Arm schaap? Waarom wij het Offerfeest onschadelijk trachten maken
Stefaan Hublou

Arm schaap? Waarom wij het Offerfeest onschadelijk trachten maken

vrijdag 25 september 2015 12:31

Het wordt Herfst. Gisteren vond het Offerfeest plaats. In het inlandse verzet tegen het offeren van schapen door moslims zien we niet in de eerste plaats een eigentijds medeleven voor het lijden van dieren aan het werk. In feite gaat het om een strijd van waarden en opvattingen waarbij de visie op centrale feiten uit het bestaan en centrale waarden in het spel zijn. Existentiële zaken zoals daar zijn: het dier, lijden, comfort, noblesse, offerzin, seksualiteit, menselijkheid, ritueel, religie, arbeid. En bovendien speelt de positionering van de hedendaagse groepen mee tegenover een paar zaken die bijna twee millennia van groot belang zijn geweest bij het inspireren van onze gemeenschap en gemeenschappen ver voorbij onze horizon: de Bijbel, en de figuur van Abraham. Laat ons trachten enkele Diepere Waarheden zichtbaar te maken.

Trouwe lezer, komt u even mee? Niet voor een ritje op een scha(n)delijke snelweg, maar voor een wandeling in het bos waar intussen gerijpte schatten liggen te wachten.

Rituelen, de Bijbelpassage waarin Abraham bijna zijn zoon Isaac offert, de verhouding van mens en dier en de zin en onzin van pijn, het zijn fenomenen waar ik lang en diep heb kunnen over nadenken. In de jaren negentig maakte ik deel uit van de Werkgroep Dierenwelzijn van de toenmalige groene partij, Agalev. Zelf leerde ik contact maken en vruchten plukken van dat contact met dieren sinds mijn derde levensjaar. Die primaire ervaringen in de tuin vormden stof voor het denken van de volwassen filosoof. Tijdens onze studie in de geschiedenis aan de universiteit kwam het thema geregeld aan bod, zoals in de lessen fundamentele wijsbegeerte (van prof. Jan Van der Veken) en Moraalfilosofie (van prof. Frans De Wachter). Als het moest, brachten wij zelf het thema aan de orde, door het stellen van vragen tijdens de colleges of door het doorspelen van relevante lectuur aan de hoogleraar. Na 2000 ging ik het ecologische thema verdiepen in dialoog met theologen als prof. Peter De Mey, tijdens de studies aan het Hoger Instituut voor Godsdienstwetenschappen, Johannes XXII, te Leuven. Midden jaren negentig leerde ik de inheemse dierenwereld en haar rijkdom veel beter kennen tijdens een jachtstage. Ik was Invité aux Chasses Royales de Hertogenwald in 1994 en werkte mee aan het afschotplan voor Roodwild. In die functie schoot ik een mannelijk hert van vier jaar, 125 kg zwaar, een hinde, een reegeit en twee everzwijnen. Die dieren bracht ik hulde op de eigen Jachthoorn, Duitse Parforce Traditie, gestemd in si. Enkele dieren nam ik mee naar huis om ze tot gastronomische topervaringen te verwerken.

Het debat zoals het dit jaar is gevoerd, onder meer onder impuls van minister Ben Weyts (Nieuw-Vlaamse Alliantie) bevoegd voor dierenwelzijn en in artikels in De Standaard, geeft inspiratie om te schrijven en te trachten begrijpen wat hier precies op diepere niveaus gebeurt. De bezorgdheid om de pijn die een arm schaap zou lijden bij het slachten met de hand met behulp van een goed aangescherpt mes, lijkt mij maar een eerste oppervlakkige laag van interesse, van betekenis én van verontwaardiging. Op een dag een paar jaar voor de eeuwwisseling, heb ik het voorrecht gehad aanwezig te mogen zijn in een boerderijtje in Bertem waar een vriendelijke, vakbekwame man, een brandweerman van professie, rustig en waardig drie schapen doodde en vilde. De schapen kregen geen verdovende spuit, maar ik had helemaal niet de indruk dat zij pijn leden. Het ging er vakkundig, vlot, sereen en zuiver aan toe. De dood trad bijna geruisloos in, een kwestie van ogenblikken. Wij waren met een viertal mannen in stilte en eerbied aanwezig.

Inzake dieren en pijn, zo stellen wij vast, is het publiek vandaag soms zeer beïnvloedbaar. Mensen reageren geregeld heel impulsief en emotioneel, zonder de situatie ook maar van ver te kennen, zonder ze ooit meegemaakt te hebben. De conclusie dringt zich op dat veel mensen zich verplaatsen in het dier, er innerlijke zaken uit hun eigen geestesleven op projecteren. Wie vindt dat een dier totaal geen pijn kan of mag lijden, spreekt altijd ook vanuit eigen (vaaj onaanvaardbaar ge(d)achte) pijnervaringen. Wie fulmineert over onrecht dat aan dieren zou begaan worden, totaal onaanvaardbaar… die roept ook altijd op met meer respect met (zijn) mensen om te gaan, met hemzelf en haarzelf.

Anderzijds. Rituelen zijn en blijven belangrijk. Vandaag ondergaan wij soms hun kracht, in het negatieve dan, op nieuwe, sluipende manieren. Wat er met onszelf of met dieren gedaan wordt op momenten dat er heel veel emotie omgaat, maakt op de mens een diepe, bijna onuitwisbare indruk. Wijze vrouwen, oprechte feministen, klagen er terecht over dat het geloof in het moederschap, in de zelfstandige kunde van een vrouw om te doen wat goed is voor haar kind, een knauw krijgt als bij de bevalling die waarden ontkend worden en overmeesterd. Ook juist door de betrokken vrouw aan allerlei machines en meettoestellen te leggen. En de kersverse moeder op indringende manier onder te schikken aan de autoriteit van een gediplomeerde, vaak mannelijke gynecoloog. Op die manier wordt het baren geen feest van humaniteit, van de liefde en van het aardse bestaan tout court, maar juist een sluwe inwijding in de wereld van de technologie en de technische wetenschap. Een onderwerping van de mystieke kracht van het vrouwenlichaam aan de macht van de wereld van de toestellen en de technische intelligentie! Hier krijgen wij een kans tot uitdieping van de pijnervaring. Mijn bezwaar geldt niet alleen de omgang met schapen bij het slachten, maar ook het stoemmelings en standaard toepassen van pijnstilling bij de geboorte van mensenkinderen, de zogenaamde “epidurale” spuit. Kristien Hemmerechts heeft met diep inzicht en ervaringsdeskundigheid daartegen geprotesteerd in  haar columns. Laten wij daar maar even goed bij stil staan. Die pijn is geen gewone pijn. Hij verbleekt en verdwijnt als het kindje er is. Hij heeft ook een levensgrote functie: hij wijst de moeder er op een krachtige manier, die op diep niveau in haar bewustzijn doordringt, dat haar leven op dat “heilige moment” een nieuw stadium ingaat. Zij is vanaf nu niet meer alleen, kan niet meer voor zichzelf alleen leven. Van persoon, van vrouw, van burger wordt zij nu ook – en op ingrijpende manier – Moeder.

Het is natuurlijk heel comfortabel voor het heersende wereldbeeld, dat wij het zogenaamd opnemen voor het dier. In een diepere laag van ons bewustzijn maakt het eerbied betonen aan een dier als een schaap het ons mogelijk door te gaan met het verheerlijken van bepaalde dierlijke aspecten van ons mens-zijn. Seksualiteit is toch wellicht een sterk opgehemelde waarde, een over het paard getilde waarde in de cultuur van na mei 1968 en Sigmund Freud. Ook al is het een fantastische bron van genot, inspiratie, troost enzovoort, de overmatige cultus ervan leidt tot veel verlies, tot beschadiging van personen.

Mensen projecteren zich klaarblijkelijk graag en massaal in het arme schaap dat afziet. Dat is niet zo vreemd, want de mens van nu gaat door veel onduidelijke pijn. Pijn die soms ondragelijk is, en waar mensen al te vaak bijna niets kunnen tegen ondernemen. Sla er de kranten van de dag maar op na: meer dan 55% van de werknemers in onze gemeenschap is ontevreden op het werk, zo blijkt. Men klaagt over te weinig autonomie, vrijheid, verantwoordelijkheid. Over teveel toezicht en strakke regels vanwege de baas of de instelling of de overheid. Meer dan 70 procent van de vrouwen slaapt niet meer goed, het percentage voor mannen is niet veel lager. De onrust en kwaadheid die zo een massaal fenomeen (van misbruik, in de grond!) meebrengt, richt zich gemakkelijk op andere zaken, hecht zich aan symbolen. Zo werkt de menselijke innerlijke wereld nu eenmaal. Dat weet ik ook met helderheid  na vele jaren luisteren naar de klachten van medeburgers aan een telefonische hulplijn, na jaren in het onderwijs als leraar, en na dertig jaar bezoeken afleggen in psychiatrische gemeenschappen. De woede en onmacht van wat de Japanners steeds met een begrijpelijk slim spotlachje noemen “the Sarari-man”, de mens die van een salaris moet leven, die verontwaardiging richt hij doro de band op allerlei figuren die hem eigenlijk niet rechtstreeks iets misdaan hebben. Dat is wel zo makkelijk, en het biedt een bliksemafleider voor sentimenten van verknechting, van het besef onrecht te worden aangedaan in het bestaan… In verband met het Offerfeest is na deze bedenkingen over de (mentale en fenomenale) context duidelijk wat hier gebeurt: de slachter wordt een zondebok.

Een overdreven eerbied voor het dierlijke maakt het vandaag overigens ook mogelijk voor de op gemak beluste, in zijn perceptie veel geplaagde burger (“die Belgische taxatie, meneer!”) dat het mooie maar lastige doel van veredeling van onze ziel, onze geest, ons hart… vlot en redelijk ongemerkt en schijnbaar zonder schuldgevoel kan losgelaten worden. “Metro-boulot-dodo”. Dat trio woorden maakt het nogal oppervlakkige, onnadenkende, eerloze leven van al te veel personen goed samen. We modderen maar wat aan, we weten het, maar we gaan liefst ongestoord door. Er is in die zin veel “snobisme” bij ons, “Inboorlingen”. Dat woord komt etymologisch van sine nobilitas. Het gaat om een levenshouding zonder adel!

De moedertaal heeft het wel onthouden: arbeid adelt. Op dat vlak doen wij niet te weinig, velen kiezen die weg, zonder veel diep nadenken. “Laat ons vooral hard werken. Lijkt de hoofdgedachte te zijn. “Laat ons vooral inzetten op het scheppen van jobs, jobs, jobs”, zo laat de politicus optekenen… Maar is dat werkelijk essentieel? (Is het werken in salarisarbeid werkelijk “de beste garantie tegen ontgoochelingen in het bestaan” zoals Marianne Thyssen, Eurocommissaris voor Arbeid en Sociale Zaken, die ik voor de rest wel weet te waarderen, het zou stellen in haar inleidend college in de Aula Maxima aan de KU-Leuven in oktober van dat jaar). Worden wij werkelijk vooral meer nobele wezens door te werken? In betaald en georganiseerd verband? Ik heb een andere visie, toch een zicht op een oudere, meer beproefde bron van Adel en Edelmoedigheid. Een bron van diepe menselijke noblesse… zal toch altijd juist “het offer” zijn. Oudere dames hoor ik geregeld verzuchten, “Ik heb mij voor mijn kinderen opgeofferd!”. Opgelet, zij kijken daar bij nader toezien meestal rustig, tevreden en trots op terug. Van een grootmoeder en een dame werkzaam in kindertuinen vernam ik onlangs tijdens een boswandeling in Meerdaalwoud hoe zij merken dat veel ouders, vader en moeder, vandaag hun kinderen bijna niet echt nabij zijn. De kleinen worden vroeg in de morgen gedropt, met veel gewetenswroeging, en in de avond gaan de kleine mannen in de naschoolse opvang. En een uur of wat na thuiskomst naar bed! “Ik ben 15 jaar thuis gebleven voor mijn kinderen. Mijn eigen dochters doen dat niet meer. Zij zeggen: “Ik wil ook iets voor mijzelf!”?”, zo meldt de wijze, waardig wandelende grootmoeder. Is het niet zo: “Wij zijn de zin voor de zelfopoffering totaal kwijt geraakt”. Dat biedt aangename voordelen, dat zal wel. Maar op die manier verliezen wij ook zeer essentiële zaken. Zoals het vermogen nog werkelijk van schoonheid te genieten. (Voor die samenhang tussen een offervaardig bestaan en esthetische receptiviteit opende de Britse filosoof Roger Scruton mij de ogen toen ik in 2010zijn bestseller las, De schoonheid (Nieuw Amsterdam, 2009)

Wij gaan verder met onze diepte-analyse. Met de gravende arbeid naar de goudader “Wat doet er werkelijk toe, in het leven van een mens, vandaag en sinds de oudste dagen?”.  “Offerfeest”, het blijkt een zuivere en diepe bron van betekenis die ons een unieke inkijk biedt in de diepere lagen van het collectieve bewustzijn van vandaag. Is het niet waar: “Wij trachten als inheemse Vlamingen toch ook juist met veel gedrevenheid het offerfeest van onze islamitisch geïnspireerd levende medemens te kneden omdat het ons al te veel herinnert aan de waarde van ritueel en religie”? Dat is op termijn nefast. Want een levensloop zonder krachtige rituelen levert zwakke mensen op. De identiteit is vandaag sterk verzwakt, dat weet u. (Dit thema staat centraal in het essay “Identiteit” van hoogleraar psychologie en schrijver Paul Verhaeghe van 2013). Exotische culturen brengen op dit vlak dus een “inconvenient truth”. Een soort waarheid dat lastig ligt, maar dat tegelijk natuurlijk een heerlijke poort biedt naar goede oplossingen voor bepaalde van de meest prangende, onoplosbare Problemen van deze era. Pijn heeft een wezenlijke rol in veel van de rituelen, de rites de passages die essentieel zijn voor inheemse culturen. De jonge Lakota krijgers gingen bewust, moedig en standvastig door urenlange pijn als zij deelnamen aan de Sun Dance, de Zonnedans. De beloning was groot; de vorige dag waren zij jongens, de volgende Mannen! De pijn triggert diep in het menselijke bewustzijn krachtige overtuigingen, edificatie, inzichten, geloof in het zelf. En de gemeenschap was er bij om die transformatie te sanctioneren, in de zin van ze te bekrachtigen, te honoreren, te bevestigen. De nieuwe man mocht op steun en eerbetuiging rekenen, op prestige, het recht te huwen en vader te worden, op het spreken van zijn woord in de vergadering van wijzen die de toekomst van de stam vorm trachtte te geven, enzovoort. De plechtige communie die de religieuze gemeenschap, de katholieke, in onze streken inricht kent nog weinig navolging. Zou dat ook juist niet zo zijn omdat mensen aanvoelen dat het niet veel uitmaakt of je kind door dat ritueel gaat of niet? Een inwijdingsritueel, elke rite de passage, werkt niet als er geen krachtige emoties bij komen kijken. Vreugde. Hoop. Blijheid. Erkenning door de gemeenschap. En ja, pijn dus.

De mensen uit de Arabische cultuurkring zijn zich op een dieper niveau nog bewust van elementair menselijke inzichten als dat een werkelijk Feest juist best wel samen kan gaan met het offeren van iets waardevols. Daar ontleent een feestelijk ritueel een groot deel van zijn Betekenis aan. Als ik bij mijn familie in Congo op bezoek kom, dan wordt er een geitje geslacht. De diepe eerbied en genegenheid voor een bepaalde mens, een kind van de Schepping, vindt zijn spiegelbeeld in het doden van het andere creatuur. Dat is een gezond mechanisme waar niets mis mee is. (Is het bij ons intussen niet zo, dat op geperverteerde wijze, wat men “offert” in een willekeurig moment van feestgedruis, de eigen gezondheid en toekomstkansen zijn? Roken en alcohol drinken, het is een vorm van agressie die de mens naar zichzelf richt. Een degraderen van het zelf!). Voor wie niet goed helder meer ziet wat het verschil tussen een dier en de mens is, levert dit echter problemen op. Voor wie (collectief aangestuurd) geen hoge dunk (meer) heeft van zichzelf als persoon en als mens, als man of als vrouw, wordt zo een gebaar, het offeren van een diertje, gênant. Dat (jonge) mensen soms in hun eerbied voor het dier te ver gaan, en totaal geen vlees meer willen tot zich nemen, heeft daar ook mee te maken. Als je nooit geleerd hebt aan een andere mens trouw te zijn tot de dood, dan verdien je diep in je eigen hart geen zulk dramatisch, lichtjes heilig ‘eerbetoon’.

Over de eindeloze trouw aan medemensen, aan het Leven zelf (en aan de Schepper van dat leven) gaat het in veel Bijbelse verhalen. Over de opdracht te trachten door het bestaan te wandelen zonder andere mensen te beschadigen.

Noblesse nastreven. Trouw beoefenen aan mensen waar je levenslang mee verbonden weet… Ook inderdaad geregeld en met rijke symboliek ten koste van onwetende offerdiertjes… Dat vloekt natuurlijk wel met de commerciële logica die vandaag zo dominant is geworden… Van een moeilijke Waarheid gesproken.Wie zijn shoppingkeuze kan betalen, hoeft immers geen verdere verantwoording af te leggen. “Geld stinkt niet”, zoals de Romeinen al opmerkten. Fraudeurs komen zonder gevolg weg bij hun aankopen. Machtige mensen kopen geregeld schuld en moeite af met geld. Van het fenomeen van klassenjustitie tot onrechtvaardig hoge belastingen die corrupte politici juist leggen op de schouders van de armsten.

De religieuze boodschap van het Offerfeest is van groot actueel belang!

Het verhaal van Abraham, de stichter van zowel Judaïsme, Christendom als Islam, die op een dag vertrekt om uit eerbied voor zijn God zijn enige zoon te offeren, dat is wat herdacht wordt in het Islamitische Offerfeest. De Koran kent dat verhaal, net als de Joodse Thora en de christelijke Bijbel. Het loont nog altijd volop de moeite zich in dat prachtige, wrange, tegendraadse Verhaal te verdiepen. Als smaakmaker geef ik hier de inleidende en de besluitende paragraaf mee van het betreffende hoofdstukje in de duiding door Loed Loosen sj[1]. Op het risico af dat sommige lezers hier enkele waarheden gaan ontmoeten die… pijn doen.

– – – – –

De tekst, het grote Verhaal over het Offer door Abraham in het eerste Bijbelboek Genesis begint op deze manier:

“Het geschiedde na deze gebeurtenissen dat God Abraham op de proef stelde.

Hij zei tot hem: “Abraham”. Hij zei: “Hier ben ik”. Hij zei: “Neem je zoon, je enige, die je liefhebt, Isaak, en gà, jij, naar het land van Moria en draag hem daar op als brandoffer op een van de bergen die ik je zal aanwijzen.”

Abraham stond ’s morgens vroeg op, zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten met zich mee en Isaak, zijn zoon. Hij kloofde hout voor het brandoffer, hij stond op en ging naar de plaats die God hem had aangewezen.” (…Genesis 22).

– – – – –

In het hoofdstukje “Offer” geeft Loed Loosen een briljante interpretatie die begint als volgt:

“Het verhaal over Abraham die zijn enige zoon moet gaan offeren, is op het eerste gehoor een sinister verhaal. Het roept bij ons iets op van verzet. Dat kan haast niet anders. Want wat er van deze vader gevraagd wordt, is gruwelijk. Het is wreed en onmenselijk. De Joodse filosoof Levinas noemde het een weerzinwekkend verhaal. En hij is daar niet de enige in.

“En hij nam het mes om zijn zoon te offeren.” We moeten dat maar liever niet voorlezen waar kleine kinderen bij zijn. Het verhaal lijkt een bevestiging van de wijd verbreide opvatting dat religie en geweld helaas heel vaak samengaan. Natuurlijk weten wij wel dat het geen historisch verslag is, maar een mythisch oerverhaal. Maar dan nog. En je kunt terecht opmerken, dat dit verhaal ongelofelijk knap is geschreven. Dat is waar. Literair gezien is het een indrukwekkende ballade, heel strak gecomponeerd. Maar dan nog. Het verhaal bevat toch ook iets dat bij ons afkeer werkt. “Gij zult niet moorden” staat er geschreven. Een mensenoffer is moord.

Bovendien kun je je afvragen: waarom wordt Sara in het hele verhaal doodgezwegen? Isaak is toch net zo goed haar enig kind? Zij word er volstrekt buiten gehouden. (…).

– – – – – – –

De slotparagraaf van meester zingever Loosen klinkt zo:

“Maar in Israël is het besef gegroeid dat je kind, hoezeer ook bron van vreugde en levensvervulling, toch nooit je eigendom is, nooit je privé-bezit. Israël is drager van de belofte, maar niet de eigenaar ervan. Wij kunnen niet zomaar eigenmachtig beschikken over datgene wat ons leven zinvol en gelukkig maakt: je partner, je kind, je vriend of vriendin, je geliefde. Wij zijn niet elkaars bezit, maar we worden aan elkaar toevertrouwd. (…)

Er is in ons leven goddank heel veel dat ons goed doet en waar we blij mee zijn. Maar het is niet van ons. Ieder van ons heeft best iets waarmee hij voor de dag kan komen. En terecht. Je hebt heel wat in huis. Maar het is niet van jou. Wees blij met je talenten, met de taak die je mag vervullen, je functie, wat je voor anderen mag betekenen. Maar we kunnen dat niet voor onszelf opeisen. Het wordt ons gegeven dat we ons mogen geven. Wij zijn nooit heer en meester over wat ons werd toevertrouwd.

Echte religiositeit, volwassen geloof, heeft daar weet van. Want geloven betekent niet dat we ons in slaafse gehoorzaamheid moeten onderwerpen aan een hogere macht, zo in de trant van: je hebt je mond te houden en maar te doen wat er gezegd wordt. Dat is niet boeiend. Daar knap je vroeg of laat toch een keer op af. Maar volwassen geloof houdt in dat je recht wilt doen aan wat in ons leven uiteindelijk aan de orde is. “Je hebt mij wat je dierbaar is, niet onthouden” heeft daarmee te maken.

Dat woord duidt een levenshouding aan, die niet eigenmachtig is of zelfgenoegzaam, maar eerbiedig.

De kern van dit verhaal is dus niet zozeer Abrahams absolute en blinde gehoorzaamheid. Ten onrechte is dat in de gangbare uitleg vaak nogal eenzijdig als de voornaamste boodschap benadrukt. Met alle kwalijke gevolgen vandien. Want het verhaal is ook misbruikt. De kreet “God wil het” heeft helaas in de geschiedenis te vaak veel ellende veroorzaakt. (…) “

Zeg nu zelf, in een Gemeenschap, een Tijd die kreunt onder bepaalde bijna onoplosbaar lijkende problemen die juist verband houden met een nieuwe, nooit vertoonde graad van menselijke Hubris en tegelijk, paradoxaal genoeg, met ongewoon verzwakte persoonlijke identiteit… een Tijd die letterlijk slachtoffers maakt door de goedgelovige omgang met waarden als de Maakbaarheid van samenleving en bedrijf, waarden als de persoonlijke zelfontplooiing, het genot, het Geld… biedt zulke eeuwoude, heilige tekst toch een Boodschap van het grootste belang? Een Woord dat stap voor stap Redding kan betekenen. Een boodschap, een Verhaal dat ons bovendien meteen veel begrip kan opleveren voor onze broeders met Arabische achtergrond en met Islamitische wortels. 

– – – – – – – – – – – –

Stefaan  Hublou  Solfrian

Leuven, 25 september 2015   –    17 februari 2016 (eindredactie in de eerste week van de vasten na gesprekken met A. een Grote Leuvenaar van 65, een man met visie, rijke levenservaring én Marokkaanse wortels)

[1] De beste tekst die ik daarover ken, en die is nog beknopt en helder ook, staat in “Het derde testament. De Bijbel verder schrijven” van Loed Loosen (uitgave KBS). Dat is een uitermate wijs, nuchter, én hooggestemd & compact boek over onze traditionele godsdienst, een absolute aanrader.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!