In Whose Name?
guidoooghe@unesco-vlaanderen.be

In Whose Name?

zondag 11 januari 2015 20:40

In Whose Name?

(English Version below Dutch text)

In Wiens Naam?

“En daarom ,
majesteit,”  zei de generaal  fel, “moeten we die Groenhemden eens goed de
les spellen”. “Hun gedrag is schandelijk.” “Een belediging voor God”, voegde de
hogepriester daar aan toe. De vorst keek bedenkelijk. Maar die twee waren de
machtigste mannen van het land en daar maakte je zelfs als koning maar liever
geen ruzie mee. “Ik zal er over nadenken, ” zei hij terwijl hij hen uitliet.

 De koning had helemaal
geen zin in een oorlog met het buurvolk. Toegegeven: hun gewoonte om over elkaars
schouder te spuwen vond hij ook wel vies. Maar om daar nu oorlog over te gaan
voeren … Hij dacht aan de doden en gewonden die daarbij zouden vallen. En
bovendien was hij er niet gerust in dat zijn leger wel sterk genoeg was om de
oorlog te winnen. Hij zag zich al gevangen genomen worden door de groene
koning. En zijn kroon moeten afgeven. Nee, dat zag hij totaal niet zitten.

 Hij ijsbeerde door
zijn paleis en werd steeds somberder. Hoe moest hij uit dit lastige parket
geraken? Hoewel het intussen al flink donker geworden was, zadelde hij zijn
paard en reed spoorslags naar de wijze man van de Rozenberg. De Rozenberg was
een heuvel die in het niemandsland tussen de twee landen lag en de kluizenaar
die daar woonde, had hem al eerder goede raad gegeven.

 “Rustig Sigmund”, zei
de wijze tegen zijn hond toen die blafte omdat er zo laat nog iemand het erf
opreed. De wijze aanhoorde het verhaal van de koning. Eigenlijk was hij niet
verrast door wat de koning hem vertelde. Hij had natuurlijk al gemerkt dat het
rommelde tussen de twee landen. “Sire”, zei hij, “kom overmorgen terug als het
volle maan is en breng uw generaal en hogepriester mee . Dan zullen we palaver
houden.” De koning van de Blauwbloezen bedankte de wijze man en keerde terug
naar zijn paleis.

 Hij was nog geen
kwartier weg, of Sigmund sloeg alweer alarm. Nu was het de koning van de Groenhemden
die zijn opwachting maakte. Ook hij had die middag dag bezoek gekregen van zijn
generaal en hogepriester die bij hem waren komen pleiten voor een oorlog tegen
de Blauwbloezen met hun verfoeilijke gewoonte om met hun neuzen
tegen elkaar te wrijven. “Heiligschennend gedrag is dat”, had de Hogepriester
uitgeroepen “en dan nog zo pesterig in het zicht van onze grensposten. Dat is
toch uitdagen!”

 Maar ook de koning van
de Groenhemden had geen zin in een oorlog. Hij had de slaap niet kunnen vatten
en daarom was hij maar naar de Rozenberg gereden. “Sire”, zei de wijze man,
“kom overmorgen terug als het volle maan is en breng uw generaal en hogepriester
mee . Dan zullen we palaver houden.” Toch een beetje gerustgesteld bedankte de groene
koning hem en keerde terug naar zijn paleis.

 Twee dagen later zaten
ze samen in een grote tent: de wijze man met aan zijn ene zijde de groene
koning met zijn gevolg en aan zijn andere zijde de blauwe koning met zijn generaal
en hogepriester.

 “Vertel me eens” vroeg
de wijze man aan de Groenhemden, “waarom jullie over elkaars schouders heen
spuwen?” “ Onze grootvaders deden dat ook al en die hun grootvaders ook” , antwoordde
de groene generaal. “Dat was mijn vraag niet, “ zei de wijze man: “ik wil weten
wat jullie daarmee willen uitdrukken.” “ Wel gewoon,” zei de groene koning, “
om aan elkaar te tonen dat we niks kwaads in de zin hebben. “

 “ Door en door schandelijk en slecht zijn ze!” “ riep de blauwe hogepriester: “en wie kwaad doet voor het oog van God zal door het vuur worden verslonden. Dat staat in de heilige boeken.”
“Neen!” schreeuwde de groene hogepriester: “wie kwaad doet, zal door het water worden
verzwolgen. Zo staat het in onze heilige boeken.”

“ Het helpt niet dat je
heilige boeken hebt, “, zei de Wijze, “als je er je hart niet voor open stelt. Anders
loop je het risico dat je er vooral in leest wat je graag wil lezen.”

 “ Luister eens,” zei
de wijze man: is jullie God een machtige God? “ “De machtigste die er is”
riepen beide hogepriesters door elkaar. “Denken jullie niet dat Hij dan zelf
wel zal beslissen wat er dient te gebeuren met de boosdoeners? Of met wie niet
in Hem gelooft? Als God het mogelijk gemaakt heeft om niet in Hem te geloven,
wie zijn jullie dan om je tegen Zijn wil te verzetten?

 Heeft er een van
jullie de sleutel van Gods huis? Zodat hij het Hem kan gaan vragen of Hij beledigd
is. En of jullie zo nodig in Zijn plaats mensen moeten straffen of doden.
Mensen die Hij met zoveel zorg geschapen heeft. Is het niet behoorlijk beledigend
voor God dat jullie in Zijn plaats willen treden? Is dat dan geen
heiligschennis?”

Daar hadden de
priesters niet meteen een antwoord op.

 Daarop richtte de
wijze  man zich tot de blauwe koning: “en
waarom wrijven jullie je neuzen tegen elkaar? “ “ Om elkaar te tonen dat we het
goed bedoelen,” antwoordde de koning van de Blauwbloezen.

“Dus willen jullie
beide volkeren eigenlijk hetzelfde duidelijk maken als ze een ander ontmoeten:
tonen dat ze vriendelijk gezind zijn. Alleen doen de groenhemden dat door over elkaars
schouders heen te spuwen  en de
blauwbloezen door neus tegen neus te wrijven.”

 “ U hebt gelijk,” zei
de blauwe koning en de groene koning knikte instemmend. Ze keken beiden een
beetje bedremmeld naar hun tenen. De generaals die het meest tuk waren op een
oorlog, mompelden nog wat tussen hun tanden, maar toen ze merkten dat ook de
priesters stilgevallen waren, hielden ze maar gauw hun mond. “ Jullie hoeven
zich niet te schamen “, zei de wijze man. “ Wij zitten nu eenmaal zo in elkaar.
Wat we van kindsbeen af gewoon geweest zijn, vinden we normaal. Wat daarvan
afwijkt, ervaren we als raar of vies. We struikelen over die oppervlakkige
verschillen zonder dat we door hebben dat onder de gebaren en gebruiken van de
ander dezelfde behoeften schuilgaan als de onze.

Wie enkel door de blinden van
het eigen gelijk kijkt, ziet alleen het verschil, niet de wereld van gelijkenis
die daarachter ligt. Net  zoals je een
geschil nooit kunt uitpraten, als je niet bereid bent om echt te luisteren tot je weet wat de ander bedoelt of nodig
heeft.”

 “Hoe moet het nu
verder?” vroeg de blauwe koning:  “wat
leren we hier uit?” “ Jullie kunnen onder elkaar gerust doorgaan met jullie
manieren van goeiedag zeggen,” zei de wijze. “Gevaarlijk zijn ze geen van
beiden. Maar je moet natuurlijk respect hebben voor de gebruiken van een ander
volk en die van jou kun je niet aan een ander volk opleggen. Leer jullie kinderen
door de verschillen heen te kijken en de boodschap te zien die daar onder zit.

Keer nu in vrede terug naar huis.”

*************************************************************************************************

In Whose Name?


“That is why, Your Majesty,” the general said fiercely, “we ought
to teach those  Greenshirts a lesson.”
“Their behaviour is shameful.” “An insult to God,” the high
priest added. The king frowned. But those two were the most powerful men in the
country and even as a king it was better not to quarrel with them. “I’ll
think about it,” he said as he showed them out.


The king was not keen on a war with the neighbouring nation. Admittedly, he disliked
their habit of spitting across eachother’s shoulder. But to go to war for that
reason … He thought of the numerous soldiers that would get killed or injured.
And besides, he was not confident that his army was strong enough to win the
war. He could already see himself being captured by the green king. And forced
to hand over his crown. No, he did not look forward to that at all.


He paced his palace and became gloomier by the minute. How could he get out of
this predicament? Although it had already become quite dark, he saddled his
horse and galloped to the wise man of the Rosenberg. The Rosenberg was a hill
in the no man’s land between the two countries and the hermit who lived there,
had given him good advice before.


“Quiet Sigmund,” said the sage to his dog barking when someone drove
up the yard. Attentively he listened to the king’s story. Actually, he was not
surprised by what the king told him. Of course he had noticed the growing
tensions between the two countries. “Your Majesty,” he said,
“come back at full moon in the company of your general and high priest.
Then we shall keep palaver. “The king of the Bluecoats thanked the wise
man and returned to his palace.


Less than a quarter later Sigmund hit the alarm again. This time it was the
king of the Greenshirts who made his appearance. He too had received a visit
from his general and high priest who had come to call for a war against those
pernicious Bluecoats with their detestable habit of rubbing their noses
together. “Sacrilegious behaviour that is” the high priest had
exclaimed, “within view of our sentinels. Inexcusably defying! “


But the king of the Greenshirts was not keen on war either. As he could not sleep, he had ridden to the Rosenberg hill.
“Your Majesty,” said the wise man, “come back at full moon in
the company of your general and high priest. Then we shall keep palaver. “Somewhat
relieved the green king thanked the wise man and returned to his palace.


A few days later they were sitting together in a big tent: the wise man with on
his one side the green king and his retinue and on his other side the blue king
with his general and high priest.


“Tell me,” asked the wise man to the Greenshirts, “why do you
spit across eachother’s shoulders?” “Our grandfathers did the same
and their grandfathers too,” replied the green general. “That was not
my question,” said the wise man: “I want to know what you want to
express thereby.” “Well,” said the Green King, “just to show
eachother that we mean no evil.”


“Their wickedness is an insult to God! “cried the blue high priest,”
and the wicked shall be devoured by fire. That is written in the holy books
” ” No! “cried the green high priest.”They shall be
swallowed by the water. Thus it stands in our holy books.”

” It does
not help much that you have holy books, “said the sage,” if you do not
open your hearts to what they tell. Otherwise you may read only what you want
to read in them.


“Listen,” said the wise man: is your God  a mighty God? “” The mightiest there
is “cried both high priests. “Don’t  you think that He Himself will decide what
should happen to the wicked? Or to those who do not believe in Him? If God has
made it possible not to believe in Him, then who are you to oppose against His
will?


Has any of you got the key of the house of God? So that he can ask Him if He is
offended. And if He needs you to punish or kill people in His place. People He
has created with utmost care. Isn’t it quite insulting to Him that you would
want to act in His place? Wouldn’t that be sacrilege? “

The high priests
had no immediate answer to that.


Then the wise man turned to the blue king, “and why do you rub your noses?
“” In order to show eachother that we mean well, “replied the
king of the Bluecoats.


“So actually both of your peoples want to express the same when they meet one
another. They want to show that they have friendly intentions. The Greenshirts
do that by spitting across eachother’s shoulders and the Bluecoats by rubbing
noses.”


“You are right,” said the blue king, and the green king nodded. A
little abashed they sat looking at their toes. The generals, who were most
eager to go to  war, still muttered something
between their teeth, but when they noticed that the priests had fallen silent, they
too soon kept their mouths shut. “You needn’t be ashamed,” said the
wise man. “We happen to be like that. What we have seen from childhood, we
consider as normal. What is different from that, we experience as weird or
dirty. We stumble over superficial differences and fail to see that beneath the
gestures and customs of others the same needs as ours are present.”

Those who only
look through the blinds of their own convictions, see nothing but the
differences, and are unable to notice the world of similarity that lies beyond.
Just as you can’t solve a dispute, if you are not willing to really listen to
the other on until you fully understand what the other means or
needs.”


“What do we learn from this?” asked the blue king: “You can
safely continue with your ways of saying hello,” said the sage.
“Hazardous they are neither. But you must of course respect the customs of
other people and realize that yours cannot be imposed on them. Teach your
children to look through the differences and open their minds to the message underneath.”

“And now return home in peace.”

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!