Chantal Mouffe en het linkse conservatisme
JorisL

Chantal Mouffe en het linkse conservatisme

Soms wordt een mens er moe van... Voor de zoveelste keer werd deze week opgeroepen tot meer links populisme, ditmaal door Chantal Mouffe in Knack (02/04/2014). Het failliet van links dat sinds het einde van de jaren 1980 de (institutionele) politiek in haar greep houdt, blijft hierdoor volharden.

vrijdag 4 april 2014 17:05

Door andermaal op te roepen tot het belang
van parlementaire verkiezingen, de verspreiding van partijpropaganda
en de cruciale rol van de staat te benadrukken, zal links het niet
redden – ze schrijven zich hiermee in in de logica van conservatieve
beleidsvormen. De links-rechts dichotomie die sinds de Franse
Revolutie ons denken heeft gevormd, is vandaag steeds meer een
reactionaire en ontoereikende visie op wat politiek is en kan zijn.
Links zijn vandaag betekent een nieuwe dichotomie. Huidig links is
datgene wat buiten de constitutionele parlementaire democratie staat
(en de hiermee samengaande traditionele links-rechts dichotomie) en
vooruitgang beoogt via grondwerking, tegencultuur en ongehoorzaamheid
(en dus niet louter via wetenschap, efficiëntie en groei). Huidig
rechts is alles wat te maken heeft met het in stand houden van een
politieke constellatie die berust op natiegrenzen, staatsoppressie en
traditionele exclusieve methodes. Men kan het huidige links opvatten
als een “post-links” (voor zij die zich willen onttrekken
aan de traditionele dichotomie) of een “nieuw links” (voor
zij die zich in de traditie van de 1960s en 1970s willen plaatsen).
Dat nieuwe links verkende Koen Raes reeds in Socialisme in de
Postmoderniteit (1990), waarin hij een dringende integratie van meer
anarchisme in het traditionele links voorstond. We zijn bijna
vijfentwintig jaar later en nog steeds lijkt links niet te willen
erkennen dat de parlementaire democratie een deel van het probleem is
– representatie is nodig, zoals Mouffe terecht aanhaalt, maar niet in
de vorm zoals we die vandaag kennen; niet via een parlement waar 150
mensen uit een tiental partijen handelen “in het belang van”
(de naïviteit!) meer dan 11.000.000 mensen.

Er is veel om het over eens te zijn met Mouffe: haar afkeer van
het neoliberale Europa, van het zielloze kosmopolitische archetype
van Guy Verhofstadt en van de vermoeiende heropleving van archaïsche
klassenretoriek, maar ook haar pleidooi voor meer (antagonistisch)
debat tussen (agonistische) tegenstanders, voor de relativiteit van
natiegrenzen en voor de erkenning van het belang van identiteiten.
Al deze ideeën werden samengebracht in de theorie van de radicale
democratie (die samen met Ernesto Laclau werd uitgewerkt helft jaren
1980) waar diversiteit de centrale locus is. Ze introduceerde
hiermee het post-marxistische denken (niet “post” als in
“voorbij” of “na”, maar “post” die de
invloed van de poststructuralistische denkers benadrukt), ook al is
die benaming louter academische profilering. Menig revolutionair en
analytisch marxist zal het niet met haar eens zijn, maar des te meer
vindt ze bijval bij zij die niet in traditionele marxistische
literatuur op zoek gaan naar alternatieven voor de constitutionele /
liberale democratie. Mouffe is, net als Jürgen Habermas, dus één
van die hedendaagse figuren waarbij democraten ten rade kunnen gaan.

Wat deze denkers typeert, is een diepgeworteld en onuitgesproken
geloof in de kunde van de mens om te weerstaan aan de verleiding van
macht en materiële luxe. Mouffe spreekt bijvoorbeeld over “grote
machtsblokken [die] elkaar in evenwicht houden”. Veel verschil
met de traditionele liberale opvatting over de trias politica van
Montesquieu zie ik niet. De aspiraties zijn dezelfde:
machtsconcentratie controleer je met andere (en dus meer)
machtsconcentratie – zij zouden elkaar dan zogezegd “in
evenwicht” houden. Dit machtspluralisme blijkt in de praktijk
echter vaak voorbij te gaan aan individuen en aan minderheidsgroepen
(hun macht is nagenoeg niets waard binnen het legale raamwerk).
Michael Parenti toonde reeds vele malen aan dat de grote
machtsblokken onderling dan wel een strijd uitvechten, de burger /
het volk kijkt machteloos toe en is slachtoffer. Oproepen tot
participatie aan verkiezingen die leiden naar representatie binnen
een constitutionele democratie, zoals Mouffe doet, is dan ook
volstrekt ongepast voor iemand die ooit de woorden “radicale
democratie” claimde – de facto verandert er namelijk niets,
behalve wat machtsverschuivingen. De pluralistische theorieën over
macht vergeten vaak een beangstigende realiteit: hoewel er inderdaad
geen monolithisch blok tegenover de burgers / het volk staat, is die
perceptie er wel. Een terechte perceptie, zo blijkt: overheden,
justitie, onderwijsinstellingen, media, lobbygroepen, vakbonden en
bedrijven vechten onder elkaar een strijd uit, maar wij staan erbij
en kijken ernaar. We ondergaan hun beslissingen en hebben er willens
nillens aan te gehoorzamen. We ondergaan hun brainwashing en leren –
ironisch genoeg – dat we “kritisch moeten zijn” met als
resultaat dat iedereen zichzelf kan vleien met de overtuiging
kritischer te zijn dan een ander.

De keuze om te participeren aan het machtspluralisme vereist
echter vergaande carrièreveranderingen, heel wat tijd en energie
(die ons reeds wordt afgenomen door bovengenoemde instanties) en een
zekere mate van ambitie en kennis die bij heel wat mensen gewoon
ontbreken omdat ze andere prioriteiten hebben. Wie niet participeert
aan het machtspluralisme, kiest er uiteraard niet voor om zomaar te
gehoorzamen, om slaafs te volgen of om te ondergaan wat in hun
plaats besloten werd. Zij maken geen keuze om behandeld te worden
als vee. Het betekent dat zij fundamenteel andere keuzes maken in
hun leven (vaak is er bovendien niet eens sprake van keuzes)
waarvoor in onze maatschappij meestal geen plaats is. Het pluralisme
van de liberale goegemeente is dan ook holle retoriek – dat is
logisch omdat een constitutionele democratie inherent aanstuurt op
het wegwerken van dissidentie en transgressie en het bevorderen van
homogeniteit en afvlakking. Via “recuperatie van radicale
ideeën” doet zij net wat een markt doet: de plooien
gladstrijken zodat ze geen bedreiging meer vormen, niet door ze te
commodificeren, maar door ze in een legaal raamwerk te gieten zodat
ze kunnen worden gecontroleerd, afgedwongen en opgelegd. Het is
ironisch dat Mouffe waarschuwt voor sociale en politieke fagocytose
op markten (cf. Fawkes maskers, Guevara t-shirts,…), maar niet
inziet dat het met institutionele politiek net zo is.

Mouffe is een fantastisch politiek filosofe wanneer ze het heeft
over diversiteit. Dat het een centrale locus is voor een democratie,
is helemaal correct. Zonder diversiteit verdwijnt democratie. De
“zuiverheid” (of het nu om taal, cultuur of ideologie
gaat) die vele rechtse partijen nastreven, is dan ook inherent
anti-democratisch. Ik volg Mouffe eveneens in haar hieruit volgende
treurnis dat er vandaag een neoliberale hegemonie is waarop geen
alternatieven geduld worden. Onze opties worden gelimiteerd tot pest
en cholera en dat wordt ons verkocht als keuzevrijheid. Agonistisch
conflict bestaat amper omdat we elkaar louter zien als concurrenten
(of, erger, inferieuren) en niet als waardige tegenstanders met
eigen (en legitieme!) verzuchtingen. Alle claims vanuit de huidige
rechterhoek die aanspraak maken op neutraliteit en objectiviteit,
zijn dan ook véél gevaarlijker dan de extreem-rechtse propaganda
van neofascisten of de marxistische propaganda van communisten omdat
ze een (partij)onafhankelijke en niet-ideologische connotatie
oproepen. Neutraliteit staat dan ook lijnrecht tegenover diversiteit
en, net als de Onzichtbare Hand, is het gewoon klinkklare
onzin.Door haar heftige nadruk op diversiteit, bracht Mouffe
een uiterst on-marxistisch principe in het marxisme. Dit is
misschien wel haar meest waardevolle bijdrage. Haar radicale
democratie (of agonistische democratie, of agonistisch pluralisme,
of kortweg agonisme) is een vorm van democratie waar links
inspiratie uit kan putten. Het is dan ook schrijnend dat Mouffe op
dezelfde lijn als Slavoj Žižek blijkt te staan, die stelt dat de
indignados en de Occupy beweging “nutteloze naïevelingen
[zijn] die liever in het luchtledige bezig zijn”. Hetzelfde
pedante cynisme en dezelfde intellectuele arrogantie die gepaard
gingen met de verzetsbewegingen in de jaren 1960 en 1970 duikt ook
hier weer op. Dat dit gebeurt vanuit de rechterflank hoeft niet te
verbazen, maar als zelfs de linkerflank deze bewegingen niet op hun
waarde kunnen schatten, ziet de toekomst van links er niet goed uit.
En dat is niet meer dan terecht: navelstaarderigheid hoort
afgestraft te worden.

Het prefiguratief politieke project waar deze bewegingen zich op
toeleggen (cf. “this is what democracy looks like”), lijkt
geen ingang te vinden bij de linkse intellectuele elite à la Mouffe
en Žižek. Dat is echter nog niet het ergste. Men hoeft het
namelijk niet eens te zijn met de waardevolheid van dit project.
Alleen blijkt dat deze elite ook maar weinig begrip kan opbrengen
voor deze bewegingen. Alsof ze er niets kunnen uit afleiden behalve
“dat er iets mis is”. Alsof zij, i.e. de linkse elite,
niets strategisch, theoretisch of methodologisch meer kunnen
bijleren. Het is uiteraard deels een conflict tussen generaties,
maar het is meer dan dat. Wanneer je de historische achtergrond van
prefiguratieve aspiraties nagaat, merk je dat het een conflict is
tussen marxistische nazaten (waarin de staat een centrale rol
speelt) en anarchistische nazaten (waarin gepoogd wordt een eigen
wereld te creëren en de bestaande uit te hollen – de staat heeft
hier niet noodzakelijk een centrale rol in, meestal niet zelfs).
Voor de marxistische lijn heb je kennis, educatie en “verlichting”
nodig. De anarchistische lijn teert meer op intuïtieve gevoelens
van onrechtvaardigheid, onderdrukking en ongelijkheid, op reële
gevoelens zoals honger/dorst, koude/droogte, armoede en eenzaamheid.

Waarom blijven de linkse intellectuelen dan toch steeds
marxistische arrogantie gebruiken om deze jonge mensen en erfgenamen
van anarchistische tradities en methodes tot “dom” en
“naïef” te degraderen? Uiteindelijk hebben zij voor
zichzelf allemaal interessante academische, politieke of syndicale
carrières uitgestippeld en, zoals Mouffe zelf toegeeft, zijn het
allen bon vivants geworden. Het beeld van de vette vakbondsman die
kreeft zit te eten met enkele ceo’s in maatpak terwijl de arbeiders
dromen van een betere wereld, sluipt mijn verbeelding binnen…
Linkse intellectuelen zijn vaak niet veel beter. Antonio Negri is
misschien de enige die een status geniet als o.a. Mouffe, Žižek,
Habermas en Badiou en ook daadwerkelijk moeten vluchten is uit eigen
land en uiteindelijk toch nog dertien jaar in de gevangenis zat. Dat
maakt hem niet noodzakelijk de meest geloofwaardige of interessante
linkse intellectueel, maar het is wel frappant om te zien hoe
Negri’s schrijven veel meer beïnvloed is door prefiguratie en
anarchisme dan menig ander links intellectueel.

De armzalige argumentatie waarmee de indignados en Occupy worden
afgeschreven door Mouffe, is bovendien weinig hoopgevend: “Die
bewegingen zijn tegen een representatieve democratie. Die vinden ze
ondemocratisch. Zij willen een basisdemocratie. Alleen denk ik dat
je geen democratie kunt hebben zonder representatie.” De
bevooroordeeldheid waarmee zij spreekt t.a.v. deze bewegingen is
vermoeiend. De representatieve democratie waar deze bewegingen tegen
zijn, is deze zoals die zich manifesteert in een
constitutioneel-parlementaire democratie, waar vertegenwoordigers
voor x-aantal jaren verkozen worden, waar kiesdrempels of
tweepartijenstelsels bestaan, waar mandaten naast zich worden
neergelegd, waar partijlijnen slaafs gevolgd worden. Kortweg: waar
mensen één keer om de zoveel tijd de illusie hebben een stem te
krijgen, maar nadien gedurende jaren gebukt gaan onder het verkozen
beleid. Dat de anti-verkiezingsoproep in Spanje desastreuze gevolgen
heeft gehad, is inderdaad betreurenswaardig. En toch kan een mens
zich afvragen of het gaan stemmen ook maar één fundamenteel
verschil had gemaakt. De “veelbelovende” regeringen van
Brown, Obama en Hollande bleken (en blijken) niet opgewassen tegen
de wil van het neoliberale Europa, het winstbejag van de financiële
markten, de corruptie en het stijgende racisme. Moeten we dan gewoon
allemaal linkser stemmen? Gaan sociaaldemocratische, ecologische en
socialistische partijen dan echt de oplossing voorzien? Of moeten we
gewoon stoppen met geloven in verandering van bovenaf en handelen
alsof er geen overheden zijn? De wetten naast ons neerleggen. Het
zélf doen. Collectieven en bewegingen vormen. Vernieling aanbrengen
daar waar nodig en solidair zijn met onderdrukte minderheden en
individuen. Empowerment nastreven. Ik zie meer heil in deze laatste
strijd. Basisdemocratie, directe democratie, participatieve
democratie, horizontale democratie (kortweg horizontalisme),
grassroots democratie of anarchisme – allemaal termen om
gelijkaardige methodes en gevoelens uit te drukken: decentralisering
nastreven, egalisering van macht als eeuwig werkpunt aanvaarden,
anti-autoritaire strijd in elke levenssfeer uitbouwen, prefiguratie
als strategie en ideaal aanwenden, directe actie als een praktische
ethiek propageren, “do it yourself” cultus uitbouwen,
lokale netwerken en globale bewegingen versterken, diversiteit
aanmoedigen en omarmen, burgerlijke ongehoorzaamheid cultiveren,
etc.

Mouffe leeft in een comfortabele positie waar ze een extra fles
wijn kan openen en tot in de vroege uurtjes kan keuvelen in de
woning van collega’s intellectuelen uit Princeton en Harvard.
Radicale democratie of salonsocialisme? Ik zie vooral dat tweede.
Daar is uiteraard een plaats en een tijd voor en dergelijke attitude
hoeft niet te leiden naar een vijandbeeld, maar wel naar een
agonistisch tegenstander. Wij zijn ongeduldig en dat ongeduld is
gerechtvaardigd door de ecologische en economische context. Wij
willen nu verandering en die wil is gerechtvaardigd want we gaan er
op ethisch en cultureel vlak op achteruit. Wij hebben geen zin om de
traditionele machtsstrijd te voeren waar compromissen gemaakt worden
binnen een hegemonisch raamwerk dat als realiteit aanvaard wordt.
Wij hebben geen zin om te kiezen tussen pest en cholera, maar willen
echte alternatieven – alternatieven waar we zelf op zoek naar gaan
en die we zelf uitproberen; vaak illegaal, zelden zonder succes. Wij
hebben misschien wel steun van onze ouders en van het sociale
vangnet, maar we hebben ook een eergevoel en een zekere fierheid.
Wij willen op onze eigen benen kunnen staan en onze capaciteiten,
talenten en kundes aanwenden, zonder naïef te zijn over
productieprocessen, levensnoodzakelijkheden en noeste arbeid. Wij
denken reeds voor onszelf en weten zéér goed wat we niet willen;
wat we wel willen, leren we al doende – net zoals iedereen. Nu is de
tijd om politieke tegenstand te bieden, om de legitimiteit van de
huidige constitutionele democratie te ondergraven en om rechts de
slag op de bek te geven die ze al dertig jaar verdient.

Geen knechten. Geen meesters.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!