Meer dan ooit heeft de wereld nood aan onafhankelijke journalistiek.

Meer dan ooit is het nodig om een tegengeluid te laten horen.

Steun daarom DeWereldMorgen.be

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu
Reportage

Dagboekfragmenten uit een vluchtelingenkamp in Brussel

Begin september 2015 was daar plots een vluchtelingenkamp in Brussel, in het Maximiliaanpark. Dit park ligt in het hartje van de Noordwijk, tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ). Ik was gedurende twaalf dagen, avonden en nachten aanwezig in dit kamp. Dit is wat ik er zag.
donderdag 29 oktober 2015

Het stijgend aantal asielzoekers, de beperkte openingsuren van de DVZ en de politieke keuze om slechts 250 personen per dag te registeren, zorgden ervoor dat nieuwkomers aanvankelijk enkele dagen, maar al gauw een week of langer moesten wachten om hun asielaanvraag te kunnen indienen. Mensen sliepen op de stoep, buurtbewoners kwamen iglotentjes brengen, bezorgde burgers brachten soep rond. In een mum van tijd ontstond er een tentenkamp waar op dagelijkse basis meer dan honderd vrijwilligers actief waren om te voorzien in maaltijden, medische zorg, juridische bijstand en zelfs onderwijs en kinderopvang voor een wisselende groep van 500 tot 1000 vluchtelingen.

Ik was gedurende twaalf dagen, avonden en nachten aanwezig in dit kamp om onderzoek te doen naar de ontwikkeling van solidariteit. Ik werkte vooral mee in de keuken van het park die werd opgericht door CollectActif, een organisatie die strijdt tegen voedselverspilling, opgericht door zes mensen zonder wettig verblijf. Ik werkte samen met een erg diverse groep vrijwilligers, gedreven door een gevoel van urgentie: we moesten er in slagen om twee maal per dag zo’n 1000 warme maaltijden te bereiden. In een park waar we ons tussen en onder de tentzeilen uit de slag trokken met slechts twee mobiele gasvuren en één frigo.

We leerden elkaar geleidelijk aan kennen: wie studeert en wie werkt, wie is van Brussel en wie komt van verder, wie verblijft al jarenlang zonder papieren in België en wie diende pas een asielaanvraag in. Er bleven enkele verhalen hangen, verhalen die de betekenis van dit kamp voor een aantal van haar vrijwilligers illustreren. Verhalen die de gewone gang van zaken even op hun kop zetten. Taferelen vanuit een vluchtelingenkamp dat plots verscheen en even plots weer verdween.

Foto: CollectActif

Hassan van de Noordwijk op het podium

Het is woensdag 9 september, omstreeks 19u. Eerder die dag sneed ik samen met een tiental andere vrijwilligers een gigantische hoeveelheid groenten. We moesten ze erg fijn snijden voor een salade. Mohamed, een van de leden van CollectActif, wil immers dat de smaken van salade, komkommer, tomaat, peterselie, wortels en olijfolie zich mooi vermengen. Kruiden zijn er ook in overvloed: ‘we koken niet voor ons, we koken voor hen!’.

Het nadert 20 uur, etenstijd. Er schuiven al veel mensen aan. Een paar honderd. Het is niet duidelijk waar de wachtrij begint, wanneer er eten zal zijn en hoeveel eten er zal zijn. Sandwiches, cake, fruit, yoghurt en tussendoortjes werden gedurende de dag uitgestald op de tafels. Maar een warme maaltijd lijkt voor veel mensen lang geleden. Er zijn voldoende vrijwilligers om het eten uit te delen. Ik kijk van op een afstand toe hoe het uitdelen van voedsel in zijn werk gaat. Ik stel me op bij een andere Mohamed, ook een man zonder wettig verblijf. Hij heeft een vaste plaats aan de zijkant van de keuken om ervoor te zorgen dat niemand de stock binnenglipt. Hij regelt ook de verdeling van de vele giften.

Het is donker. Het uitdelen van de maaltijden laat lang op zich wachten. Ik zie de spanning in de rij, of beter groep, wachtenden stijgen en wacht zelf vol spanning af. Een conflict lijkt niet veraf. Plots komt er trommelgeroffel vanuit de keuken. Ahmed, een vrijwilliger, begint te zingen. Hassan, een imposante kerel met zwarte muts en baard, springt op een van de tafels. Hassan woont om de hoek en is al lang werkloos. Hij probeert zich nuttig te maken in het kamp. Het ziet er naar uit dat hij van plan is om een dansje te doen op de tafel. Jawel, daar beginnen zijn schouders en armen ritmisch mee te bewegen op het geroffel van Ahmeds kookpotten. Zouden de wachtende vluchtelingen hier ook de humor van inzien?

En ja, de voorste groep wachtenden schiet in de lach. Na een performance van een twintigtal minuten zijn de maaltijden eindelijk klaar. Jamel, een andere forse kerel uit het Brusselse, doet een fluovestje aan en springt tussen de groep wachtenden. Iedereen krijgt van hem een persoonlijk schouderklopje en een warme maaltijd. ‘Je moet ze toch laten weten dat we er zijn voor hen hé?’. Later die nacht zie ik hoe Hassan en Jamel hun fluovestjes uit doen en er in grote letters SECURITY opschrijven.

Foto: CollectActif

Ibrahim, de waterleidingen en het gevoel van eigenwaarde

Het is dinsdag 15 september, omstreeks 14u. Ik was een paar dagen niet in het kamp en sta met grote ogen te kijken naar de nieuwe keuken die in volle opbouw is. Er komt ook een kleine opslagplaats achteraan, met producten voor onmiddellijk gebruik. Een aantal vrijwilligers is paletten in kleinere planken aan het zagen. Zagen en timmeren zijn echt niet aan mij besteed, maar Ibrahim denk daar duidelijk anders over: ‘wil je iets bijleren?’. Ik stem aarzelend in. Er moet een opening gemaakt worden voor de toevoer en afvoer van het water van de keuken.

Universitaire diploma’s genoeg, maar zo’n elektrische boormachine naar links of naar rechts laten draaien, da’s toch zo eenvoudig niet. Ibrahim blijft me geduldig helpen. Hij lijkt zelf veel voldoening te scheppen uit zijn rol als chef bricoleur in de keuken. En ik moet zeggen dat ik erg trots ben over het eindresultaat.

Exact twee weken later, op dinsdag 29 september zit ik naast Ibrahim op een bank aan de ingang van het kamp. ‘Je me retrouve ici’ vertrouwt hij me toe. Ik ken de uitdrukking niet, maar ik begrijp wat hij bedoelt. Hij leert mensen kennen, bouwt een sociaal netwerk op, en bouwt zelfs een keuken op. ‘J’ai jamais senti ça’.

Foto: CollectActif

Newal, de tandarts en de Hongaarse knuffel

Donderdag 24 september, 21u. De avond valt. Ik ontsnap even uit de drukte van de keuken en ga onder het tentzeil van de refter naast Gregory zitten. Gregory is een jongeman uit Hongarije. Ik ken hem al vanaf mijn eerste dag in de keuken. Hij verliet zijn familie in Hongarije, zwierf enkele maanden door Duitsland en kwam begin september aan in Brussel. Hij slaapt nu in het kamp, in een tent met zes andere mannen. Hij ziet er erg moe uit en zucht. Hij wijst naar zijn hoofd, hij heeft rust nodig, is bang dat hij paranoïde wordt van het continu onderweg zijn. Newal, een vrouw uit Schaarbeek, komt aan mijn andere zijde zitten. Haar dagtaak als lerares zit er op en ze komt het avondeten mee verdelen. Ze is net als mij bezorgd om Gregory.

Rechts van ons is een tandarts de tanden van een Afrikaanse man aan het poetsen. Ze geeft hem een uitvoerige uitleg over tandhygiëne. Een aantal andere mannen luisteren geïnteresseerd mee. Newal en ik schieten in de lach: ‘dit hou je toch niet voor mogelijk, wat gebeurt hier toch allemaal in dit park?’.

Newal gaat het kaartje van de tandarts vragen, een goeie tandarts kan altijd van pas komen. Links van ons zien we hoe een tiental mensen zich in een kring opstellen. Het lijken me op het eerste zicht Vlamingen te zijn. ‘Hé, ze zingen in het Arabisch!’ Newal gaat iets dichterbij luisteren en kijkt me met fonkelende ogen aan: ‘ik ken deze muziek’. Haar fonkelende ogen worden waterig. ‘Verdorie, ik heb zo lang als sociaal assistent gewerkt in Schaarbeek en me al die jaren sterk gehouden, maar soms moet ik precies alle remmen lossen. Als ik emotioneel word, moet alles eruit’. Een gevoel dat ik herken.

We blijven zitten op ons bankje en luisteren naar de muziek. Syrische en Iraakse mannen stromen toe en beginnen het koor te filmen met hun smartphones. Na een tijdje sta ik op om terug aan de slag te gaan in de etensstock. De giften die blijven komen, moeten blijvend gesorteerd worden. Als ik opsta, geeft Gregory me een knuffeldier. Hij ontving dit bruin elandje samen met zijn slaapgerief. ‘Kan ik toch niet meenemen als ik opnieuw vertrek’. ‘Hoe heet hij?’ vraag ik. ‘Misschien moeten we hem Maximiliaan noemen’. Met een glimlach vertrek ik naar de stock en met eenzelfde glimlach laat Mohamed mij en Maximiliaan terug binnen in de keuken.

Foto: CollectActif

Ali, Ahmed en de andere Irakezen

Het is maandag 28 september, omstreeks 13 uur. Ik help maaltijden verdelen. We kregen een hele lading yoghurtjes en die moeten op. De mensen die aanschuiven kijken me vragend aan. ‘Zabadi’ zeg ik. Volgens de Marokkaanse man naast me is dat Arabisch voor yoghurt. Nu ja, ik had wel kunnen denken dat er een tiental Arabische woorden bestaan voor yoghurt. Maar soit, men apprecieert mijn poging.

De yoghurt mindert vlug. Ik gebaar naar de jongeman links van me dat hij extra yoghurtjes moet gaan halen en die uit hun verpakking moet halen. Hij is blij dat hij aan de slag kan. Hij komt naast mij staan. ‘ Irak danet’ zegt hij, ‘zabadi is more milk’. ‘Are you also from Irak?’.

Nog geen week is Ali in het land. Er werd hem een opvangplaats toegewezen, in een godvergeten dorpje ergens in Wallonië. ‘I don’t see people there, I walk on the road but there is nobody, I come from Bagdad, how can I live there’? Hij bleef er maar één nacht en vluchtte daarna terug naar Brussel. ‘Als er één plaats is waar ik zeker depressief word, dan is het daar, in dat klein dorpje’. Het doet me denken aan het verhaal van Ahmed, die verblijft in Klein Kasteeltje maar elke dag in het park is. Hij gaat pas rond middernacht terug, net op tijd om binnen te worden gelaten. ‘All you can do there is sleep, so I only go there to sleep’. De laatste tijd slaapt hij wel niet goed, de verhalen over Bagdad gaan rond, men zal niet meer aanvaard worden, België vindt dat Bagdad veilig genoeg is… De angst en vermoeidheid staan in zijn ogen te lezen.

Enkele dagen later ontmoet ik Ali opnieuw. Hij staat buiten te praten met een oudere man. Die man woont in de buurt en blijkt verre familie te zijn van Ali. Ali’s ouders brachten de man op de hoogte van de komst van hun zoon. De man komt geregeld langs om te vragen of hij ergens mee kan helpen. Hij vertelt dat hij binnenkort naar een organisatie in Antwerpen moet omdat Ali’s ouders geld hebben ingezameld, om Ali verder te steunen met het opbouwen van zijn toekomst hier. De man heeft Ali al aangeboden om hem in zijn huis op te nemen, maar daar wil die niets van weten. Ali wil zelfstandig zijn. Hij is tenslotte al 19 jaar.

 

Registreren

Er zijn nog zo veel andere verhalen te vertellen. Verhalen die voor mij eindigen met de afbraak van het park, op donderdag 1 oktober. Laith, een knappe Syrische man die tot voor kort zelf in een vluchtelingenkamp werkte, kwam enkele dagen geleden al afscheid nemen. Ik herinner me hoe hij het Maximiliaanpark binnenkwam; met zijn mooie koffers van de Norwegian Refugee Council leek hij eerder iemand die uit een vliegtuig was gestapt. Dat zei hij zelf en daar moest hij zelf om lachen. Nu gaat hij terug naar Duitsland, meer Engelstalige masteropleidingen daar. Gelukkig heeft hij zich nog niet geregistreerd in België, anders kon hij dat plan ook laten varen.‘Hopelijk zetten ze me daar niet op een bus terug naar België, met dat herverdelingsplan en zo’. Hij blijft er de humor van inzien.

Wim groet me: ‘allé, we gaan elkaar waarschijnlijk niet meer tegenkomen dan, het ga je goed hé’. Wim en ik ontmoetten elkaar tijdens mijn eerste nacht in het kamp. Toen we samen vergeefs op zoek gingen naar reguliere opvang voor een Afghaanse broer en zus. Daarna kwamen we elkaar geregeld tegen, een glimlach, een begrijpende knik, een schouderklopje. Een soort ‘jij loopt hier ook nog rond’ verstandhouding die zich ontwikkelde tussen de vaste vrijwilligers. Nu trekt Wim naar Calais met de nog bruikbare materialen van het kamp.

Younes fietst me voorbij en keert dan terug. Younes is een jonge gast uit Zele die door zijn zus werd meegesleurd naar het kamp om voedsel uit te delen. Drie weken later liep en fietste hij er nog rond. Hij bleef er overnachten, hield de boel in de gaten, kwam tussen tijdens gevechten. Hij klampt me aan: ‘Anika, jij ziet er nog een slimme uit, allé, zo iemand die haar leven wel op een rijtje heeft. Ik heb geen diploma van het middelbaar. Kan jij me uitleggen hoe ik dat nog kan halen of volg ik beter onmiddellijk al een technische opleiding zoals de mannen van de VDAB willen?’. Ik wandel het kamp uit, richting Noordstation.

Op de hoek van de straat zie ik Omar met wie ik heb samengewerkt in de keuken. Hij is vergezeld door drie andere mannen. Ik herken een van hen. Het is de Iraakse man die me eerder op de dag vroeg ‘where will we go?’ met zijn vinger wijzend naar de tenten die werden afgebroken. Hij maakte me toen in gebrekkig Engels heel duidelijk dat hij en zijn vrienden niet van plan waren om zich te laten registreren in België. Irak, Bagdad, ze hebben iets horen vallen over gedwongen terugkeer. Omar is ook Irakees. Hij heeft een voorlopig statuut. Hij toont me zijn identiteitskaart en zegt dat hij de drie andere mannen zal opvangen in zijn huis. Voor deze mannen, die nu lijken afstand te doen van hun recht op asiel, is geen plaats in de WTC torens. Omar wijst naar hen en zegt ‘family’. Ik schud hen allen de hand. Een ‘Welcome in Belgium’ krijg ik niet meer over mijn lippen.

 


Anika Depraetere is onderzoekster aan de Universiteit van Antwerpen (Onderzoekscentrum Ongelijkheid, Armoede, Sociale Uitsluiting en de Stad, OASeS) en de Universiteit van Leuven (Labo voor Educatie en Samenleving, LES). Ze werkt op een onderzoeksproject dat innovatieve vormen van solidariteit in diversiteit analyseert (DieGem, www.solidariteitdiversiteit.be).

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.