Ons voedsel redden. Wat leert de geschiedenis?
Verslag, Verslag, Wereld, Wereld, Economie, Economie, Landbouw, Landbouw, Voedsel, Voedsel, Milieu, Milieu, Politiek, Politiek, Economie, Economie, Geschiedenis, Geschiedenis -

Ons voedsel redden. Wat leert de geschiedenis?

Alle rijke landen hebben hun landbouw beschermd om welvarend te kunnen worden. Maar nu mag dat niet meer. Hoe kunnen de armste landen dan ooit zelf een goed presterende welvaartsmachine bouwen?

zaterdag 13 februari 2010 15:01

Voedsel en landbouw scheppen bloeiende samenlevingen

Het oude Rome voerde per jaar alleen al uit Spanje tot vijfenvijftigduizend amforen olijfolie aan, zowat vier miljoen kilogram.

Egypte, China, het Romeinse en het Azteekse rijk, allemaal konden ze zich maar ontplooien omdat ze de landbouw heel goed onder de knie hadden kregen.

Tarwe vormde het belangrijkste gewas in het oude Egypte en het oude Rome. In de Romeinse samenleving leverde die de energie die mens en dier aandrijft en in staat stelt om te werken. Al in het oude China draaide het leven in grote mate om rijst. Grote dijken, dammen, kanalen, irrigatiesystemen: ze vormen de basis van de rijstbouw en zo van het succes van dit land, eeuwenlang het meest geavanceerde en machtigste land ter wereld. Ook de Azteken waren kanalenbouwers en pasten irrigatie toe. Hun topgewas was maïs.

Een hoge productie van gewassen als tarwe, maïs, rijst of andere granen leidde tot een toename van de bevolking die men ook zonder al te grote problemen kon blijven voeden. Dat was een merkwaardige prestatie.

Meer zelfs, de landbouw was zo efficiënt dat lang niet iedereen meer nodig was om voor voedsel te zorgen. Hij maakte het mogelijk om veel mensen vrij te stellen, in het Romeinse rijk van de 1ste eeuw naar schatting wel 60 procent van de actieve bevolking. Dat was cruciaal, want zij bouwden de beschavingen waar wij nog altijd vol verwondering naar kijken en kennis van nemen. Hoeft het gezegd dat ze ook legers vormden om hun rijken uit te breiden? Beschavingen laten niet alleen een positieve balans na.

Hier is echter vooral belangrijk dat landbouw samenlevingen de kans biedt om sterker te staan en meer welvaart te creëren. Die productieve landbouw maakt het ook mogelijk een bloeiende stadscultuur uit te bouwen met grote steden als Rome, Bagdad, Beijing of Tenochtitlan (Mexico). Zonder sterke landbouw vallen die steden gewoonweg niet te voeden.

Geen industriële revolutie zonder landbouwrevolutie

De rijstbelasting op de Taiwanese boeren bracht vele jaren meer op dan de inkomensbelasting. Die rijstbelasting verschafte de overheid na de Tweede Wereldoorlog de middelen om mee te investeren in de industrialisering van het land.

Dat landbouw doorslaggevend is voor het welslagen van de oude beschavingen, is makkelijk aan te nemen. Maar de landbouw speelt ook een belangrijke rol in de landen die zich in de 18de en 19de eeuw succesvol wisten te industrialiseren. En zelfs in de 20ste eeuw is dat niet anders.

Als Groot-Brittannië zich als eerste land industrialiseert, profiteert het daarbij volop van een zeer efficiënte landbouw. Die maakt het mogelijk dat er arbeidskracht vrijkomt, eerst voor ambachtelijke activiteiten, dan voor de fabrieken en ook voor de diensten die de nieuwe samenleving nodig heeft. Hij presteert het ook om voor al die werknemers altijd voldoende voedsel te produceren. Dat is geen geringe prestatie want honger is een van de traditionele plagen.

Cruciaal voor alle landen die zich industrialiseren – van Groot-Brittannië tot West-Europa en de andere welvaartsstaten van de twintigste eeuw zoals de Verenigde Staten en Japan – is dat hun landbouwproductie sneller groeit dan hun bevolking. Om dat te realiseren is er eerst een revolutie nodig die de rentabiliteit van de landbouw omhoog jaagt.

Pas dan kan er een industriële revolutie plaatsgrijpen. Hun succesvolle landbouw biedt net de kansen en de middelen – het surplus in economische termen – om te kunnen investeren en uit te groeien tot geïndustrialiseerde welvaartsstaten. En voor de opkomende industrie is een bloeiend platteland vervolgens de belangrijkste afzetmarkt.

Het is niet anders voor de nieuwe industrielanden als Taiwan en Zuid-Korea die zich in de tweede helft van de twintigste eeuw aandienen. Ook dit zijn samenlevingen die eerst hun landbouwrevolutie kenden en hunlandbouw blijven respecteren. Zo kunnen zij de winsten uit die sectorgebruiken voor hun industriële ontwikkeling waarbij ze het evenwicht met het platteland en de plattelandseconomie voor ogen blijven houden. Ook andere industrialiserende Aziatische economieën, zoals China, bewandelen die weg.

Om het verhaal en de sterke relatie tussen landbouw en industrie volledig te maken: alle rijke landen steunden niet alleen op hun landbouw voor hun industrialisering, ze hebben zich allemaal geïndustrialiseerd door, zeker in de beginfase, handig gebruik te maken van afgeschermde thuismarkten om er hun producten te verkopen, van Groot-Brittannië tot Zuid-Korea en China.

Globalisering van de voedselproductie is niet nieuw

In de tweede helft van de negentiende eeuw voeren stoomschepen het Amerikaanse graan naar Europa. Voor België gaat het om vijftigduizend ton in 1850. Veertig jaar later is dat een stortvloed van één miljoen zeshonderdduizend ton.

Het verschuiven van de productie naar waar het goedkoopst om te produceren is, internationale arbeidsverdeling of delokalisatie, het is niet nieuw. Ook meer dan honderd jaar geleden leidden deze vormen van globalisering tot prijsinstortingen, economische crises, armoede op het platteland en groeiende ongelijkheid. Het is in die periode dat zich in Europa de opkomst van boerenbewegingen manifesteert, het is ook dan dat in Vlaanderen de Boerenbond wordt gesticht.

Maar pas na de Tweede Wereldoorlog gaan de overheden in Europa en de Verenigde Staten zich echt bemoeien met de landbouwprijzen en landbouwmarkten. Zo konden de Europese boeren in hoge mate werken binnen een afgeschermde Europese markt. Zij slaagden er dus in om de landbouw grotendeels buiten de wereldeconomie te houden. Het is daarom dat ik, met enige overdrijving, wel eens heb beweerd dat de boerenbeweging de succesrijkste antiglobalistische sociale beweging is, alvast in de rijke landen.

Alle rijke landen beschermen hun landbouw

Maar de belangrijkste vaststelling, de meest cruciale les uit de geschiedenis, is er een andere. Alle rijke landen beschermden en beschermen nog altijd hun voedselproductie en hun landbouw. En dat heeft hen nooit verhinderd om welvarend te zijn.

We zagen al hoe de rijke landen zich wisten te industrialiseren o. a. op basis van een sterke landbouw. Zo bouwden ze een sterke welvaartsmachine uit. Vervolgens konden ze zich succesvol op de internationale en zelfs de wereldhandel storten. Die handel draagt bij aan hun welvaart.

Vergeet echter niet dat die rijke landen eerst hun economie ontwikkelden en sterk maakten achter gesloten grenzen, en zich dan pas op handelspad begaven. Het omgekeerde lukt niet. Vrijhandel en open markten kunnen zwakke economieën niet in sterke omtoveren. Maar nu mag dat dus niet meer. In het huidige tijdperk van de globalisering moeten de markten en de handel volledig vrij zijn. Daar mogen geen uitzonderingen op zijn, zeker niet in het voordeel van arme landen. Die liberalisering geldt volop voor industrieproducten, meer en meer ook voor landbouwproducten. Hoe wil je dan dat arme landen in die omstandigheden ooit hun landbouw en industrie hand in hand laten gaan en een goed presterende welvaartsmachine uit de grond stampen? Hoe kunnen ze nu nog zelf een leefbare economie creëren met welvaart, werk en inkomen voor iedereen?

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!