Vrijwilligers overhandigen Palestijnse dichtbundel aan Herman Van Rompuy
Europa, Palestina, Israël, Dakloos, Apartheid, Water, CODIP, VPK, Gazastrook, Internationale gemeenschap, 1948, Nakba, Vluchtelingen, Verenigde Naties, Joods, Muur, Apartheidsmuur, Bezetting, Westelijke Jordaanoever, Kolonisten, Dichtbundel, Haiku, Voorzitter, Europese Raad, Herman van Rompuy, Mahmoed Darwish, Dichter, 1949, Getuigenissen, Mensen, Bevolking, Oslo-akkoorden, Landbouwgrond, Arbeidskrachten, Bescherming, Dossier:vluchtelingen - Mario Bergen

Vrijwilligers overhandigen Palestijnse dichtbundel aan Herman Van Rompuy

zaterdag 17 april 2010 03:22

Enkele vrijwilligers van het Vlaams Palestina Komitee en het Centrum voor Informatie, Ontwikkeling en Documentatie Palestijnen hebben donderdag aan de voorzitter van de Europese Raad, Herman van Rompuy, op de voorstelling van zijn dichtbundel “Haiku”, een dichtbundel overhandigd van de Palestijnse dichter Mahmoed Darwisj. Zij overhandigden hem eveneens een tekst (zie bijlage). De vzw’s zijn de mening toegedaan, dat de kolonisatie- en apartheidspolitiek van Israël aan de basis ligt van het Palestijns conflict, en dat die moet en kàn beëindigd worden indien de Europese Unie haar verantwoordelijkheid opneemt. Zij zijn voorstander van een hardere aanpak van Israël door de Europese Unie, tot die staat alle UNO-resoluties in verband met Palestina implementeert, in plaats van Israël de status van bevoorrechte handelspartner toe te kennen, zoals nu het geval is.  *** 

VERZOEK.

Aan de heer Herman Van Rompuy, voorzitter van de Europese Raad.

Betreft: de voortdurende schending van internationaal recht en mensenrechten door Israël.

Geachte heer Voorzitter,

Naar aanleiding van de voorstelling van uw dichtbundel ‘Haiku’, waarvoor wij u hartelijk willen feliciteren, willen wij u graag een dichtbundel aanbieden van de Palestijnse dichter Mahmoed Darwish, en via deze weg aandacht vragen voor de bijzonder schrijnende situatie waarin het Palestijnse volk verkeert.

Om dieper op deze nijpende problematiek te kunnen ingaan, zouden wij, de vzw’s Centrum voor Ontwikkeling, Documentatie en Informatie Palestijnen (CODIP) en het Vlaams Palestina Komitee (VPK), het dan ook ten zeerste waarderen u bij deze beleefd te mogen verzoeken om een onderhoud.

Zoals u wellicht niet geheel onbekend is, zijn in 1948 talrijke Palestijnen gevlucht voor het oorlogsgeweld en zijn velen door de zionistische milities uit hun dorpen verdreven. Minstens 418 Palestijnse dorpen (589 volgens sommige bronnen) zijn hierbij ontvolkt en verwoest. In juni 2008 waren er zo’n zeven miljoen Palestijnse vluchtelingen (onder wie ontheemden in Israël zelf aan wie het statuut van vluchteling door de UNO zelfs niet wordt verleend). Meer dan honderdduizend onder hen werden in 1967 voor de tweede maal vluchteling. De meesten leven nog altijd in vluchtelingenkampen in de Gazastrook, op de bezette Westelijke Jordaanoever en in de omringende landen. Hoewel talrijke resoluties van de Verenigde Naties hun mogelijke terugkeer eisen, en schadevergoeding voor degenen die niet wensen terug te keren, wil Israël daarvan niet weten.

De evenementen van 1948 worden door de Palestijnen de “Nakba” (catastrofe) genoemd. Na ruim 60 jaar bestaan van Israël zijn deze feiten zodanig goed gedocumenteerd, (Er zijn gefilmde getuigenissen, foto’s en bewegende beelden, nog levende getuigen en er zijn verscheidene joodse (en andere) historici die de feiten onderkennen.), dat deze feiten als bewezen kunnen worden beschouwd. Wij kunnen het dan ook alleen maar ten zeerste betreuren en afkeuren dat bepaalde personen, waaronder de staat Israël zélf, deze feiten tot de dag van vandaag ontkent.

Het is u wellicht evenmin onbekend, dat de internationale gemeenschap – met woorden althans – de voortdurende bezetting van de in 1967 door Israël veroverde Palestijnse gebieden veroordeelt. Mensen die gedurende meer dan zestig jaar geen ander statuut gekend hebben dan dat van vluchteling, mensen van meer dan veertig jaar oud, die gedurende hun hele leven geen ander wettelijk regime gekend hebben dan de stringente militaire verordeningen van de Israëlische bezettingsmacht, als belangrijk politicus van de partij die het begrip “de mensen” geïntroduceerd heeft in het politiek jargon, zou dat u niet mogen onberoerd laten.

Op de Westelijke Jordaanoever is er de hemeltergende watersituatie: terwijl joodse kolonisten beschikken over water à volonté, in die mate dat parkjes en palmbomen naar hartelust besproeid worden, inclusief het kwistige gebruik van water voor openluchtzwembaden, is het voor de Palestijnse bevolking verboden om waterputten te boren, mogen zij bestaande bronnen niet onderhouden en heeft de Palestijnse bevolking een voorturend gebrek aan water voor de meest essentiële basisbehoeften. Behalve in enkele reeds dichtbevolkte agglomeraties, die volgens de Oslo-akkoorden onder Palestijns bestuur zouden moeten staan (maar ondertussen opnieuw onder bezettingsregime staan), is het voor Palestijnen praktisch onmogelijk om een bouwvergunning te verkrijgen. Dat laatste geldt trouwens ook voor de Palestijnen in Israël zèlf: zij moeten dakloos blijven of bouwen zonder bouwvergunning, met het u wellicht bekende gevolg (afbraak van huizen).

Het afnemen van hun grond ten voordele van Joodse kolonisten zien de Palestijnen nog dagelijks doorgaan – ook al haalt dat zelden nog het nieuws bij ons – in Israël zèlf zowel als in de “bezette gebieden”. In de Jordaanvallei rest mensen wier landbouwgrond is afgenomen, aldus geen ander alternatief meer, dan als goedkope arbeidskrachten op Joodse plantages te werken.

Met de fameuze muur die zou moeten dienen om terrorisme tegen te gaan, wordt nog meer grond van de Palestijnen afgenomen. Die muur is ongeveer twee maal zo lang als de “groene lijn”, de bestandslijn die sedert 1949 algemeen als de grens tussen Israël en de Westbank wordt beschouwd. Je hoeft dus geen mathematicus te zijn, om te begrijpen, dat achter die lijn meer schuilgaat dan alleen bescherming. Zij vormt een element in Israël’s voortdurende politiek van het creëren van feiten op het terrein, feiten die volgens Israël dan moeten worden in aanmerking genomen bij de zogenaamde “onderhandelingen”.

De ondertekenaars van dit schrijven zijn op inleefreis geweest in Palestina (Myriam Vandecan, de voorzitster van beide voormelde vzw’s, meerdere malen). We hebben het overweldigende van de kolonies met eigen ogen gezien. We hebben een, niettegenstaande de ruimte er nog krapper is dan elders, met brede straten heropgebouwd vluchtelingenkamp gezien, opdat de Israëlische tanks bij de volgende inval zich geen weg meer zouden “hoeven” te schieten door de huizen. We hebben een “nationaal park” in Israël gezien, waar alleen de plantengroei en een paar overblijfselen, onder meer van de kerk, erop wijzen, dat hier tot 1948 een Palestijns dorp stond. We hebben een groep wetenschappers ontmoet, de Palestijnse “Hydrology Group”, die met een zuiver wetenschappelijk uitgangspunt de watertoestand in de regio zijn gaan onderzoeken en dusdoende automatisch tot politieke conclusies gekomen zijn: Israël overtreedt op dat gebied duidelijk het internationaal recht. Behalve het zich door militaire verordeningen toeëigenen van het water onder de grond, leidt Israël het overgrote deel van het Jordaanwater ook nog eens af naar Israël langs een pijpleiding – waarop meerdere Palestijnse dorpen in Israël zelfs niet aangesloten zijn ! We hebben in de Westbank de Palestijnse nederzettingen met één oogopslag leren onderscheiden van de Joodse kolonies: als je watertanks op platte daken ziet (om het schaarse water te bewaren tot de kraan voor de Palestijnen nog eens open gaat), betreft het een Palestijnse nederzetting. Rode daken (met pannen zoals bij ons) wijzen dan weer op een Joodse kolonie. We hebben een land gezien van aparte wegen, van apartheidswetten, van afsluitingen en wegblokkades, van checkpoints die door Israël “terminals” genoemd worden, van een vindingrijk, intelligent, ontwikkeld en werkzaam volk, dat, mede door ons toedoen, in een overlevingseconomie gedwongen is.

We hebben de foto’s van de martelaren zien hangen (“martelaren” zijn alle Palestijnen die op één of andere manier in het conflict om het leven gekomen zijn), met daartussen één goed bewaard gedenkteken, voor een Palestijns gezin dat door de Israëlische soldaten uit hun huis gezet werd en vervolgens vermoord.

Geachte heer Voorzitter, wij zijn van oordeel, dat er voor Europa een taak weggelegd is in het kader van dit conflict. We willen u proberen ervan te overtuigen, dat de kolonisatie- en apartheidspolitiek van Israël, die aan de basis ligt van het conflict, moet en kàn beëindigd worden en dat de Europese Unie daarin een cruciale rol kan spelen. Wij vragen dan ook dat de Europese Unie via de bestaande politieke en economische kanalen zijn invloed aanwendt, tot de Israëlische staat alle VN-resoluties ten volle implementeert, zich conform het internationaal recht gedraagt en conform de elementaire regels van de menselijkheid. Voor iemand in de positie van voorzitter van een belangrijk wetgevend orgaan van de Unie is er geen excuus in de zin van “dat kan wettelijk niet” of “daarvoor ben ik niet bevoegd”.

Teneinde bovenstaande zaken te kunnen bespreken vragen we u beleefd om een onderhoud.

Met de meeste hoogachting,

Myriam Vandecan, Jan Van Herzele,

Voorzitster VPK en CODIP medewerker VPK en CODIP

info@codip.be jan.vanherzele@codip.be

Gsm +32 (0)474 47 08 47 Tel. +32 (0)53 784 381; gsm +32 (0)473 29 33

15 april 2010

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!