Reeds acht jaar is DeWereldMorgen.be de alternatieve en kritische stem in de Vlaamse media.

Wij zijn volledig gratis en reclamevrij.

Maar dat kan enkel via uw steun.

Steun ons nu!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu

Het pensioendebat (4): Het aanvullend pensioen, uw appeltje voor de dorst?

maandag 6 augustus 2012
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Begin juli kondigden een aantal grote verzekeraars aan dat ze het rendement op de aanvullende pensioencontracten verlagen tot 2,25%. Door de economische crisis zou het rendement dat de wet oplegt niet meer haalbaar zijn, en zouden aanvullende pensioencontracten verlieslatend worden.

Assuralia, de beroepsvereniging van verzekeringsondernemingen, is dan ook een heuse lobby gestart voor de afschaffing – of minstens een verlaging- van het gegarandeerd rendement.

Gegarandeerd rendement

De wet op de aanvullende pensioenen garandeert werknemers een vast rendement op het gespaarde kapitaal: 3,75% voor werknemers- en 3,25% voor werkgeversbijdragen.

Het is de werkgever die die opbrengst moet waarborgen. Als de pensioeninstelling een lagere interest biedt, moet de werkgever het verschil bijpassen.

Dat rendement hoeft niet jaarlijks behaald te worden, maar pas bij het einde van de pensioenovereenkomst. In principe hoeft niemand dus te panikeren bij een aantal ‘magere jaren’. Die kunnen gecompenseerd worden met de hogere opbrengsten van voor en na (gesteld dat die niet zijn uitgekeerd aan de aandeelhouders…).

De invloed van Europa

De verzekeraars verschuilen zich achter de inwerkingtreding van de Solvency II-richtlijn. Deze verplicht hen om genoeg reserves in kas te hebben om op elk moment aan al hun verbintenissen te kunnen voldoen, zonder onderscheid tussen lange en korte termijn.

Daarbovenop moeten ze ook nog een buffer aanleggen. Hierdoor gaat het voordeel van de lange termijn verplichtingen verloren.
Een uitgelezen excuus voor de verzekeraars om de gegarandeerde interest aan te vallen.

En de werknemers?

Maar dat verandert niets aan de situatie van de werknemers, aan wie men de rekening nu wil voorschotelen.

De bedoeling van de tweede pijler was om werknemers een degelijk pensioen te garanderen, in het bijzonder wanneer de babyboomgeneratie op pensioen zou vertrekken. Men vreesde dat het wettelijk pensioen tekort zou schieten door de gewijzigde verhouding tussen werkenden en gepensioneerden.

Nu dat moment is aangebroken, pleit men ook in de tweede pijler voor hogere bijdragen en lagere uitkeringen… Precies het onheil dat men wou voorkomen in de eerste pijler.

We moeten de vraag durven stellen: heeft een aanvullend pensioen met een verlaagd rendement of – in het slechtste geval – zonder gegarandeerd rendement wel zin?

De enige redelijke beleidskeuze

Het rendement van de eerste pijler (het wettelijk pensioen) hangt af van de evolutie van de loonmassa, die op haar beurt bepaald wordt door de groei van het aantal werkenden, de inflatie en de reële economische groei.

In België is er nog steeds een groei van de loonmassa met 3 à 4%. Daalt het rendement van de aanvullende pensioenen onder de 3%, dan brengt de eerste pijler dus méér op.

Investeren in het wettelijk pensioen is dan de enige redelijke beleidskeuze. Dit kan het best door te investeren in kwaliteitsvolle jobs, wat de loonmassa – en dus de pensioenbijdragen – zal doen toenemen.

Astrid Thienpont, adviseur studiedienst federaal ABVV

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.