about
Toon menu

De mythes rond onveiligheid en getto's in de steden

dinsdag 9 oktober 2012
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Wanneer men de debatten naar aanleiding van de verkiezingen op 14 oktober volgt, kan men concluderen dat de steden de voornaamste inzet van de verkiezingen vormen.

Steden zijn natuurlijk zeer interessant om te bestuderen, omdat ze een samensmeltingspunt vormen van allerhande nationale en internationale maatschappelijke evoluties. Deze evoluties maken van de stad dan ook een zeer geliefd terrein voor onderzoekers, opiniemakers, trendwachters en beleidsmakers. Ondanks de veelvuldigheid aan maatschappelijke tendensen die men kan vinden binnen de stad gaat het in Vlaanderen voornamelijk over de zogenaamde toenemende onveiligheid.  Dit kan op zich een volwaardig thema zijn als het debat tenminste op een genuanceerde manier gevormd wordt. Dit laatste is echter vaker niet dan wel het geval.

Onveiligheidsgevoel

In Vlaanderen hebben we nogal de neiging om steden op een vrij negatieve manier te bekijken. Van zodra kopstukken van Antwerpen, Gent, Brussel en in sommige gevallen zelfs al Kortrijk aan tafel zitten gaat het al vlug over criminaliteit of onveiligheid. Vaak wordt dan verwezen naar specifieke buurten en groepen die verantwoordelijk zouden zijn voor dit onveiligheidsgevoel in de steden. Zonder de feiten te ontkennen mag men ook niet blind zijn voor de vele oorzaken van het onveiligheidsgevoel.

Onderzoek toont namelijk aan dat gevoelens van onveiligheid  eerder moeten beschouwd worden als ‘een ervaring van bedreiging, kwetsbaarheid en hulpeloosheid, die verschillende oorzaken kan hebben, maar op criminaliteit en slachtofferschap wordt geprojecteerd’. Deze oorzaken kunnen zaken zijn als sociale isolatie, financiële onzekerheid en slecht onderhouden buurten.

Veel politici hebben vaak geen oren naar dergelijke visies en blijven pleiten voor harde maatregelen die enkel de gevolgen aanpakken. Vaak gaat het dan om kleinere criminaliteit die vooral gericht is op de zwakkeren in de samenleving.

Beeldvorming is in deze zeer belangrijk. Het beeld van een onveilige stad waartegen hard moet opgetreden worden door gebruik te maken van camerabewaking en het befaamde zero-tolerence beleid. De gevolgen los je daar eventueel wel tijdelijk mee op (vaak wordt het fenomeen dan echter verplaatst naar andere buurten), maar de oorzaken blijven aanwezig. Zo heeft de politie in Antwerpen grootschalige acties gevoerd rond de Grote Markt, het Conscienceplein en de Vrijdagsmarkt waarbij ‘rondhangers’ en daklozen gecontroleerd werden op overlast, drugsbezit en dronkenschap. Het gevolg is dat zij zich nu verspreid hebben rond andere pleinen.

 Het lijkt dus op een oplossing, maar is het niet (tenminste niet op lange termijn). Iedereen blijft echter het spel van de harde aanpak meespelen om daadkrachtig en realistisch over te komen, want wie niet wil zien dat men kordaat moet ingrijpen tegen deze ‘plaag’ wordt vaak verweten dat hij de situatie op het terrein niet kent of niet wil kennen. De harde aanpak is blijkbaar het wondermiddel bij uitstek om de stad terug ‘leefbaar’ te maken. Zo heeft het Vlaams Belang een veiligheidsplan opgesteld in Antwerpen waarmee ze ,mits de uitvoering van het plan,  ‘een halvering van de criminaliteit op 6 jaar tijd garanderen’. Niemand kan natuurlijk weten welke evolutie de criminaliteit zal volgen, het hangt ook van zoveel factoren af die politici niet eens in hand hebben. Op die manier krijgt het debat natuurlijk een surreëel karakter: Het probleem, dat eigenlijk een ander probleem is, wordt opgelost door een oplossing die geen echte oplossing biedt.

Criminaliteit die onzichtbaar blijft lijkt echter van minder belang. Zo wordt in Antwerpen bijvoorbeeld iemand op de NVA-lijst geplaatst die 18 maanden met uitstel kreeg voor frauduleus bankroet, misbruik van vertrouwen en witwasserij. De maatschappelijke gevolgen zijn in deze nochtans veel groter dan een sigaret roken op een speelpleintuigje, zitten op de leuning van een bankje of wild te plassen (zonder dit goed te keuren voor alle duidelijkheid).

Parallelle gemeenschappen/Getto’s

Wat dit onveiligheidsgevoel alvast geen goed doet is de indruk wekken dat er binnen de steden zich ‘parallelle gemeenschappen’ ontwikkelen. Steden die steeds meer los van de stad komen te staan en een eigen waarden- en normenkader ontwikkelen die niet stroken met het onze. In rechtse kringen is deze visie bon ton, maar ook ter linkerzijde krijgt het steeds meer een forum. In een column van Luckas Vander Taelen stelt hij dat  ‘je zelfs met de meest multiculturele vooringenomenheid (een buurt in Vorst) niet anders dan als een getto kunt omschrijven’. Het feit dat hij samen met vele anderen een randgemeente van Brussel een getto noemt, toont aan dat heb begrip getto onvoldoende gekend is.

Akkoord, spuwen in het gezicht, dubbel parkeren, seksistische opmerkingen, enz…  zijn niet goed te praten, maar om de rangemeenten op basis van dergelijke gedragingen getto’s te noemen gaat men een brug te ver en stigmatiseert men iedereen die in zo’n buurt woont. Wittgenstein waarschuwde om op te letten ‘voor de macht van taal om alle dingen op elkaar te laten lijken’.

Als men gaat kijken naar echte getto’s (De Franse socioloog Loïc Wacquant spreekt over hypergetto's), zoals die er zijn in Chicago zien we dat er tal van verschillen zijn. De werkloosheid en armoede ligt veel hoger, de etnische- en klassensamenstelling is er veel homogener en door de volledige uitsluiting van inwoners in het getto uit de arbeidsmarkt en de terugtrekking van zelfstandigen tijdens de crisis van de jaren 70 ontwikkelden er zich illegale economieën die een omzet hebben waar vele multinationals alleen maar van kunnen dromen. Ook heeft de overheid er zich volledig teruggetrokken waardoor het onderwijsniveau, de levensverwachtingen en de toegang tot overheidswerk er zeer laag liggen.

In België is het onder andere dankzij verschillende sociale maatregelen nooit zover gekomen en kunnen jongeren die opgroeien in een van de armere randgemeenten nog steeds aanspraak maken op de arbeidsmarkt en kwalitatief onderwijs genieten. Hier is het intercultureel contact ook veel groter en is er sociale mobiliteit mogelijk onder de inwoners van deze randgemeenten.

De politieke boodschap moet er dus een zijn van verdere investeringen in deze buurten en niet één van verdere stigmatisering waarbij de indruk gewekt wordt dat het om een verloren generatie gaat waarbij ‘we’ (wie dat ook moge zijn) volgens Vander Taelen ‘bang geweest zijn om onze waarden op te dringen aan allochtonen’. Dergelijk defaitisme kan ervoor zorgen dat men ervan uitgaat dat er zich geen potentieel bevindt in deze buurten en dat de inwoners enkel als een probleem gezien worden.

Woorden zijn nooit neutraal en in verkiezingstijd vormen ze zelf een wapen om een bepaald probleem op de spits te drijven om er dan politieke munt uit te slaan. Als kiezer is het dus belangrijk om hier als het ware boven te staan en van op afstand de politieke slogans en verkiezingspraatjes te ontleden of te deconstrueren.
 

reageer

Er zijn nog geen reacties op deze blog.