelfstandige diensten en gemeenten, en bevoegdheden moeten worden overgedragen naar het gewest. Maar vooral de niet-samenwerkende gemeenschappen weigeren in een gezamenlijk stadsproject te stappen. En zolang dat niet gebeurt zullen ook de gemeentelijke bastions blijven bestaan.

    Ze zijn immers nog de enige democratische kiesomschrijvingen in het Belgisch apartheidsregime, en dus de enige plek waar de Franstalige meerderheid aan bod komt. Jammeren over slecht bestuur is nogal potsierlijk wanneer men zelf deel is van het probleem.

    De Belgische instellingen zijn ontoereikend om het probleem van Brussel en het ommeland een redelijke oplossing te geven. Want meer nog dan de vermeende rechten van Franstalige mensen in Vlaamse randgemeenten is het van belang na te denken over een goed bestuur van een grootstedelijke ontwikkeling die onvermijdelijk uitzwermt buiten de negentien gemeenten. En dat doorkruist de gehele taalkwestie.

    Brussel is het derde rijkste gewest van Europa, met een bevolking die 15 procent minder verdient dan het nationaal gemiddelde. Rijk gewest, arme bevolking. Een derde op of onder de armoedegrens, met wachtlijsten voor sociale woningen ( 26 procent van de bevolking voor 8 procent van het woningaanbod), met 100.000 werklozen, met een massale jeugdwerkloosheid… Kortom een problematiek die Louis Tobback in zijn rijke middenklassestad niet tegenkomt.

    Die Brusselse stedelijkheid is niet te begrijpen wanneer men niet inziet dat van de 700.000 arbeidsplaatsen in het gewest 56 procent wordt ingenomen door niet Brusselaars. 360.000 mensen komen in Brussel werken en wonen in het ommeland. De economische groei van Brussel – en die is er – komt vooral de rand ten goede.

    Daarom zijn Waals- en Vlaams-Brabant ook de rijkste provincies van het land. En die uitzwerming zal nog versterken eenmaal het Gewestelijk Expressnet de pendelaars sneller en van verder zal aanvoeren. Want ook al neemt de bevolking in Brussel snel toe, ook de stadsvlucht blijft aanhouden. Wie zal er blijven wonen in een stad waar meer dan de helft van de mensen te veel betaalt voor zijn woning, en die daarenboven vol auto’s zit van mensen van buiten.

    En die bevolking wordt steeds internationaler: nu al heef de meerderheid geen belgo-belgische roots. En gemengder ook! Nu al is bijna de helft van de huishoudens taalgemengd. Dus: splits BHV, vereenvoudig de rechten en plichten van de bewoners van de rand, maar maak de mensen intussen niet wijs dat daarmee de zaken zijn opgelost, en dat daarmee de “olievlek” is afgestopt. Misschien moet in een staatshervorming meteen ook werk worden gemaakt van enkele andere anomalieën.

    Stel een Stadsgewestelijke samenwerking in waarbinnen voor de onwikkeling van het gehele sociaal-economische gebied kan worden samengewerkt. ( Een deficit voor alle stadsgewesten!). Een overlegorgaan met het BHG, en de Brabantse provincies. Ik hoor al het boegeroep van diegenen die de Vlaamse rand in handen willen laten van het Vlaams gewest om van daaruit met Brussel te blijven concureren.

    Goed bestuur? Ook dat maakt deel uit van het dossier: Vlaanderen voert campagne tegen de hoofdstad. Maak werk van een overheveling van bevoegdheden van de Brusselse gemeenten naar het gewest zodat een samenhangend stadsproject kan worden uitgewerkt. Maar die (Vlaamse) eis van goed bestuur vereist dan natuurlijk ook hier een erkenning van het territorialiteitsbeginsel.

    En ja, dat betekent ook dat beide gemeenschappen in de hoofdstad bereid zijn zich in te schakelen in een gewestelijk ontwikkelingsplan, bereid zijn dus om a) al eens samen te overleggen en b) dat overleg in te passen in een territoriale ontwikkelingsvisie. Dat ze zich samen verantwoordelijk achten voor de gehele Brusselse bevolking en die niet in zwarten en witten indelen naargelang de taalrol.

    Nog eens boegeroep van diegenen die wel inpassing vragen in het Vlaamse grondgebied, maar dezelfde principes snel verloochenen wanneer het om Brussel gaat. Brussel wordt immers beschouwd als een stukje Staat en een wingewest voor de voorstad. Er wonen natuurlijk wel zo’n 1,2 miljoen mensen en die hebben ook hun rechten.

    Het nationalistisch perspectief kan niet goed om met de grootstedelijke problematiek. Want een stad is geen land. Een stad zit vol vreemden. Een stad is onzuiver en gemengd. Het rechtse Vlaams-nationalisme wordt gedragen door een suburbane middenklassementaliteit, de bange blanke man van Willem Vermandere.

    Dat de progressieve partijen relatief hebben stand gehouden en dat Groen! hier en daar ook vooruitgaat is ook een stedelijk fenomeen. Beide tendensen – een antistedelijk nationalisme en een stedelijk cosmopolitisme – zullen elkaar tegenkomen, eerst in de bezuinigingspolitiek en dan in de lokale verkiezingen van 2012. Want kan men de sociale agenda op het federale vlak nog onder de mediatieke mat vegen, in de steden is dat het eerste probleem.

    De verkiezingen doen ons geloven dat het gaat om staatshervorming, banken redden, staatsschulden wegwerken en de crisis afhouden. Maar in de steden ziet men dat het ook gaat om sociale herverdeling. Want er is groei geweest en die is ten goede gekomen van zij die al hadden. Intussen leeft ook één op zes van onze kinderen in armoede.

    De voorstedelijke kiezer zal zich echter niet bekommeren om de verderschrijdende dualisering in de steden. En die agenda zou centraal moeten staan in de verkiezingen van 2012. Dat de socialistische burgemeesters die de steden besturen zich al maar klaarhouden.

  4. Het progressieve kamp blijft historisch laag omdat het zich schikt naar de communautaire agenda. In de beperkte ruimte van de communautaristische organisatie van de politiek kan links zich niet ontwikkelen, ook al is Bart De Wever uw vriend of heeft Frank Vandenbroecke een sociaal bestuur voor ogen. De wereld beweegt op andere schalen.

    Progressieven in de stad willen een sociaal stedelijk beleid combineren met de mondialisering. En dat vereist een andere mentale kaart dan het simpele “zelfstandig Vlaanderen in verenigd Europa”. Er is een civiele maatschappij actief in de steden. Ze beroert af en toe de politieke agenda via een Straten-Generaal in Antwerpen of een Staten-Generaal in Brussel. Maar in het normale politieke mediatieke spel wordt ze niet gerepresenteerd. Die agenda staat immers haaks op de Belgische instellingen.

    Ik denk dan ook dat zolang de linkse partijen zich spiegelen aan de Belgische staatsorde, ze op het speelveld van de nationalisten blijven. Ze moeten overwegen op een meer uitgesproken manier uiting te geven aan een andere politieke orde. En die begint bij het lokale, of precieser nog: het “glokale”, de plaats in de wereld.

    Door als communuataire partijen op zoek te gaan naar een electoraat, blijft het speelveld van de grote stad politiek onderbelicht. Nochtans ligt daar een mogelijkheid om lokale ronde tafels te vormen, coalities tussen politiek en civiele maatschappij, op zoek naar een gedeelde diagnose en naar een sociale visie op de ontwikkeling.

    Op dat register is het progressieve kamp veel groter dan de 20 procent in het speelveld van Bart De Wever. Maar daartoe moet men ook bereid zijn het organisatiesectarisme op te geven in ruil voor een visie en een ontwikkelingscoalitie die in 2012 kan wegen op het stadsbestuur.

    Laat de partijen kiesverenigingen zijn, maar werk samen aan grootstedelijke programma’s. Op dat vlak moet niet alleen “tegen” worden gewerkt, hier kan ook een alternatief project worden uitgewerkt. Mensen vragen ook een postieve toekomstvisie. En het is vanuit die lokale delen van de staatsstructuur dat dan weerwerk kan worden geboden aan het nationalisme.

    En ook daarin kan en moet Brussel het voortouw nemen. Want hier bestaat al de aanzet tot een stadsgewest, gelukkig nog met enkele wetgevende bevoegdheden (die Bart De Wever wil afnemen). De sleutel ligt bij de gemeenschappen in Brussel. Of ze sluiten zich op in hun respectievelijke “fronten” en zijn de voorhoede van de wedstrijd tussen de “twee democratieën”. Dan is politiek beperkt tot het belachelijke debat tussen De Wever en Maingain.

    Of ze kiezen voor een inpassing in een gewestelijke visie en gaan voor hun bijdrage in een cosmopoltische meertalige samenleving. Vele politici in Brussel twijfelen. Maar in het middenveld is er een sterke aanzet om de communautaire scheiding te vervangen door een multicultureel toekomstproject. Het Platform van de Civiele Maatschappij schuift een aantal assen naar voren, de Staten-Generaal van Brussel stelt een project voor, en de kunstensector heeft een cultuurplan voor Brussel uitgewerkt. Alleen de politiek volgt niet. Gevangen in de twee democratieën van De Wever verliezen ze de band met belangrijke delen van de actieve maatschappij.

Dat lijkt me een uit te werken politiek en maatschappelijk project. Naast wat De Wever en Di Rupo zullen bedisselen, kan er per centrumstad een “informatieopdracht” worden gegeven om een “coalitie” op de been te brengen. Die kan een “sociaal en duurzaam stadsproject” uitwerken, daarvoor vanaf nu campagne voeren en dat tot het politieke thema maken van de volgende verkiezingen in 2012.

Zij die beweren een alternatieve samenleving te beogen, kunnen op die schaal al aantonen dat ze de nodige ideeën hebben en dat ze in de praktijk in staat zijn samen te werken. Dat lijkt me een interessanter debat dan de BHV-caroussel. En op dat terrein staat het nationalisme lang niet zo sterk.

Eric Corijn

Prof. dr. Eric Corijn is directeur van de onderzoeksgroep Cosmopolis, City, Culture & Society aan de Vrije Universiteit Brussel. Hij is hoogleraar sociale en culturele geografie aan de VUB en voorzitter van UAB Brussels Stadsplatform.

take down
the paywall
steun ons nu!