Samenleving, België, Vrouwen, Vluchtelingen, Migratie, Migranten, Opvang, Asiel, Dossier:vluchtelingen -

Miserabel leven voor vrouwen in asielcentra

Onderzoekster Fatma Arikoglu van de Nederlandstalige Vrouwenraad deed onderzoek naar de levensomstandigheden van vrouwen in de collectieve opvang. De resultaten zijn weinig rooskleurig.

woensdag 23 juni 2010 13:01

Het studierapport en de bijhorende vormingsbrochure “Vrouwen en collectieve opvang bij asiel en migratie. Naar een gendergevoelig opvangbeleid” werd onlangs voorgesteld in het Amazonegebouw te Brussel .

De datum van de voorstelling, 10 juni 2010, is niet toevallig gekozen, zegt Katlijn Malfliet, voorzitster van de Vrouwenraad. “Vanuit de Vrouwenraad vinden wij dat het genderthema vrij weinig aan bod komt in de verkiezingsstrijd. Wij willen gender op de politieke agenda plaatsen.”

Genderblindheid

Asiel komt vaak in het nieuws, maar telkens vanuit een negatieve invalshoek. Nog opvallender is dat de genderdimensie zwaar onderbelicht blijft. “Voor wie er zou aan twijfelen, er zijn nochtans mannen én vrouwen onder de asielzoekers”,  stelt Malfliet.

De voorzitster wijst erop dat vrouwen op een bijzondere manier geraakt worden door de asielproblematiek. Daarom is er nood aan bewustwording van de specifieke impact van asiel op vrouwen. “Er is een duidelijke genderblindheid in het geval van asiel”, stelt Malfliet. “We moeten dus in eerste instantie de knelpunten naar buiten brengen, vooraleer we kunnen streven naar verbetering.”

Vera Claes van het Instituut voor Gelijkheid tussen Vrouwen en Mannen sluit zich daar bij aan en wijst op de noodzaak om in het algemene beleid ook door de bril van de vrouw te kijken. Daarom werd bij de resultaten van het onderzoek meteen ook een brochure met aanbevelingen voorgesteld.

Onhygiënisch en overvol

In haar onderzoek wilde Fatma Arikoglu bekijken hoe opvangcentra rekening houden met gender. Ze verzamelde haar informatie bij twaalf focusgroepen uit twaalf verschillende opvanginitiatieven verspreid over België, aangevuld met meer dan 35 interviews met medewerkers uit de asielcentra.

“Een eerste vaststelling was dat de infrastructuur in het algemeen verouderd is, en niet aangepast aan de huidige functie van opvangcentrum”, vertelt Arikoglu. Een  voorbeeld zijn de sanitaire voorzieningen: in de meeste centra zijn die verouderd, onhygiënisch en in slechte staat. Bovendien raakt het opvangnetwerk overbezet, wat ongetwijfeld ook een grote impact heeft op de levensomstandigheden van de mensen in de asielcentra.

Soms leven er meer dan vijftien mensen per kamer. Dit leidt natuurlijk tot een enorm gebrek aan privacy, maar ook tot onveiligheidsgevoelens. In de praktijk zouden de kamers beperkt moeten zijn maximaal vier tot zes personen. Bovendien voelen vrouwen zich onveilig in de gemengde gangen, vooral wanneer ze ‘s nachts naar het toilet moeten.

Toch zijn er ook goede praktijken, zoals het beschikbaar stellen van foyers en een gemeenschappelijke keuken, of een individuele kamer voor een alleenstaande vrouw met jonge kinderen. Als die mogelijkheden er zijn, is de sfeer veel gemoedelijker. Kleine ingrepen kunnen soms heel wat veranderen. Kunstwerken van bewoners aan de muren bijvoorbeeld, maken een ruimte al heel wat gezelliger.

Het syndroom van het opvangcentrum

“Het leven van vrouwen in asielcentra is gewoon miserabel”, vindt Katlijn Malfliet. “Het gebrek aan privacy, dat ook het syndroom van het opvangcentrum wordt genoemd, heeft verregaande gevolgen. Bovendien is komen geweld en spanningen in de centra vaak voor.”

Er heerst dus een groot onveiligheidsgevoel en een grote frequentie van zowel familiaal als verbaal geweld, vooral in de open centra waar meer alleenstaande mannen zijn. Vrouwen hebben het er nodig hier met andere vrouwen over te praten. Die praatgroepen worden echter maar in een beperkt aantal centra opgezet, vanwege een tekort aan budget en soms ook door een tekort aan inzicht in de problematiek.

Communicatie en informatiedoorstroming binnen de centra vormen een ander heikel punt. Taalbarrières spelen hier een rol in, maar worden nog extra versterkt door het gebrek aan tolken in deze opvangcentra.Daar komt bij dat het personeel in de meeste centra niet wordt opgeleid om rekening te houden met gender, met de specifieke noden en behoeften van vrouwen die leven in de opvang.

Alleenstaande vrouwen met of zonder kinderen hebben specifieke kwetsbaarheden en noden, bijvoorbeeld op het vlak van opvoedingsondersteuning en kinderopvang, en die voorzieningen zijn vaak ondermaats. Eén centrum gaf hier wel een goed voorbeeld in: het maakte een overeenkomst met de stad zodat bewoners die buiten het centrum een cursus volgen, gebruik kunnen maken van de kinderopvangdienst van de stad.

Nietsdoen leidt tot frustraties

Bewoners van asielcentra hebben vaak niets te doen om hun dag te vullen, en dat leidt tot frustraties. Ze vragen zelf om activiteiten, en sommigen nemen er zoveel mogelijk aan deel, maar het aanbod is meestal beperkt. Bovendien zijn er voor vrouwen dikwijls extra drempel, zoals een gebrek aan kinderopvang, maar ook de aard van de activiteiten. Soms schrikken ze terug voor een gemengde groep, of nemen ze niet deel uit angst voor roddels of problemen met hun partner of andere bewoners.

De meeste vrouwen volgen binnen de centra een taalcursus en waarderen die ook sterk. Wel vinden ze dat er een te beperkt aantal instapmomenten is. De cursussen worden immers gegeven door vrijwilligers en zijn dus niet structureel ingebed in de werking van de centra.

Goede voorbeelden van workshops of cursussen zijn onder meer de samenwerking met Sensoa en de Centra voor Volwassenonderwijs. Ook de gemeenschapsdiensten worden sterk gewaardeerd, maar hebben wel enkele minpunten: er wordt maar weinig voor betaald, en is het onduidelijk hoe deze jobs worden toegewezen. Technische jobs die voornamelijk door mannen worden ingevuld, worden meer betaald dan de andere, wat leidt tot een achterstelling van vrouwen. Een toegang tot gewoon, betaald werk is bovendien niet mogelijk.

Gelijkaardige problemen doken op bij de samenwerkingsverbanden met externe organisaties. Die worden algemeen positief onthaald, maar er is duidelijk een gebrek aan budget én aan genderbeleid. Zo wordt er voor mannen vaak samengewerkt met sportclubs; voor vrouwen bestaat dat nagenoeg niet.

Gemor over voeding en kleding

Ook voeding kan een grote bron van onvrede zijn. Vele bewoners willen zelf koken. Waar dat kan, met een winkeltje of een prefabkeuken waar mensen zelf koken, blijkt dat een heel goede impact op de sfeer te hebben. De centrumverantwoordelijken benadrukken dat dit een positieve invloed heeft, maar dat dit vaak niet mogelijk is omwille van infrastructurele en budgettaire beperkingen.

Maar er zijn nog meer punten waar vaak over gemord wordt. In de meeste centra kunnen vrouwen geen beha krijgen, en de witte was en kleurwas gaan gewoon samen de machine in. En ook met de medische hulpverlening is vaak ontoereikend en er zijn lange wachttijden, voornamelijk in de gesloten centra.

Het verschil tussen open en gesloten centra komt ook naar voren in de tevredenheid over de maatschappelijke begeleiding: in de open centra is die heel goed, in de gesloten centra zijn vrouwen er minder tevreden over. Dat is voornamelijk een gevolg van de verschillende rollen die de medewerkers van die centra moeten uitoefenen.

Er is ook veel nood aan psychologische bijstand, maar zowel bij de vrouwen als bij de centra zijn er obstakels. Vrouwen durven soms niet of willen geen mannelijke psycholoog, en ook de taal is vaak een probleem. Aan de aanbodzijde is er dan weer een tekort aan budget en aan tolken. Goede voorbeelden vinden we in het Carda-pilootproject, waarbij samengewerkt wordt met gespecialiseerde instellingen.
 
De gebrekkige mobiliteit – door een tekort aan middelen en soms ook inzicht – is dan weer een ander probleem dat hoog op de agenda staat. Bij De Lijn kunnen asielzoekers nog genieten van een verlaagd tarief, maar dat is in Brussel en Wallonië niet het geval.

Aanbevelingen naar de toekomst

De belangrijkste aanbeveling is natuurlijk dat er dringend werk moet gemaakt worden van een beter aangepaste infrastructuur. De kwaliteit van de gebouwen moet verbeterd worden en aangepast aan de functie van die collectieve opvang.

Daarnaast valt het ontbreken van een gender- en gelijkheidsbeleid op. “Het is een must om die genderdimensie integreren in het beleid”, zegt de Vrouwenraad. “Er moet rekening gehouden worden met de specifieke behoeften van de vrouwen. Zo moeten vrouwen kunnen kiezen voor alle jobs en moet de organisatie van de kinderopvang sterk uitgebouwd worden.”

Daarnaast moet er ook een gediversifieerd beleid komen dat gericht is op empowerment en vrijheid, die de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van alle bewoners bevordert. Dat moet vastgelegd worden in concrete beleidsplannen ten aanzien van de sector.

De federale opvangwet moeten vertaald worden in uitvoeringsbesluiten die voldoende gendergevoelig geformuleerd zin. Er is nood aan een menswaardige en kwaliteitsvolle opvang. 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!