Wat ongelovige vrienden  niet hebben geweten
Stefaan Hublou

Wat ongelovige vrienden niet hebben geweten

dinsdag 26 juli 2016 11:18

Op Paaszondag, tijdens de meest plechtige en Heilige Mis door het katholieke jaar, stapte ik met Fellow het gebouw van de St.-Jan de Doperkerk binnen. Ik wilde mij graag mogen optrekken aan nog eens een krachtige liturgie. Zoals ze die in de Universitaire Parochie maken. Ik had het nodig, na wekenlang bijna onafgebroken hard werken. Niet voor mijzelf. Tevens had ik geen bezwaar en passant een statement te maken. Het kan niet zijn dat de paus te Rome als naam Franciscus kiest, de grote heilige die de dieren en Moeder Natuur en al de natuurelementen lief had als niemand voor of na hem, en dat Fellow niet bij mij zou mogen blijven. Dat de katholieke gemeenschap waar ik lid van ben, mijn alter ego zou afwijzen. (1780 woordjes)

Ik ben die ochtend, als al het Reddingswerk voorlopig is voltooid, piekfijn uitgedost. “Tiré aux quatre épingles” zegt het Frans. Ik was op mijn paasbest. Ik ging mij bescheiden opstellen, niet alsof het de gewoonste zaak was, te voet tussen de rijen kerkstoeltjes een centrale zitplaats zoeken, waar ik alles goed zou kunnen volgen. Diep in mijzelf wilde ik dat wel, en wist ik dat dat wel niet verboden was, maar de mensen begrijpen zulk gedrag niet.

Door de ingangspoort heen, versierd met een Moeder Maria die de borst geeft in gesneden houtwerk, en je komt achteraan in de kerk. Na een ogenblik om alles in me op te nemen, stap ik enkele passen naar rechts, om uit te komen bij de centrale gang. Zo hebben wij een perfect uitzicht op het altaar in de verte, waar het gebeurt, en waar op dit moment de priester en zijn acolyten, om beurten hun interessante woorden spreken. Ik luister aandachtig, des te meer naarmate het besef doordringt dat we laat zijn. Het grootste deel van de paasmis zit er op. Mijn honger naar inspiratie is er niet minder om.

Hoe het kan dat ik pas op dit moment… Wel, soms kan ik ongelofelijk trouw zijn aan bepaalde grote inzichten, als ik eenmaal begrepen heb hoe belangrijk zij zijn. Zo probeer ik de gouden Raad van de  geleerde en wijze man Hans Achterhuis in de praktijk te brengen. Hij pleit er – voor mij met grote overtuigingskracht – voor om als mens zo veel mogelijk je Tijd persoonlijk te be-leven. “Wij moeten ons bevrijden van de kloktijd, als wij weer echt willen leven”.

Voor mij is dat klaar, nadat ik enkele jaren de persoonlijke vriend heb mogen zijn van Kees Verspeek omi. Deze fijne oblaat werkte, congruent met zijn intense grote jongensdroom, met de Inuït. Wat je lang geleden de Eskimo mocht noemen. Hij ging mee op jacht, bouwde kerk en cultuurcentrum met zaag en hamer, legde een radioverbinding aan voor de mensen van het dorp Sugluk in Labrador, de eerste sinds het begin der tijden. Hij redde te vroeg geboren kindjes door ze in een ijzeren schuif met hooi onder de kachel onder te brengen… En hij maakte mij duidelijk hoe de oneindige witte vlakte een mens kan toelaten in contact te komen met De Oneindige. Met het Mysterie dat alles draagt. En dat daarboven in het Hoge Noorden, wat de Fransen noemen “Le Grand Nord”, het leven zo intens en mooi anders is, ook juist omdat “wij daar de Tijd hadden”, terwijl hier in de druk bevolkte steden aan de Noordzee, “heeft de Tijd ons!”…

Ik wil trachten in de voetsporen van die Heilige Man te treden. Op het spoor komen van die Canadese puurheid.

Ik keek en luisterde met grote aandacht naar de voorganger Jacques Haers sj, terwijl ik de kerk binnenstapte. We stonden nog niet helemaal stil, toen een klein jongenskind luid begon te huilen. Bleek dat er achterin de kerk een groepje kinderen was bij elkaar getroept. Goed geklede kindjes, smaakvol, met merken kleding, kindjes van de professoren families en de welgestelde ouders die door de Alma Mater zijn gevormd en nu hun functies met grote verantwoordelijkheid en groot inkomen uitoefenen. Door ons gezwind gezamenlijk binnentreden, waren een viertal kinderen gescheiden van hun ouders. In hoofde van dat blonde kleintje dat zonder gêne zijn keel helemaal open zette, zou het woord “afgesneden” nog beter passen. “Een hond en een grote man tussen mij en mama! Help!”

Ik begreep de situatie, en wendde mijn hoofd af van het altaar naar het blonde jongetje dat met de grootste toewijding, zoals kinderen dat doen, doorging. Mijn ogen keken het kind rustig, mild en vriendelijk aan. Dat leek het beste.

Fellow is de vriendelijkheid zelve, dat weten onze vrienden, buren en kennissen, maar ook naar schatting zo’n drieduizend mensen in het Leuvense. Fellow is zeer populair. Hele volksstammen halen hem aan als was het zo dat zij het Godsgeschenk dat hij is, op slag herkennen. Blonde jongen vrouwen met lange haren, oude tantes met grijze permanente, dikke en dunne mannen, geleerde en volkse, jongens in jeans die naar schoolbordkrijt ruiken, babies en papa en mama… iedereen wil er bij zijn en streelt het kopje, de oortjes, de rug, de flanken… Velen laten zich door deze hond likken aan handen en wangen, neus, voorhoofd. Sommigen gaat dit te ver, dan duwen ze de rasengel van zich af. Het dier dringt dan niet aan.

Als ik in lichtjes cynische taalmodus ben, zeg ik in mijzelf,

“Kijk, wij doen weer aan gratis therapie voor al die medeburgers die ongemerkt hun dagen door moeten in groot gebrek aan tederheid en tastbare liefde.”

Drie, vier of vijf van de wat oudere kinderen hadden intussen al snel met grote stappen de veilige rechterkant van de kerk kunnen bereiken, achter- of voorlangs het duo dat Fellow en ik uitmaken.

Gedurende enkele seconden staat de hemel stil. De kerk keek. Stilte heerste, glooide. De zonnestralen vielen door een hoog en smal glasraam. Precies op de plek waar wij staan. Ik genoot eerlijk gezegd wel een beetje van het huilen. De situatie gaf mij de gelegenheid mij te verplaatsen in mijn eigen kinderlijke staat. Herinneringen kwamen zacht en onstuitbaar op. Aan vergelijkbare kindertrauma’s. Rustig blijven staan is wat ik deed, in het simpele besef dat indien ik iets zou ondernemen de angst en verbijstering van het jongenskind alleen maar erger zou worden. Na enkele bijzonder interessante seconden die eeuwen leken, bezwangerd door de geur van heiligheid die St. Jan de Doper vult, kwam de moeder flink aangemarcheerd. Zij is een jaar of dertig oud, licht gebouwd met donkerblond pagekopje, ik meen dat zij een brilletje droeg met donkerblauwe, hoekige glazen. Mama pakte haar gealarmeerde wezentje op de armen en verdween er mee. Het snerpende huilen stopte. Duizend Lichamen in zit keren zich weer naar het altaar.

De plechtige, statige woorden van de voorgangers, zwanger van betekenis en inspiratie, klinken weer. Twee figuren lossen zich daar af, bij het witte altaar. De Pastoor, Jacques Haers van de Societas Jesu, liet zich bijstaan door een grote dame met een rijke bos krullend bruin haar. Dat is Ann(a) Vandenhoeck. Gepokt en gemazeld in zowel de theologische leer erover als in het bijstaan zelf van de lijdende mens, met name de stervende medemens. Zij heeft gewerkt als verpleegkundige en later als ziekenhuispastor in de palliatieve zorg. In mijn leven heb ik al deel uit gemaakt van verscheidene parochies. We trokken een spoor. In de Universitaire “weekend” parochie van de Katholieke Universiteit Leuven, volg ik de sfeer en de inhoud al sinds het begin van de jaren tachtig, toen ik inwendig al tachtig was, maar een nieuw leven in stapte als student geschiedenis. Sinds jaren doen daar dus ook de vrouwen mee. Vooraan, waar het gebeurt. Waar voorgegaan wordt. De impact op mijn ziel is fantastisch. Een vrouw. Niet zo klein. In wit gewaad. Die sacrale gebaren maakt. Die bekleed is met godsdienstig gezag. Die spreekt met dragende stem. Woorden die waardigheid uitstralen, goede wil en betekenis.

“Leuven is het centrum van de Wereld. En bijna niemand weet dat.”

Plots komt een bekende figuur, de echtgenoot van de verpleegkundige waarmee ik samen mensen in hun laatste weken, dagen en seconden heb begeleid op de Palliatieve Eenheid “De Brug” van het regionale ziekenhuis Heilig Hart, naar mij toe stappen. Op dringende, ingehouden toon spreekt hij mij van dichtbij woorden in het oor. Ik heb er enkele van bewaard. “Dat gij hier op deze manier verschijnt, vind ik beneden alle peil!” “Ik wil dat ge nu weggaat!”.

Ik luister met volle aandacht, en kijk de man dan erstig en minzaam in de lichtgrijze ogen. “Ik weet wat ik doe. Ik heb hier grondig over nagedacht.” En op zijn verzoek: “Ik ga dat niet doen.”

De man, die lang geleden een dodelijk gevaarlijke kankeraanval wist te boven te komen, gaat dan weg, na de gefluisterde woorden “Ik wist dat gij ne keikop zijt!”.

De pastoor van de UP is een extreem intelligent en minzaam man. Een paar weken voor Pasen was hij een van de vele facebookvrienden die bij mijn kleine fotoreportage over mijn bezoek aan Keulen met Fellow, waarin ik eindelijk graag de wondere uitwerking van mijn zachtmoedige vriend op mensen wereldkundig maakte, het bericht en de foto’s van een “dit vind ik leuk” had voorzien. Zijn laatste zin, de laatste van deze hoogdagviering, net voor het spreken van de eeuwenoude wegzendingsformule “En ga nu allen heen in vrede” – “Ite, Missa est” -, waarop de mensen  antwoorden “Wij danken God” en zich in beweging zetten… De pastoor is  professor theologie en heeft een knack voor ecologie. Toen hij deelnam aan de wereldtop in Kopenhagen over de opwarming van de aarde, schreef hij interessante verslagjes via het internet, waar ik (als enige) enthousiast op reageerde met persoonlijke bedenkingen en natuurervaringen… De grote geest Haers verwees in zijn laatste woorden nog even naar de nieuwe geest van ecologisch bewustzijn die christenen nu opnemen. De man die de functie opnam deze Kudde met veel intellectuelen in haar midden te leiden, (in ondankbare omstandigheden, nadat Aartsbisschop André Léonard de vorige jonge pastoor die terecht bijzonder populair was, zonder daarover met hem te communiceren van zijn functie ontheven had), verwees naar de “Eerbied die de mens als kind van God aan de medemens is verschuldigd, en ook aan de Creaturen en de Grote Schepping, die wij al zo lang onrecht hebben aangedaan”.

Zoals mijn geliefde scenarist en tekenaar François Bourgeon schrijft in “Het kleine meisje Bois-Caïman”, in de reeks “Kinderen van de wind”, over de werkzaamheid van YHWH, in de woorden van  de negerslaven op de plantages op de Caraïben in de XXVIII-de eeuw:

“Bef sa ke,

se Bondye ki pouse mouch po li.”

~ Als een koe geen staart heeft,

verjaagt de Goede God

de vliegen voor haar.

Stefaan Christophe Hublou Vojvoditz 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!