Foto Flickr
Afrika, 50 jaar dekolonisatie, Democratie, Roofbouw -

Vijftig jaar dekolonisatie van Afrika

Achille Mbembe, historicus en politiek wetenschapper, vraagt zich in dit essay af of er wel echt iets de moeite waard is om te herdenken naar aanleiding van 50 jaar dekolonisatie. In 1960 werden niet minder dan 17 Afrikaanse landen onafhankelijk. Maar waar staan die landen vandaag? En waar gaan ze naar toe? Een kritische reflectie van een geëngageerde Afrikaanse wetenschapper.

donderdag 25 februari 2010 12:04

2010, vijftig jaar na de dekolonisatie van Afrika. Is er echt iets dat de moeite waard is om te herdenken of moeten wij integendeel helemaal opnieuw beginnen?

Hier een autoritaire restauratie, daar een meerpartijenregering, elders magere vooruitgang die omkeerbaar blijkt te zijn, en vrijwel overal zeer hoge niveaus van sociaal geweld, latente conflicten of open oorlogen. Dit alles gebaseerd op een grondstoffeneconomie, die nog altijd in lijn met de koloniale mercantilistische logica, mooie kansen biedt voor roofbouw. Dat is – op enkele uitzonderingen na, het globale landschap in Afrika 50 jaar na 1960.

In de meeste gevallen kunnen de Afrikanen nog altijd niet in vrijheid hun leiders kiezen. Te veel landen zijn nog altijd afhankelijk van satrapen waarvan het enige doel is levenslang aan de macht te blijven. Daarom worden ook de meeste verkiezingen vervalst. Ze offeren aan de meest elementaire procedures van de concurrentie, maar behouden de controle over de belangrijkste hefbomen van bureaucratie, economie en, vooral van leger, politie en milities. De mogelijkheid om een regering via verkiezingen naar huis te sturen, bestaat praktisch niet. Alleen moord, opstand of gijzeling kan het principe van het onbeperkt aan de macht blijven, doorbreken. Over het algemeen zitten de zaken geblokkeerd, vooral in Franstalig Afrika, waar de electorale manipulaties en de overdracht van de macht van vader op zoon ertoe bijdragen dat het in feite om gemaskeerde dictaturen gaat.

Waar gaan we naartoe?

Vijf belangrijke tendenzen vallen mij op.

De eerste is de afwezigheid van een gedachtegoed over democratie dat een reëel alternatief zou kunnen bieden voor het roofzuchtige model dat thans ongeveer overal de toon aangeeft.

De tweede is de achteruitgang van ieder perspectief op radicale sociale revolutie op het continent.

De derde is de groeiende seniliteit van de zwarte autoriteiten – een fenomeen dat doet denken aan, alle proporties in acht genomen, gelijkaardige processen in de loop van de 19de eeuw. Ook toen waren ze niet bij machte om in hun voordeel te onderhandelen bij de interne en externe druk. Door aan te sluiten bij een vernietigend kapitalisme verloren talrijke koninkrijken hun soevereiniteit en eindigden in chaos en broederoorlogen.

De vierde tendens is het inkapselen grote delen van de samenleving en de onweerstaanbare drang bij honderden miljoenen om elders te willen gaan wonen, als het maar niet in hun eigen streek is. Dit is een veralgemeend verlangen om het te laten afweten en om te deserteren.

Bovenop deze structurele dynamiek komt nog het ontstaan van een cultuur van afpersing: een meute zonder toekomstperspectief gaat bij de minste aanleiding gemakkelijk over tot plunderen. Dit soort lompenradicalisme, in feite geweld zonder enig alternatief politiek project, wordt niet enkel gedragen door sociale netwerken waarvan kindsoldaten en werklozen uit de bidonvilles de tragische symbolen vormen.

Dit soort bloedig populisme wordt, als het moet, ook gemobiliseerd door sociale krachten die het staatsapparaat hebben gekoloniseerd tot een instrument van persoonlijke verrijking. Of er simpelweg een persoonlijke inkomstenbron van hebben gemaakt, soms gewoon om te overleven, soms om allerlei zaken te bemachtigen. Zij zijn bereid om de staat, de economie en de instellingen te vernietigen om toch maar de macht te behouden. In hun ogen is de politiek enkel een manier om een burgeroorlog te voeren, naast andere middelen.

Deze schetsmatige opmerkingen betekenen echter niet dat er geen enkele gezonde vrijheidsdrang zou bestaan die streeft naar meer Afrikaans welzijn. Dit verlangen vindt echter moeilijk een gepaste taal, een concrete vorm en vooral een vertaling in nieuwe instellingen en een nieuwe politieke cultuur.

Het geweld van de ‘niet-betrokkenen’

Wil de democratie in Afrika wortel schieten, moet zij gedragen worden door georganiseerde sociale en culturele krachten. Instellingen en netwerken die rechtstreeks verbonden zijn met het culturele geheugen, de creativiteit en vooral de strijd van de mensen zelf en hun eigen tradities van solidariteit.

Dit volstaat echter niet. Er moet ook een hogere ‘idee’ achter zitten, een levende metafoor. Als wij op die manier de politiek kunnen ‘herdenken’, zouden wij de weg kunnen openen naar een nieuw beeld over democratie. In een continent waar de mogelijkheid om te doden bijna onbegrensd is, waar armoede en ziekten het leven zo kwetsbaar en onzeker maken, is dit een hoopvolle gedachte.

Fundamenteel zou zo’n gedachte, om radicaal te zijn, tegelijkertijd utopisch en pragmatisch moeten zijn. Uit noodzaak moet ze ontstaan vanuit de begrenzingen van de politiek en een politiek die rekening houdt met haar beperkingen. Tegelijkertijd moet zij een afspiegeling zijn van wat de toekomst kan bieden. Dit moet echter veel verder gaan dan enkel de antikoloniale en anti-imperialistische erfenis, waarvan de grenzen in de context van de globalisering en hetgeen er is gebeurd sinds de onafhankelijkheid, nu ondubbelzinnig blijken.

Twee beslissende factoren remmen de verdere democratisering van het continent. De eerste is de heersende economische politiek. De tweede de manier waarop macht, cultuur en leven worden voorgesteld.

Aan de ene kant heb je de brutaliteit van de economische verplichtingen waaraan de Afrikaanse landen werden onderworpen in de loop van het laatste kwart van de 20ste eeuw, en die wordt voortgezet onder de heerschappij van het neoliberalisme. Dit heeft bijgedragen tot het fenomeen van de ‘niet-betrokkenen’, die steeds vaker op het politieke toneel verschijnen onder de vorm van xenofobe moordpartijen of ter gelegenheid van etnisch geïnspireerde onlusten, vooral daags na getrukeerde verkiezingen, of als protestacties tegen het dure leven of ook nog in de strijd om basisvoorzieningen.

Het gaat om mensen die helemaal niets meer te verliezen hebben. Ze zijn helemaal overgeleverd zijn aan de verwaarlozing – een toestand waaruit zij slechts kunnen ontsnappen door te migreren, door criminaliteit of allerlei soorten illegale praktijken. Het is een klasse van ‘overbodigen’ waarmee de staat (als die al bestaat en functioneert), noch de markt weet wat aan te vangen. Je kan deze mensen niet verkopen als slaven, zoals dit gebeurde in het begin van het kapitalisme, je kan ze niet tot dwangarbeid dwingen, zoals in de koloniale periode of onder de apartheid. Vanuit het oogpunt van het kapitalisme zijn ze totaal nutteloos, een menselijke massa vlees overgeleverd aan geweld, ziekten, Noord-Amerikaanse vormen van evangelisatie, islamradicalisme en allerlei soorten van hekserij.

Democratisch project is lege doos

De brutaliteit van de economische dwang heeft het van democratisch project een lege doos gemaakt door het te herleiden tot een eenvoudige formaliteit, een ritueel zonder inhoud of symbool. Erger nog zijn de gevolgen voor het dagelijks leven van gewone mensen. Daarenboven is het onvermogen om uit de roofbouwcyclus te ontsnappen ouder dan de kolonisatie. Al deze factoren samen wegen enorm op de vorm die de sociale strijd in Afrika aanneemt.

Daarbovenop komt nog de grote sociale ontwrichting die midden van de jaren tachtig begon. Deze ontwrichting van de samenleving heeft vrijwel overal geleid tot informalisering van de sociale en economische relaties, tot een fragmentering zonder voorgaande van regels en normen, tot een proces waarvan zelfs de staat slachtoffer werd. Ze leidde eveneens tot het falen van talrijke sociale actoren. Dit opende de weg voor nieuwe vormen van sociale strijd over de toegang tot schaarse goederen. Een strijd zonder genade, om te overleven. Vandaag zijn de bidonvilles van de grote steden de zenuwcentra van deze nieuwe vorm van sociale strijd. Het gaat om een vreemde vermenging van elementen van sociale strijd, raciale strijd, religieuze bewegingen en hekserij.

Voor het overige is er ook de zwakte van de politieke oppositie. Zowel overheid als oppositie opereren in een kortetermijnperspectief. Dit kenmerkt zich door improvisatie, ad hoc-beleid, informele arrangementen, compromissen, pogingen om snel macht te verwerven of de noodzaak om de macht tegen elke prijs te behouden. Bondgenootschappen ontstaan en worden ongedaan gemaakt. Vooral het illusoire van de macht is niet veranderd. De politiek in Afrika blijft deze van de permanente burgeroorlog. Zolang politiek en oorlog niet worden gescheiden, blijft het geweld dreigend aanwezig.

Dekolonisatie en internationalisme

De vijftigste verjaardag van de dekolonisatie is niet enkel een zaak van Afrika. Frankrijk dat de indruk geeft ternauwernood de democratisering van het continent te aanvaarden, wil van 2010 het ‘Afrikaans Jaar’ maken. In haar invloedssfeer heeft Frankrijk er zich sinds 1960 vurig tegen verzet. Daarbij werden moord, corruptie en dwang niet geschuwd als het maar in haar kraam te pas kwam. Vandaag heeft Frankrijk nog altijd – terecht of niet – een slechte reputatie door haar onbuigzame steun aan de meest corrupte potentaten en aan die regimes die de Afrikaanse zaak verloochenen.

Voor dit alles is er een eenvoudige verklaring. De historische context waarin de dekolonisatie heeft plaatsgevonden, legde de basis voor ongelijke samenwerkings- en defensieakkoorden, ondertekend in de jaren 1960. Deze veelal geheime akkoorden zijn misschien nog niet genoeg gekend. Het ultieme doel was niet de liquidatie van de koloniale macht, maar deze juist nog te versterken in de vorm van een ‘onderhandeld’ contract. Door een beroep te doen op deze ongelijke contracten kan Frankrijk tot op vandaag een vaak negatieve invloed blijven uitoefenen in Afrika.

De Verenigde Staten verzetten zich schijnbaar niet actief tegen de democratisering van Afrika. Cynisme en hypocrisie volstaan. Talrijke Amerikaanse privéstichtingen bieden waardevolle steun aan het ontstaan en het consolideren van de Afrikaanse civiele samenleving. Maar sommige interventies zijn door hun moraliserende en evangeliserende bedoelingen van twijfelachtig allooi.

Een belangrijk feit dat de volgende 50 jaar gewicht in de schaal zal werpen, is de aanwezigheid van China in Afrika. Als het al geen tegengewicht vormt, is het toch minstens een alternatief voor de ongelijke relaties die zo karakteristiek zijn voor de banden die Afrika onderhoudt met de Westerse grootmachten en de internationale financiële instellingen. Het is waar dat op dit moment de relaties met China nog niet veel anders zijn dan het klassieke roofbouwmodel, dat de machtsbasis vormt voor enkele Afrikaanse potentaten. We moeten dus ook niet verwachten dat China een grote hulp zal zijn in de komende strijd voor meer democratie. De invloed van die andere groeiende macht, India, is op dit ogenblik zeer miniem in Afrika. Ook Zuid Afrika zal niet de democratie bevorderen in Afrika. Het land heeft de middelen, noch de wil, noch de verbeelding hiertoe. Het land moet eerst de democratie in eigen huis verdiepen en consolideren vooraleer het er maar aan kan denken ze elders te bevorderen.

Continentale New Deal

Democratie in Afrika is allereerst een Afrikaanse kwestie, maar ze heeft ook internationale dimensies. De weg naar radicale verandering door een sociale revolutie is geblokkeerd. Wij zouden moeten komen tot een soort van continentale ‘New Deal’, collectief onderhandeld door de verschillende Afrikaanse staten en de internationale instellingen. De democratie en de economische vooruitgang zouden daar baat bij hebben en zo kunnen we voor eens en altijd het hoofdstuk van de kolonisatie afsluiten. Deze ‘New Deal’, meer dan een eeuw na de beruchte conferentie van Berlijn, die de verdeling van Afrika inluidde, zou moeten worden aangevuld met een economisch plan voor de heropbouw van het continent. Maar die overeenkomst zou ook een juridisch en strafrechtelijk onderdeel moeten omvatten, met mechanismen die voorzien in sancties en uitsluiting van wie zich niet houdt aan de regels. De uitwerking ervan zou multilateraal moeten zijn. Inspiratie hiervoor kan worden gevonden in de recente ontwikkelingen van het internationaal recht.

Als de toestand zich voordoet, zouden schuldige regimes, die bijvoorbeeld misdaden tegen hun volk begaan, kunnen worden afgezet en de schuldigen juridisch vervolgd worden door het Internationaal Strafhof. Het begrip ‘misdaden tegen de menselijkheid’ zou het voorwerp moeten uitmaken van een bredere interpretatie, die niet enkel de allerergste moorden en verkrachtingen omvat, maar ook ernstige vormen van corruptie en plundering van natuurlijke rijkdommen van een land. Het spreekt voor zich dat ook lokale of internationale privéactoren het onderwerp zouden kunnen uitmaken van deze procedure. Het is op dit niveau van historisch en strategisch belang om de vraag naar democratie en economische vooruitgang in Afrika te versterken.

De toekomst heropenen

De komende halve eeuw hebben de intellectuelen, de cultuurmensen en de Afrikaanse samenleving in haar geheel een uiterst belangrijke rol te spelen in de zoektocht naar een aangepaste en werkbare vorm van democratie. Zij moeten de vraag naar democratie in Afrika internationaliseren, in lijn met de inspanningen die de laatste jaren zijn geleverd om het internationaal recht afdwingbaar te maken. De oprichting van bovenstatelijke juridische instanties legt daar al getuigenis van af. Ook moeten wij durven verder te kijken dan het traditionele concept van de samenleving zoals dat is gegroeid uit de geschiedenis van de kapitalistische democratieën. Aan de ene kant moet je rekening houden met de sociale verscheidenheid – verschillen in identiteit, loyaliteit, autoriteit en normen – en vanuit deze verscheidenheid nieuwe vormen van mobilisering en leiderschap uitvinden.

Anderzijds is de noodzaak tot het creëren van een intellectuele meerwaarde nog nooit zo dringend geweest. Deze meerwaarde moet ten gunste komen van een project voor de radicale omvorming van het continent. De creatie van deze meerwaarde zal niet alleen van de staat komen. In mijn ogen is dit de basistaak van de Afrikaanse civiele samenleving. Wij moeten tot elke prijs de logica doorbreken van de hoogdringendheid van humanitaire interventies en dringende noodhulp. Tot nu toe hebben zij het debat over de toekomst van Afrika volledig gekoloniseerd.

Zolang de logica van roofbouw en plundering, die de Afrikaanse economische politiek over grondstoffen karakteriseert, niet wordt doorbroken, zullen de kansen op een alternatief model miniem zijn. Het soort wilde kapitalisme van deze logica verbindt mercantilisme, politieke onrust en militarisme. Van dit soort kapitalisme zagen we al de voorbode in de koloniale periode met het regime van de concessiemaatschappijen. Wat het nodig heeft om goed te functioneren zijn medeplichtigen (vaak criminele organisaties) in het hart van de lokale gemeenschappen, zo weinig mogelijk functionerende staatsstructuren en bovendien internationale onverschilligheid. Als de Afrikanen echt democratie willen, moeten ze er zelf voor zorgen, niemand zal het voor hen doen. Ze zullen het ook niet aangeboden krijgen. Het is nochtans nodig dat zij daarbij op nieuwe internationale netwerken kunnen steunen. Een grote morele coalitie – buiten de staten om – van al degenen die geloven dat zonder het Afrikaanse aandeel de veiligheid in onze wereld niet gegarandeerd zal zijn, maar ook dat onze wereld armer zal zijn naar geest en menselijkheid.

(vertaling: Leona Maes)

Achille Mbembe werd in 1957 geboren in Kameroen. Hij studeerde geschiedenis en promoveerde aan de Sorbonne in Parijs. Momenteel is hij hoogleraar Geschiedenis en Politieke Wetenschap aan de Universiteit van Witwatersrand in Johannesburg, Zuid-Afrika. Hij is eveneens verbonden aan Wits Institute for Social and Economic Research (WISER), en is hoogleraar Vergelijkende Literatuurwetenschap aan de University of California in Irvine (VS). Een van zijn bekendste boeken is On the Postcolony (2001). Binnenkort verschijnt zijn volgende boek in Parijs: Critique de la raison nègre.

take down
the paywall
steun ons nu!