Vergelding
Rino Feys

Vergelding

dinsdag 8 januari 2019 21:03

Het was nog niet helemaal tot me doorgedrongen waar ik terecht gekomen was, daar, in de kringloopwinkel; tussen de spiegels en de kaders, de jurken en de broeken, de bedden en de kleerkasten, de boeken, de dvd’s en het vinyl, de Singer naaimachines, de soepterrines, en het charmante servies in wit glas met oranje en rode bloemen van Arcopal.

De mens in al zijn facetten en verschijningsvormen; van links naar rechts, van boven tot onder, van oost tot west. Ik was vijfenveertig maar het voelde alsof ik pas kwam kijken, alsof ik nog niets had meegemaakt. 
Nochtans had ik al een heel parcours achter de rug. 
Om te ontsnappen aan het fabrieksleven was ik samen met mijn vriendin een eetcafé begonnen. In een vorige leven zelf kroegtijgers, wisten we ons meteen verzekerd van een cliënteel; familie, vrienden en kennissen kwamen de nieuwe stek verkennen en het woord verspreidde zich razendsnel. Langzaam vielen diegenen wie het schoentje niet paste weer af, en werden vervangen door een groep trouwe bezoekers. We voelden ons geen loonslaven meer, voor het eerst beslisten we zelf.

Maar op den duur kenden we onze pappenheimers, de weken bleken een aaneenschakeling van telkens weer hetzelfde en onze wereld werd steeds kleiner. We raakten uitgekeken op de formule en we hadden allebei nog zoveel andere plannen. 
Tenslotte lieten we de zaak over en ik belandde in een boekhandel. Het was een oerknal in mijn hoofd. Had er zich in het café de afgelopen jaren een tergend trage implosie voorgedaan, dan was er hier vanaf dag één sprake van een explosie waarbij ik me bij het mondingsvuur bevond. De grote thema’s van het leven passeerden aan een razend tempo de revue. Dag na dag kreeg je zowel oude filosofen als grensverleggende theorieën op je bord. Iedere dag duizend en één boeken over het meest onbeduidende als het allerbelangrijkste. Dode schrijvers – waarvan zelfs de botten allang waren weggeteerd – die wedijverden met de levenden om mijn aandacht. Schrijvers die voor een boekvoorstelling met de plooifiets van het station kwamen, of hun appelblauw zeegroene Alfa Romeo met de vleesroze lederen binnenbekleding parkeerden voor de winkeldeur.
Toen ik na enkele jaren, omwille van tegenvallende verkoopcijfers, verslagen afscheid nam, was ik er van overtuigd dat het beste nu voorbij was.

Terwijl het gewoon de volgende logische stap in mijn eigenste evolutie bleek te zijn. De opgedane mensenkennis in het café, en de hogeschool via de letteren die erop volgde, zorgden dat ik, verrassend genoeg, net voldoende in huis had voor wat moest komen. 
Omdat ik uit het boekenvak kwam, werd ik meteen tot boekenexpert gebombardeerd. Dat betekende dat ik me, naast mijn taak als begeleider en winkelverantwoordelijke, mocht bezighouden met het optimaliseren van de verwerkingssystemen in het voordeel van de verschillende winkels in onze regio. 
Ondertussen werd ik bedolven onder de verhalen, zozeer dat het een tijdje duurde voor ik de zaken kon plaatsen. Er was zoveel dat ik niet wist waar te beginnen.
Maar gedurende dat eerste jaar was ik getuige van een gesprek tussen twee hoogbejaarde dames waar ik nu nog geregeld aan terugdenk. 
Ik herinner me dat de ene met een wandelstok liep, en een donkerbruine bontmantel om had, terwijl de andere een zwarte bontmantel en een bijhorend hoedje droeg. 
Ik was in de huisraadafdeling bezig met het herinrichten van het glazenrek. De nieuwe Afghaanse medewerker raakte geen wijs uit de champagne-, cocktail-, bier- en wijnglazen en had er een zootje van gemaakt. Het tweetal schonk geen aandacht aan me, alsof ik deel uitmaakte van het interieur.

‘Hij deed thuis niets anders dan schrijven. Nooit heeft hij me ergens bij geholpen’, zei de dame met de wandelstok.
‘Hij trok zich ook nergens iets van aan. Het papierwerk, koken, schoonmaken, alle dagdagelijkse beslommeringen: het was allemaal voor mij. Net zoals de opvoeding van de kinderen. Voor hen was hij bijna een vreemde. Een vreemdeling die in ons huis woonde. Doktersbezoeken, schooloverleg… De één moest naar de sportclub, de andere naar de academie. Ik holde van het een naar het ander, deed ondertussen boodschappen en moest daarna ook nog het hele huishouden voor mijn rekening nemen.’
‘Ja, zo was dat vroeger. De vrouw stond helemaal alleen in voor het huishoudelijk werk’, beaamde de dame met het hoedje. ‘Gelukkig is er vandaag de dag één en ander veranderd, hoewel het, als puntje bij paaltje komt, nog steeds de vrouw is die aan het kortste eind trekt.’ De dame met de wandelstok knikte. 
‘Het ergste was dat hij vond dat hij zich dat mocht permitteren. Omdat hij ging werken, en zijn loon afgaf. Daarom moest ik voor hem zorgen. Moest ik voor iedereen zorgen. Maar wie zorgde er voor mij?’ 
Ze keken elkaar niet aan terwijl ze praatten maar stonden gewoon naast elkaar, met hun rug naar me toe. De dame met de wandelstok wees naar een stapel borden, ‘Bavaria?’ De dame met het hoedje nam er eentje van de stapel, keek naar de onderkant en schudde haar hoofd: ‘Seltmann’.
‘Vandaag gaan ze van hun man weg, maar in die tijd was dat geen mode. Vooral niet als je kinderen had. Als gewone huisvrouw zonder inkomen kon je nergens naartoe’, zei ze terwijl ze het bord terugzette.
‘Dus hij kwam thuis, zette zijn brooddoos en zijn lege thermos bij de afwas en verdween naar zijn werkkamer tot het eten klaar was. Na het eten vertrok hij weer met stille trom naar zijn schrijftafel.

Omdat hij verschrikkelijk luid snurkte sliepen we al van in het begin van ons huwelijk apart. Dus zag ik hem ‘s avonds enkel tijdens het eten aan tafel. Ik keek in mijn eentje naar televisie, en ging alleen naar bed. ‘s Morgens, toen de kinderen al klaar stonden om naar school te gaan, kwam hij naar beneden, nam zijn jas en vertrok, zonder zich ook maar om iets te bekommeren. Hij nam ontbijt op zijn werk. 
In het weekend was hij evenmin te bespeuren, behalve als er eten op tafel stond. Ik vroeg mij vaak af wat hij daar eigenlijk allemaal uitspookte, in die werkkamer. Maar om de zoveel tijd kwam hij met een boek tevoorschijn. Een boek in een groot formaat dat hij helemaal met de hand volgeschreven had, in dat kleine, onleesbare handschrift van hem. Met een lederen band eromheen. Hij kocht die boeken in een winkeltje in Antwerpen. En dan begon hij opnieuw. Honderden lege pagina’s waarin hij met een potlood lijntjes trok en die hij dag na dag vulde met woorden.’ 
Ze kwamen bij het rek met aardewerk.
‘Waarover schreef hij dan?’
‘Ik heb er geen idee van. Over de dingen die hem bezig hielden zeker? Hij had in elk geval geen ambitie om die boeken uit te brengen. Want voor zover ik weet, heeft hij geen enkele uitgeverij benaderd. Hij schreef ze en zette ze daarna in de glazen kast in de woonkamer. Hij was er heel trots op en beschouwde die boeken als zijn levenswerk.
Ondertussen gleed ons leven voorbij, de kinderen zetten hun eerste stapjes, deden hun eerste communie, hun plechtige communie, studeerden af, vonden werk, leerden iemand kennen, gingen samen wonen en verdwenen uit ons huis. En kregen zelf kinderen waar ik geregeld voor mocht zorgen. Een aantal van hen heeft nu ook al kinderen.

Toen we vijftig jaar getrouwd waren, kwam iemand van de krant voor een foto. Hij wilde hij dat we voor de rij boeken die hij geschreven had, gingen staan. Maar de camera flitste en door de reflectie in het glas van de kast was er op de foto in de krant niets van de boeken te zien.’ 
De dame met het hoedje grinnikte.
‘Kort daarop kreeg hij een hersenbloeding terwijl hij in zijn werkkamer aan het schrijven was. Ik vond hem ’s morgens in zijn kamer. De dokters zeiden dat het een wonder was dat hij nog leefde. Maar hij bleef verlamd aan zijn rechterkant. We lieten een ziekenhuisbed in de woonkamer plaatsen. Daarom moest één en ander plaats maken. Zo ook de kast met de boeken. Gelukkig was hij nog in het ziekenhuis toen ik de boeken uit de kast haalde en in dozen stak. Die zette ik in de garage.

Uiteindelijk mocht hij terug naar huis. Twee jaar heeft hij in de woonkamer gelegen. Gelukkig kwamen ze hem ’s morgens wassen en verversen. Zijn toestand verbeterde niet, integendeel. Hij vroeg geregeld om zijn boeken, op het laatst bijna elke dag. Of hij ze nog een keer mocht zien. Ik zei eerst een hele tijd dat ik ze boven had laten zetten, en dat ze te zwaar waren voor mij om terug naar beneden te brengen. Tenslotte heb ik hem opgebiecht dat ik ze naar het containerpark heb gebracht.’
‘Oh!’ Van ontzetting liet de dame met het hoedje het plastieken vergiet dat ze toevallig in haar handen had, vallen. Het ding stuiterde tegen de grond, recht omhoog, en met een handige zwaai had ze het ding weer te pakken. 
De dame met de wandelstok grijnsde.
‘Ik zei dat ik ze één voor één in de container met papier had gegooid. Die grote arrogante man lag in dat bed te huilen als een kind. En hoe erg dat ook kan klinken maar het raakte me niet. Het deed me niets. Ik had geen gevoelens meer voor hem. Hoe sneller hij dood was, hoe beter. Want hij was gewoon een blok aan mijn been. En het heeft ook niet lang meer geduurd. Toen hij wist dat zijn levenswerk vernietigd was, leek zijn leven voorbij. Hij sprak niet meer, at niet meer, en is gewoon doodgegaan, op een nacht, in dat ziekenhuisbed. Ik heb het huis verkocht en alles wat erin stond van de hand gedaan. Ik heb het hele verleden van me afgegooid, wou er niets meer mee te maken hebben en ik voelde me opgelucht. Het is nu tien jaar geleden en het zijn de tien beste jaren van mijn leven geweest. Ik ben nu zesentachtig, en gelukkig in mijn serviceflat. 
En die dozen met boeken? Die stonden nog altijd in de garage. Toen we het huis leegmaakten, heb ik ze bij het papier gezet.’

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!