OESO-secretaris-generaal Angel Gurria met president Simon Peres van Israël (foto: OESO)

 

Opinie, Nieuws, Wereld, Israël, OESO -

Israëls OESO-lidmaatschap is aanfluiting internationaal recht

De 31 landen van de OESO - de club van rijke landen - hebben maandag unaniem het Israëlische lidmaatschap van hun organisatie aanvaard. Het voorval illustreert eens te meer dat westerse landen het zelf geformuleerde respect voor democratische waarden en mensenrechten weinig ernstig nemen.

woensdag 12 mei 2010 18:54

Op 10 mei kreeg Israël het langverwachte lidmaatschap van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De OESO kan je omschrijven als een club van rijke landen die voornamelijk afkomstig zijn uit de Europese Unie en Noord-Amerika.

De Organisatie, die zich met economische, milieu- en sociale thema’s bezighoudt, zegt van zichzelf dat ze een bijdrage wil leveren aan de democratie en de markteconomie.

In het OESO-rapport over de strategie voor uitbreiding en de Road Map voor de toetreding van Israël (2007) staat dat het respect voor fundamentele waarden een vereiste is voor lidmaatschap, waaronder het “engagement voor een pluralistische democratie gebaseerd op de beginselen van de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten” en “het vasthouden aan de open en transparante beginselen van de markteconomie”.

EU-Israël: business as usual

Israël vroeg 20 jaar geleden al het OESO-lidmaatschap, maar dat werd verworpen om economische en politieke redenen. Nu is het dus wel gelukt. In Israël wordt dat gezien als een enorme overwinning en volgens Netanyahu zal het lidmaatschap “deuren voor ons open”.

Die deuren zijn nooit echt dicht geweest. Dat zien we bijvoorbeeld in de relaties tussen de Europese Unie en Israël die geregeld worden op basis van een associatie-akkoord. In december 2008 beslisten de Europese ministers van Buitenlandse Zaken unaniem om de bestaande relaties tussen de EU en Israël op te waarderen.

Een meerderheid in het Europees Parlement zorgde er evenwel voor dat de stemming over een aanbeveling om een protocol af te sluiten en aan te hechten bij het EU-Israël-associatie-akkoord met daarin de opwaardering, werd uitgesteld.

Het Parlement gaf daarmee een duidelijk signaal dat normale relaties met Israël maar kunnen als de mensenrechten en het internationaal recht worden gerespecteerd. Maar in november 2009 tekenden de EU en Israël een nieuwe overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten, wat werd gepresenteerd als “een belangrijke stap vooruit in de integratie van de markten van de EU en de Israël”.

Goldstone-rapport

De illegale Israëlische kolonisatiepolitiek, noch zware mensenrechtenschendingen zoals gerapporteerd in het Goldstone-rapport blijken deze sluipende opwaardering van de relaties tegen te kunnen gaan.

Eigenaardig genoeg valt een opwaardering duidelijk niet te rijmen met de politieke positie van de EU. De eigen conclusies van de Europese Raad stellen dat de “opwaardering gebaseerd moet zijn op de gemeenschappelijke waarden van beide partijen, en met name op de democratie, de eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat en de fundamentele vrijheden, goed bestuur en het internationaal humanitair recht.”

En wat is dan de waarde van een resolutie van het Europees Parlement die in maart 2010 de uitvoering vraagt van “de aanbevelingen (van het Goldstone-rapport) en een verantwoording voor alle schendingen van het internationaal recht, met inbegrip van vermeende oorlogsmisdaden?” Dat klinkt behoorlijk gratuit en is niet van dien aard om veel vertrouwen te koesteren in het waarden-discours van de EU.

Boycot van Palestijnse economie

Dat de 31 lidstaten van de OESO, waaronder 19 EU-landen, Israël unaniem als nieuw lid aanvaarden, is dus niet zo verwonderlijk. Evenmin is het nieuw dat daarvoor desnoods eigen principes aan de kant worden geschoven.

De restricties die Israël voert tegen de Palestijnse economie vormen een schending van de open markteconomie, waarvoor de OESO zegt te staan.

Volgens de Wereldbank heeft het Israëlische regime van wegblokkades, afgesloten gebieden en groeiende nederzettingen er voor gezorgd dat de “Palestijnse economie is uitgehold, met een daling van de productieve sectoren en een groeiende publieke sector tot gevolg, omdat de bevolking verwachtingen koestert ten aanzien van de publieke sector voor werkgelegenheid en bijstand zodat ze met de gevolgen van de werkloosheid kan omgaan” (1).

Sinds Hamas de macht overnam in Gaza in juni 2007 handhaaft Israël een moordend embargo tegen de 1,5 miljoen inwoners van de smalle strook. Begin mei 2010 beval een Israëlische rechtbank de openbaarheid van een aantal officiële documenten met daarin informatie over het Israëlische beleid voor het transport van goederen in- en uit de Gazastrook.

‘Voedselbehoeften in Gaza’

Een van de documenten is getiteld ‘Voedselbehoeften in Gaza – rode lijnen’ en beschrijft de minimale voedingsvereisten voor het levensonderhoud van de inwoners van de Gazastrook. Het bevat gedetailleerde tabellen van het aantal grammen en calorieën dat minimaal noodzakelijk is per inwoner, opgesplitst naar leeftijd en geslacht, om een minimale drempel te kunnen vaststellen voor de invoer van goederen.

Deze gruwelijke statistieken illustreren dat Israël letterlijk werk maakt van een politiek zoals die in 2006 door Dov Weisglass, adviseur van voormalig premier Ehud Olmert, is omschreven: “Het idee is om de Palestijnen op dieet te zetten, maar niet om ze te laten sterven van de honger” (2).

Het hongergevoel moet de inwoners van Gaza op andere gedachten brengen en Hamas uiteindelijk van de macht verdrijven in wat Israël ‘Vijandig Gebied’ is beginnen noemen.

Israël laat slechts 81 producten in de Gaza toe, terwijl de Palestijnen niets mogen exporteren. Er is geen enkel zinnig veiligheidsargument te bedenken voor het verbod van producten als komijn, gember, chocolade, azijn, gedroogd fruit, aardappelchips, timmerhout, enz. (volgens de lijst die GISHA heeft publiek gemaak 3).

Free Gaza Movement

Het gaat hier duidelijk om een collectieve strafmaatregel in strijd met de Vierde Conventie van Genève. Het gevolg is dat 90 procent van de bedrijven in Gaza gesloten is of tegen sterk verminderde capaciteit moet functioneren. Meer dan 80 procent van de bevolking is afhankelijk van voedselhulp.

Bovendien lijkt het er op dat Israël de eigen producten kan promoten en verhandelen. Volgens Berlin Greta van de Free Gaza Movement slagen Israëlische handelaars er in om bepaalde van hun producten aan de toegelaten lijst toe te voegen, wat hen een bom geld oplevert.

Dat is wellicht de ware reden waarom Israël geen blik toelaat in Gaza zodat de boeren hun tomaten zouden kunnen bewaren en verhandelen, terwijl de import van in Israël verpakte tomatenpuree wel is toegestaan.

Het gaat om een door en door cynische en perverse politiek die niet alleen door de EU en de VS wordt getolereerd, maar kan rekenen op een beloning met betere handelsrelaties, deelname aan onderzoeksprogramma’s, wapenhandel en – wat de VS betreft – royale jaarlijkse financiële giften ter waarde van ongeveer 3 miljard dollar.

De Palestijnse export naar de Israëlische of internationale markt moet bovendien afrekenen met bijkomende hinderpalen zoals lange procedures, gebrek aan stockagecapaciteit aan de Israëlische-Palestijnse controleposten of de Israëlische weigering om Palestijnse certificaten te erkennen m.b.t. gezondheids- en veiligheidsnormen.

Volgens het Internationaal Monetair Fonds (IMF) is de Palestijnse export daardoor verschrompeld tot 15 procent van het Bruto Nationaal Product (BNP) tegenover 50 procent van het BNP in de jaren tachtig toen de Palestijnen “meestal vrij en ongehinderd handel konden drijven met Israël” (4).

Volgens de internationale katholieke NGO-koepelorganisatie CIDSE is de Palestijnse handel met de EU goed voor amper 71 miljoen euro (waarvan slechts 7 miljoen Palestijnse export) tegenover 25 miljard euro (of 350 keer meer) voor wat betreft Israël (5).

Joodse nederzettingen in de Israëlische economische statistieken

Een gevoelig punt in het toetredingsproces tot de OESO zijn de statistische economische gegevens die Israël gebruikt omdat daarin ook de economische activiteiten van de kolonies in de Westelijke Jordaanoever zijn inbegrepen.

Toen OESO-secretaris-generaal Angel Gurria liet verstaan dat deze en andere ‘technische zaken’ enkel tot een vertraging zouden kunnen leiden voor het Israëlische lidmaatschap, werd duidelijk dat de kwestie van de internationaal rechtelijk illegale Joodse nederzettingen geen struikelblok mocht vormen.

Terwijl Israël de nederzettingen blijft uitbreiden, in strijd met eerdere afspraken om de bouwactiviteiten te bevriezen, volstond het voor de OESO om dat op te lossen door in alle documenten met statistieken van Israël een voetnoot te gebruiken die stelt dat het gebruik van Israëlische gegevens over de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem en de Golanhoogte zonder gevolg blijft voor de status van deze gebieden onder het internationaal recht.

Israël moet nu over uiterlijk een jaar na de toetreding gesplitste data aanleveren, maar kan voortaan wellicht gebruik maken van het vetorecht nu het land zelf lid is van de OESO.

Kritiek

De Israëlische minister voor Handel, Binyamin Ben-Elezier, wuift alle kritiek weg door te stellen dat “we geen politiek moeten inbrengen in organisaties die te maken hebben met economie en handel” (6).

In de Palestijnse gebieden is de bevolking het daar op zijn zachtst gezegd absoluut niet mee eens.

Een verklaring van Palestijnse organisaties die zich hebben verenigd in het Nationale Comité voor Boycot, Sancties en Desinvesteringen stelt: “Door Israël te aanvaarden, geven de OESO-landen blijk van een regelrechte medeplichtigheid aan de Israëlische oorlogsmisdaden en vernietigen ze de fundamenten van het internationaal recht. Israël belonen, betekent de straffeloosheid verankeren en elke realistische hoop op het bereiken van een rechtvaardige vrede in de regio de grond inboren” (7).

En verder: “Ambtenaren van de OESO-lidstaten zijn er zich terdege van bewust dat Israël niet voldoet aan de vooropgestelde objectieve criteria. Toch hebben ze besloten om Israël er uit te pikken, het te verheffen boven al deze objectieve criteria en te belonen voor zijn strijd om tot de OESO toe te treden, maar niet te spreken van het internationaal recht, en het hele toetredingsproces te herleiden tot een farce.”

Voor de Palestijnen wordt het in elk geval moeilijker en moeilijker om niet te concluderen dat de Israëlische oorlogsmisdaden en mensenrechtenschendingen op zijn minst worden getolereerd en dat het Westen een beleid van straffeloosheid voert waardoor Israël het kolonisatie- en apartheidssysteem kan handhaven en uitbreiden.

Noten

1Palestinian Economic Prospects: Gaza Recovery and West Bank Revival. Economic Monitoring Report to the Ad Hoc Liaison Committee, 8 juni 2009 (zie: http://siteresources.worldbank.org/INTWESTBANKGAZA/Resources/AHLCJune09Reportfinal.pdf)

2Conal Urquhart. Gaza on brink of implosion as aid cut-off starts to bite. The Observer, 16 April 2006 (zie: http://webcache.googleusercontent.com/search?q=cache:Cg6x1zUtsVQJ:www.guardian.co.uk/world/2006/apr/16/israel+dov+weinglass+on+a+diet&cd=1&hl=nl&ct=clnk&gl=be)

3Gisha (Legal Center for Freedom of Movement). Partial List of Items Prohibited/Permitted into the Gaza Strip, mei 2010 (zie: http://gisha.org/UserFiles/File/HiddenMessages/ItemsGazaStrip060510.pdf )

4IMF. Macroeconomic and fiscal framework for the West Bank and Gaza – Fifth review of progress, april 2010, (zie: http://www.imf.org/external/country/wbg/RR/2010/041310.pdf)

5Background media briefing. Crunch time for Israel’s bid to join the OECD, mei 2010. Niet-publieke nota van CIDSE

6Bilal Randeree. Israël’s trade club entry opposed, Al Jazeera.net, 10 mei 2010 (zie: http://english.aljazeera.net/news/middleeast/2010/05/201059205045280648.html)

7Palestinian civil society slams OECD over Israel’s accession. Press release, Boycott, Divestment and Sanctions National Committee, 10 Mei 2010 (zie: http://electronicintifada.net/v2/article11256.shtml)  

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!