about
Toon menu
longread

Congolese oorlogstranen: Deportatie en dwangarbeid voor de geallieerde oorlogsindustrie (1940-1945)

In de kelders van ons collectieve geheugen ligt een dossier dat nooit ernstig tegen het licht is gehouden: de dwangarbeid in Belgisch Congo en het mandaatgebied Rwanda-Burundi tijdens de Tweede Wereldoorlog.
zaterdag 9 januari 2016

De tentoonstelling over honderden weggevoerde Belgen, Nederlanders en Luxemburgers naar Hameln in Nazi-Duitsland (1942-45), die in Leuven loopt,1 is een goede aanleiding om dat Afrikaans dossier op te diepen: niet alleen de nazi’s maar ook de geallieerden maakten zich schuldig aan deportatie en dwangarbeid. In de oorlogsjaren was Midden-Afrika één groot dwangarbeiderskamp, ten dienste van de geallieerde oorlogsindustrie.2

Oorlog om grondstoffen, afzetmarkten, kolonies

Als de Tweede Wereldoorlog in West-Europa en de VS vooral werd gezien als een strijd van vredelievende democratische landen tegen een wrede, agressief-expansionistische dictatuur, dan was dat wel even anders voor de Congolezen en voor andere volkeren in de gekoloniseerde wereld die door de koloniale machten in de oorlog werden gesleurd. De Belgische missionaris van het Heilig Hart Gustaaf Hulstaert noteerde het ongenoegen van zwarten over hun inlijving in een oorlog onder blanken waar ze niets mee te maken hadden. Ze zegden: “Laat de Belgen aan Duitsland een deel van Congo geven, dan kan er vrede komen.”3 Op die manier legden Congolezen eigenlijk de diepere inzet van de oorlog bloot: een strijd tussen imperialistische machten voor grondstoffen, afzetmarkten, kolonies. De overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog hadden de kolonies van Duitsland onder elkaar verdeeld als oorlogsbuit. De Volkerenbond , voorloper van de Verenigde Naties, moest toezicht uitoefenen op het bestuur van deze ‘mandaatgebieden’. Zelfs het kleine België werd niet vergeten: het kreeg het mandaatgebied Rwanda-Burundi in de schoot geworpen. De replay van de Grote Oorlog, een kwarteeuw later, moest de Duitse elite Lebensraum opleveren. De onderwerping en kolonisering van Oost-Europa als Hinterland en reservoir van graan, olie en dwangarbeiders kwam als eerste doel in het vizier van de nazi’s, maar al vlug strekten de militaire tentakels van de Asmogendheden zich ook uit naar de koloniale rijken van de Geallieerden. Ook naar Belgisch Congo, waarvan de nazi’s droomden dat het een centrale rol zou spelen in een Duits Mittelafrika. De Britten hadden goed begrepen waar Berlijn op uit was, want in de jaren voor het uitbreken van de wereldbrand benaderde Londen de nazi’s discreet met het voorstel om in het kader van hun Appeasement Policy hen enkele kolonies te schenken. Geen gebieden uit hun eigen koloniale rijk of uit dat van Frankrijk, maar brokken van Congo en van Portugees Angola moesten Berlijn ervan weerhouden een veroveringsoorlog in Europa te beginnen. Ook de Franse premier Paul Reynaud dacht in die richting. Woedend omwille van de capitulatie van de Belgische koning Leopold III voor het Duitse invasieleger (28 mei 1940), zei hij te overwegen om Belgisch Congo als ‘onderhandelingskaart’ te gebruiken.4

Eens de oorlog in Europa was losgebarsten, overwogen segmenten van de Belgische elite zoals koning Leopold III, de naar Frankrijk gevluchte Belgische regering en topfiguren van de Société Générale om Congo uit de oorlog (en uit de greep van Londen) te houden. Nogal wat captains of industry hoopten met een defaitistische houding de Congolese rijkdommen zowel bij de geallieerden als de nazi’s te kunnen slijten.5 De besliste keuze van gouverneur-generaal van Belgisch Congo Pierre Ryckmans om de kolonie aan de zijde van de geallieerden in de strijd te werpen én het besef dat enkel de Britse oorlogsvloot de maritieme trafiek van en naar Congo kon beveiligen, loodste Congo resoluut in het geallieerde kamp.6 Na een Brits-Belgisch akkoord (21 januari 1941), aangevuld met een Brits-Belgisch-Amerikaans akkoord (4 juni 1942) werd Congo een zware effort de guerre opgelegd. Congo werd een belangrijke schakel in de geallieerde oorlogsindustrie. De geallieerden eisten mineralen en landbouwproducten, waarvan palmnootolie en rubber de belangrijkste waren. Ook kopal, een hars dat werd gebruikt bij de aanmaak van munitie, was gegeerd. In juni 1941 werd de Congolese franc opgenomen in de Sterlingzone en gedevalueerd met ongeveer 30 procent, wat Londen toestond de Congolese producten goedkoop aan te schaffen en de Britse export naar de kolonie duur aan te rekenen.7 Na de verovering van Maleisië en Indonesië (Nederlands Indië) door Duitslands bondgenoot Japan (1942) werd Congo dé leverancier van rubber voor de geallieerde oorlogsmachine. Bij de opening van de Gouvernementsraad in november 1943 erkende gouverneur-generaal Ryckmans de immense bijdrage van de Congolezen aan de oorlogsinspanning: ‘De oorlog weegt op het dagelijkse leven tot in de verste uithoeken van de brousse. Elke man is een gemobiliseerde burger: ieder moet een taak voor de productie vervullen.’ Die taak werd eufemistisch ‘werk van opvoedende aard’ of ‘werk voor de oorlogsinspanning’ genoemd, maar het ging wel degelijk om deportatie en dwangarbeid. De bevolking werd inspanningen opgelegd die het land ‘tot aan de rand van de opstand’ brachten, in de woorden van historicus Léon de Saint-Moulin.8

Dwangarbeid als hoeksteen van de kolonisatie

Dwangarbeid was geen uitvinding ingegeven door de oorlog: zowel in Congo Vrijstaat onder Leopold II (1885-1908) als ten tijde van Belgisch Congo (1908-1960) was dwangarbeid een hoeksteen van de koloniale ‘onderneming’. Naar het voorbeeld van de Nederlandse kolonisatie van Java was dwangarbeid (en niet belasting in speciën of materieel eigenbelang) de motor van de koloniale economie. Een overheidscommissie adviseerde in 1925 en opnieuw in 1928 om niet meer dan 10 procent van de mannelijke dorpelingen voor loonarbeid uit hun dorpen te verwijderen, maar in werkelijkheid beschouwde men een aderlating van 25 procent als ‘reglementair’. En zelfs dat maximum werd niet altijd gerespecteerd.9 In zijn standaardwerk over de economische exploitatie van Congo gaat Frans Buelens uitgebreid in op de dwangarbeid en de gedwongen teelten die de Congolese bevolking werden opgelegd. Op het Koloniaal Congres van 1926 beschreef pater Legrand hoe koloniale bedrijven werkvolk rekruteerden: ‘groepen zwarten, met touwen rond de nek aaneengebonden, trekken naar de werven… Binnenkort zullen ze proberen om te vluchten of zelfs nog liever als mannen te sterven dan de indruk te krijgen als slaven te leven.’ In het koloniale jargon had men een woord bedacht voor die met een touw aan elkaar geketende dwangarbeiders: de cravatte. De Belgische elite wees pater Legrand scherp terecht. Jules Renkin, oud-minister van Koloniën en toekomstig premier, zei dat de ‘economische ontwikkeling’ van Congo niet mocht worden afgeremd maar daarentegen moest worden opgedreven: na de beschavingsmissie was de tijd aangebroken van de economische missie. Dwangarbeid als een vorm van compensatie dus, voor the white man’s burden

Buelens citeert ook uit een aanklacht van Belgische kolonisten, uit 1927. Ze protesteerden tegen de massale inlijving van arbeiders in de goudmijnen van Kilo-Moto, die in Belgische staatshanden waren. Uit eigenbelang, want ze kwamen zelf handen tekort voor hun winstgevende koffieplantages: ‘Weet men in Brussel dat Ituri snel ontvolkt? De inboorlingen vluchten met duizenden het land uit (…) ze redden zichzelf om niet met een zweep in de rug en dikwijls een touw om de nek “vrijwillig” gevraagd te worden te gaan werken in de mijnen van Kilo-Moto. (…) [de massale emigratie noopte het koloniale bestuur] aan de grenzen een imposante troepenmacht op te stellen.’ De dwangarbeid in de Kilo-Motomijnen zorgde voor superwinsten die Brussel niet zomaar wou opgeven: onder het bewind van gouverneur-generaal Ryckmans steeg het aantal mijnwerkers van Kilo-Moto van 26.400 in 1934 tot 39.600 in 1939, om in de oorlogsjaren nog meer toe te nemen. Tot aan de onafhankelijkheid bleef Kilo-Moto op dwangarbeid draaien. Ook het platteland ontsnapte niet aan de dwangarbeid. Onder Belgisch bestuur werden bijna 1 miljoen Congolezen verplicht katoen en andere landbouwproducten te telen en tegen opgelegde – lage – prijzen aan de koloniale maatschappijen te verkopen: een uitbuiting die tot het einde van het koloniale regime bleef bestaan.10

De effort de guerre

De effort de guerre nam verschillende vormen aan, en naarmate de oorlog duurde, werd die nog aangescherpt:

  • Het koloniale leger, de Force Publique, werd ingezet tegen Duitslands bondgenoot Italië, dat de Britse koloniën in Afrika bedreigde. Mussolini had zijn oog laten vallen op onder meer Egypte, dat in de Britse invloedssfeer lag. Ongeveer 30.000 Congolese soldaten en dragers namen aan de campagnes deel. Van maart tot juli 1941 vochten 5.700 officieren, soldaten en dragers van de Force Publique in Abyssinië (Ethiopië) tegen Italiaanse troepen. Ze zorgden voor de enige Belgische overwinning in de wereldoorlog: in Saio gaf een Italiaanse troepenmacht van 9 generaals en 6.600 troepen zich aan de Force Publique over. Tijdens deze campagne stierven 500 Congolese troepen en dragers – in het gevecht, van uitputting of van dysenterie. Een expeditiekorps van de Force Publique werd ook naar Nigeria, en nadien naar Egypte en Palestina gestuurd. Een medische eenheid werd in Birma (Myanmar) ingezet, waar heel even slag werd geleverd met de Japanners. In totaal stierven tijdens deze campagnes 850 Congolese soldaten en een onbekend aantal Congolese dragers.11
  • Grote hoeveelheden mannen werden uit de dorpen weggehaald om in de mijnbouw en industrie te worden tewerkgesteld. Gouverneur-generaal Ryckmans vaardigde op 1 februari 1943 een ordonnantie uit die toestond om elke Congolese volwassen man op te eisen voor werk in de fabrieken, plantages en de 71 goudmijnen, 57 diamantmijnen, 29 tinmijnen en 10 kopermijnen die de kolonie telde. Eerder al was in een ordonnantie (van 9 mei 1942) bepaald dat elke arbeider voor onbepaalde tijd aan het werk kon worden gehouden. Een ordonnantie van 15 juni 1944 stond toe om Congolezen op te eisen om hen ook buiten de provincie aan het werk te zetten: deportatie voor dwangarbeid werd zo nog uitgebreid. De gouverneur-generaal beval de parketten inbreuken op de wetgeving op de arbeidscontracten, hygiëne en veiligheid van de arbeiders te seponeren. Tijdens de oorlog steeg het aantal (dwang-)arbeiders in loondienst van 480.000 naar 850.000, bijna een verdubbeling dus.12
  • In 1942 werd het aantal dagen besteed aan opgelegde gemeenschapstaken, zoals de aanleg van wegen en bruggen of de bouw van scholen en gevangenissen, van 60 naar 120 dagen per jaar gebracht. Hetzelfde gebeurde voor de teelt, oogst en pluk van landbouwproducten. Het areaal voor de verplichte teelten (katoen, maniok, rijst, palmnoten) werd uitgebreid, van 300.000 hectare naar bijna 900.000 hectare.13 Er werden zware productiequota opgelegd, met bijhorende sancties wanneer die niet werden gehaald. 

Bloed, zweet en tranen

Pater G. Hulstaert schrijft dat de mare dat er weer massaal rubber moest worden gewonnen ‘een vloed van schrik en afschuw door het Evenaarswoud’ joeg: de herinnering aan de wrede rubbercampagne van Leopold II, die in de periode 1885-1925 had bijgedragen tot een terugval van de bevolking van naar schatting 15 miljoen Congolezen tot 10 miljoen, was nog erg levendig.14 De tweede rubbercampagne, ten behoeve van de geallieerde oorlogsmachine, woog zwaar op de kolonie. De hoge quota joegen de mannen almaar dieper de moerassen en het regenwoud in, op zoek naar wilde rubber, waar veel van deze dwangarbeiders verzwakten, wegens de onevenwichtige, proteïnearme voeding en het drinken van brak water, als ze al niet ten prooi vielen aan tseetseevliegen die de gevreesde slaapziekte weer naar het land brachten. De 96-jarige Aimé Havrez vertelde me over de rubbercampagne waaraan hij tijdens de Tweede Wereldoorlog als ‘ploegbaas’ had meegewerkt. Havrez was in 1938 in Congo gearriveerd, en werd vrijwel onmiddellijk een echte broussard:

‘In 1940 werden wij gemobiliseerd. Muteren of vertrekken was onmogelijk. De rubber werd niet op plantages gewonnen, maar uit lianen in het woud. De zwarten waren verplicht diep het woud in te trekken. Ze verbleven er in zelfgemaakte hutjes met een bladerdak, zoals de pygmeeën ze maakten. Ik ging van kamp tot kamp, en verbleef ook in zo’n hutje. De zwarten kropen in de bomen, zo hoog zij konden, en sneden de lianen af. Die werden in stukken gesneden. Het witte melksap werd in aarden kruiken opgevangen. De kruiken werden in kokend water gezet, waardoor het sap gaat stremmen. De pasta werd dan tot fijne bladen uitgerold. De vrouwen die in het dorp achterbleven en de mannen op geregelde tijdstippen voedsel brachten, namen de rubber mee naar het dorp. De rubbervellen werden boven het vuur gedroogd. Voor de zwarten was een verschrikkelijke tijd. De mannen waren de hele tijd in het woud, gescheiden van hun gezin. Zonder de zwarten was die reusachtige onderneming nooit gelukt. Zonder ons ook niet, maar evenmin zonder hen. De zwarten hebben voor België gewerkt, dat moeten wij erkennen.’15 Gewerkt, geleden én gestorven. Hulstaert merkt op dat tegen het eind van de oorlog de slaapziekte, die voor de oorlog als overwonnen werd beschouwd, op sommige missies tot 20 procent van de mensen trof. De koloniale boekhouding daarentegen kleurde groen: tijdens de oorlog vertwaalfvoudigde de rubberproductie.16

De bijdrage van Congo aan de geallieerde oorlogsmachine beperkte zich niet tot rubber. De Union Minière leverde in de oorlogsjaren 800.000 ton koper aan Groot-Brittannië. De maatschappij putte ongeveer alle reserves aan tin en uranium uit, vooral ten voordele van de VS, die met het uranium van de Shiinkolobwemijn de eerste atoombommen maakte. De productie van cadmium bereikte in 1942 het record van 27 ton. Alleen al in de goud- en tinmijnen van Congo en Rwanda-Burundi werkten ongeveer 150.000 Congolezen.17

De koloniale administratie en de koloniale bedrijven misbruikten de effort de guerre ook tot eigen voordeel. In een brief aan een correspondent diepte pater Hulstaert een van de vele fiches op waarop oorlogsbijdragen van de Congolezen werden genoteerd. De kaart vermeldde de verplichting om een bepaalde hoeveelheid vis (‘une quantité imposée’) aan de administratie te leveren. Andere fiches hebben het over opgelegde hoeveelheden vlees, ten behoeve van ambtenaren, van bedrijven… Een andere missionaris, Jozef Esser, beschrijft hoe meisjes en vrouwen elke week met zware manden maniokbrood naar het militaire kamp, tientallen km verderop, moeten lopen: ‘Wat erger is, dat criminele vervoer op de rug wordt niet betaald.’ In 1945 werden de corvées verminderd naar 45 dagen. In theorie toch, want Hulstaert merkt op dat de effort de guerre ook na de oorlog in zwang bleef: de fiche waarover hij het had dateerde van 13 augustus 1947, dus bijna 2,5 jaar na de beëindiging van de oorlog!

In een commentaar luchtte Hulstaert zijn hart. Men interesseerde zich niet voor de realiteit in Congo, ‘tenzij het over de economie gaat. Al lang ben ik ervan overtuigd (…) dat in Congo twee vormen van politiek bestaan: een voor de galerij en een echte. De eerste dient de tweede, en dat is de kapitalistische exploitatie. Natuurlijk zijn er veel goede bedoelingen, maar die komen van individuen, en zij plooien onvermijdelijk voor de structuur: het systeem en alles wat dat betekent in deze tijd van etatisme en kapitalisme. (…) Hoe ouder ik word, hier in Afrika, hoe meer mijn overtuiging groeit dat de kolonisatie niets vandoen heeft met idealisme. Zij is een lokaas om geld en kapitaal aan te trekken en om het grote publiek te bedotten. Zij is wat zij altijd al is geweest: een uitbuitingssysteem, een kapitalistische en imperialistische onderneming.’18

Verzet en repressie

Razzia’s, lijfstraffen met de chicotte en gevangenisstraffen moesten de Congolese volkeren aan de dwangarbeid houden. Een zending van Belgische senatoren stelde overbevolkte gevangenissen vast: ‘Elk jaar krijgt ongeveer 10 procent van de mannen een gevangenisstraf.’19 Hier en daar nam het verzet collectieve vormen aan. Maar dat verzet bleef ongeorganiseerd en verspreid, en werd een na een verpletterd: een grote arbeidersstaking bij de Union Minière in Katanga (1941), waar het leger op stakers, vrouwen en kinderen die in een voetbalstadion waren verzameld een bloedbad aanrichtte; een revolte in Masisi, waar tientallen zwarten werden gedood en hun leider Bushiri werd opgeknoopt; een soldatenopstand in Luluaburg (1944), die eindigde met de ophanging van tientallen, misschien wel 100 muiters; stakingen en betogingen in Matadi, gesmoord in een fusillade die een tiental stakers het leven kostte (1945).20 Vele andere, kleinere verzetsdaden werden nooit op schrift gesteld. Toch deze uitzondering nog, opgetekend door pater Hulstaert: Bokoso, een man van de Ngelewa, een volk dat leeft in Boven-Congo, had zijn broer helpen deserteren uit het koloniale leger. Om zijn straf te ontlopen had hij zich met enkele getrouwen in het woud teruggetrokken. Het gebied werd militair bezet, maar niemand verraadde zijn schuilplaats. Uiteindelijk gaf Bokoso zich over, nadat naar een goede gewoonte uit het Leopoldistische tijdvak de vrouwen waren gevangengenomen, als drukkingsmiddel.21

In zijn al eerder aangehaalde speech op de Gouvernementsraad van november 1943 wees gouverneur-generaal Ryckmans op de zware last die de oorlog op de Congolezen legde: ‘Zoals wij hebben ook de inlanders bijgedragen aan de oorlog. Ze hebben er nog meer dan wij onder geleden. (…) deze schuld zal België moeten honoreren.’22 Drie jaar later, in juni 1946, toen hij opstapte als gouverneur-generaal, vermeldde hij in een speech die als zijn ‘koloniaal testament’ wordt opgevat, het Atlantisch Handvest (1941) waarin het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren wordt erkend, en had hij het ook over de onlangs opgerichtte Verenigde Naties. In die speech zei hij ook: ‘Les jours du colonialisme sont révolus’. Het waren woorden voor een uitsluitend blank gehoor die nooit zwarte oren zouden bereiken, en hij voegde er geruststellend aan toe dat Londen niet van plan was zijn koloniaal rijk te liquideren, waardoor België ‘in goed en machtig gezelschap’ was. Maar toch: die woorden getuigden van een open kijk op de wereld die in het geborneerde koloniale wereldje van Leopoldstad erg zeldzaam was.23 Kort nadien kwam Ryckmans in het boek Etapes et jalons (1946) terug op het deplorabele lot van de bewoners van Belgiës Afrikaanse bezittingen: ‘Onze dorpelingen hebben niets te veel. Hun levensstandaard is niet meer te verlagen, en ligt onder het vitaal minimum (…) De massa is slecht gehuisvest, slecht gekleed, slecht gevoed, ongeletterd, overgeleverd aan ziekten en aan een vroegtijdige dood.’24 De revoltes tegen het oorlogsjuk hadden bij Ryckmans een alarmbelletje doen rinkelen. 

Gewetenswroeging?

Worstelde gouverneur-generaal Ryckmans met zijn geweten? Allicht, als de officieuze visie van de Belgische elite op Ryckmans klopt: een man die het lot van de Congolezen ter harte nam. Op de grote overzichtstentoonstelling Het geheugen van Congo, die in 2005 honderdduizenden Belgen naar het Museum voor Midden-Afrika lokte, werd de gouverneur-generaal zo neergezet: ‘In 1940 speelde hij een essentiële rol door de kolonie te doen deelnemen aan de Tweede Wereldoorlog. Zijn conflicten met de privésector vinden een verklaring in zijn wil om de belangen van de autochtone volken te beschermen tegenover het kapitalisme.’25 Dat oordeel doorstaat de toets van de geschiedenis niet. Ryckmans geloofde onverkort in het recht, zelfs in de morele plicht om te koloniseren. Zijn bekendste boek kreeg niet toevallig de titel Dominer pour servir (1931) mee, en niet Dominer pour émanciper of Dominer pour libérer. In dat boek stelt de auteur dat de verovering van de kolonie op zich de kolonisator voldoende morele grond verschafte om te koloniseren… Professor Jef Van Bilsen vertelt nog een tekenende anekdote. Toen Ryckmans in 1955 een kladversie van Van Bilsens plan om Congo over een periode van 30 jaar naar (een beperkte) onafhankelijkheid te leiden onder ogen kreeg, ontstak de oud-gouverneur-generaal in woede…26

In de oorlogsjaren, toen de wankele Belgische regering in Londen verbleef, was gouverneur-generaal Ryckmans de facto het staatshoofd van Congo, met vrijwel onbeperkte macht. Ryckmans was de architect van de dwangarbeid in de oorlogsjaren, die hij met ordonnanties had vormgegeven en stelselmatig uitgebreid, tot aan het punt dat Congo één groot dwangarbeiderskamp was geworden. Op dat vlak ging Ryckmans zelfs verder dan wat de geallieerde bondgenoten en de Belgische regering mochten verwachten: zelfs kinderen werden aan het werk gezet, zo blijkt uit een document in de archieven van het Centre Aequatoria. In een nota aan de schooldirecties spoorde hij de scholen aan om ‘naargelang de mogelijkheden’ een deel van de tijd die scholieren besteedden aan handenarbeid te gebruiken om hen in het woud wilde rubber te laten tappen. De kinderen moesten, zoals voor de volwassen mannen het geval was, voor hun opbrengst wel worden betaald. In de praktijk was die vergoeding, zowel voor kinderen als voor volwassenen, evenwel ‘bespottelijk’ laag, of zelfs onbestaande.27

Jef Van Bilsen besluit met grote stelligheid over Ryckmans’ rol tijdens de oorlogsjaren: ‘Hij slaagt erin, als politiek en economisch onbetwist hoofd van Congo (…) de Afrikaanse productieslaven tot het uiterste uit te persen. Waar het op aankwam was de oorlogsdoeleinden te bereiken, welke ook de menselijke – vooral Afrikaanse – prijs mocht zijn.’Al bij al kleurde Pierre Ryckmans als gouverneur-generaal mooi binnen de lijntjes van wat het koloniale establishment van hem verwachtte. Het leverde hem een klassieke koloniale carrière op, waarbij hij profiteerde van de flinterdunne schotten tussen topambtenarij en bedrijfsleven. Voor zijn aanstelling als gouverneur-generaal was hij al bestuurder van een reeks koloniale maatschappijen, een opstapje naar de hoogste post in de kolonie. Na zijn koloniale carrière werd hij Belgisch diplomaat bij de VN, waar hij de verdediging van het Belgisch kolonialisme op zich nam – wat hem niet belette om een zitje in het bestuursorgaan van de diamantgigant Forminière op te nemen.29 Zijn waarschuwingen dat met de effort de guerre de grenzen van de uitbuiting waren bereikt en een modernere organisatie van de koloniale onderneming zich opdrong, zou hem van veel koloniale milieus vervreemden, maar hem ook een humanitair aureool opleveren.

Untermenschen in het koloniale universum

In 1931, in de periode tussen zijn succesvolle carrière in de koloniale administratie van Burundi, waar hij het tot resident schopte, en zijn aanstelling als gouverneur-generaal van Congo, nam Pierre Ryckmans deel aan een onderzoekscommissie die voorstellen moest uitwerken om de recrutering van arbeidskrachten in Congo te optimaliseren. Na een inspectiebezoek aan de Huileries du Congo Belge (Unilever) schreef hij in een brief aan zijn vrouw zijn indrukken neer over de arbeid op de palmolieplantages: ‘de verschrikking van een beroep waar je nooit meer van loskomt als je het ongeluk hebt gehad er ooit mee te beginnen. De eindeloze dwangarbeid – met voortdurend fanatieke schildwachten die je op de huid zitten, elke dag van het jaar, elke dag van je leven, tot je dood bent of te oud om nog in de top van een palmboom te kunnen klimmen.’30 Maar 10 jaar later gaf de man, inmiddels gouverneur-generaal geworden, weinig blijk van empathie voor de gekoloniseerden en veralgemeende hij krachtdadig die dwangarbeid. De oorlogseconomie eiste een zware tol van de zwarten. In verschillende streken brak hongersnood uit – een gevolg van droogte, maar ook van de effort de guerre, merkte pater Van Wing op. De grootste hongersnood deed zich voor in Rwanda-Burundi, in 1943-44, waar tienduizenden mensen stierven. Inspecteurs van de VN stelden een scherp rapport op waarin België werd aangeklaagd omdat het geen maatregelen had genomen om de ramp te voorkomen. Ook de dwangarbeid (‘knevelarij’) en de kinderarbeid werden aangeklaagd.31 Op veel plaatsen verzwakte de plattelandsbevolking. De gedwongen rekrutering voor de industrie, plantages en mijnen en de opgelegde jacht op wilde rubber zoog levenssappen uit de bevolking. Gezinnen waren voor lange perioden uiteengerukt. Zo bleven er in een streek in de Kasai amper 16.500 mannen voor 27.200 vrouwen over. Volgens analisten kwam de leefbaarheid van sommige regio’s in gevaar.32

De verbreiding van de slaapzieke, de achteruitgang van de medische voorzieningen, schaarse overgebleven tijd voor landbouw voor eigen gebruik en het ingekrompen aanbod van geïmporteerde producten die doorgaans onbetaalbaar werden: het zorgde voor ontreddering, hier en daar voor denataliteit. Waar de verplichte katoenteelt samenviel met de rubbercampagne, zoals in Uele en in bepaalde streken van de Kasai- en Evenaarsprovincies kromp de bevolking met 1 tot 3 procent jaarlijks.33 De bevolking van de Evenaarsprovincie, ‘die de zwaarste last torste voor het inzamelen van natuurrubber, natuurpalmnoten en kopal (…) werd door een soort wanhopigheid overvallen, met als gevolg dat zij geen kinderen meer maakte’.34 Rassentheorieën inspireerden koloniale gezondheidsdiensten om sommige volkeren aan te merken als rassen met deficiënte endocrien-fysiologische functies. Na lectuur van zo’n rapport over de Mongo aarzelde gouverneur-generaal Ryckmans niet om in een brief herinneringen op te roepen aan de nazistische kijk op ‘inferieure rassen’: ‘Als zou blijken, zoals ik vrees, dat het om de degeneratie van het ras gaat waartegen wij niets vermogen, dan moeten we andere oplossingen overwegen: aanwervingen zonder enige beperking toestaan, wat geen nadelen voor de toekomst met zich zal meebrengen wanneer het personen betreft die voor het ras definitief verloren zijn. Voor de lokale bevolking moeten we voldoende grote reservaten creëren. De rest van het gebied kunnen we ter beschikking stellen van andere, vruchtbare rassen.’35 Het zijn schokkende woorden, maar niet uitzonderlijk in het koloniale universum. De classificatie van rassen was een hoeksteen van de koloniale ideologie, en de stap naar ‘rasveredeling’ was klein. Zo toont een analyse van het personeelsbeleid van de Union Minière in de jaren ’30 aan dat het bedrijf met een strenge selectie van arbeiders én hun vrouwen, en met maatregelen om de vruchtbaarheid op te drijven, mikte op de ontwikkeling van een tshanga-tshangaras: ‘een ras van trouwe, gedienstige, handige, attentieve en werklustige arbeiders’. Bruno De Meulder heeft het over een aanpak ‘in de beste eugenetische traditie’, met bedrijfsverantwoordelijken die ongegeneerd spraken over faire du nègre of de élevage van arbeidskrachten.36

Opbrengsten en nasleep van de effort de guerre

De effort de guerre legde België en zijn elite geen windeieren. De Belgische regering, in ballingschap in Londen, kon met ‘een lening’ van de kolonie (voor een bedrag van 3,3 miljard frank) haar uitgaven financieren en een eigen legertje – de Brigade Piron – op de been brengen. De bedrijven boekten superwinsten. In het Tienjarenplan van het Ministerie van Kolonien (1949) lezen we: ‘De grote en middelgrote ondernemingen hebben gedurende de afgelopen jaren van economische bloei zeer omvangrijke liquide middelen opgestapeld. Men mag ze op ongeveer 6 miljard ramen.’ Precieze cijfers voor de oorlogsjaren ontbreken, maar de tendens is zonneklaar. Zo nam het kapitaal van de Huileries du Congo Belge toe van 350 miljoen frank in 1931 naar 950 miljoen in 1947. De agro-industriële onderneming Cultures au Congo Belge zag tussen 1927 en 1947 haar kapitaal verzevenvoudigen. Het katoenbedrijf Cotonco had het in de jaren’30 moeilijk, maar de oorlog zorgde voor een heropstanding, met een fenomenale groei die tot aan de onafhankelijkheid zou duren. De Union Minière zag de waarde haar bevoorrecht aandeel exploderen, van 8.905 frank in 1929 naar 49.225 frank in 1954. De bedrijfshistorici van de Generale Maatschappij besluiten: ‘De jaren 1940-1960 vormden een hoogtepunt voor de koloniale bedrijven uit de groep van de General Maatschappij. (…) De gemiddelde winstvoet van alle koloniale bedrijven van de groep lag boven 30%. Het rendement van de mijnbedrijven lag nog hoger: 50 tot 60%.’ Maar de belangrijkste winst werd op middellange termijn en op een hoger niveau geboekt, dankzij de strategische beslissing om Congo voluit aan de kant van Londen en Washington in de strijd te gooien. Het Ministerie van Koloniën raamde de bijdrage van Congo aan de geallieerde overwinning op 4 miljard frank. Een bijdrage die niet alleen in cijfers kan worden uitgedrukt, gezien de strategische waarde van die bijdrage: denk bijvoorbeeld aan de uraniumleveringen uit de mijn van Shinkolobwe waarmee de VS de eerste atoombommen maakte. Het zorgde ervoor dat de overwinnaars van de oorlog bij de hertekening van de naoorlogse wereldorde Belgiës koloniale rijk onaangeroerd lieten.37

Aanvankelijk leek Brussel te ontsnappen aan de wereldwijde antikoloniale revolutie die uit het destructieve geweld van de oorlog geboren werd. Een gigantische bevrijdingsbeweging, waar meer dan de helft van de mensheid bij betrokken was, schudde hele continenten door elkaar. Honderden miljoenen mensen bedienden zich van stakingen, muiterijen, bewegingen van burgerlijke ongehoorzaamheid en open oorlogen om het koloniale juk af te gooien : India (1947), China (1949), Indonesië (1949), Vietnam (1954). Vanaf 1954 woedde een bevrijdingsoorlog in Algerije; de Tweede Indochinese oorlog barstte in 1957 los; begin 1959 gooide het Cubaanse volk het halfkoloniale regime van Batista omver. De Conferentie van Bandoeng (1955) registreerde deze successen : 29 onafhankelijke landen uit de derde wereld, die 1,5 miljard mensen vertegenwoordigden, verklaarden er de oorlog aan het kolonialisme. Vergeleken met die massabewegingen stelden de verspreide, geïsoleerde revoltes in Congo in de oorlogsjaren natuurlijk niet veel voor, en Congo (en het mandaatgebied Rwanda-Burundi) bleven nog meer dan een decennium het Rijken van stilte. Mede dankzij de enorme economische ontwikkeling, die toestond de levensstandaard van de bevolking drastisch te verhogen. De productie-index evolueerde van 100 in 1933 over 615 in 1950 naar 1.200 in 1958, terwijl de index van het gemiddelde salaris evolueerde van 100 in 1950 naar 237 in 1958 (terwijl de levensduurte in die periode met amper 20% steeg).38

Toch heeft de effort de guerre de eerste kiemen van een antikoloniaal bewustzijn in Centraal-Afrika verspreid. Het jaarrapport voor 1944 over het mandaatgebied Rwanda-Burundi heeft het bijvoorbeeld over ‘de geboorte van het verlangen naar een betere samenleving’. De Rwandese priester-historicus Alexis Kagame mat de temperatuur: ‘De Rwandezen zeggen dat ze na de overwinning een volksraadpleging zullen uitlokken om een beschermer te kiezen die menselijker is!’39 Brede bevolkingslagen zochten soelaas in messianistische bewegingen, zoals het Kimbangisme en het Kitawala. Deze sekten vertaalden de ressentimenten van de inlandse bevolking tegen de kolonisatie in religieuze symbolen en praktijken. Ze werden door de koloniale administratie en de missies bestreden, wat hun heilsboodschappen een antikolonialistisch aureool verleende. Dat primitieve bewustzijn bleef onderontwikkeld en onder de radar – tot op het moment dat moderne nationalistische ideeën wortel schoten, in de tweede helft van de jaren ‘50. In die jaren ontstond een symbiose van nationalistische ideeën en deze messianismen. In de cités circuleerden vlugschriften met daarop Christus die de sleutels van de macht aan een zwarte geeft. In 1959 werden tijdens Kimbangistische plechtigheden collectes gehouden voor het Abako, dat in Beneden-Kongo de onafhankelijkheidsstrijd opvoerde. In de Oostprovincie werden Kitawala‑cellen opgenomen in Lumumba’s Mouvement National Congolais.40

Het is geen toeval dat de nationalistische bastions die in 1960 de onafhankelijkheid van Congo afdwongen en na de omverwerping van de regering-Lumumba het verzet tegen het neokoloniale bewind van Kasa Vubu, Tshombe en Mobutu (1960-1965) organiseerden vooral in streken lagen waar de last van de kolonisatie, zoals de effort de guerre, het zwaarst heeft gewogen. De wieg van het Congolese nationalisme stond in streken zoals Uele, Maniema, Kivu, Noord-Katanga en Kwango-Kwilu, waar de verplichte katoenteelt en andere vormen van dwangarbeid ten behoeve van de mijnbouw, de plantages en de geallieerde oorlogsvoerende partijen leidde tot verzet tegen alles wat stond voor collaboratie met de koloniale en neokoloniale machten. Terugkijkend is het duidelijk dat na de verschrikkingen van de oorlog de kolonie leefde op geleende tijd, aan het zicht onttrokken door een decennium van economische bloei en de zelfgenoegzaamheid van de geborneerde elite. Slechts enkelen durfden de werkelijkheid onder ogen te zien en hun gedachten ook te verwoorden. In het oorlogsjaar 1941 ‘voorspelde’ pater Gustaaf Hulstaert dat de koloniserende machten, met inbegrip van de missies, ooit de prijs zouden betalen voor het juk dat de Congolezen werd opgelegd: ‘Wij blanken zijn zo machtig en de zwarten zijn er verzot op ons te imiteren, zodat wij denken dat wij ons alles kunnen veroorloven. Ik denk dat wij ons vergissen. Op een dag komt onvermijdelijk de reactie. (…) Laten wij onszelf geen rad voor de ogen draaien met de toewijding van de inboorlingen en het geloof van onze christenen. Hoe groter de invloed van de Kerk, hoe groter is het gevaar wanneer de reactie komt. Wij zullen voor alle kwaad verantwoordelijk worden gesteld. En ik moet toegeven dat wij een zware verantwoordelijkheid dragen en dat wij een zware hand hebben in de toestand die een reactie van de inboorlingen zal uitlokken. Wegens onze verblinding, wegens onze miskenning van de diepere aard van de Congolese samenlevingen zullen wij die straf hebben verdiend.’41

----------------------------------------------------------------

1 Tentoonstelling ‘Burgers uit de Benelux, vervolgd door de Nazi’s in het Tuchthuis van Hameln/Duitsland 1942-1945’, open tijdens de kantooruren, in VAC, Diestsepoort 6, Leuven, nog tot 29/1/2016. Info via 016/235635. Een summiere versie van dit artikel verscheen in De Standaard van 12/12/2015, met als titel ‘Belgisch Congo was één groot dwangarbeiderskamp’.

2 Een ander, weinig gekend dossier betreft de naoorlogse dwangarbeid in België zelf. Na de Duitse nederlaag werden ten behoeve van de steenkoolwinning 60.000 Duitse krijgsgevangenen aan het werk gezet. Deze dwangarbeiders werden in kampen opgesloten en bewaakt, en na twaalf maanden vrijgelaten. Ze werden vanaf 1946 vervangen door 70.000 Italiaanse mannen, die in het begin in dezelfde kampen werden gehuisvest. Na vijf jaar mijnlabeur kregen ze een arbeidskaart A, en konden ze in theorie de mijncités in de streek rond Genk, Bergen, Charleroi en Luik verlaten en elders werk zoeken. Voor de geschiedenis van de migratie, zie A. Martens, in M.C. Foblets, e.a., Migranten kleuren het recht in, Acco, Leuven, 1997, pp. 137-148.

3 Gecit. in G. Hulstaert, ‘Herinneringen aan de oorlog’, Belgisch-Congo tijdens de Tweede Wereldoorlog, Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, Brussel, 1983, p. 592. Gustaaf Hulstaert en zijn confrater Edmond Boelaert waren voor, tijdens en na de oorlog aan het werk in de Evenaarsprovincie. Samen schreven ze een imposant etnografisch oeuvre bijeen, waarvan de neerslag in Aequatoria en in de Annales Aequatoria is terug te vinden, zie www.aequatoria.be. Beide mannen waren erg kritisch voor het kolonialisme, zonder evenwel met het imperialisme te breken. Zo was Hulstaert voorstander van een autoritair regime onder koning Leopold III. Voor de kolonie zelf zag hij evenmin heil in revolutionaire oplossingen. In een brief aan een correspondent schreef hij: ‘Zelf vind ik zweepslagen met de chicotte een zeer goede straf, maar dat men het dan ook openlijk toegeeft [dat men ze oplegt – iets wat niet altijd gebeurde]: Brief van Hulstaert aan Antoine Sohier [LDW: lid van de Koloniale Raad], 29/10/1947, in Annales Aequatoria 18(1997), p. 89. Bisschop Mgr. Vermeiren wou Boelaert uit de kolonie weg; na zijn verlof in België in (1954) keerde hij niet meer naar Congo terug.

4 Zie hierover Guy Vanthemsche, Belgium and the Congo, 1885-1960, Cambridge Univ. Press, New York, 2012, pp. 119-123. Het Comité de Peuplement du Congo, een vereniging van kolonialen, verspreidde eind jaren ’30 een affiche, met de hoofding ‘ALERTE! L’Allemagne veut prendre notre Congo! Katouka! On ne passera pas!’ Affiche in Notre Congo/Onze Kongo. La propagande coloniale belge, Coopération par l’éducation et la Culture (CEC), 2003, p. 55.

5 Zie voor de houding van de Belgische ministers in mei 1940, Jan Velaers en Herman Van Goethem, Leopold III. De Koning, het Land, de Oorlog, Lannoo, Tient, 1994, pp.361-365; over de houding van de ondernemers van koloniale ondernemingen, zie Guy Vanthemsche, Belgium and the Congo, 1885-1960, p. 127.

6 Zie hierover Guy Vanthemsche, Belgium and the Congo, 1885-1960, pp. 124-127.

7 Over de devaluatie, zie Frans Buelens, Congo 1885-1960. Een financieel-economische geschiedenis, EPO, Berchem, 2007, p. 286.

8 Aldus GG Ryckmans, in A. Rubbens, ‘De naweeën van de oorlogsinspanning’, Belgisch-Congo tijdens de Tweede Wereldoorlog, Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, p 579; Léon de Saint-Moulin, Ibidem, p. 26.

9 Commission gouvernementale de la main-d’oeuvre, in Pierre Joye en Rosine Lewin, Les trusts au Congo, Soc. Pop. d’Editions, Bruxelles, 1960, pp. 143-144.

10 Info in F. Buelens, Congo 1885-1960, Een financieel-economische geschiedenis, pp. 239 ev. Zie voor een bespreking van dat boek L. De Witte, ‘De maatpakken in de schaduw. Een boek over de economische exploitatie van Congo (1885-1960)’, Uitpers, n° 87, juni 2007. Cijfers over Kilo-Moto, in Jules Marchal, Travail forcé pour le cuivre et pour l’or, Ed. Paula Bellings, Borgloon, 1999, pp. 466-467.

11 Aan de veteranen van deze campagnes werd tot aan de onafhankelijkheid elk trimester een bedrag van 150 frank uitbetaald; weduwen en ‘behoeftigen’ kregen steunpakketten. Na de onafhankelijkheid verduidelijkte een ministeriële omzendbrief dat die toelage niet als een pensioen mocht worden opgevat: Brussel was niet van plan om nog langer geld over te maken! In 1972 sloot België een akkoord met dictator Mobutu, voor wie de eer van het leger van groot belang was: Brussel maakte 150,5 miljoen frank (3,73 miljoen euro) over, en sloot daarmee het dossier definitief af. Geen frank kwam bij de veteranen of weduwen terecht. Zie voor meer info, ‘Nos vétérans congolais spoliés et oublis de l'histoire’, Le Soir, 3/4/2013.

12 Ordonnanties en cijfers, in F. Buelens, Congo 1885-1960. Een financieel-economische geschiedenis, pp. 289, 282; seponeren inbreuken op de wetgeving, in J. Marchal, Travail forcé pour l’huile de palme, Ed. Paula Bellings, Borgloon, 2001, p. 354.

13 Ordonnantie van 10 maart 1942. Cijfers in F. Buelens, Congo 1885-1960. Een financieel-economische geschiedenis, p. 287.

14 G. Hulstaert, , ‘Herinneringen aan de oorlog’, Belgisch-Congo tijdens de Tweede Wereldoorlog, Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, p. 588; de demografische cijfers ten tijde van de rubbercampagne in Congo Vrijstaat komen van Léon de Saint-Moulin, ‘La population du Congo pendant la Seconde Guerre Mondiale’, in Ibidem, p 24.

15 Interview met A. Havrez, in L. De Witte, Huurlingen, geheim agenten en diplomaten, Van Halewyck, Leuven, 2014, p. 47.

16 G. Hulstaert, , ‘Herinneringen aan de oorlog’, Belgisch-Congo tijdens de Tweede Wereldoorlog, Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, p. 590.

17 Cijfers in L. Cahen, ‘Contribution à l’histoire du rôle des pouvoirs publics dans l’effort minier de guerre du Congo belge (1940-1945), Belgisch-Congo tijdens de Tweede Wereldoorlog, Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, pp. 90, 127.

18 Fiche en commentaar, in een brief van Hulstaert aan Antoine Sohier [LDW: lid van de Koloniale Raad], 29/10/1947, in Annales Aequatoria 18(1997), resp. pp. 88, 86; getuigenis pater J. Esser, gecit. in Z. A. Etambala, ‘Arbeidersopstanden en het ontstaan van inlandse syndicaten’, in Brood en Rozen, n° 2, p. 76. Sommigen durfden het aan de excessen publiek aan te klagen, zoals missionaris Placide Tempels, magistraat A. Rubbens, agronoom E. Stoffels, … In het boek Dettes de guerre (1945) werden een tiental kritieken gebundeld. Ook gouverneur-generaal Ryckmans, bezorgd over de ontwrichting van het land na die vreselijke oorlogsjaren, zei in 1946 waar het op stond: ‘Laten wij de dingen bij hun naam noemen: kapitaal in een kolonie plaatsen is een goede zaak doen – volkomen legitiem, dat geef ik toe, maar filantropie heeft daar niets mee te maken.’ Conférence à Léopoldville, 5/7/1946, gecit. in Pierre Joye en Rosine Lewin, Les trusts au Congo, pp. 56‑57.

19 Mission sénatoriale, Rapport général (1947), gecit. in Auguste Maurel, Le Congo de la colonisation belge à l’indépendance, L’Harmattan, Paris, 1992, p. 98.

20 Over de staking bij de Union Minière, zie Jules Marchal, Travail forcé pour le cuivre et pour l’or, pp. 196-199; over de muiterij van 1944, zie Jules Chomé, La crise congolaise, Ed. Remarques Congolaises, 1960, p. 91.

21 G. Hulstaert, , ‘Herinneringen aan de oorlog’, Belgisch-Congo tijdens de Tweede Wereldoorlog, Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, pp. 592-593.

22 Ryckmans, in A. Rubbens, ‘Naweeën van de oorlog’, Belgisch-Congo tijdens de Tweede Wereldoorlog, Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, p 579.

23 Speech P. Ryckmans van 5/7/1946, in A.A.J. Van Bilsen, ‘Pierre Ryckmans : een uitzonderlijke biografie’, Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, 2/1996, pp. 458-459.

24 P. Ryckmans, gecit. in F. Buelens, Congo 1885-1960. Een financieel-economische geschiedenis, pp. 293.

25 J-L. Vellut, Het geheugen van Congo. De Koloniale tijd. Selectie van de expoteksten, KMMA, Tervuren, p. 12. Die kijk sluit naadloos aan bij de visie van de Belgische elite dat het tijdperk onder Belgisch bestuur een radicale breuk met de donkere kanten van het Leopoldistische tijdvak vormde. Zo zei minister Karel De Gucht bij de opening van de tentoonstelling in Tervuren (2005) dat aan de misbruiken in Leopolds Congo Vrijstaat een einde kwam toen het land een Belgische kolonie werd.

26 A.A.J. Van Bilsen, ‘Pierre Ryckmans : een uitzonderlijke biografie [note critique]’, Belgisch Tijdschift voor Filologie en Geschiedenis, 2/1996, p.452.

27 Gouvernement Général, AIMO/Enseignement, ‘Note pour les Ordinaires ou Supérieurs des Circonscriptions Ecclésiastiques. Effort de Guerre – Récolte de caoutchouc’, 21/10/1942, in Archives Aequatoria, Mf 9/76, 922331 – zie ook Honoré Vinck, ‘La Guerre de 1940-45 vécue à Coquilhatville’, in Annales Aequatoria, 2001, pp. 100-101; ‘bespottelijke’ vergoedingen: zie Pascaline Le Polain, ‘Les travaux agricoles forcés au Congo belge (1940-1945)’, p. 3.

29 A.A.J. Van Bilsen, ‘Pierre Ryckmans : een uitzonderlijke biografie’, Belgisch Tijdschift voor Filologie en Geschiedenis, 2/1996, p.455; F. Buelens, Congo 1885-1960. Een financieel-economische geschiedenis, pp. 98, 394.

30 Brief van P. Ryckmans aan zijn vrouw, Kikwit, 28/1/1931, Het geheugen van Congo (2005). Professor D.K. Fieldhouse schrijft in Unilever Overseas (1979) dat de combinatie van dwangarbeid en de extreem lage prijs voor de vrucht van die arbeid in feite neerkwam op semislavernij: gecit. in F. Buelens, Congo 1885-1960. Een financieel-economische geschiedenis, p. 470.

31 Over de hongersnood in Rwanda in 1943-44, zie G. Feltz, ‘La colonisation belge sous l'oeil inquisiteur des événements du Rwanda, du Burundi et du Congo/Zaïre’, Revue française d'histoire d'outre-mer, n° 321, p. 53, en Dantès Singiza, ‘Le famine Ruzagayura (Rwanda, 1943-1944)’, Doc. de Sciences Humaines et Sociales, Musée Royal de l’Afrique Centrale, Tervuren, 2011. VN-rapport in F. Buelens, Congo 1885-1960. Een financieel-economische geschiedenis, pp. 297-298.

32 Aldus ingenieur H. Beckers, gecit. in F. Buelens, Congo 1885-1960. Een financieel-economische geschiedenis, p. 286, voetnoot.

33 Léon de Saint-Moulin, ‘La population du Congo pendant la Seconde Guerre Mondiale’, Belgisch-Congo tijdens de Tweede Wereldoorlog, Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, pp. 33-38. de Saint-Moulin schrijft dat de demografische impact van de effort de guerre ook in de totaalcijfers zichtbaar wordt: van 1940 tot 1948 groeide de Congolese bevolking jaarlijks aan met 0,66 eenheden per 100 inwoners, terwijl dat in de periode 1945-1960 jaarlijks 2 per 100 was. Ibidem, pp. 33-38.

34 Aldus ere-gouverneur-generaal van Congo en Rwanda-Burundi Hendrik Cornelis, ‘Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi tijdens de Tweede Wereldoorlog’, Belgisch-Congo tijdens de Tweede Wereldoorlog, Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, pp. 86-87.

35 Brief van GG P. Ryckmans, 17/3/1945, in E. Boelaert [missionaris van het H. Hart], ‘La situation démographique des Nkundo-Mongo’, CEPSI, Elisabethville, 1946, p. 40.

36 Bruno De Meulder, De kampen van Kongo. Arbeid, kapitaal en rasveredeling in de koloniale planning, Meulenhoff/Kritak, Leuven, 1996, pp. 94 ev.

37 Cijfers in F. Buelens, Congo 1885-1960. Een financieel-economische geschiedenis, pp. 291-292, 389, 445, 473, 477; René Brion en Jean-Louis Moreau, ‘De bedrijvigheid van de Generale Maatschappij van België in Congo (1885-1960)’, in J-L. Vellut, Het geheugen van Congo. De Koloniale tijd, Uitg. Snoeck/KMMA, Tervuren, 2005, p. 98.

38 Cijfers econ. evolutie in G. Vanthemsche, ‘Het stempel van de Belgische kolonisatie op de Congolese economie’, in J-L. Vellut, Het geheugen van Congo. De Koloniale tijd, p. 87.

39 Ministère des Affaires étrangères, ‘Ruanda-Urundi, Rapport annuel 1944’, en A. Kagame, beide gecit. in Dantès Singiza, ‘Le famine Ruzagayura (Rwanda, 1943-1944)’, Doc. de Sciences Humaines et Sociales, Musée Royal de l’Afrique Centrale, p. 102.

40 Zie voor een analyse van deze bewegingen, Auguste Maurel, Le Congo: de la colonisation belge à l’indépendance, pp. 231‑249, en Jacques Steffen (Pater SCJ), ‘Les leçons d’une tragédie. A la mémoire des missionnaires victimes de la rébellion de 1964 au Zaïre’, in Dehoniana, Rome, 1985, pp. 1-65.

41 Brief van G. Hulstaert aan Médard Bokula, Bokuma, 25/2/1941, gecit. in J. Steffen, A partir d’une expérience africaine, p. 37, Archieven LDW.

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

reageer

3 reacties

  • door Neal op zaterdag 9 januari 2016

    Goed dat je ook het 'progressieve' Unilever noemt. Dit bedrijf zette in Congo trouwens tot ver in de 20ste eeuw meer in op de arbeidsintensieve extractie van wilde palmolie dan op plantages. Fieldhouse toont dit goed aan, maar schrijft dan veel te vriendelijk dat "decolonisation in the Congo did not necessarily prove incompatible with the operation of a plantation business such as PLC. The most important thing in HCB's favour was that it did not seem to arouse the hostility associated with other major Belgian companies, such as Union Minière: on the contrary, its provision of medical and educational services on a scale well beyond that laid down in the Convention, the comparatively good housing [...]" (p. 543) enzovoort.

  • door Alweer op zondag 10 januari 2016

    Een terecht artikel over een veel te verborgen verleden. Eén nuance. In die periode (1940 - 1945) was dwangarbeid wereldwijd helaas schering en inslag. De meeste soldaten - van welke oorlogsvoerende partij ook - waren gedwongen om soldaat te zijn. Legerdienst, eigenlijk een vorm van dwangarbeid eindigde in België pas ergens begin jaren '90 van vorige eeuw. En terzijde : de foto bij het artikel lijkt me er meer één van eind 19e eeuw, toen Leopold II lelijk te keer ging in "zijn" Congo.

    • door ria aerts op woensdag 13 januari 2016

      Ik vind die nuance van u er toch ver over. Verplichte legerdienst vergelijken met dwangarbeid , kom nou. Als u nu zou spreken over de nazi-concentratiekampen, dan zou ik nog zeggen. We mogen de gruwel die Europa de rest van de wereld (ook in Amerika en Azië) heeft aangedaan niet minimaliseren. En ja, nog steeds gedraagt het westen zich als een psychopaat die met hypocriete charme en mooie praatjes enkel eigen belang nastreeft. Waarom, o waarom, zouden die vreemdelingen ons toch zo haten?

Lees alle reacties