Armoede bannen stuit op politieke onwil
Geert.S

Armoede bannen stuit op politieke onwil

donderdag 10 november 2011 11:19

Op maandag 31 oktober verscheen in De Standaard het artikel ‘Armoede uitbannen is onbetaalbaar’ van de hand van Guy Tegenbos. Het artikel was gebaseerd op de studie “Tussen droom en daad… Over armoedebestrijding, minimuminkomens-garantie en het Europese sociale model’ van Bea Cantillon en Natascha Van Mechelen (Centrum voor Sociaal Beleid – Universiteit Antwerpen). Bij dit artikel zijn enkele belangrijk bedenkingen te maken.

Om te beginnen is de originele studie van het CSB een waardevolle bijdrage in de strijd tegen armoede. Het is een goede zaak om op basis van betrouwbare gegevens en onderzoek de omvang van het Europese armoedeprobleem te kennen en te weten hoeveel geld er nodig is om ieder Europees gezin boven de armoedegrens te trekken. Daarbij merken we wel op dat dat inkomen niet het enige – maar wel een heel belangrijk – element van armoede is. 

130 miljard euro
De studie stelt dat er 130 miljard euro nodig is om elk Europees gezin uit de armoede te halen. In de oren van een gewone burger klinkt dat wellicht als een fabuleus hoge som geld. Maar is dat wel zo? Zo konden we vaststellen dat de staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie eind oktober maar enkele dagen nodig hadden om een even hoog bedrag samen te brengen als volgende schijf in de lening aan Griekenland.

Als we het bedrag van 130 miljard euro afmeten aan het bruto nationaal product (BNP) van de 27 lidstaten – in 2009 bedroeg dat 11.600 miljard euro – dan gaat dit slechts om 1,12 procent. Volgens de Europese begroting van dit jaar betekent het nog niet eens 1 procent. 

Bovendien gaat het hier, in tegenstelling tot de leningen aan Griekenland, niet over een operatie die in één begrotingsjaar moet worden opgeleverd. De afschaffing van de armoede kan ingebouwd worden in een meerjarenplan dat het doel jaar na jaar dichterbij brengt. Als je dit bijvoorbeeld over 10 jaar spreidt en elk jaar een tiende van dit bedrag probeert te realiseren, betekent dit voor het eerste jaar een inspanning van ongeveer 0,01 procent van het BNP van alle lidstaten. Dit moet gepaard gaan met het engagement om deze som elk jaar te laten groeien met een even groot bedrag, telkens geïndexeerd aan de stijging van de levensduurte, de lonen en het BNP. Op die manier is de uitbanning van armoede weldegelijk realistisch en betaalbaar!

Een dergelijke politiek zou trouwens heel goed ingepast kunnen worden in het ‘Nationaal Hervormingsprogramma’, de jaarlijkse plannen die elke lidstaat voor de Europese Commissie moet opmaken in het kader van de nieuwe strategie Europa 2020. Hierbij kan ook rekening gehouden worden met het verschil tussen arme en rijkere lidstaten. Voor de armere lidstaten vraagt de uitbanning van armoede wellicht een grotere inspanning dan het gemiddelde voor de 27 lidstaten waarop we ons hier gebaseerd hebben. Op dit punt zou de solidariteit tussen de Europese lidstaten kunnen spelen door financiële tegemoetkomingen voor de armere landen te voorzien vanuit de Europese fondsen.

België
Toegepast op ons land berekende het Rekenhof een tijd geleden al dat er voor de verhoging van alle uitkeringen tot boven de Europese armoedegrens jaarlijks 1,25 miljard euro nodig is. ‘Niet te doen’, zullen velen denken en dat is geen gekke reactie in tijden dat onze toekomstige regering de komende jaren ongeveer 26 miljard euro moet besparen. Maar gespreid over 10 jaar betekent dit een startbedrag voor het eerste jaar van ongeveer 125 miljoen euro. Dit moet dan elk jaar vermeerderd worden met hetzelfde geïndexeerde bedrag. Als we de zaak zo aanpakken, valt de kost van de uitbanning van de armoede in een heel andere grootorde. Met zo’n strategie is dit doel wel realistisch en betaalbaar!

Het artikel wijst Tegenbos terecht op de werkloosheidsvallen en de spanning die er nodig is tussen het minimuminkomen en het minimumloon. Om hier een antwoord op te vinden, kijken we naar de sociale partners. Het is dan ook de verantwoordelijkheid van de toekomstige federale regering om het debat over het toereikend minimuminkomen op te starten met alle betrokken partijen. Naast de sociale partners moeten ook de vertegenwoordigers van de civiele samenleving aan tafel zitten, met inbegrip van mensen in armoede en de verenigingen en organisaties waarin zij actief zijn

Een investering in de economie
Maar al te vaak wordt de optrekking van de minimuminkomens louter als een uitgave bekeken. Dat is niet correct. Mensen in armoede hebben dit geld broodnodig om levensnoodzakelijke uitgaven te kunnen betalen, zoals voeding, kleding, huishuur, energiekosten, water, of de schoolkosten van de kinderen. Het geld wordt met andere woorden onmiddellijk terug in de economie gepompt. Naast een investering in de toekomst van vele burgers, betekent deze verhoging van de minima dus ook een investering in de economie, iets wat we in deze tijden van crisis heel erg nodig hebben. Bovendien zorgt het ervoor dat we met zijn allen beter bestand zijn tegen toekomstige economisch noodweer. Eén ding waar alle economen – zelfs de meeste conservatieve – het over eens zijn, is dat de lidstaten met een sterk sociale zekerheidssysteem en een solide sociale bijstand het best gewapend waren tegen de negatieve gevolgen van de crisis. Die economische crisis kan dus niet als excuus opgevoerd worden om geen verdere stappen te zetten in de armoedebestrijding.

Politieke onwil
Onderzoek en studies, zoals die van het CSB, hebben ten overvloede aangetoond dat in periodes van economische groei de armoedecijfers niet gedaald zijn. Het is dus niet de economische situatie die in de weg zit om de minima te verhogen, maar wel een gebrek aan politieke wil. De Europese politici misbruiken de huidige economische crisis als excuus om geen stappen te hoeven zetten in de uitbanning van armoede. En dat in één van de meeste welvarendste regio’s van de wereld.

Als je het gehele CSB-rapport leest, komt het belang van deze politieke onwil sterk naar voor. Je kunt in het laatste deel lezen dat de belemmeringen om tot adequate minimuminkomens te komen niet zozeer op het vlak van betaalbaarheid liggen, maar eerder bij de juridische en politieke bezwaren. Wat de juridische hindernissen betreffen, verwijst het rapport trouwens naar het werk dat het Europees Netwerk Armoedebestrijding (EAPN) samen met Anne Van Lancker heeft verricht. Dit toont aan dat er in de EU weldegelijk een juridische grond kan gevonden worden om actief op te treden. De ‘Aanbeveling Actieve Inclusie’ die de Europese Commissie en de Staats- en Regeringsleiders eind 2008 hebben goedgekeurd, vormt daarin een belangrijke stap. In deze aanbeveling, die op zichzelf al een juridisch instrument vormt, hebben de lidstaten er zich toe verbonden om te werken aan ‘een inkomen en prestaties die toereikend zijn om een menswaardig bestaan te leiden’. Het grootste obstakel blijft de politieke wil om daarin verdere stappen te zetten. In die zin had het artikel van Guy Tegenbos niet ‘Armoede bannen is onbetaalbaar’ als titel moeten dragen, maar ’Armoede bannen stuit op politieke onwil’.

Ludo Horemans
voorzitter van het EAPN (European Anti Poverty Network),
vertegenwoordiger van het Belgisch Netwerk Armoedebestrijding (BAPN) en programmaverantwoordelijke Samenlevingsopbouw Antwerpen stad.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!