about
Toon menu

Het venijn van Ayaan: Hirsi Ali ontdekt de christianofobie

maandag 13 februari 2012
">

 

De islamofobe celebrity Ayaan Hirsi Ali heeft de christianofobie ontdekt. In Newsweek van 13 februari mag zij daar een paar pagina’s over vullen, en krijgt zij de cover: The War on Christians, kopt het magazine. Maar het artikel van Hirsi Ali valt tegen. Zij heeft door moslims vermoorde christenen, aanslagen op kerken e.d. bij elkaar gegoogled en in een lijstje gezet:   Nigeria, Soedan, Egypte, Irak, Pakistan, Indonesië, Saoedi-Arabië, Ethiopië. Een ‘catalog of atrocities’ zoals zij zelf zegt. Maar geen spoor van een analyse.

 

Conspiracy of silence

 

Volgens Hirsi Ali  wordt de moslimagressie tegen christenen verzwegen in de media. Ik weet niet hoe dat is in de Amerikaanse media, maar in België heb ik daar niets van gemerkt. De catalogus bevat voor mij geen verrassingen, al die schokkende en schandelijke moordpartijen zijn me bekend.


Het stilzwijgen van de media dat Hirsi Ali heeft opgemerkt,  probeert zij ook te verklaren. Een eerste reden zou kunnen zijn: de vrees nog meer geweld uit te lokken. Een andere is hoogst waarschijnlijk de invloed van lobbygroepen zoals de Organisatie voor Islamitische Samenwerking en de Raad voor Amerikaans-islamitische Betrekkingen. ‘De voorbije tien jaar’ – zo becommentarieert Hirsi Ali –‘ hebben deze en gelijkaardige groepen met opmerkelijk succes leidende figuren van het openbare leven en journalisten  in het Westen ertoe gebracht elk en ieder voorbeeld van wat als anti-moslimdiscriminatie wordt gezien op te vatten als de uitdrukking van een systematisch en sinistere geestesgestoordheid die ‘islamofobie’ heet – een term die bedoeld is om dezelfde morele afkeuring op te wekken als xenofobie of homofobie.
Maar een billijke evaluatie van de recente gebeurtenissen en trends voert tot de conclusie dat de omvang en de ernst van de islamofobie verbleekt vergeleken bij de bloedige christianofobie die momenteel landen met een moslimmeerderheid in de bevolking doortrekt, van het ene eind van de wereld tot het andere. De “conspiracy of silence” rond deze gewelddadige uiting van religieuze onverdraagzaamheid moet stoppen. Niets minder dan het lot van de christenheid – en uiteindelijk van alle religieuze minderheden – in de islamitische wereld staat op het spel.’

 

Global war on Christians

 

Na wat voorbeelden van gruwelen gaat Hirsi Ali crescendo: we mogen spreken van een ‘global war on Christians.’ Maar niet in de zin van een centraal geleide en gecoördineerde actie:  ‘Uit deze lijst van wreedheden zal duidelijk zijn geworden dat anti-christelijk geweld een groot en te weinig in het nieuws gebracht probleem is. Nee, het geweld is niet centraal gepland of gecoördineerd door een of andere internationale islamistische instantie. In die zin is de wereldwijde oorlog tegen christenen helemaal geen traditionele oorlog. Het is veeleer een spontane uiting van antichristelijke gezindheid bij moslims, die culturen, regio’s en etnische groepen overstijgt.’


En hoe komen die moslims dan aan zo’n spontane antichristelijke gezindheid? Jezus is in de islam toch een erkende profeet, en de christenen een volk van het boek? Het lijkt een wezenskenmerk van de islam, een intrinsieke haatdragendheid. Zou het  niet kunnen dat er enig verband is tussen het gedrag van christenen – en dan niet zozeer de christelijke minderheden in moslimlanden, maar wel de VS, het VK, en de gelieerde Europese machten met christelijke achtergrond – en de agressie tegen christenen?  Pakistanen of Afghanen die te maken krijgen met de christelijke drones van Obama kunnen misschien wel enige allergie voor het christendom ontwikkelen?


Koranverbrandingen in het Westen en Mohammedcartoons zorgden in het verleden voor een onmiddellijke toename van de anti-christelijke agressie. Allemaal niet goed te keuren, verre van, maar Hirsi Ali doet geen enkele moeite om de christianofobie in haar context te plaatsen.  Natuurlijk gaat het om fanatisme, maar dat wordt aangewakkerd door het christelijke Westen. Hirsi Ali’s oplossing voor het probleem is dat het Westen zijn miljardensteun aan de landen waar christenen worden vervolgd of vermoord en ook zijn handel en zijn investeringen en zijn diplomatieke druk zou gebruiken als hefboom om er iets aan te doen. Niets op tegen, maar dat raakt niet de kern van het probleem, namelijk de polarisatie die gecreëerd is tussen een christelijk Westen en een islamitische wereld die daardoor beledigd, bedreigd, bezet, gebombardeerd… wordt. Hirsi Ali praat naast de kwestie. En leidt praten over een ‘global war on Christians’ niet logischerwijze tot het verdedigen van ‘een global war on christianofobia’, waar dan misschien ook wel wat wapentuig bij nodig zal zijn? Een variant op de rampzalige ‘global war on terrorism’?

 

De prioriteiten van Ayaan

 

Het engagement van Hirsi Ali is ook problematisch. Geweld van moslims tegen moslims maakt veel meer slachtoffers dan moslimgeweld tegen christenen, en het afschuwelijke geweld van Boko Haram is naar Afrikaanse normen kwantitatief  bescheiden. Ook bestaat er  hindoegeweld tegen moslims. Een oprechte bekommernis om mensenrechten moet zich kanten tegen àlle vormen van genocide. Hirsi Ali bestendigt de polarisatie door alleen op te komen voor de christenen, met wie wij ons zouden moeten solidariseren, alsof de vermoorde moslims niet ons probleem zijn.


Maar die eenzijdigheid heeft haar reden. Aan het einde van haar betoog zegt Hirsi Ali dat we onze prioriteiten moeten stellen. Natuurlijk moeten Westerse regeringen moslimminderheden beschermen tegen onverdraagzaamheid en hun rechten veilig stellen. ‘Maar we moeten de omvang en de ernst van de intolerantie ook in perspectief zien. Cartoons, films en geschriften zijn één ding, messen, vuurwapens en granaten zijn iets heel anders. (…) Laten we, in plaats van te plooien voor opgeblazen verhalen over Westerse islamofobie, ons werkelijk schrap zetten tegen de christianofobie die de moslimwereld besmet.’ Maar het gaat toch niet alleen om cartoons, films en geschriften, het gaat om de oorlog in Afghanistan, Irak, Palestina enz. Het gaat om meer dan een paar blasfemische media-itempjes!

 

In cauda venenum

 

In de staart van het stuk  zit het venijn: het hele christianofobiebetoog is opgezet om de kritiek op islamofobie onderuit te halen, weg te relativeren. Om de islamofobie te doen verbleken door de vergelijking. Maar dat is natuurlijk onzin: het islamofobieprobleem in het Westen wordt niet minder belangrijk omdat er elders moorddadige moslims aan het werk zijn. De prioriteit in het Westen hoort te zijn in eigen land mensenrechten te doen respecteren, en het belang daarvan mag niet afhangen van wat er in het buitenland gebeurt.


Het christianofobiebetoog van Hirsi Ali is zelf een vorm van islamofobie, omdat het suggereert dat haat tegenover christenen een soort wezenskenmerk is van de islam, los van het christelijke gedrag in en tegenover de islamitische wereld. Van een intelligente en taalvaardige dame als Hirsi Ali zou je wat meer studiewerk en wat meer sociologische interesse, en een beter werkstuk mogen verwachten. Newsweek blameert zich door dit soort belabberde journalistiek als cover story te brengen.

De islamofobe celebrity Ayaan Hirsi Ali heeft de christianofobie ontdekt. In Newsweek van 13 februari mag zij daar een paar pagina’s over vullen, en krijgt zij de cover: The War on Christians, kopt het magazine. Maar het artikel van Hirsi Ali valt tegen. Zij heeft door moslims vermoorde christenen, aanslagen op kerken e.d. bij elkaar gegoogled en in een lijstje gezet:   Nigeria, Soedan, Egypte, Irak, Pakistan, Indonesië, Saoedi-Arabië, Ethiopië. Een ‘catalog of atrocities’ zoals zij zelf zegt. Maar geen spoor van een analyse.


Conspiracy of silence


Volgens Hirsi Ali  wordt de moslimagressie tegen christenen verzwegen in de media. Ik weet niet hoe dat is in de Amerikaanse media, maar in België heb ik daar niets van gemerkt. De catalogus bevat voor mij geen verrassingen, al die schokkende en schandelijke moordpartijen zijn me bekend.

Het stilzwijgen van de media dat Hirsi Ali heeft opgemerkt,  probeert zij ook te verklaren. Een eerste reden zou kunnen zijn: de vrees nog meer geweld uit te lokken. Een andere is hoogst waarschijnlijk de invloed van lobbygroepen zoals de Organisatie voor Islamitische Samenwerking en de Raad voor Amerikaans-islamitische Betrekkingen. ‘De voorbije tien jaar’ – zo becommentarieert Hirsi Ali –‘ hebben deze en gelijkaardige groepen met opmerkelijk succes leidende figuren van het openbare leven en journalisten  in het Westen ertoe gebracht elk en ieder voorbeeld van wat als anti-moslimdiscriminatie wordt gezien op te vatten als de uitdrukking van een systematisch en sinistere geestesgestoordheid die ‘islamofobie’ heet – een term die bedoeld is om dezelfde morele afkeuring op te wekken als xenofobie of homofobie.

Maar een billijke evaluatie van de recente gebeurtenissen en trends voert tot de conclusie dat de omvang en de ernst van de islamofobie verbleekt vergeleken bij de bloedige christianofobie die momenteel landen met een moslimmeerderheid in de bevolking doortrekt, van het ene eind van de wereld tot het andere. De “conspiracy of silence” rond deze gewelddadige uiting van religieuze onverdraagzaamheid moet stoppen. Niets minder dan het lot van de christenheid – en uiteindelijk van alle religieuze minderheden – in de islamitische wereld staat op het spel.’


Global war on Christians


Na wat voorbeelden van gruwelen gaat Hirsi Ali crescendo: we mogen spreken van een ‘global war on Christians.’ Maar niet in de zin van een centraal geleide en gecoördineerde actie:  ‘Uit deze lijst van wreedheden zal duidelijk zijn geworden dat anti-christelijk geweld een groot en te weinig in het nieuws gebracht probleem is. Nee, het geweld is niet centraal gepland of gecoördineerd door een of andere internationale islamistische instantie. In die zin is de wereldwijde oorlog tegen christenen helemaal geen traditionele oorlog. Het is veeleer een spontane uiting van antichristelijke gezindheid bij moslims, die culturen, regio’s en etnische groepen overstijgt.’

En hoe komen die moslims dan aan zo’n spontane antichristelijke gezindheid? Jezus is in de islam toch een erkende profeet, en de christenen een volk van het boek? Het lijkt een wezenskenmerk van de islam, een intrinsieke haatdragendheid. Zou het  niet kunnen dat er enig verband is tussen het gedrag van christenen – en dan niet zozeer de christelijke minderheden in moslimlanden, maar wel de VS, het VK, en de gelieerde Europese machten met christelijke achtergrond – en de agressie tegen christenen?  Pakistanen of Afghanen die te maken krijgen met de christelijke drones van Obama kunnen misschien wel enige allergie voor het christendom ontwikkelen?

Koranverbrandingen in het Westen en Mohammedcartoons zorgden in het verleden voor een onmiddellijke toename van de anti-christelijke agressie. Allemaal niet goed te keuren, verre van, maar Hirsi Ali doet geen enkele moeite om de christianofobie in haar context te plaatsen.  Natuurlijk gaat het om fanatisme, maar dat wordt aangewakkerd door het christelijke Westen. Hirsi Ali’s oplossing voor het probleem is dat het Westen zijn miljardensteun aan de landen waar christenen worden vervolgd of vermoord en ook zijn handel en zijn investeringen en zijn diplomatieke druk zou gebruiken als hefboom om er iets aan te doen. Niets op tegen, maar dat raakt niet de kern van het probleem, namelijk de polarisatie die gecreëerd is tussen een christelijk Westen en een islamitische wereld die daardoor beledigd, bedreigd, bezet, gebombardeerd… wordt. Hirsi Ali praat naast de kwestie. En leidt praten over een ‘global war on Christians’ niet logischerwijze tot het verdedigen van ‘een global war on christianofobia’, waar dan misschien ook wel wat wapentuig bij nodig zal zijn? Een variant op de rampzalige ‘global war on terrorism’?


De prioriteiten van Ayaan


Het engagement van Hirsi Ali is ook problematisch. Geweld van moslims tegen moslims maakt veel meer slachtoffers dan moslimgeweld tegen christenen, en het afschuwelijke geweld van Boko Haram is naar Afrikaanse normen kwantitatief  bescheiden. Ook bestaat er  hindoegeweld tegen moslims. Een oprechte bekommernis om mensenrechten moet zich kanten tegen àlle vormen van genocide. Hirsi Ali bestendigt de polarisatie door alleen op te komen voor de christenen, met wie wij ons zouden moeten solidariseren, alsof de vermoorde moslims niet ons probleem zijn.

Maar die eenzijdigheid heeft haar reden. Aan het einde van haar betoog zegt Hirsi Ali dat we onze prioriteiten moeten stellen. Natuurlijk moeten Westerse regeringen moslimminderheden beschermen tegen onverdraagzaamheid en hun rechten veilig stellen. ‘Maar we moeten de omvang en de ernst van de intolerantie ook in perspectief zien. Cartoons, films en geschriften zijn één ding, messen, vuurwapens en granaten zijn iets heel anders. (…) Laten we, in plaats van te plooien voor opgeblazen verhalen over Westerse islamofobie, ons werkelijk schrap zetten tegen de christianofobie die de moslimwereld besmet.’ Maar het gaat toch niet alleen om cartoons, films en geschriften, het gaat om de oorlog in Afghanistan, Irak, Palestina enz. Het gaat om meer dan een paar blasfemische media-itempjes!

In cauda venenum

In de staart van het stuk  zit het venijn: het hele christianofobiebetoog is opgezet om de kritiek op islamofobie onderuit te halen, weg te relativeren. Om de islamofobie te doen verbleken door de vergelijking. Maar dat is natuurlijk onzin: het islamofobieprobleem in het Westen wordt niet minder belangrijk omdat er elders moorddadige moslims aan het werk zijn. De prioriteit in het Westen hoort te zijn in eigen land mensenrechten te doen respecteren, en het belang daarvan mag niet afhangen van wat er in het buitenland gebeurt.

Het christianofobiebetoog van Hirsi Ali is zelf een vorm van islamofobie, omdat het suggereert dat haat tegenover christenen een soort wezenskenmerk is van de islam, los van het christelijke gedrag in en tegenover de islamitische wereld. Van een intelligente en taalvaardige dame als Hirsi Ali zou je wat meer studiewerk en wat meer sociologische interesse, en een beter werkstuk mogen verwachten. Newsweek blameert zich door dit soort belabberde journalistiek als cover story te brengen.

reageer

8 reacties

  • door TDW op maandag 13 februari 2012

    Het Westen is niet christelijk maar heeft christelijke fundamenten. Zover ik weet waren en zijn de oorlogen in Irak en Afganistan niet in naam van Jezus laat staan dat het leger zich een christelijke bevrijdingsleger zou noemen. Dit puntje alleen al ondermijnt uw stelling.

    Jezus is een profeet in de Islam maar christenen zijn net zoals Joden geen gelijkwaardige broeders van Moslims. Het zijn dhimmi's en moeten volgens de Koran een belasting betalen of zich bekeren tot de Islam.

  • door Piet De bisschop op maandag 13 februari 2012

    wat een mens allemaal niet moet doen om zijn boterham te verdienen ...

  • door tzalwel op maandag 13 februari 2012

    DWM.be in één zin samengevat: alles is altijd de schuld van het Westen.

  • door Eric Hulsens op vrijdag 24 februari 2012

    'Nee, van Hirsi Ali worden we niks wijzer. Islamofobie is eeuwenoud, en werd dertig jaar geleden in de VS nieuw leven ingeblazen. De Amerikaanse islamofobie heeft minimaal honderdduizend moslims het leven gekost. Daarbij verbleekt de christofobie. Gelukkig maar.'

    Dit is het persoonlijke blog van Marcel Hulspas,

    http://www.depers.nl/binnenland/630197/100000-Moslimdoden-vergeten.html

  • door Eric Hulsens op vrijdag 24 februari 2012
    • door cor op maandag 27 februari 2012

      Christenvervolging en genocide op christenen vindt hoofdzakelijk plaats in moslimlanden en vindt haar wortels in de zuivere, radicale islam (die in de koran een verrechtvaardiging vindt voor het vermoorden van 'onglovigen') die de koran letterlijk interpreteert en uitvoert (de koran staat vol van de verzen die aanzetten om niet-moslims (ongelovigen) te doden. Christofobie heeft al miljoenen mensenlevens geëist. Aanvallen op landen als Irak, Aghanistan enz. zijn nooit gebeurd op basis van bijbelverzen (het Nieuwe Testament, waarmee het christendom aanvat met de geboorte van Christus, het Oude Testament is voorgeschiedenis) roept op tot naasstenliefde en mededogen ), maar uit economische overwegingen, de jacht op olie.....

      De moordpartijen op christenen zijn gestegen, nadat het zuiden (animistisch-christelijk) onafhankelijk werd. De resterende christenen in het noorden worden nog steeds vervolgd en vrezen voor hun leven, de meesten zijn Soedan al onvlucht. Jarenlang werden christenen en animisten onder dwang geïslamiseerd. Vele christelijke jongens werden gekipnapt en in kampen gedwongen om moslim te worden. Er vonden (en vinden) regelmatig raids plaats op dorpen, waarbij de dorpelingen verplicht werden om zich te bekeren tot de islam, zo niet zouden ze het leven verliezen..

      Deze genocide op christenen en (vonden) wereldwijd plaats, geïnspireerd door teksten uit de koran....

      Soedanese extermination of chrisians Interview With Simon Deng By Heather Robinson As a child, American human rights activist Simon Deng survived brutal enslavement by Islamists and witnessed their destruction of his village in Sudan. Today, at 50, Deng is an American citizen and one of the leading advocates for the rights of his people, the Christians of South Sudan. In 2006 he organized a walk from the United Nations to the Capitol in Washington D.C. to protest the massacre of Darfuri Muslims by the government of Sudan, the same government that he says has brutalized Sudan's Christians, killing over three and a half million since 1955 through slaughter and starvation.

      Deng was joined on his historic Freedom Walk by basketball legend Manute Bol, originally of Sudan, who played for the Washington Bullets and the Philadelphia 76ers. The march received coverage in the New York Daily News and other outlets, gaining Deng an audience with President George W. Bush, whose efforts to end the war between Sudan's Islamist government and the country's Christian and animist populations produced a Comprehensive Peace Agreement (CPA) in 2005. This agreement provides for a referendum, in 2011, in which South Sudanese Christians will have the opportunity to vote to form an autonomous nation. Today, Deng reports that Sudan's Islamist government in the north is failing to abide by the CPA, resulting in chronic food shortages, sporadic violence, and insecurity among Christians in the south.

      With high hopes for South Sudan's independence, Deng is working to promote alliance among the U.S. government, the Israeli government, and a future South Sudanese Christian state to promote international security. Recently the Center for Security Policy sat down with him to discuss these possibilities, and to report on his experiences on the African front of the war between radical Islamism and rest of the world.

      Below is the first segment of the interview.

      Heather Robinson: I understand you were the victim, as a child in the 1960's, of the radical Islamist government of Sudan, which has waged war on its Christian population intermittently since 1955. Can you share with me a bit of your firsthand experiences of violence directed at Sudan's Christians by the government?

      Simon Deng: As a child, the first words I was taught were, ‘When you see an Arab, you have to run, and you have to run for your life.' Year after year, we came to know a routine. The village being burned, us being chased ... [We spent] days in the bush which is full of hyenas, lions and snakes. We did not even have mosquito nets at that time. When we got one mosquito net, the whole village would preserve that for the kids, to be the ones under that mosquito net, and grownups had to stay out.

      HR: The government burned your village regularly?

      SD: Yes. ...Whenever we escaped, we came back to the village we loved and we [would] find the horrible smell of people who had been burned alive. I smelled this. The two elders, one blind, being burned alive. Grownup people, people who were too old to run. They were too weak to run, and one of them was blind. These were the people that I knew...that we used to play with...[They would] tell us history of the past, and now being told-remember, we are kids now-being told these are the people that were burned alive. It was a horrible thing.

      HR: Was this burning of villages official government policy? Why was it taking place?

      SD: The village [would be] going through burnings every year. The government [would] come and burn it down...not just human beings but this place, because according to them, we will go to the inner city, where we would be converted to Islam. None of us knew this was their policy. We only knew the horrible death, running when the machine guns come, seeing the bullets flying and seeing my friends being shot, two of them. There were five of us. We were seven, eight years old...And for us who remained running, if it was not for those who ran before us we would have just gone and gone and probably I would not be here. Because people had to run after us to stop us.

      HR: What happened to your friends who were shot?

      SD: One died, one was shot in the leg and [crippled] for life.

      HR: These were government soldiers purposely shooting at you-at children?

      SD: The Sudanese Army, yes. To them, you are not a child, you are an enemy to be killed. This [was] not just happening in our village alone, it [was] happening in the whole entire Southern Sudan.

      HR: How much of this do you believe was spurred by Islamist ideology?

      SD: A lot of it...Omar al Bashir, the President of Sudan, has spoken about how he managed to achieve the objective [of] converting more Southerners to Islam than any other President before him. He did this not only through violence but through [withholding] food aid. When the government in the North got food from international organizations and the United Nations, he would control it. When starving [Christians] needed food he would say, ‘If you convert to Islam.' When people are starving, they will do [what they have to] to eat.

      HR: As you know, many people are unaware that radical Muslims are enslaving thousands of Christians and animists [those who practice native African religions] in Sudan even today. You experienced this reality firsthand and can testify to it, since as a child of nine, you were abducted and enslaved. Can you tell me how you were captured?

      SD: In 1968, my father decided to take his family to stay in the city of Malaka, in Southern Sudan. He-this man who tricked me and took me into slavery-was in Malaka. His sister was a neighbor to us...He was there for a month and was on his way to the North [Muslim part of Sudan]. He ...asked me to help him with his luggage. He was a neighbor. He took me to a boat and told me to sit next to his luggage because he has to go to the market and buy things and he will come back.

      HR: Was he an Arab?

      SD: Yes, he was.

      HR: But, even knowing that the [Arab Muslim] North was at war with the black Christians and animists in the South, you still were not afraid of him?

      SD: We were not in a place of war. The war was being carried out in the villages, and this is a town. But the war was being conducted in every single village in the Southern Sudan. Killing and slaughter was taking place outside the town...there [was] also killing within the cities by the government but not to compare [to the amount taking place in the villages].

      (According to Deng, between 1955 and 1972, one and a half million Sudanese Christians and animists were killed by the Islamist government of Sudan. From the early 1980's until 2005, 2 million South Sudanese were killed through violence and the withholding of food aid. Thousands were enslaved.)

      HR: At that time, did you hear that black Africans were being enslaved by Arab Muslims in Sudan? I'm just surprised you were not suspicious.

      SD: I had not heard of it at the time, no...so I was not [suspicious] ... The man didn't come back immediately. What happened was, probably, he didn't go to the market. Because when the boat started moving, when I started crying, he immediately came to tell me not to cry. To convince me the boat has left, there's no way to stop so I can get out. The only way is to go to the last stop, a city in the North, Kosti. And he will put me on the next boat coming back to the South.

      He is the only person I know in hundreds on that boat. I have to believe everything he says.

      When we arrive in Kosti it turns out he has three other kids that I didn't know. They were on the boat [with him] too, probably from other cities. We got off together with this man in front...Probably he was tricking these kids [into slavery] the way he tricked me.

      Before we left Kosti for the village, he got rid of two kids. What happened to them, I don't know. He sold them, I don't know. He gave them away, I don't know. I was just carrying [in my mind] what he told me, that he'll put me on the next boat so I can go back to the Southern Sudan.

      HR: Were these also Southern Sudanese Christian children?

      SD: Yes, All Sudanese Christian kids. So, there is one other boy with us. It is two hours drive or maybe an hour. Everybody is happy when we arrive. This man came from the South and most important, he brought two slaves. I didn't know what the word is then, what is a slave.

      The following morning there is a dispute, who is going to take the bigger kid? The other boy was bigger than me, by two years, I guess. Nobody wanted to take me because probably they knew what a slave will be doing, so they need somebody with physical ability, and I was a young child. I end up being given to a family, not a large family. I ask them where is Abulay? [the man who had kidnapped him but promised to return him to the South]. I was still [clinging to] this hope in my mind, you see. I was told I should not ask about him because I had been given to them by him - as a gift.

      What came to my mind was, No. No. No. No. No. No. No. Because I could not believe what I heard.

      So for them to calm me down, they had to beat me down.

      But nobody there had sympathy...nobody had any remorse that a child is crying. To them I'm not a child...I came to know three and a half years of captivity...Understand that, from a very loved child of my Mom and Dad, I became a piece of property...

      Somebody may decide whether I get to go to sleep or not, whether I get to eat or not...if there is any leftovers, that is my food. I don't have a regular place to sleep as a human being. My place can be anywhere, even the place where they keep the animals ...I have to make sure this place is clean, because it is my duty to do all the domestic jobs.

      I am nine years old.

      Somebody may decide to say, "I called you and you did not say ‘yes,' so loud." That's all it takes for me to be beaten. In other words, I know only one word, and that word is yes, and yes to everything. People have to understand that, anyone who is put in a position where he or she can't say "no" and can only say "yes" must even say "yes" to being violated. There are very difficult parts [to remember] ... very difficult... that's why people have to close their eyes and even for one minute put yourself in a position where you cannot say "no."

      In their eyes, I am a slave, not a human being, not a child.

      HR: You've spoken about how they offered you an option to be treated better?

      SD: Yes. To convert to Islam and become their "son."

      HR: Do you feel they would have treated you with more kindness, decency, or respect had you converted to Islam? Were they better towards Sudanese who converted to Islam?

      SD: At that time, those [blacks] who happened to be Muslim were being treated better, even though not as well as Arabs. But [those blacks who converted to Islam were treated] fifty times better than an ‘infidel'. For instance, if you acted like them and became a Muslim, you could share food with them, [not just leftovers].

      HR: It is amazing you remained a Christian throughout your ordeal. I'm surprised they did not just grab you and say, "You're Muslim now."

      SD: In this one way, believe it or not, the mother [of the family] was nice to me because there were...neighbors angry they did not force me into Islam, even to the point there were those willing to buy me from them so they could convert me to Islam.

      HR: Curious, despite the way they treated you, that they did not forcibly convert you.

      SD: I look back now, the woman did protect me from the others who were worse. She would say [when the subject of his religion came up], ‘Don't rush--'

      HR: It's striking that in this one matter, religion, they seemed to have some respect for your choice.

      SD: They did not look at it as a choice. They looked at it like, eventually their wish will become reality.

      HR: Do you believe the way they dealt with the issue of your religion has something to do with the culture of radical Islam? In other words, was it part of their ideology to break your spirit first, so in their minds, they could believe they were giving you the "choice" to become a Muslim, when of course in reality it was not a real choice?

      SD: This is my story and what I went through. I would not speak so generally. But I will say, after I got out of slavery and looked back to where my dehumanization took place at the hands of the Muslims, I saw I was not alone. There are thousands of South Sudanese who went through what I went through. There were those that took the option to convert to Islam. And if you go to Sudan today you'll be shocked to see South Sudanese who look like [me] with shilluk tribal mark ... but [who] took the option to convert and get an Arab name. Some of them are even leaders in Sudan, in the North, being used by the North as footsoldiers [in the war to Islamicize the South].

      In segment II of the interview, Simon Deng discusses his escape from slavery, the plight of Christian and animist South Sudanese today, the condition of South Sudanese Christians in Israel, and his high hopes for South Sudanese independence in 2011.

      2011 Center for Security Policy.

      Powered by Janmedia Interactive Center for Security Policy - A non-profit organization that informs the debate and ensures effective action on vital national security

      • door cor op maandag 27 februari 2012

        Ook Turkije heeft als restant van het Ottomaanse rijk een genocidair verleden en heden worden in Turkije minderheden onderdrukt..... De massale uitroeiing van christenen in Turkije Turkse massaslachtingen Turkije was ooit een christelijk land. Al in het jaar 650 na Christus veroverden islamitische troepen Armenië. Twee groots opgezette Arabische aanvallen op Constantinopel (nu Istanbul) konden in het jaar 655 echter door de christelijk-Romeinse troepen worden afgeweerd. Van 674-678 en in 717/718 belegerden de moslims Constantinopel opnieuw, zonder dat het hen lukte de stad in te nemen. De definitieve verovering van Constantinopel door de moslims vond plaats in 1453 door de Ottomanen (Turken). Daarmee eindigde het christelijk-Byzantijnse rijk. Tegelijkertijd begon de systematische uitroeiing en het tot slaaf maken van de christenen door islamieten. In 1914 waren er nog 25% christenen in Turkije, nu zijn het nauwelijks nog 0,2%. De Turkse moslims hebben dus in de 461 jaar tussen 1453 en 1925 75% van alle christenen verdreven, vermoord of gedwongen geïslamiseerd. Er vond een bijna voltooide uitroeiing en verdrijving van christenen op het huidige gebied van Turkije plaats. Turkije is eigenlijk een enorm christelijk kerkhof, waarschijnlijk ook het bekendste ter wereld. Daar wordt het christendom al 1000 jaar en tot op de dag van vandaag vervolgd. Bijna 100% van de inheemse bevolking op het huidige Turkse grondgebied was christen, voordat ze door de Jihad (heilige oorlog), door verovering, vervolging, massamoord, verdrijving, kerkenverwoesting of gedwongen bekering tot de islam bijna helemaal werden uitgeroeid. Nu zijn het nog maar 0,2% en ook zij worden in Turkije niet verdragen.

        ‘De christenen in Turkije vormen tegenwoordig een religieuze minderheid. Ze leven al ongeveer 2000 jaar op het huidige Turkse grondgebied. Volgens het Nieuwe Testament was de apostel Paulus afkomstig uit het huidige Turkije en voerde daar ook het grootste deel van zijn missiewerk uit. Ook in de apostelgeschiedenis, de katholieke brieven en de openbaring van Johannes spelen gemeenschappen in het gebied van het huidige Turkije een centrale rol. Het westelijke Klein-Azië was de belangrijkste bron van het niet-joodse, uit voormalige heidenen gerekruteerde christendom.’

        Later leefden hier veel van de belangrijkste pausen. Alle zeven in het Oosten en Westen gezamenlijk erkende oecumenische concilies (bijeenkomst van de hoogste christelijke hoogwaardigheidsbekleders) vonden ook op het huidige Turkse grondgebied plaats. Daardoor werd hier het hele christendom in het eerste millennium van de christelijke periode maatgevend beïnvloed. De Turkse christenen in het Anatolische deel van het toenmalige Turkije telden aan het einde van de 19e eeuw nog meer dan 2 miljoen zielen (25% van de bevolking op het grondgebied van het huidige Turkije). Turkije had in de 19e eeuw al honderdduizenden islamitische vluchtelingen opgenomen: Albanezen, Bosniërs en Balkan-Turken, die na de losmaking van de Balkanlanden van het Ottomaanse rijk verdreven werden of gevlucht waren. Dat leidde tot een demografische daling van het christelijke bevolkingsdeel in het Anatolische deel van Turkije. In de door Armeense christenen bewoonde gebieden alleen al werden 850.000 islamitische vluchtelingen gevestigd.

        De Turkse variant van de ‘Endlösung’ tegen de christenen

        Aan het einde van de 19e en in het begin van de 20e eeuw werden de meeste christenen uit het gebied van het huidige Turkije verdreven of vermoord. De belangrijkste etappes daarbij waren:

        1843 – door de Koerdische stamleider Bedirxan Beg werden bij bloedbaden minstens 10.000 christelijke Armeniërs en Nestorianen (een christelijke geloofsgemeenschap) in Asita (Hosut) vermoord. Vrouwen en kinderen werden deels als slaven verkocht.

        1894-1896 – bij anti-Armeense pogroms werden 50.000 tot 80.000 Armeense christenen vermoord. De slachtoffers waren Armeens-apostolische mannen.

        1909 – bij panislamistische (pro-islamitische), anti-Armeense pogroms in Adana en de provincie Cilicië werden 30.000 Armeense christenen vermoord. Tot 1910 eisten de daaropvolgende epidemieën en een hongersnood nog 20.000 slachtoffers onder de overlevenden van de slachting. Tijdens de tweede Balkanoorlog in 1913 werden Thracische Bulgaren en Bulgaren uit de Anatolische gebieden verdreven. Schattingen van organisaties van verdrevenen en de Bulgaars-orthodoxe kerk spreken van tussen de 60.000 en 400.000 vluchtelingen. 1915-1917 – volgens verschillende schattingen werden er 300.000 tot 1,5 miljoen Armeense christenen in het Ottomaanse rijk vermoord. Honderdduizenden werden naar Mesopotamië en Arabië gedeporteerd, velen stierven tijdens de deportaties, enkelen vluchtten naar het Russische deel van Armenië, er leefden nog minder dan 100.000 Armeniërs na 1922 in het land. Ook de Ottomaanse Assyriërs waren na 1915 het slachtoffer van volkerenmoord.

        1922-1923 – ongeveer 1.250.000 Grieks-orthodoxe christenen werden in het kader van de Griekse nederlaag in de Grieks-Turkse oorlog en volgens de daarna overeengekomen bevolkingsuitwisseling tussen Griekenland en Turkije naar Griekenland uitgewezen. Uitzonderingen hierop vormden alleen de Griek-orthodoxe gemeenschappen in Istanbul en op de eilanden Bozcaada en Gökçeada. Bij de bevolkingsuitwisseling werden ook 500.000 islamitische Turken uit Griekenland naar de nieuwe Turkse nationale staat verdreven. Na de verovering van de Griekse gebieden of tijdens de verdrijvingen werden tienduizenden christenen vermoord.

        1955 – na de vooral tegen Grieken gerichte pogrom van Istanbul verlieten duizenden Grieks-orthodoxe inwoners de stad. Van de 110.000 Grieken in het jaar 1923 waren tien jaar na de pogrom nog maar 48.000 over. De nakomelingen van de overgebleven christenen wonen overwegend in Istanbul (Grieks-orthodoxe en Armeense christenen), in het gebied Tur Abdin (meest Syrisch-orthodoxe en Aramese christenen) en in het zuidoosten in de provincie Hatay rondom de oude patriarchenstad Antiochië, het huidige Antalya. Deze provincie was tot in de jaren-20 van de vorige eeuw Syrisch gebied.

        Tegenwoordig leven er ongeveer 100.000 christenen in Turkije en ze vormen ongeveer 0,2% van de bevolking van het land. Ongeveer 85% van de christenen in Turkije is geconcentreerd in Istanbul.

        Actuele situatie

        Mensenrechtenorganisaties zoals de Gesellschaft für bedrohte Völker (GfbV = Vereniging voor bedreigde volkeren) beoordelen de situatie van de Turkse christenen als kritisch. Officieel heerst er in Turkije godsdienstvrijheid (volgens artikel 24 van de grondwet), maar nog steeds bestaan er allerlei beperkingen, zoals het verbod om priesters en godsdienstleraren op te leiden. Aanslagen op christenen (ook op buitenlandse) en op christelijke gebouwen komen nog steeds voor in Turkije. Zo werd op 11 maart 2006 de Kapucijner monnik Hanri Leylek in Mersin door een jonge man met een mes aangevallen, die korte tijd daarna door de politie kon worden gearresteerd. In 2006 werd de Italiaanse priester Andrea Santoro tijdens het gebed in de kerk van Trabzon door een Turkse jongere doodgeschoten. Op 18 april 2007 werden in Malatya drie evangelische christenen vanwege hun geloof gruwelijk gemarteld en vermoord. Een van hen was de Duitse leraar Engels Tilmann Geske.

        Op 3 juni 2010 werd de voorzitter van de Turkse bisschoppenconferentie, Luigi Padovese, ondanks persoonsbescherming door zijn islamitische chauffeur doodgestoken. Het onder minister Hüseyin Çelik ressorterende ministerie van onderwijs viel in april 2003 op met decreten tegen christelijke minderheden. Het ministerie zorgde ervoor, dat Turkse leerlingen meededen aan een opstelwedstrijd over de zogenaamde ‘genocidenleugen’ van de Armeniërs, Pontische Grieken en Syrisch-orthodoxen. Tegelijkertijd verplichtte het ministerie leraren tot deelname aan daarbij passende onderwijsmaatregelen en is begonnen aan de heruitgave van verouderde Turkse schoolboeken, waarin niet-moslims in Turkije ‘spionnen’, ‘verraders’ en ‘barbaren’ worden genoemd. Bovendien staat er in de boeken, dat hun scholen en kerken evenals joodse synagogen ‘schadelijke gemeenschappen’ zijn.

        De Duitse president Christian Wulff riep de Turkse staat er in oktober 2010 in een toespraak voor het Turkse parlement in Ankara toe op om de rechten van de christenen in het land te verbeteren en hen de vrije uitoefening van religie mogelijk te maken. ‘Het christendom behoort zonder twijfel tot Turkije’, verklaarde Wulff in deze toespraak. In een toespraak m.b.t. de Dag van de Duitse Eenheid had Wulff enkele weken daarvoor gezegd, dat ook de islam, naast het christendom en het Jodendom, bij Duitsland zou horen. De zin, dat het christendom bij Turkije zou horen, werd door de parlementsleden met een ‘ijzig stilzwijgen’ aangehoord.

        Rechtssituatie

        In het Verdrag van Lausanne uit het jaar 1923, dat in Turkije tot op de dag van vandaag geldig is, kregen de aanhangers van twee christelijke confessies en van het Jodendom enkele minderhedenrechten. Volgens het verdrag worden echter alleen de Grieks-orthodoxe en de Armeens-apostolische kerk als christelijke confessies erkend. In Turkije worden christelijke Arameeërs niet als minderheid erkend. Hun cultuur en taal kunnen ze alleen maar in het geheim in kerken praktiseren, de kerktaal wordt stiekem geleerd. Volgens informatie van de Vereniging voor bedreigde volkeren werd het Verdrag van Lausanne intussen door het Turkse recht uitgehold, zodat het gebruiken van de minderhedenrechten nauwelijks nog mogelijk is. Christelijke studenten kunnen alleen nog maar theologie studeren aan islamitische theologische faculteiten. Priesters moeten zich of als diplomaten kunnen identificeren of Turkse staatsburgers zijn. Bijbels en andere christelijke literatuur mogen niet worden uitgedeeld op straat, christelijke straatfeesten en processies zijn verboden, christelijke radiozenders krijgen in principe geen licentie. Zodoende bestaat er een benadeling van christenen tegenover moslims, die onbeperkte cultusvrijheid genieten.

        Andere onopgeloste problemen vormen de niet mogelijke opleiding van christelijke geestelijken en de aanhoudende sluiting van het seminarie van Halki, de rechtsstatus van de niet door het Verdrag van Lausanne beschermde kerken, die alleen maar bestaan als verenigingen van individuele personen, en daarmee samenhangend het verwerven of het bouwen van en het religieuze gebruik van onroerende goederen. Ook de renovatie van oude kerken wordt moeilijk gemaakt door juridische pesterijen. Onteigeningen van kerkgoederen is nog altijd praktijk. Ondanks veranderingen in het bouw- en verenigingsrecht geldt volgens Missio dat het ‘zeker op de middellange termijn niet mogelijk zal zijn om gebedsplaatsen te bouwen onder verantwoordelijkheid van kerken, aangezien de kerken geen rechtsstatus hebben’.

        Kerken en kloosters

        De kerk van de apostel Paulus in Tarsus, de geboorteplaats van de apostel Paulus, is een pelgrimsoord. De kerk, in 1943 door de Turkse staat in beslag genomen en gebruikt als militair magazijn, is op dit moment een museum. Een teruggave aan de katholieke kerk sluit de Turkse regering uit. De katholieke kerk vierde in 2008/2009 de geboortedag van Paulus 2000 jaar geleden met het Paulusjaar. In Tarsus zijn godsdiensten alleen toegestaan in overleg met de museumleiding. In juni 2008 gaf het Turkse ministerie van cultuur toestemming dat de kerk gedurende het Paulusjaar van juni 2008 tot juni 2009 door christelijke pelgrims voor godsdiensten gebruikt kon worden. Aartsbisschop Joachim kardinaal Meisner doet zijn best om in Tarsus een bestaande kerk over te nemen of een nieuwe kerk te mogen bouwen. De Turkse regering zou echter op haar mondelinge toezeggingen geen daden hebben laten volgen. Hij wil; de Turkse regering er alsnog toe bewegen antwoord te geven.

        Het tot het UNESCO-wereldcultuurerfgoed behorende klooster Mor Gabriel, een van de oudste christelijke kloosters ter wereld, is burcht en pelgrimsoord voor de christelijk-Assyrische minderheid in Turkije. Het klooster werd in het jaar 397 opgericht. Overgeleverd aan eeuwenlange overvallen door Turken en koerden, staat het op dit moment in het middelpunt van een politieke campagne. Sinds 2008 wordt het klooster Mor Gabriel door drie Koerdische dorpen aangeklaagd wegens ‘illegale nederzetting’. Het klooster wordt ervan beschuldigd dat er illegaal Aramees wordt onderwezen. Eind september 2008 vond in de dichtstbijzijnde stad Midyat een rechtszaak plaats om het voortbestaan van het klooster, waarvan het bestaan in Turkije van de kant van de autoriteiten van de staat door onteigening en stopzetting van het kloosterleven wordt bedreigd. Nieuwe registraties van het kadaster maken het voor aangrenzende boeren, die tot nu toe geen officiële eigendomsoorkonden bezitten, mogelijk om landerijen van het klooster voor zichzelf op te eisen. De aanklagers worden ondersteund door lokale politici van de regerende AKP. De Europese Unie heeft waarnemers naar het proces gestuurd.

        Op grond van besluiten van het Turkse constitutionele gerechtshof moest in 1970 het priesterseminarie van de Armeense christenen in Üsküdarden zijn onderwijs staken en in de zomer van 1971 moest het in 1844 opgerichte Grieks-orthodoxe priesterseminarie van Halki voorgoed de deuren sluiten. De systematische uitroeiing van het christendom in Turkije zorgde ervoor, dat het aandeel christen in de hele bevolking van bijna 100% eerst tot 1914 daalde tot 25% en nu is gedaald naar 0,2%. Zullen de islamieten, die in Europa steeds talrijker worden, de christenen in Europa ooit net zo uitroeien zoals ze dat met de christenen in Turkije hebben gedaan? Bron: Turkey-world.eu

  • door Jos van Dijk op vrijdag 23 maart 2012

Lees alle reacties