about
Toon menu
Opinie

Verwachtingen en verwezenlijkingen van de Oktoberrevolutie

Historicus Jacques R. Pauwels is auteur van 'De Groote Klassenoorlog 1914-1918', 'Big business met nazi-Duitsland' en 'De mythe van de goede oorlog: Amerika in de Tweede Wereldoorlog'. Dit is zijn persoonlijke analyse van de Oktoberrevolutie. Hij ziet de invloed van die historische gebeurtenis tot vandaag doorwerken.
dinsdag 7 november 2017

In 1917 werd Rusland, toen nog volop betrokken in de ‘Groote Oorlog’, (met twee o's volgens de toen geldende oude spelling) geschokt door een dubbele revolutie. Een eerste revolutionaire golf overspoelde het land op het einde van februari, tenminste volgens de Juliaanse kalender die toen nog in Rusland in voege was; maar dat was al in maart volgens de moderne Gregoriaanse kalender die pas aanvang 1918 in Rusland zou worden ingevoerd. Een tweede fase volgde in oktober, dus in november volgens de Gregoriaanse kalender, zodat die ‘Oktoberrevolutie’ later jaarlijks in de elfde en niet de tiende maand zou worden herdacht.

De omwenteling van februari/maart bracht het aftreden van de tsaar met zich mee evenals allerlei merkwaardige democratische hervormingen, bijvoorbeeld de scheiding van Kerk en Staat en de invoer van het algemeen stemrecht. In oktober kwamen echter de door Lenin aangevoerde bolsjewisten aan de macht. Dat waren Marxistische socialisten die in een belangrijk opzicht verschilden van de meer talrijke aanhangers van het ‘reformistische’ of ‘evolutionaire’ socialisme, bekend als ‘socialisten’ tout court of sociaal-democraten.

In tegenstelling tot deze laatsten, bleven de bolsjewisten geloven in de noodzaak en wenselijkheid van een revolutionaire overgang van de bestaande kapitalistische – en in Rusland zelfs nog grotendeels feodale – gevestigde orde naar een socialistische maatschappij. Onder bolsjewistische auspiciën radicaliseerde de revolutie, en symptomatisch voor die ontwikkeling waren ‘communistische’ maatregelen zoals de herverdeling van het grondbezit en de socialisering van fabrieken en andere productiemiddelen.

Een andere belangrijke, waarlijk revolutionaire maatregel die door Lenin en zijn kameraden werd genomen, was de uittrede van Rusland uit een reeds jaren aanslepende oorlog die het land ongeziene verliezen en miserie had bezorgd.

Een Amerikaanse journalist, John Reed, afkomstig uit een gegoede burgerlijke familie maar een overtuigd socialist, was ooggetuige van die stormachtige gebeurtenissen en schreef erover een boek Ten Days that Shook the World (voor een recensie van de Nederlandse vertaling, zie John Reed schreef 'Tien dagen die de wereld deden wankelen' )

Het succes van Reeds opus, dat in 1919 in New York verscheen, getuigde van de belangstelling en geestdrift waarmee arbeiders en andere loontrekkenden alsook de meeste kleine boeren en talloze kleinburgers op de Oktoberrevolutie reageerden in Amerika. Nochtans wordt van dat land algemeen aangenomen dat het altijd een oninneembare burcht van het kapitalisme is geweest, waarin het bolsjewisme/communisme en zelfs het socialisme (of de sociaal-democratie) nooit een schijn van kans hebben gehad.

Enorme sympathie in het buitenland

In de Verenigde Staten, West-Europa, en vele andere delen van de wereld genoot de Oktoberrevolutie inderdaad bij de ‘plebejers’ opmerkelijk veel sympathie, steun en zelfs navolging wegens dezelfde redenen als in Rusland zelf.

Een eerste factor daarbij was de algemene oorlogsmoeheid na een jarenlang aanslepend, schijnbaar uitzichtloos en zinloos bloedbad, bekend als de ‘Groote Oorlog’. Wegens de onverbiddelijk oorlogszuchtige houding van alle regeringen bleek een ontsnapping uit die hel slechts mogelijk te zijn via een revolutie.

(Omgekeerd hadden de elites in 1914 de oorlog ook – en eigenlijk vooral - ontketend om revolutie te vermijden, zoals ik dat beschreven heb in mijn boek De Groote Klassenoorlog 1914-1918. Zie de recensie 'De Groote Klassenoorlog 1914-1918': geen classy maar class affair). 

Ten tweede bestond bij het volk enorme verbittering tegenover de aristocratische, grootburgerlijke en kerkelijke elites die in 1914 nog in al die landen op hoogst ondemocratische manier met de plak zwaaiden, de oorlog hadden veroorzaakt, hem goedpraatten en deden aanslepen, en er enorm van profiteerden – dit laatste vooral in in het geval van bankiers en wapenleveranciers.

Ten derde was het plebs woedend omdat de elites die in 1914 nog bijna overal de macht monopoliseerden de oorlog benut hadden als een voorwendsel om brutaal een einde te stellen aan het politieke en sociale democratiseringsproces dat sinds het einde van de 19de eeuw vooral dankzij het socialisme en de arbeidersbeweging merkwaardige (maar nog steeds beperkte) vooruitgang had geboekt.

Inderdaad werden in de oorlogvoerende landen de reeds bestaande democratische verwezenlijkingen op politiek zowel als sociaal vlak vanaf het begin van het conflict ongedaan gemaakt en moesten de embryonair-democratische parlementaire systemen vroeg of laat de plaats ruimen voor min of (meestal) meer dictatoriale regimes zoals die van Ludendorff, Clemenceau en Lloyd George.

Typisch voor die regimes waren een uiterst brutale beknotting van vrijheden en een ‘proto-totalitaire’ repressie van pacifisten en andersdenkenden in het algemeen. En tenslotte ontstond er een steeds grotere miserie bij de kleine vrouw en man. Die moesten met hun zweet, bloed en tranen in de loopgraven en/of aan het ‘thuisfront’ de door het vaderland vereiste offers brengen en voor dalende lonen – en ondanks steeds slechtere voeding - dagelijks langer en harder zwoegen, afzien dus ten bate van een zogezegd heilige zaak waarin zij slechts in die hete zomer van 1914, verblind door een vuurstorm van patriottische propaganda, heel eventjes hadden geloofd.

 De Groote Oorlog veroorzaakte bij de plebejers - soldaten zowel als burgers –steeds grotere miserie, ontevredenheid, onrust en opstandigheid, zoals stakingen, betogingen, muiterijen en verbroederingen met de ‘vijand’ in alle oorlogvoerende landen overduidelijk aantoonden. Karl Marx had voorspeld dat het kapitalistische systeem onvermijdelijk een toenemende ‘pauperisering’ van de ‘proletariërs’ met zich zou meebrengen, deze laatsten op die manier a.h.w. met de rug tegen de muur zou duwen en hen er op die manier toe zou brengen om de bestaande orde via een revolutie omver te werpen.

In de decennia voor 1914 zag het er echter steeds meer uit alsof hij zich had vergist. Het lot van de arbeiders verbeterde toen immers merkbaar, tenminste toch in West-Europa. Enerzijds was dat zo wegens de druk die werd uitgeoefend door de opkomende socialistische arbeiderspartijen en de vakbonden en de daaruit voortvloeiende toegevingen in democratische zin die door de heersende aristocratische en burgerlijke elites tegen heug en meug gemaakt werden, bijvoorbeeld in een geleidelijke uitbreiding van het kiesrecht, hogere lonen en kortere werkuren, enzovoort.

De imperia 'breiden uit' naar de kolonies

Anderzijds kwam dit ook door de ‘imperialistische’ uitbreiding van het kapitalisme over heel de wereld: de ‘super-uitbuiting’ van kolonies zoals India en Congo en van semi-kolonies zoals China wierp ‘super-winsten’ af, waarvan een deel(tje) benut werd om in in de Westerse kernlanden van het imperialisme (of ‘metropolen’) een elite van loontrekkenden – een ‘arbeidersaristocratie’ - hogere lonen, betere arbeidsvoorwaarden, en in het algemeen een beter bestaan te bezorgen, waardoor zij ‘verburgerlijkt’ werden - en de wind uit hun revolutionaire zeilen werd genomen. Onder de auspicien van het imperialisme werd de miserie – en daarmee het revolutionaire potentieel – dus uitgevoerd naar de kolonies en semi-kolonies, naar wat later de ‘Derde Wereld’ zou genoemd worden.

De leiders en meeste leden van Europa’s socialistische (of ‘sociaal-democratische) partijen schakelden op die manier stilzwijgend over van het orthodoxe revolutionaire socialisme naar een ‘evolutionair’ (of ‘reformistisch’) socialisme. Al even discreet internaliseerden zij het racisme, sine qua non van het ‘imperialisme’ dat via een super-uitbuiting van de niet-blanke mensen in de kolonies een verbetering mogelijk maakte in het lot van een ‘arbeidersaristocratie’ in de metropolen.

Van solidariteit met de ‘super-uitgebuite’ zwarte, bruine of gele mensen in de kolonies was er bij de Europese socialisten geen sprake. Integendeel, socialistische kopstukken zoals Bernstein in Duitsland en Vandervelde in Belgie ontpopten zich als kampioenen van het kolonialisme. Zij waren wat men ‘sociaal-imperialisten’ heeft genoemd. ‘Proletariërs, aller landen, verenight u!’, was een slogan van het socialisme, maar de reformistische socialisten gaven geen blijk van solidariteit met hun donkerhuidige tegenhangers in de kolonies.

Door de Groote Oorlog stak de miserie echter op spectaculaire manier opnieuw de kop op in Europa, zelfs in West-Europa. De pauperisering keerde op spectaculaire manier terug naar de imperialistische kernlanden, en daarmee ook het revolutionaire potentieel. Wegens het conflict verloor zelfs de ‘arbeidersaristocratie’ de privilegies die haar verburgerlijkt hadden, en zo keerden haar leden in groten getale terug naar het revolutionaire socialistische geloof.

De Duitse arbeiders bijvoorbeeld, waren getraumatiseerd door het feit dat niet alleen varkensvlees - symbool van de welvaart die zij in het antebellum (voor 1914) hadden bereikt - van hun bord verzwond, maar dat zelfs de ordinaire maar toch geliefde aardappel zijn plaats op tafel moest ruimen voor onappetijtelijke rapen.

Het hoeft ons echter niet te verbazen dat het eerst en vooral in Rusland tot een revolutionaire explosie kwam. In dat land, waar de industrialisering in 1914 nog niet ver gevorderd was en het plebs wel niet uitsluitend maar toch overwegend bestond uit doodarme boeren, was het lot van de kleine man nooit merkbaar verbeterd en heersten er zelfs nog aan de vooravond van de Groote Oorlog quasi-middeleeuwse sociale en politieke (mis)toestanden.

Toen de oorlog uitbrak en hun lot nog beklagenswaardiger werd, veropenbaarden de door en door gepauperiseerde Russen zich bijgevolg als de allereerste Europese proletariërs die rijp waren voor revolutie. Ze waren trouwens reeds een tiental jaren eerder tot revolutionaire actie overgegaan, namelijk in 1905. Een desastreuse oorlog van het tsarenrijk tegen Japan was toen de catalysator geweest van een uitbarsting van volkswoede.

Die actie werd in bloed gesmoord en het Russische volk was blijven zuchten onder uitbuiting en onderdrukking. Hun lot werd echter nog oneindig veel slechter nadat het land in de zomer van 1914 door de tsaristische elite in de moorddadige ‘Groote Oorlog’ werd gesleurd. In 1917 telde het leger reeds vijf miljoen doden en gewonden en de lonen waren gezakt tot de helft van het peil van 1913, terwijl de prijzen drie keer hoger lagen dan in 1914.

Daarmee was voor ‘Ivan met de pet’ de maat vol. De soldaten, boeren, arbeiders en andere plebejers wilden dringend niet alleen vrede maar ook verregaande politieke en sociale hervormingen. Zo kwam het opnieuw tot revolutie. De eerste revolutionaire golf, in februari/maart, bracht de troonsafstand van de tsaar plus niet te versmaden: democratische hervormingen op politiek vlak, eerst en vooral het algemeen stemrecht, dat toen zelfs nog niet bestond in Groot-Brittannie en de meeste andere West-Europese landen.

Die eerste revolutionaire fase ontgoochelde echter het Russische volk in twee opzichten: de voorlopige regering, geleid door Alexander Kerenski en overwegend bestaande uit heerschappen van het tsaristische ancien regime die in de grond aan de revolutie een hekel hadden, was niet bereid om een einde te stellen aan de oorlogvoering. Zij wilde al evenmin toegeven aan de algemene eis naar radicale sociale en economische hervormingen, eerst en vooral een radicale herverdeling van het land ten voordele van de boeren en ten nadele van de aristocratische (en kerkelijke) grootgrondbezitters. 

Eén partij zet de oorlog stop

De kleine bolsjewistische partij van Vladimir Oeljanov, bekend als ‘Lenin,’ werd bijzonder populair en verkreeg uiteindelijk massale steun omdat zij als enige politieke partij wel degelijk bereid was om onmiddellijk een wapenstilstand af te sluiten en de revolutionaire maatregelen te nemen waar een overgrote meerderheid van het Russische volk naar smachtte. Dat de bolsjewisten massale steun genoten van het Russische volk, werd erkend door westerse oorlogscorrespondenten die ter plekke waren. John Reed was een van hen.

John Reed (Public Domain)

Maar in al de landen die deel uitmaakten van de Entente1, dus vooral Frankrijk, Groot-Brittannië en de VS, wilde men Rusland behouden als bondgenoot tegen Duitsland en vond men Lenins plannen om vrede te sluiten al even abominabel als zijn revolutionaire intenties. De grote kranten die als spreekbuizen van de Westerse elites fungeerden, zoals The Times, verkozen daarom de bolsjewisten van meet af aan te brandmerken als dieven, moordenaars en/of godslasteraars en hun beleid als een afgrijselijke dictatuur te veroordelen.  

In het Westen werden Lenin en de bolsjewisten bovendien ook verafschuwd omdat zij weigerden de gepeperde rekeningen te betalen voor de wapens (en luxeproducten als champagne, enz.) die de tsaar had besteld bij Britse en Franse leveranciers.

De Oktoberrevolutie was dus zeker niet het resultaat van een ‘samenzwering’ van een handjevol bolsjewisten, al evenmin als de revolutie van 1905 en de eerste fase van de revolutie van 1917 dat waren geweest. Reeds lang voor 1914 waren talloze mensen in West-Europa en de VS, ook niet-Marxisten die nog nooit van Lenin en de bolsjewisten hadden gehoord, ervan overtuigd dat in het tsarenrijk vroeg of laat opnieuw zoals in 1905 een revolutie zou uitbarsten.

Rusland was in 1917 overrijp voor revolutie, en toen die revolutie uitbarstte was zij, niet alleen in haar eerste maar ook in haar tweede fase, de Oktoberrevolutie, het werk van het volk, een Russisch volk dat meer dan genoeg had van uitbuiting en onderdrukking vanwege een vooral aristocratische en in mindere mate burgerlijke elite, een elite die bovendien die oorlog had gewild en uitgelokt.

Feodaliteit in één klap weggeveegd

Zoals Italiaans historicus Domenico Losurdo terecht heeft benadrukt, hebben Lenin en de bolsjewisten de Oktoberrevolutie niet gemaakt, maar zij hebben er wel op een kritiek ogenblik de leiding van overgenomen en ze in een bepaalde richting gestuurd - namelijk weg van het feodalisme en het (ontluikende) kapitalisme en in de richting van het socialisme. Dat gebeurde zonder enige twijfel van het begin af aan met de steun en goedkeuring van een grote meerderheid van het volk.

Zonder deze massieve steun vanwege de bevolking had de Oktoberrevolultie nooit kunnen slagen. Het was ook dankzij de Oktoberrevolutie dat Rusland eindelijk uit het afschuwelijke bloedbad van de Groote Oorlog kon stappen en dat, na jaren buitenlandse gewapende interventies en burgeroorlog een grootschalig sociaal-economisch experiment kon beginnen: de opbouw van een egalitaire, socialistische maatschappij, een alternatief voor - en een ‘tegen-systeem’ van - het kapitalisme.

Ook in de andere oorlogvoerende landen, zelfs in neutrale landen die buiten de oorlog bleven, veroorzaakte de Groote Oorlog bij het gewone volk, inclusief de ‘arbeidersaristocratie’, een steeds toenemende pauperisering die onvermijdelijk vroeg of laat in een revolutionaire situatie uitmondde. In Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië hadden de soldaten en burgers eveneens ten laatste in 1917 de buik overvol van oorlog en miserie en richtten zij de pijlen van hun verbittering op de elites die hun land in 1914 (of in het geval van Italië in 1915) in de oorlog gesleurd hadden, op de politiekers die steeds meer dictatoriaal regeerden, op generaals zoals Haig, Nivelle en Ludendorff die hun plebejische piotten bij de honderdduizenden de dood injaagden, op de kapitalisten die van de oorlog profiteerden, op de prelaten die de oorlog als een kruisvaart bewierookten.

Het besmettelijke voorbeeld

Ook in die landen wilden talloze mensen radicale veranderingen, ook daar was de situatie zwanger van revolutie en het voorbeeld van de bolsjewisten maakte een grote indruk op hen. In Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië staken frontsoldaten en fabrieksarbeiders hun bewondering en sympathie voor de Russische revolutionairen niet onder stoelen of banken. Het werd snel duidelijk dat zij vastbesloten waren om het bolsjewistische voorbeeld te volgen en een einde te stellen, niet alleen aan de moorddadige oorlog, maar ook aan het kapitalistische sociaal-economische system dat zij voor de oorlog verantwoordelijk achtten.

Dat het Russische voorbeeld een revolutie in Duitsland inspireerde, is algemeen geweten. Bijna volslagen onbekend is daarentegen het feit dat in het Duitse Reich niet alleen Berlijn en München zich als revolutionaire brandhaarden veropenbaarden, maar ook Straatsburg, hoofdstad van de Elzas, een gebied dat Frankrijk was kwijtgespeeld door haar nederlaag in de Franco-Pruisische oorlog van 1870-1871.

In november 1918 richtten soldaten en burgers, die laatsten overwegend arbeiders, aldaar een revolutionaire raad (het Russische woord voor 'raad' is 'sovjet') op in de stijl van de Russische sovjets. Die ‘Straatsburgse sovjet’ voerde stante pede allerlei democratische hervormingen in, inclusief loonsverhogingen en het stakingsrecht. Deze sovjet proclameerde dat de Elzas in de toekomst noch bij Duitsland noch bij Frankrijk zou behoren maar, dankzij ‘de triomf van de rode vlag’ een vrije, democratische en op taalgebied tolerante – d.w.z. tweetalige – republiek zou vormen.

De overwegend Duitssprekende plaatselijke bourgeoisie evenals de sociaal-democraten verafschuwden die plannen echter en verkozen ‘Frans-zijn boven rood-zijn’. Na het afsluiten van de wapenstilstand van 11 november 1918 zorgden zij ervoor dat het Franse leger bliksemsnel naar Straatsburg marcheerde om er deze sovjet te ontbinden en zijn hervormingen teniet te doen. De Elzas werd zonder meer opnieuw door Frankrijk ingelijfd en de Duitse taal werd er verboden.

Voor de Elzassers eindigde met dit soort ‘bevrijding’ een bloedig gewapend conflict dat in de conventionele Westerse geschiedschrijving nog steeds opgehemeld wordt als een ‘oorlog voor de democratie’, terwijl de Russische Revolutie afgekraakt wordt als een bakermat van dictatuur.

Tot in de VS

Aan de overkant van de Atlantische Oceaan werd het nieuws van de Oktoberrevolutie eveneens verwelkomd met geestdrift en bewondering bij de gewone Amerikanen. De VS waren niet in de oorlog betrokken geraakt omdat het volk dat wenste, maar omdat ’s lands machtselite, bestaande uit grote industriëlen en bankiers, er brood in zag. Amerika bevond zich in 1914 immers in een diepe recessie en de oorlog in Europa veropenbaarde zich als een machtige stimulus voor de economie.

Voor Amerikaanse wapenleveranciers en andere industriëlen betekende het een gelegenheid om ongeziene winsten in de wacht te slepen, vooral door leveringen van oorlogstuig aan Groot-Brittannië en Frankrijk, want met het door de Britse zeemacht geblokkeerde Duitsland konden geen zaken gedaan worden. Amerikaanse banken - en vooral J.P. Morgan & Co, bekend als het ‘House of Morgan’ - leenden enorme sommen geld aan Groot-Brittannië. Het was tevens ‘Wall Street’ dat in april 1917 president Wilson er alsnog van overtuigde om aan Britse zijde ten oorlog te trekken.

Dat werd dringend nodig geacht, want op dat ogenblik zag de situatie er bijzonder heikel uit voor de Britten en Fransen: door de revolutie die kort tevoren bij hun Russische bondgenoot was uitgebroken, had het tsarenrijk veel van zijn militair nut verloren en dreigde zelfs uit de oorlog te treden, het Franse leger werd geteisterd door muiterijen en scheen zich op de rand van de afgrond te bevinden! Was het niet overduidelijk dat de Britten in het geval van een nederlaag die miljarden dollars nooit zouden kunnen terugbetalen? Dat zou voor Morgan, de andere Amerikaanse banken, de Amerikaanse economie en het Amerikaanse kapitalisme een catastrofe geweest zijn.

Ook in Amerika moesten de plebejers het kanonnenvoer leveren en op andere manieren het gelag van de oorlog betalen. Er heerste in de VS toen sowieso nog veel schrijnende armoede. Die trof vooral - maar zeker niet uitsluitend - Afro-Amerikanen in hun ghetto’s en ‘indianen’ in hun reservaten. De reële lonen van de arbeiders waren nog steeds heel laag, in de fabrieken werd dikwijls tot twaalf en zelfs veertien uren per dag gezwoegd en dat zes of zelfs zeven dagen per week. Veiligheid op het werk was vrijwel onbestaande, en ook aan de arbeid van meer dan twee miljoen kinderen had nog geen enkele wet een einde gesteld.

Talloze Amerikaanse plebejers geloofden niet langer in de hypothetische weldaden van het kapitalisme en smachtten naar een ander en beter sociaal-economisch systeem. Zij vervoegden in groten getale de rangen van Amerika’s radicale socialistische partij of van de anarchisten. Amerika’s socialisten wilden een einde stellen aan de oorlog, en omgekeerd neigden wel niet alle maar toch steeds meer Amerikaanse pacifisten naar socialisme en anarchisme.

Die dialectiek joeg de elite van het land de stuipen op het lijf. Die had immers van de oorlog eigenlijk gehoopt dat hij de aandacht af zou leiden van de sociale problemen. Men zocht door middel van brutale repressie, waarvoor de oorlogstoestand al te gemakkelijk het excuus leverde, om socialisten, anarchisten, radicale vakbondslieden en pacifisten het zwijgen op te leggen en alle vormen van onorthodox denken, van wat men daar dissent noemt, de kop in te drukken.

Espionage Act

Symptomatisch voor die reactie waren ‘quasi-totalitaire’ wetten zoals de Espionage Act van 1917 en de Sedition Act2 van 1918, ingevoerd onder de auspiciën van president Woodrow Wilson, van wie al te dikwijls ten onrechte beweerd wordt dat hij een toegewijde apostel van het democratische geloof was. De staat mocht voortaan naar hartenlust censureren, tijdschriften opdoeken en mensen aanhouden en opsluiten. Pacifisten, socialisten, anarchisten en gelijk welke burgers die tegen de oorlog gekant waren, werden gebrandmerkt als ‘on-Amerikaanse’ verraders, als vijanden van het ‘amerikanisme’.

(Terloops: deze Espionage Act van 1917 werd na de oorlog een aantal keren aangepast, maar werd nooit afgeschaft. Klokkenluider Chelsea/Bradley Manning, die geheime informatie aan WikiLeaks bezorgde, werd berecht op basis van militaire codes die ten minste gedeeltelijk op de Espionage Act berusten.)

Het was op dat delicaat moment, in 1918, dat het nieuws van de Oktoberrevolutie de VS bereikte en er insloeg als een bom, en dat het ooggetuigenverslag van John Reed er enorme indruk maakte. John Reeds opus diende als koren op de molen van talloze Amerikanen die in de context van armoede, oorlog en repressie meer dan ooit hoopten op radicale sociaal-economische zowel als politieke veranderingen, de ondergang van het kapitalistische systeem en een overgang naar het socialisme.

Begeestering en zelfs daadwerkelijke steun voor de bolsjewistische zaak vond men vooral in de toen nog relatief radicale Amerikaanse arbeidersbeweging, vooral bij leden van de revolutionaire vakbond IWW (International Workers of the World) evenals bij de toen nog talrijke Amerikaanse socialisten en anarchisten.

Verrassend waren echter ook de vele kleinburgers, intellectuelen, kunstenaars enz. die positief reageerden positief op de rode revolutie in Rusland. Omgekeerd werd de Oktoberrevolutie verafschuwd door de Amerikaanse elite, die huiverde bij de gedachte dat het revolutionaire vuur naar de Verenigde Staten zelf zou kunnen overslaan. De Wall Street Journal, toen al de reactionaire spreekbuis van Amerika‘s industrie- en bankwezen, luidde de alarmklok: ‘Lenin en Trotsky zijn op komst!’, stond op een bepaald ogenblik in grote koppen te lezen op zijn voorpagina.

Het Russische voorbeeld werkte inderdaad aanstekelijk in de VS, en de revolutionaire onrust bereikte een hoogtepunt in 1919, toen het land geteisterd werd door talloze grote en kleine stakingen, inclusief een ongeziene staking van de politie in Boston, evenals ernstige onlusten in verschillende steden. Indien het echter toch niet tot een ware revolutie is gekomen, was dat hoofdzakelijk te wijten aan de manier waarop de autoriteiten in naam en ten bate van de belaagde elite gereageerd hebben met een genadeloze repressie. 

The Red Scare

De Groote Oorlog had hen daarvoor een aantal nuttige wapens geleverd in de vorm van wetten zoals de hierboven reeds vermelde Espionage Act, waarvan de regering van president Wilson cynisch gebruik maakte om genadeloos op te treden tegen al wat enigszins bolsjewistisch was of er zo uitzag. In samenwerking met de media – bijvoorbeeld de kranten van persmagnaat Randolph Hearst - orkestreerde de regering een ware Red Scare om het Amerikaanse volk te overtuigen van het gevaar van het ‘goddeloze bolsjewisme’.

A. Mitchell Palmer, Wilsons procureur-generaal, liet duizenden ‘roden’, voorstanders en sympathisanten van het bolsjewisme, socialisten en andere ware of vermeende radicalen aanhouden, gerechtelijk vervolgen of zonder vorm van proces uit het land zetten gedurende de naar hem genoemde razzia’s van de jaren 1919-’20, de zogenaamde Palmer raids.

De repressie van deze Red Scare werd bovendien gedeeltelijk ‘geprivatiseerd’, d.w.z. toevertrouwd aan groeperingen die meestal tegelijkertijd antidemocratisch, antisocialistisch, en antisemitisch waren en zichzelf als kampioenen van het ‘amerikanisme’ voorstelden. De Ku-Klux-Klan was slechts één – maar weliswaar de meest beruchte - van die groepen van ‘wakers’ (vigilantes), die gebruik maakten van vernederende lijfstraffen zoals insmeren met pek en veren, afranselingen en zelfs moord.

De term Red Scare, ‘angst voor alles wat rood was’, was misleidend, want het waren de ‘rode’ sympathisanten van het bolsjewisme zelf die reden hadden om angst te hebben. Dat waren niet alleen de leden van de grote socialistische partij en van de vakbonden, maar alle mogelijke radicalen en ware of vermeende subversieve elementen, zoals Joden.

Deze laatsten werden geassocieerd met het door Karl Marx, zelf ook een Jood, ontwikkelde socialisme in het algemeen en het bolsjewisme, waarin Joden zoals Trotsky een prominente rol speelden, in het bijzonder. Van die theorie, bekend als het ‘judeo-bolsjewisme’, die de verantwoordelijkheid voor de Russische Revolutie in de schoenen van de Joden schoof en het contra-revolutionaire anti-bolsjewisme een sterke antisemitische tint verleende, was de bekendste Amerikaanse en zelfs internationale exponent de industrieel Henry Ford. 

Henry Ford inspireert Adolf Hitler

Ford was auteur van het in het begin van de jaren 1920 uitgegeven antisemitisch opus The International Jew. De Duitse vertaling maakte een enorme indruk op Hitler, die zich door de voorzienigheid geroepen voelde om de Sovjet-Unie te vernietigen. Die nieuwe staat, het ‘kind’ van de Oktoberrevolutie, werd door hem beschouwd als ‘Rusland geregeerd door de Joden’ (Rußland unter Judenherrschaft).

Het hoeft ons echter niet te verbazen dat het ook in de VS de meest verdrukte en uitgebuite mensen waren die de grootste belangstelling en geestdrift vertoonden voor het bolsjewisme: de Afro-Amerikanen. Daardoor verwierf de sociale kwestie in Amerika naast een antisemitische ook nog een tweede raciale dimensie, namelijk een ‘anti-Hamitische’ (anti-zwarte). Zo werden ook de theorie en praktijk van white supremacy in de contra-revolutionaire dienst gesteld van het door het bolsjewisme belaagde Amerikaanse kapitalisme. 

Het verbaast ons bijgevolg al evenmin dat vigilantes zoals de Ku-Klux-Klan het niet uitsluitend maar toch vooral op zwarten gemunt hadden en dat gedurende de volgende jaren, zelfs decennia, talloze Afro-Amerikanen het slachtoffer werden van onwettelijke executies, ‘lynchings’. In de jaren 1920 en 1930 zou de Sovjet-Unie een voorbeeld en een bron van hoop zijn voor de zwarte Amerikanen. Omgekeerd zouden de Amerikaanse voorstanders van white supremacy met grote ogen van bewondering opkijken naar nazi-Duitsland, het land dat openlijk en zelfs fier rassenhaat - niet alleen van de antisemitische maar ook van de anti-Hamitische variëteit –in het vaandel voerde.

Een tweede belangrijke reden waarom er in de VS geen revolutie uitbrak was de grote onenigheid die heerste binnen het potentieel revolutionaire radicale kamp in het algemeen en de socialistische partij in het bijzonder. In hetzelfde jaar dat de revolutionaire agitatie een hoogtepunt bereikte en eensgezindheid ten voordele van revolutie de doorslag hadden kunnen geven, viel de socialistische partij uiteen over de kwestie of men de revolutionaire parolen uitgaande van Moskou diende te volgen of niet.

John Reed was een van de radicale, revolutionaire socialisten die de partij daarop vaarwel wuifden. Hij keerde terug naar Rusland om in het kader van de Comintern, de communistische Derde Internationale, te gaan ijveren voor de wereldrevolutie. Hij zou echter reeds in oktober 1920 in Moskou aan typhus sterven en bijgezet worden op de erebegraafplaats langs de muren van het Kremlin.

Het succes van het boek van John Reed weerspiegelt het feit dat de Oktoberrevolutie indertijd enorm veel geestdrift verwekte - in Rusland zelf, in Amerika en in de rest van de wereld. Maar, was dat enthousiasme gerechtvaardigd? Wat hebben Lenin en de bolsjewisten verwezenlijkt, hoe heeft de Oktoberrevolutie Rusland en de wereld veranderd?

In de door Reeds boek geïnspireerde film Reds (1981) geraakt Reed uiteindelijk zelf gedesillusioneerd, en zoals dat van een Hollywood-productie uit de tijd van de Koude Oorlog te verwachten was, werd te verstaan gegeven dat reeds Lenin zelf door zogezegd dictatoriaal optreden de grote illusies van 1917 op brutale manier de kop ingedrukt heeft. Een oorspronkelijk democratische revolutionaire beweging zou door de bolsjewistische leiders ‘verraden’ zijn om op die manier een hoogst ondemocratische dictatuur te baren.

Dit was echter pure Koude Oorlog-propaganda, want de historische werkelijkheid is helemaal anders: de Oktoberrevolutie was niet alleen een spontane, democratische beweging (i.p.v. een samenzwering) maar heeft ook vele en belangrijke democratische verwezenlijkingen op politiek en vooral sociaal-economisch vlak voortgebracht. Laat ons die even onder de loep nemen.

Het allereerste wat Lenin en de bolsjewisten verwezenlijkten nadat ze aan de macht kwamen, was een einde stellen aan Ruslands deelname aan een moorddadige Groote Oorlog waarin reeds miljoenen Russen waren omgekomen. Dat vonden de staatsmannen in Londen, Parijs en Washington natuurlijk fout, want op die manier verloren zij een belangrijke bondgenoot, en daarom steunden zij Ruslands contra-revolutionairen.

Het is een absurditeit van de westerse geschiedschrijving dat Lenin, die het Russische volk de vrede bracht waarnaar de overgrote meerderheid smachtte, als een ‘dictator’ wordt afgeschilderd, terwijl omgekeerd westerse staatsmannen zoals Churchill, die de Russen zeer tegen hun zin in de oorlog wilden houden en daarom anti-bolsjewistische, reactionaire elementen steunden, als grote democraten bewierookt worden.

Onder bolsjewistische leiding kwam het ook snel tot belangrijke sociaal-economische hervormingen waarvan het democratisch belang onmogelijk ontkend kan worden: eerst en vooral een herverdeling van het land ten nadele van de adellijke en kerkelijke grootgrondbezitters en ten voordele van de kleine boeren, tot dan nog overwegend quasi-lijfeigenen.

De Oktoberrevolutie luidde het einde in van de autocratische, feodale, quasi-middeleeuwse gevestigde orde en het begin van de snelle modernisering van Europa’s achterlijkste land. Daarmee kwam er daarenboven snel een einde aan de eeuwenoude gesels van analfabetisme en obscurantisme3. Het duurde ook niet lang vooraleer er voor iedereen werkgelegenheid, een fatsoenlijk onderkomen, gratis onderwijs, gezondheidszorg en ouderdomspensioenen tot stand kwamen.

De modernisering (via mechanisering en collectivisering) van de landbouw en de industrialisering waren verre van pijnloos, maar bereikten eveneens in relatief weinig tijd indrukwekkende resultaten. En er werd bovendien veel verwezenlijkt voor – en door – Ruslands vrouwen, bijvoorbeeld gelijk loon voor gelijk werk, gratis kinderzorg voor werkende moeders en legalisering van echtscheiding en abortus.

Dat de Oktoberrevolutie en de erop volgende revolutionaire veranderingen gepaard gingen met geweld en bloedvergieten kan niet geloochend worden, maar, zoals Amerikaans historicus Arno Mayer overtuigend heeft aangetoond in zijn merkwaardig boek The furies: Violence and Terror in the French and Russian Revolutions (2000), was die narigheid net zoals in het geval van de Franse Revolutie niet in de allereerste plaats te wijten aan de revolutie zelf, maar aan de reactie ertegen, aan de ‘contra-revolutie

 

Bovendien hebben auteurs als Robert W. Thurston, J. Arch Getty, Grover Furr en Annie Lacroix-Riz talloze groteske beschuldigingen aan het adres van de bolsjewistische/communistische leiders van de Sovjet-Unie gedurende de laatste decennia als verzinsels ontmaskerd. Vele van die verzinsels ontstonden reeds ten tijde van de revolutie zelf. Ze waren niet alleen het werk van contra-revolutionaire ‘witte’ Russen maar ook van regeringen en media van de Westerse mogenheden, die de bolsjewisten haatten, zoals we reeds hierboven hebben gezien.

Niet weinig van die horrorverhalen werden in de jaren 1930 bekokstoofd door de nazi-propagandadiensten van Joseph Goebbels, minister van propaganda onder Hitler, om dan later, in de context van de Koude Oorlog, gerecycleerd te worden door anti-Sovjet specialisten van de CIA of van de Britse geheime diensten, zoals Robert Conquest, dit al te dikwijls in samenwerking met Oekraïense en andere Oost-Europese collaborateurs van de Nazi’s die in 1944-45 uit de Sovjet-Unie waren gevlucht.

Het ‘beste’ voorbeeld daarvan is de mythe van de moedwillig georkestreerde hongersnood in Oekraïne. Onlangs nog heeft Amerikaanse onderzoeker Grover Furr via een nauwkeurige analyse van de bronnen in de voetnoten de valsheid aangetoond van vrijwel elke bewering omtrent de gestelde sovjetmisdaden in de bestseller van Timothy Snyder 'Bloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin' (2011).

De Oktoberrevolutie heeft het Russische volk, of beter gezegd de vele volkeren van het voormalige tsarenrijk en de latere Sovjet-Unie, ook op lange termijn enorme voordelen gebracht. Van het sovjetcommunisme werd ten onrechte beweerd dat het inefficiënt was. Ten onrechte, want het kan onmogelijk ontkend worden dat het communisme in slechts dertig jaar, tussen 1917 en 1947, het veruit achterlijkste land in Europa omgetoverd heeft tot een van de werelds twee supermachten, en dit ondanks de enorme verliezen die toegebracht werden door een ongezien moorddadige en destructieve agressie vanwege nazi-Duitsland in 1941-1945.

Reeds in 1947, en zeker nog in de decennia die daarop volgden, was de levensstandaard van de bevolking in de Sovjet-Unie veel hoger dan in 1917, weliswaar niet zo hoog als die van de welstellende lagen van de bevolking in de rijkste kapitalistische landen, maar merkbaar hoger dan die van de meeste zwarte en talloze blanke arme Amerikanen en die van miljoenen, zelfs miljarden mensen in de landen van de eveneens op kapitalistische leest geschoeide Derde Wereld, zoals bijvoorbeeld India, Indonesië en de meeste landen van Afrika en Latijns Amerika.

Het soort wijdverbreide, schrijnende armoede dat typisch was voor het Rusland van voor de Oktoberrevolutie heeft daar pas in de jaren 1990 opnieuw zijn herintrede kunnen ‘vieren’, namelijk met de restauratie van het kapitalisme onder auspiciën van president Boris Jeltsin. Deze laatste orkestreerde de wellicht grootste zwendel in de wereldgeschiedenis: de privatisering van de enorme collectieve rijkdom die via bovenmenselijke krachtinspanningen en offers door het sovjetvolk tussen 1917 en 1990 uit de grond was gestampt.

Indien de Sovjet-Unie uiteindelijk ten onder gegaan is, was dat zeker niet omdat het volk dat wilde. In een referendum in 1991 stemde niet minder dan driekwart van de bevolking voor het behoud van de sovjetstaat. De meeste sovjetburgers hadden immers voordeel bij het bestaan van die staat. De ontmanteling ervan, op lichtzinnige wijze voorbereid door president Gorbatjov en op bijzonder ondemocratische manier geforceerd door zijn opvolger president Jeltsin, is hen inderdaad heel nadelig uitgevallen. (Gorbachev werd in het Westen bejubeld, maar in Rusland wordt hij algemeen veracht.)

De ineenstorting van de Sovjet-Unie was gedeeltelijk te wijten aan de gigantische kosten van een bewapeningswedloop die de Sovjets niet hadden gewild, maar ook en misschien zelfs vooral aan verdeeldheid en conflicten binnen de leiding van de communistische partij, zoals uitgelegd wordt in de relatief recente studie (2010) van Roger Keeran en Thomas Kenny Socialism Betrayed: Behind the Collapse of the Soviet Union 1917-1991.

Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat ook heden nog een meerderheid van de Russische bevolking het verdwijnen van de Sovjet-Unie betreurt en dat er in voormalige Oostbloklanden zoals Roemenië en het voormalige Oost-Duitsland nostalgie heerst naar de nog-niet-zo-slechte oude tijd van voor de val van de Berlijnse muur. In de vroegere communistische landen heerst nu weliswaar 'vrijheid' maar, zoals een voormalige Oost-Duitser sarcastisch heeft opgemerkt, bij die vrijheid gaat het vooral om een ‘vrij-zijn-van werkgelegenheid, van veilige straten, van gratis ziekenzorg, van sociale zekerheid’.

De Oktoberrevolutie richtte zich tegen een kapitalisme dat zich kort tevoren in een ‘imperialistische’ gedaante over de hele aardbol verspreid had. Een relatief klein aantal geïndustrialiseerde Europese landen alsook de VS en Japan hadden zich daarbij op directe of indirecte manier meester gemaakt van de rest van de wereld. Dat betekende dat miljarden inwoners van kolonies zoals India en semi-kolonies zoals China onderdrukt, uitgebuit en in sommige gevallen zelfs geheel of gedeeltelijk uitgemoord werden om de kapitalistische kernlanden te voorzien van grondstoffen, afzetmarkten, investeringsmogelijkheden, rijke landbouwgronden, spotgoedkope werkkrachten, enz. 

Imperialisme = kapitalisme

Britse econoom John A. Hobson had reeds in 1902 op dat fenomeen de aandacht getrokken en het een naam gegeven, ‘imperialisme’. Het was echter Lenin die in 1916 de theorie van de nieuwe manifestatie van het kapitalisme uitwerkte in een boek met als titel 'Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme'. Onder leiding van Lenin en de bolsjewisten keerde de Oktoberrevolutie zich zo niet alleen tegen het kapitalisme maar tezelfdertijd ook tegen het imperialisme, m.a.w. zij trok niet alleen ten strijde tegen uitbuiting en onderdrukking van de ‘proletariërs’ in Rusland zelf en in de ‘westerse’ kernlanden van het kapitalistische ‘wereldsysteem’ maar ook tegen de imperialistische uitbuiting van de overwegend donkerhuidige mensen in de kolonies en semi-kolonies.

Dat was iets wat de socialistische partijen en vakbonden van imperialistische landen zoals Frankrijk, de VS en ook België en Nederland nooit hebben gedaan. Die ‘reformistische’ partijen vertegenwoordigden immers de ‘arbeidersaristocratie’ die zoals reeds eerder gezegd in vele opzichten van de uitbuiting van de kolonies meeprofiteerde en daarom tegenover de donkerhuidige inwoners van de verafgelegen kolonies van hun vaderland niet de minste sympathie en nog minder solidariteit aan de dag legden. (Op gelijkaardige manier wilden in de VS de meeste socialisten niets te doen hebben met ‘nixxxrs’ en ‘Injuns’.) 

De Russische bolsjewisten, daarentegen, ijverden van het begin af aan met woord en daad voor de emancipatie van de koloniale volkeren. Het revolutionaire experiment in Rusland fungeerde als lichtend voorbeeld voor de verdrukte bevolking van kolonies zoals India en Vietnam, en van ‘semikolonies’ zoals China. Het inspireerde talloze persoonlijkheden die achteraf de vrijheidsstrijd van hun land aangevoerd hebben, als Ho Chi Minh en Mao Ze Dong.

Zoals de Italiaanse historicus Enzo Traverso heeft benadrukt, betekende ‘alleen al het bestaan van de Sovjet-Unie een enorm voordeel voor de vrijheidsstrijd van de koloniale volkeren tegen het imperialisme’. Die factor begon vlak na de Tweede Wereldoorlog een enorm belangrijke rol te spelen. Toen werd immers – in tegenstelling tot heden - nog algemeen erkend dat de overwinning op Hitlers Derde Rijk eerst en vooral te danken was aan de Sovjet-Unie.

Die erkenning betekende een triomf van het anti-imperialisme op het imperialisme, een triomf die als een machtige stimulus fungeerde voor onafhankelijkheidsbewegingen en nationale revoluties in de kolonies, waarvan de meesten niet toevallig kort daarop hun onafhankelijkheid konden verwerven. Reeds in 1947 bijvoorbeeld, moest Londen India, het ‘juweel in de kroon’ van het Britse kolonialisme, laten schieten, niet wegens de geweldloze weerstand belichaamd door Gandhi, die door Churchill veracht en genegeerd werd, maar omdat de Britse leiders inzagen dat zij het – tenminste op lange termijn - onmogelijk konden halen tegen gewapende vrijheidsstrijders die de steun van de Sovjet-Unie genoten.

Ook in het voormalige ‘Frans Indochina’ moesten eerst de koloniale Fransen zelf en vele jaren later ook de neo-koloniale Amerikanen roemloos afdruipen na een smadelijke nederlaag tegen vrijheidsstrijders die niet alleen de steun van het eigen volk genoten maar ook op hulp vanwege Moskou konden rekenen. (Terloops: de befaamde Italiaanse historicus Luciano Canfora, auteur van een opmerkelijk boek over de democratie, heeft erop gewezen dat de onbaatzuchtige materiële steun die de Sovjet-Unie indertijd aan allerlei vrijheidsbewegingen in de Derde Wereld verleende enorm veel geld kostte en op die manier eveneens heeft bijgedragen tot de ineenstorting van de Sovjet-Unie.)

De Oktoberrevolutie integreerde ethnische minderheden, ongeacht huidskleur, in een multi-ethnische staat, die wel onvermijdelijk gedomineerd werd door zijn grootste, namelijk Russische, bestanddeel. Die sovjetstaat ijverde van begin tot einde voor de emancipatie van miljoenen mensen die onderdrukt en uitgebuit werden door het Westerse kolonialisme. 

De Amerikaanse 'revolutie'

Het contrast is hemelsgroot met de Amerikaanse Revolutie – die overigens geen ware revolutie was maar eerder een rebellie van de koloniale elite tegen de regering in Londen. Van die revolutie kan gezegd worden dat zij vrijheid en democratie verwezenlijkte, maar enkel en alleen ten bate van een blanke en overwegend Engelssprekende minderheid, terwijl zij de zwarte en zogezegd ‘rode’ bewoners van het land ‘extegreerde’.  

In de pasgeboren VS bleven de zwarten slaven, eigendom van de kampioenen van liberty én white supremacy, zoals George Washington en Thomas Jefferson. De ‘roodhuiden’ werden er systematisch beroofd van hun land en bijna uitgemoord - volgens het motto dat ‘de enige goede Indiaan een dode Indiaan is’! – in de zogenaamde ‘Indiaanse Oorlogen’ die eigenlijk neerkwamen op een reeks moordpartijen. Die werden door Amerikaans historicus David E. Stannard in zijn boek American Holocaust – Columbus and the Conquest of the New World (1994) beschreven als een ‘Amerikaanse holocaust’.

 Verachting voor verondersteld minderwaardige mensen was voorbestemd voor een lange carrière in de VS. Het was een Amerikaan, de ‘wetenschappelijke racist’ Lothrop Stoddard (1883–1950), die niet-blanken beschreef als ‘under-men’, een term die gretig werd overgenomen door Hitler en de nazi’s in een beruchte Duitse versie: Untermensch. Typisch is ook het feit dat gedurende de Vietnamoorlog niet alleen de vrijheidsstrijders, maar ook vrouwen en kinderen, door de Amerikanen als Untermenschen veracht en afgeslacht werden – de burgers in My Lai en in talloze andere gevallen – volgens het motto dat ‘de enige goede gook [racistisch scheldwoord voor Vietnamees, zeg 'goek'] een dode gook is’.

Zwarte Amerikanen

In het land dat de vrucht is van de Amerikaanse Revolutie is zelfs vandaag nog de ontvoogding van de ‘Afro-Amerikaanse’ bevolking verre van voltooid. Indien in hun lot met veel vertraging enige verbetering kwam, was dat overigens minstens indirect te danken aan het land dat ontstond als gevolg van de Oktoberrevolutie, de Sovjet-Unie. Waarom?

Aan de systematische discriminatie en de al te veelvuldige lynchpartijen waarvan de zwarten vooral (maar niet alleen) in de zuidelijke staten het slachtoffer waren, kwam slechts een einde in de jaren 1960, namelijk in de context van de Koude Oorlog. Amerika’s systeem van rassenscheiding (segregation) contrasteerde al te schril met de situatie in de Sovjet-Unie, een multi-ethnisch land dat niet discrimineerde op basis van huidskleur en waar rassendiscriminatie grondwettelijk verboden was.

“In Rusland [sic] voelde ik mij voor het eerst in mijn leven zoals een volwaardig menselijk wezen, daar bestond geen vooroordeel tegenover kleurlingen zoals in [de staat] Mississippi of in Washington”, verklaarde de bekende Afro-Amerikaanse zanger Paul Robeson, na een bezoek aan de Sovjet-Unie in de jaren vijftig. En terwijl Washington dikke vriendjes was met het Apartheidsregime in Zuid-Afrika en onder meer ijverig hulp verleende bij het opsporen en arresteren van Nelson Mandela, werd Moskou terecht door dat regime beschouwd als haar grootste vijand op internationaal vlak.

Amerika verloor op die manier heel wat prestige en invloed, vooral in het kamp van de pas onafhankelijk geworden – en wat de Koude Oorlog betreft - meestal ‘ongebonden’ vroegere kolonies. Het was enkel en alleen om die vervelende vlek op Amerika’s blazoen weg te wassen dat Washington uiteindelijk de eigen zwarte bevolking als mensen en burgers begon te behandelen. Met de ondergang van de Sovjet-Unie hield die factor echter op een rol te spelen. Dat verklaart waarom er sedertdien geen vooruitgang meer is geboekt in de richting van emancipatie voor de Afro-Amerikanen, ook niet gedurende het achtjarige presidentschap van Obama.

Latijns-Amerika

In Latijns-Amerika heeft de Oktoberrevolutie eveneens voor miljoenen mensen als bron van inspiratie en als lichtend voorbeeld gediend en ertoe bijgedragen dat hun lot verbeterde. Het verlangen naar verregaande, zeg maar revolutionaire verandering, sloeg reeds heel vroeg over van Rusland naar dat deel van de wereld.

Sedert de tijd van de verovering door de Spanjaarden (en Portugezen) was de meerderheid der bevolking daar – bestaande uit ‘Indianen’, zwarten, mestiezen en andere niet-blanken – het onderwerp van brutale onderdrukking en uitbuiting; m.a.w. een langdurig proces van pauperizering had daar een vruchtbare voedingsbodem voor revolutie doen ontstaan.

Argentinië beleefde in januari 1919 een ‘tragische week’ van stakingen en betogingen die door de politie op bijzonder brutale en bloedige manier onderdrukt werden. Die onrust was wel niet het gevolg van een ‘bolsjewistische samenzwering’, zoals de overheden meenden, maar was toch geïnspireerd door de gebeurtenissen in Rusland.

Het was in dezelfde context dat in het naburige Chili tussen 1917 en 1921 honderden stakingen uitbraken. Het stadje Puerto Natales in het afgelegen Patagonië geraakte tijdelijk in handen van protesterende en stakende arbeiders, maar het leger greep in, ‘herstelde de orde’, zoals dat heet, en liet een aantal leiders van de opstand terechtstellen.

Ook Mexico, Cuba en Colombia werden indertijd overspoeld door golven van onrust en stakingen. Het was typisch dat de elite overal reageerde met repressie, waarbij dikwijls bloedvergieten te pas kwam. soms beslisten meer gematigde ‘secties van de traditionele oligarchieën’ om de potentieel revolutionaire situatie te bezweren door middel van toegevingen in de vorm van (zo bescheiden mogelijke) politieke en sociale democratische hervormingen.

In de vroege jaren 1920 werden op die manier in landen zoals Chili de werkuren ingekort alsook pensioenen, betaald verlof en andere vormen van sociale wetgeving ingevoerd, dit met de opzettelijke bedoeling ‘om onrust bij de arbeiders te voorkomen’. Ook voor die verbeteringen in het weinig benijdenswaardige lot van het Zuid-Amerikaanse werkvolk verdienden Lenin en de bolsjewisten dus krediet.

Het waren hun voorbeeld en hun invloed die de proleten van Zuid-Amerika in de jaren 1917 en volgende omtoverden in militante scharen die de elites vrees aanjaagden en tot toegevingen dwongen. Zo kon in Latijns Amerika voor het allereerst sedert de komst van de conquistadors enige vooruitgang geboekt worden in de richting van politieke en sociale democratie.

In schrille tegenstelling tot wat we steeds weer te horen krijgen vanwege mainstream media en historici, hebben het voorbeeld van de Oktoberrevolutie, en de ijver van de Sovjet-Unie, de staat die de vrucht was van die revolutie, enorm veel gepresteerd voor vrijheid en democratie, niet alleen ten bate van Rusland zelf maar ook van de reusachtige Derde Wereld die zich uitstrekt van van Peking tot Patagonië.

West-Europa

Last but certainly not least: West-Europa zowel als niet-Europese Westerse landen als Canada hebben een aanzienlijk deel van hun democratie en welvaart de danken aan de Oktoberrevolutie. In de loop van de jaren 1917, 1918 en 1919 ontstonden als gevolg van de door de oorlog veroorzaakte pauperisering overal revolutionaire situaties, niet alleen in Rusland maar ook in Centraal- en West-Europa.

Zowat overal kwam het tot muiterijen en verbroederingen met de ‘vijand’ bij de soldaten aan het front en tot stakingen zowel als betogingen en onlusten bij de burgers aan het thuisfront. In het geval van Duitsland brak op die manier een heuse revolutie uit, die door de nieuwe, zogezegd democratische regering en het leger in bloed gesmoord werd.

Tezelfdertijd vonden de autoriteiten het echter ook nodig om aan de roep naar verandering toegevingen te doen in de vorm van verregaande politieke en sociale hervormingen, die verankerd werden in de grondwet van een nieuw Duitsland, bekend als de Weimar Republiek. Die staat openbaarde zich zelfs als een van de meest progressieve en democratische landen ter wereld.

Ook in Frankrijk en Groot-Brittannië ontstonden in 1918-‘19 revolutionaire situaties.Om de wind uit de zeilen van deze revolutionaire elementen te halen besloten de elites in die landen vrijwel onmiddellijk om eveneens belangrijke politieke en sociale hervormingen in te voeren, bijvoorbeeld de achturendag. Op die manier deden die elites een democratiseringsproces herleven, en zelfs versnellen, dat zij in 1914 hadden stilgelegd en zoveel mogelijk hadden teruggerold.

De Franse en Britse elites verafschuwden weliswaar dergelijke democratische innovaties, maar, zoals befaamde Engels historicus Eric Hobsbawm in die context geschreven heeft, “eender wat was beter dan bolsjewisme voor de verdedigers van de bastions van het kapitalisme, die vreesden dat het einde nabij was”.

Ook in België

In België vonden Koning Albert en zijn raadgevers het nodig om overhaast politieke hervormingen - zoals het algemeen (mannelijk) stemrecht – in te voeren nog voor het Belgisch leger Brussel bereikte. Zij hoopten op die manier een potentieel revolutionaire situatie te neutraliseren die in de hoofdstad was ontstaan.

Muitende Duitse soldaten hadden daar de rode vlag gehesen en er naar bolsjewistisch voorbeeld een ‘sovjet’ opgericht. Even zag het er naar uit dat Belgische burgers zich bij hen zouden aansluiten. Het nieuws van de hervormingen - per koninklijk decreet uitgevaardigd en dus eigenlijk ongrondwettelijk! – gecombineerd met de aftocht van de Duitsers, bracht de gewenste afname van de spanningen.

Desondanks zou het land echter nog lange tijd onrustig blijven, zodat de elite het nodig achtte om de politieke democratisering aan te vullen met verdere toegevingen zoals hogere lonen en vooral sociale hervormingen zoals de achturendag, een betere ziekteverzekering en pensioenen.

In neutrale landen zoals Zwitserland en Nederland had het gewone volk het gedurende de oorlog eveneens hard te verduren gehad wegens merkbaar lagere lonen en sterk stijgende stijgende prijzen. Als gevolg van die pauperisering - en aangemoedigd door het voorbeeld van de bolsjewisten in Rusland - vertoonde het plebs zich verbitterd, opstandig en begerig naar radicale hervormingen in democratische zin. Ook daar ontstond zo einde 1918-begin 1919 een quasi-revolutionaire situatie. Die ontwikkeling werd gekenmerkt door massale stakingen, betogingen, voedselrellen en dergelijke.

In Zwitserland bracht een algemene staking in de herfst van 1918 het land tot aan de rand van de revolutionaire afgrond en een heuse burgeroorlog dreigde uit te breken. De Helvetische elite kon uiteindelijk de lont uit het kruitvat halen door middel van in zeven haasten ingevoerde politieke en sociale hervormingen.

In Nederland vreesde de burgerij in november 1918 eveneens dat een revolutie op het punt stond uit te breken en werden troepen klaar gehouden om tegen de talrijke stakers en betogers ingezet te worden. Ook daar zou de sociale rust uiteindelijk terugkeren dankzij de snelle invoering van hervormingen zoals de achturendag.

De moraal van dit kort verhaal: zonder de Oktoberrevolutie, die overal de heersende bourgeoisie deed bibberen, zouden al de hier opgesomde democratische hervormingen er nooit gekomen zijn.

Het kind van de Oktoberrevolutie, de Sovjet-Unie, heeft eveneens een niet te onderschatten bijdrage geleverd tot de zaak van democratie en vrijheid in West-Europa. Het kan immers niet ontkend worden dat de sovjetstaat de veruit grootste bijdrage geleverd heeft tot de overwinning op nazi-Duitsland. Zonder de Oktoberrevolutie, die het nog grotendeels feodale Russische tsarenrijk tot de Sovjet-Unie omtoverde, zou die prestatie niet mogelijk geweest zijn.

In 1914 werd de slagkracht van tsaristische Rusland grotelijks onderschat door vriend zowel als vijand. In 1941 gebeurde het omgekeerde, toen nazi-Duitsland het land aanviel en de sterkte van de Sovjet-Unie zwaar onderschat: niet alleen in Berlijn, maar ook in Londen en Washington waren de legerbevelhebbers er vast van overtuigd dat de Duitse Wehrmacht door het Rode Leger zou glijden ‘als een warm mes door boter’ en dat Hitlers Blitzkrieg in het Oosten na maximum acht weken zou eindigen met een glansrijke Duitse triomf.

Dankzij de Oktoberrevolutie en de daaropvolgende extreem snelle industrialisering van het land, was de Sovjet-Unie daarentegen ook op militair vlak een grootmacht geworden, zoals de nazi-aanvallers tot hun schade en schande in Stalingrad en elders ondervonden. Aan het Oostfront keerde het getij, het was daar dat Hitler de oorlog verloor.

Daarbij mag bovendien niet uit het oog verloren worden dat ook West-Europa zijn bevrijding van het nazi-juk aan de Sovjets te danken had. Dat was een gevolg van het onmiskenbare feit dat bijna negentig percent van de nazistrijdkrachten aan het Oostfront vastgeketend lagen – en er deerlijk toegetakeld werden – wat de landingen in Normandië en de daaropvolgende successen van Amerikanen, Britten en Canadezen aan het Westfront mogelijk maakte, zoals geallieerd opperbevelhebber Generaal Eisenhower op een gegeven ogenblik openhartig heeft toegegeven.

We keren terug naar het thema van de sociale zowel als politieke hervormingen die West-Europa in de twintigste eeuw een ongeziene mate van democratie opgeleverd hebben. Een eerste golf van dergelijke hervormingen vond plaats na de Eerste Wereldoorlog, maar de katalysator van die hervormingen was de Oktoberrevolutie.

Een tweede golf van belangrijke politieke en vooral sociale hervormingen, collectief bekend als de ‘welvaartstaat’, overspoelde West-Europa na de Tweede Wereldoorlog. Ook dat was te danken aan de Oktoberrevolutie, of beter gezegd aan het kind van die revolutie, de Sovjet-Unie. De overwinning van die socialistische en anti-imperalistische staat op nazi-Duitsland deed immers enorm veel belangstelling en geestdrift ontstaan voor het socialistische ‘tegen-systeem’ van het kapitalisme, waarvan het nazisme, net als het fascisme in het algemeen, een verschijningsvorm was geweest.

De elites van landen als Groot-Brittannië waren bijgevolg opnieuw zwaar verontrust en voerden snel democratische hervormingen in die zij verafschuwden, maar het voordeel hadden dat de onrustige plebejers ermee konden gesust worden. Zo kunnen we begrijpen dat het een aartsconservatieve politicus was, namelijk William Henry Beveridge, beter bekend als ‘Lord Beveridge’, die zich als peetoom openbaarde van de Britse welvaartsstaat. Het was om dezelfde reden dat ook de andere West-Europese landen na de Tweede Wereldoorlog een nieuwe dosis democratie toegediend kregen.

De bewoners van West-Europa hebben na 1945 tientallen jaren lang kunnen genieten van een ongezien hoge graad van politieke zowel als sociale democratie. Dat welzijn is hen te beurt gevallen in twee golven, een eerste na 1918 en een tweede na 1945. Daarvoor zijn zij veel dank verschuldigd aan het Russische volk en aan de andere volkeren van het vroegere tsarenrijk die de Oktoberrevolutie gemaakt hebben, alsook aan Lenin en zijn bolsjewistische kameraden, die aan die revolutie het benodigde leiderschap gaven.

En is het toeval dat het met die sociaal-democratie, m.a.w. met de sociale welvaartsstaat, steeds sneller bergaf gaat sedert de ineenstorting van de Sovjet-Unie, waardoor de Westerse elites zich verlost weten van de revolutionaire bedreiging die hen na 1917 tot zoveel toegevingen had gedwongen?

1   De Triple Entente van 1907 tussen het Russische Rijk van de Tsaren, het Britse en het Franse imperium was het militaire antwoord op de Triple Alliance van het Duitse Rijk, het Oostenrijks-Hongaarse rijk en het Koninkrijk Italië.

2   'Sedition' is elke vorm van uitspraken die als agitatie, aanzetten tot geweld, omverwerpen van de staat enz. worden aanzien.

3   Obscurantisme is het moedwillig achterhouden van informatie, kennis, feitenmateriaal, vooral om sociale vooruitgang tegen te gaan. 

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.