Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

Ja, ik wil steunen

Sluit dit venster

about
Toon menu

De gevolgen van een tijdgeest: kindheksen in Lubumbashi (DRC)

woensdag 15 april 2015
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

In Lubumbashi, sterft zelden iemand van ouderdom, maar bijna iedereen van ziekte. Omdat de Congolezen niet kunnen verklaren vanwaar de dood komt, wordt na de rouw steeds iemand aangewezen die verantwoordelijk wordt geacht voor het sterfgeval. Vroeger kregen ouderen de schuld van de dood. Door de economische malaise sinds het begin van de jaren '90 ontstond, werden kinderen de zwakste economische schakel, moeders kunnen hun kroost slechts één enkele maaltijd per dag aanbieden, sommige zelfs éénmaal om de twee dagen. Sociale voorzieningen zijn onbestaande of te duur. Wordt de financiële druk op het gezin onhoudbaar, dan zijn de kinderen als zwakste (economische) schakel, vaak de eerste slachtoffers: ouders sturen hun kind van huis weg als het onmogelijk wordt om in zijn onderhoud te blijven voorzien. Het is echter niet aanvaard om een kind zo maar op straat te zetten dus sturen ze hun kind eerst naar een charlatan. Verschillende van deze charlatans die zich in geloofsgemeenschappen ophouden hebben baat bij het in stand houden van deze situatie omdat ze hierdoor hun winkel draaiende houden. In deze context ontstond binnen de tijdsgeest van de laatste 25 jaar de problematiek van de kindheksen: 90% van de straatkinderen zijn kindheksen daarvan zijn 2/3 Kasaïens. Zoals er tijdens de Nieuwe Tijd in Europa heksenverbrandingen waren, gebeurt dit nu ook in de Democratische Republiek Congo (DRC).

Dit artikel focust op de situatie in de het Zuid-Oosten van het land, meer bepaald in de Lubumbashi, een stad die, met vijf miljoen inwoners, de tweede grootste van het land is en het economische hart van de DRC en van de wereldwijde koperproductie.


Inleiding met een getuigenis van Maman Thérèse:

Maman Thérèse,een vrouw van 62 jaar, houdt een hotel openop de square Forrest in Lubumbashi. Ze heeft de tweeling van haar neef in huis genomen nadat deze beschuldigd waren kindheksen te zijn, zoals dat regelmatig gebeurt bij tweelingen.

Haar neefje was soldaat en ontvluchtte de DRC wanneer de tweeling drie jaar oud was. Als secretaris van een officier was hij op missie in Italië. Hij was daar maar voor enkele dagen, maar wou blijven om een beter leven te hebben. Hij stuurde geld op naar zijn familie, maar dat was niet zoveel volgens Maman Thérèse. Enkele jaren later stierf hij echter aan de gevolgen van aids. Hij had zich te laat in het ziekenhuis aangeboden en de laatste dagen van zijn leven kon hij enkel denken aan zijn tweeling die hij had achtergelaten in Lubumbashi. Hij had schrik dat ze beschuldigd zouden worden kindheksen te zijn. Zijn vrouw was ook soldaat, maar volgens Maman Thérèse was zij een onevenwichtige vrouw zonder moraliteit. Na de dood van haar neefje stierf ook zijn moeder en dus de zus van Maman Thérèse.

Maman Thérèse besloot contact te houden met de tweeling omdat een soldate ongeveer 50 euro per maand verdient en moeilijk kan instaan voor het onderhoud van haar kinderen. De moeder van de tweeling had zes kinderen van verschillende mannen. Zij woonde in het militaire kamp van Kokolo, een omgeving waar banditisme, drugs en prostitutie welig tieren. Maman Thérèse vond dat de kinderen beter konden opgroeien in Lubumbashi, een meer mededogende omgeving. Ze vond dat zij te oud en niet flexibel genoeg was om de tweeling op te voeden. Dus besloot ze de tweeling bij de familie van haar neefje onder te brengen. Ze kwamen terecht bij haar nichtje ofwel de zus van haar neefje. In dat huis volgden er snel drie sterfgevallen op elkaar: twee zussen en één broer van haar neefje stierven aan aids. En de man van haar nichtje verloor zijn job. De tweeling werd er van beschuldigd kindheksen te zijn in augustus 2011.

De tweeling werd geplaatst bij een charlatan die zich in de pinksterkerk ophoudt. Daar werd een duiveluitdrijving op hen toegepast: die was zeer gewelddadig. De kinderen moesten naakt door de straten lopen, werden naakt geslagen. Volgens de moeder die in Kinshasa verbleef, ontving zij de kinderen in december van 2011 nadat ze met een militair vliegtuig naar Kinshasa werden overgebracht waar ze op hun moeder wachtten aan de internationale luchthaven. Na enkele weken werden de kinderen door de moeder in Kinshasa gevonden tijdens een patrouille die ze deed als militair .

Ondertussen werd Maman Thérèse in Lubumbashi aan het lijntje gehouden. Toen ze bij haar nichtjes toekwam, zeiden ze dat de tweeling was gaan voetballen buitenshuis. Toch hield ze vol dat ze de kinderen wou zien. Dus verhuisde het nichtje van Maman Thérèse. Toen ging Maman Thérèse naar hun school en daar bleek dat de kinderen nooit waren toegekomen op school op 1 september. Nochtans had ze aan haar nichtje het nodige inschrijvingsgeld alsook al het schoolmateriaal gegeven. Toen kreeg ze een telefoonnummer te pakken van haar nichtje: die vertelde dat de tweeling slechte resultaten hadden behaald op school en dat ze hen op internaat naar Kolwezi had gestuurd, op 250 km van Lubumbashi. Daarna veranderde haar nichtje haar telefoonnummer. Maman Thérèse ging naar het huis waar de kinderen hadden gelogeerd bij het nichtje van Maman Thérèse. Daar vertelden omstaanders haar dat de kinderen tot slaven waren gemaakt. Ze moesten voor heel de straat water halen en al de huishoudelijke taken doen.

Aldus begon Mamanb Thérèse de kinderen te zoeken. Toen haar man op de grote markt in Kinshasa stond, zag hij twee kleine kinderen die afgetuigd werden door oudere straatkinderen. Hij wou tussenbeide komen en toen liepen de twee kleine kinderen naar hem toe en die zeiden papi papi. Blijkbaar werd de tweeling overdag door hun moeder op straat gezet om te gaan bedelen, 's avond moesten de kinderen dan met eten naar huis komen om de familie te kunnen voeden. De dag zelf vertrok de man van Maman Thérèse naar de moeder van de tweeling om te zeggen dat hij ze terug wou opnemen. Dus heeft maman Thérèse de kinderen opgenomen omdat ze een directe band hebben met haar. Daarvoor heeft ze een maand gewacht. Ze liet de moeder naar Lubumbashi komen om te tonen dat ze goed zouden worden opgevangen.

Nu zijn de kinderen vijftien jaar, Maman Thérèse heeft veel geduld met hen. Ze hebben al veel afgeleerd van de slechte gewoontes die ze op straat hebben geleerd. Ze leefden in extreme armoede, daardoor hamsteren ze nog steeds eten en ook zeep omdat ze schrik hebben weer in de armoede terecht te komen. Soms stelen ze ook geld, maar Maman Thérèse hoopt dat ze dat binnenkort afleren. Op dit moment worden ze enorm verwend. Ze gaan naar school bij de salesianen en behalen er goede schoolresultaten.


Van waar komt de problematiek van de kindheksen?

Getuigenis van Guislain Elmagambo Bin Ali Gulda, people is zijn bijnaam

Gulda, een fotograaf uit Lubumbashi, heeft het fenomeen van de kindheksen weten ontstaan, en schat dat het slechts 30 jaar oud is. In zijn tijd mochten de kinderen niet op straat lopen. Het zorgde voor schaamte bij de familie. Het was hem bijvoorbeeld verboden om van Kamalondo, waar hij woonde, naar de wijk Kenia te gaan in Lubumbashi. Ook was het verboden om aan kinderen geld te geven. Gulda: “Als wij iets op straat verkochten dan was het voor ons huis met toezicht van onze ouders. Voor ons was hekserij iets van de dorpen op het platteland, oudere mensen konden heksen zijn. Toen er mij op een dag een kind geld kwam vragen toen ik 's nachts in een bar zat, was ik helemaal verbouwereerd dat dit mogelijk was. Kinderen in de informele sector, hoe was dat mogelijk? Ik gaf hem geen geld omdat ik dit nog nooit gezien had. Ik dacht er kunnen toch geen straatkinderen zijn, mijn idee was dat als een kind alleen kwam te staan die door een oom, een tante of de grootouders zou worden opgevangen. Toen ik vaststelde dat mijn kamer op de universiteit gekuist werd door kinderen, stond ik helemaal perplex.“ Toen iemand hem vertelde dat dit kindheksen waren, was hij zeer aangedaan, en omdat hij dit fenomeen niet kende wou met de kindheksen praten en hun situatie onderzoeken als artiest. Hierdoor werd hij zelf beschuldigd magische krachten te hebben, omdat hij met de kindheksen kon praten.Hij stelde zich altijd de vraag hoe hij hen weer als normale kinderen kan integreren om ze weer naar school te laten gaan.

Tijdens de jaren 1990 vergleed Congo (DRC) in een diepe politieke, economische en sociale crisis. In Lubumbashi begon de Gécamines, een mijnbedrijf dat eerder voor 60% van het BNP zorgde en de ruggengraat vormde van de regionale economie, arbeiders af te danken. Een broeder van de Salesianen zei in 1977 dat als de schouw van de Gécamines stopt met rook uit te blazen, Lubumbashi als stad helemaal ten onder gaat. Katangezen werden geboren met de Gécamines en stierven met de Gécamines. De Gécamines was de organisator van de sociale diensten voor de gezinnen in Katanga. Toen Mobutu begin jaren negentig zei op het einde van zijn bewind: 'Après moi le déluge', na mij is er niets, begonnen mensen te plunderen in Kinshasa en enkele dagen later in Lubumbashi. De eerste dag plunderden de soldaten alle elektronische apparatuur. De tweede dag werden de winkels geplunderd en de derde dag de straatverlichting en de elektrische installaties in de magazijnen. Hierdoor ontstond er brand in de stad en in de maanden daarna heerste er hongersnood. De scholen werden ook betalend omdat de leerkracht niet meer door de staat betaald werden.

Er ontstond een klopjacht op de mensen van de Kasai die de kaders vormden in de Gécamines en andere ondernemingen door Mobutu om de onafhankelijkheidsstrijd van de Katangezen de kop in te drukken. Met het wegvallen/de verzwakking van de centrale autoriteit werden nu wraakacties ondernomen door Katangezen tegen de mensen uit Kasaï. In volgepakte treinen vertrokken deze laatsten terug naar de Mbuyi Mai (hoofdstad Kasai). Families vielen uit elkaar en er ontstond extreme armoede door de economische crisis.

Hierdoor kwamen de eerste kinderen op straat te staan en ontstond één van de neveneffecten van de plunderingen de economische crisis : de straatkinderen.

In de Katangese volksmond wordt gezegd: “Omwille van het feit dat de Kasaïens per kind een zak meel kregen, hadden de Kasaïens grote gezinnen. De families leefden goed en de kinderen leerden zich nooit uit de slag trekken. Terwijl de kinderen, waarvan hun ouders als in de administratie werkten, militairen, politie werkten, veel armer waren en vanaf jonge leeftijd leerden hoe ze moesten hun plan trekken met weinig geld. Dat deze kinderen van ambtenaren, politiemensen en soldaten geen straatkinderen werden”. Het waren dus vooral de kinderen van de Kasaïens die op straat kwamen in het begin van de jaren negentig.


Bembas vs. Kasaïens: Tribale oorzaken van de problematiek

Zoals eerder aangehaald treft het fenomeen der kindheksen vooral Kasaïens. In Lubumbashi rijst deze problematiek minder bij de Bembas, de autochtone stam die ook in Zambia voorkomt. Bij deze bevolkingsgroep wordt de oudste broer van de vrouw immers verantwoordelijk geacht voor de kinderen van zijn zus en kan/moet hij ze dus bij problemen opvangen. Bij de Kasaïens is de culturele situatie volledig verschillend: door een heersend polygaam model – voor de mannen – draagt de vrouw er de volledige verantwoordelijkheid voor de eigen kinderen. De mannen trekken zich in sommige gevallen niets tot weinig aan van hun vrouwen en van hun kinderen. Daarbij komt nog dat de kinderen van Kasaïens liever vertrekken uit de familie door de economische problemen in de Kasaï en dat er veel meer bijgeloof heerst in deze bevolkingsgroep. In de Kasaï is het mythische denken inderdaad diepgeworteld. Vaak is het een voorwendsel van de Kasaïens om hun kinderen te beschuldigen van kindheksen te zijn omdat ze economisch de zwakste schakel zijn. Deze kinderen trekken dan naar Lubumbashi in de hoop op een betere toekomst in de stad van Moïse Katumbi, door veel Congolezen aanbeden als ware het god. Maar de kinderen uit de Kasaï vinden helemaal geen stad van melk en honing: ze komen er op straat terecht. Hoewel er vandaag er officiëel geen straatkinderen meer in Lubumbashi zijn volgens het stadsbestuur, verstoppen er zich toch nog maximaal 3000 straatkinderen in de stad volgens Eric Meert (verantwoordelijke Bakanja Ville, opvanghuis voor straatkinderen).


Demografische oorzaken van de problematiek

Vroeger werden vooral oudere mensen in de DRC van hekserij beschuldigd. Nu worden echter vooral kinderen van drie tot achttien jaar getroffen.Tot begin jaren 1990 was het probleem der kindheksen vrijwel verwaarloosbaar. In 1994 leefden er echter al 400 kinderen op straat in Lubumbashi.

Er zijn vandaag geen officiële statistieken meer, maar er idat in Lubumbashi iedere dag een nieuw kind op straat belandt volgens Eric Meert. Vandaag wordt er geschat dat zo’n 3000 straatkinderen in Lubumbashi leven:daarvan zijn 2/3 kindheksen en 1/3 kinderen die al het contact met de familie verbroken hebben. Deze zijn voor het 80% Kasaïens. In de hoofdstad Kinshasa wordt het aantal straatkinderen geschat op 20 000, waarvan 13 000 er van beschuldigd worden kindheksen te zijn.

Zo’n 80% onder hen zijn jongens, omdat meisjes meer economisch potentieel hebben in de ogen van hun familie. Zo krijgen meisjes de bruidsschat en kunnen zij helpen bij huishoudelijke taken en voor de andere kinderen zorgen.

Vooral kinderen uit families die in extreme armoede verkeren worden het slachtoffer. Kinderen van rijke ouders worden maar zelden van hekserij beschuldigd, maar ook deze kinderen worden soms straatkinderen omdat ze kiezen om bij hun vriendjes te zijn op straat en omdat ze door de extreme vrijheid worden aangetrokken.

Het huidige stadsbeleid

In 2009 wou Moise Katumbi, de gouverneur van Katanga, van Lubumbashi een stad naar Europees model maken. Hiervoor voerde hij een repressief beleid en werden verschillende vluchthuizen waar de straatkinderen terecht kwamen gesloten. Zo ook het transitie huis van Bakanja ville.

De kinderen kregen de keuze of in een nieuw provinciaal centrum te verblijven (Kassapa, genoemd naar de studentenwijk waar het centrum gelegen is), dat de oude gevangenis van Lubumbashi was, of terug te keren naar hun families. Anders zouden ze in de echte gevangenis belanden. Moise Katumbi maakte de fout dat hij een provinciaal centrum oprichtte waar 800 straatkinderen naar toe gingen, waar het beter leven was voor kinderen die in familieverband in extreme armoede leefden. Hierdoor werkte het huis als een magneet. Hij ving hier kinderen op tussen 6 en 32 jaar. Omwille van de corruptie in het centrum ontstond er echter rebellie. Na twee weken waren er al 200 kinderen ontsnapt. Daarom besloot Moise Katumbi de 180 jongeren ouder dan 17 jaar aan het werk te zetten als straatvegers. Zij kregen 100 dollar bij het vertrek uit het centrum om een kamer te huren en waren dan officieel geen straatkinderen meer.

Naast opvang wordt het stadsbeleid ook door repressie getekend. Zo worden veel straatkinderen door de politie opgepakt, hetzij voor gepleegde misdrijven of gewoonweg omdat zij door de overheid als een last worden aangezien. . Daarna worden ze meestal onder druk gezet om informant te worden. Als deze samenwerking vlot verloopt, worden ze door de politie met rust gelaten

Tegenwoordig zijn er 3000 straatkinderen, ze verstoppen zich voornamelijk en zijn dus niet meer zo duidelijk aanwezig in het straatbeeld. Dit is zo sinds de repressie van 2009.


Moïse, een straatkind dat in de Kassapa woont:

Moïse verkoopt eitjes op straat om voor zijn moeder te zorgen. Hij vertelt dat er op dit ogenblik 500 kinderen in de Kassaba aanwezig zijn. Ze krijgen daar één maal daags eten. Terwijl hij zijn verhaal doet, komen er een paar oudere goedgeklede verkopers ons gesprek afluisteren. Moïse is één van die jonge kinderen die sinds jonge leeftijd onder zware druk staat omdat hij thuis de zakste economische schakel is.


Kindheksen, een interessante markt voor de Evangelische Kerken

Guishlain el Magambo Bin Ali Gulda:

Ik geloof maar een beetje in hekserij omdat ik fotograaf ben. Ik geloof in licht, in de realiteit, in wat ik zie, wat ik kan onderzoeken met mijn derde oog (mijn fototoestel) en wat waar is volgens de moderne wetenschap. Elke geest waarvan ik tot nog toe foto's van maakte, kon ik zien op mijn negatieven.”

Vroeger was er in de families die het konden betalen familie een fetisjist die geschillen met andere gezinnen moest oplossen. Sinds het christelijke geloof is geïntroduceerd, geloven de mensen dat God voor hen zorgt.

Kirko man, de albino komiek:

In het derde jaar van de lagere school beschuldigden zijn klasgenoten hem van kindheks te zijn, omdat hij een blanke was en erg van hen verschilde. Ze dachten dat wie naast hem op de schoolbanken zou komen zitten, ’s avonds door hem opgegeten zou worden. Mensen zeiden hem dat albino's snel moe zijn omdat ze 's avonds werken als kindheksen. Toen hij in het middelbaar zat en geïnteresseerd geraakte in Vrouwen zeiden mensen dat hij na geslachtsgemeenschap zou opduiken in het toilet om zijn vriendin op te etenr. Na het middelbaar onderwijs ging hij op zoek naar een vrouw. Zijn eerste vriendin mocht niet met hem trouwen van haar ouders die zeiden dat nog niemand binnen hun stam met een kindheks getrouwd was. Bij het tweede meisje was het echter raak: die besloot met hem te trouwen ongeacht de mening van haar ouders.

Door de economische crisis zoeken de naasten van het kind de oplossingen van hun problemen bij charlatans of sekten.

Op het bijgeloof in kindheksen heeft zich een hele vrije markt van charlatans gevestigd. Veel charlatans werken in het kader van de opkomende pinksterkerken die winnen aan populariteit waar traditionelere geloofsvormen geen antwoord bieden op de concrete noodsituatie van mensen. Door duiveluitdrijvingen verdienen deze pinksterkerken flink wat geld en kunnen zij tegelijk kinderen bekeren. Hoe lang deze populariteit zal aanhouden is wel de vraag: mensen die volledig geruïneerd worden door deze pinksterkerken en al hun bezittingen moeten afgeven zijn legio. Uiteraard zijn duiveluitdrijvingen niet nieuw: veel missionarissen maken er geen geheim van dat binnen het Christendom ook duiveluitdrijvingen worden toegepast en wereldwijd beschikt elk bisdom over zijn duiveluitdrijver. Het grote verschil is echter dat de Katholieke Kerk daar geen geld voor vraagt.

Deze charlatans zijn gespecialiseerd in het detecteren van tekens van hekserij bij deze kinderen. Terwijl de charlatans zeggen dat ze tegen hekserij vechten, beschuldigen ze zelf kinderen kindheksen te zijn als ze dat nog niet hebben toegegeven. Volgens Pasteur van de pinksterkerk Ngongo Symphorien is belangrijk voor de lezer, en om je als kritisch journalist te tonen wordt er in de pinksterkerken via gebed een duiveluitdrijving gedaan. Volgens de specialist in de kindheksen problematiek in Congo, Filip de Boeck, professor Antropologie van de Kuleuven, ontaarden deze vaak in gewelddadige duiveluitdrijvingen.

De charlatans of sekten vragen tussen 25 en 200 dollar per duiveluitdrijving. Het is zo dat 100 dollar per maand het minimumloon is in Lubumbashi. Er is een enorme aantrekkingskracht om illegale duiveluitdrijvingen uit te voeren. Het is voor deze charlatans een bloeiende industrie. Tijdens deze duiveluitdrijvingen wordt er zo hardhandig te werk gegaan dat de kinderen soms sterven of zwaar toegetakeld op straat terecht komen. Dan worden ze straatkinderen.

Pasteur Ngongo Symphorein van de Bergerie du Christ, een pinksterkerk in de Tumbac-wijk.

Voor mij is hekserij volgens het woord van god een bron van kwaad die afkomstig is van de duivel die het goed leven van de mensen bedreigt. Het zijn slechte geesten die afkomstig zijn van de duivel. Die geesten kunnen door de kracht van Jezus Christus worden weggejaagd. Er kan iemand ziek zijn van deze geesten en wij bidden voor hem en daardoor gaan de geesten weg. Wij jagen geen kindheksen weg, maar wij bidden voor hun in de mis, zodanig dat zij weer in hun familie kunnen terugkeren. Het is dus door het gebed dat wij kindheksen detecteren. De bijbel zegt: “roep mij en ik zal u antwoorden. Ik zal u grote dingen bekend maken, die verborgen zijn en u niet kent” Dit is onze leidraad. Dit staat in Jérémy, hoofdstuk 33, vers 3. Wij bidden omdat Jezus krachtiger is dan de duivel waardoor het kind bezeten is. Wij zijn de profeten van Jezus, omdat wij de kracht van het woord van god kregen. Dit staat in Marcus: hoofdstuk 16, vers 17: “Deze tekenen zullen hen die geloven volgen. In mijn naam zullen zij demoniën uitwerpen, in nieuwe talen spreken.” Dit noemen wij de “bevrijding”. Elke kracht is ondergeschikt aan die van Jezus Christus en zijn profeten.

Het leven op de straat

Deze kinderen moesten op straat in hun onderhoud voorzien. Eens op straat moeten deze kinderen één basisbehoefte voorzien: eten. Diverse activiteiten helpen hen aan de kost: bedelen, stelen, prostitutie of… werken: schoenen poetsen, bewaken van wagens, kippeneitjes verkopen en eigendommen schoonmaken, verkopen van waren, transport van goederen,…. Deze kleine werkjes stellen de kinderen in staat zich 's avonds met een zak vol eten terug trekken in hun schuilplaats of deze aan hun naasten af te geven.

Vroeger waren ze overdag dan ook te vinden in het commerciële hart van de stad, op de markten of in de omgeving van de grote magazijnen. Nu hebben ze een teruggetrokken bestaan omwille van de repressie tegen straatkinderen. Bij het vallen van de nacht verlaten de straatkinderen vaak de plaats waar ze hun brood verdienen en trekken naar andere plaatsen waar ze min of meer beschut de nacht kunnen doorbrengen zoals veranda's van magazijnen, kiosken of onder de toonbanken op de markten. Vaak slapen ze enkel op een stuk karton, al dan niet rond een vuurtje want dekens hebben ze niet. Op straat is het kind nog meer dan thuis blootgesteld aan tal van ziektes. Mogelijkheden om zichzelf of hun kleren te wassen biedt de straat niet. Besmetting door diarree, dysenterie, cholera, schurft, malaria, tyfus, tuberculose en aids zijn niet ongewoon. Op straat leeft het kind zonder morele beperkingen, in een totale vrijheid die ook enorme aantrekkingskracht uitoefent op hun leeftijdsgenoten in extreme armoede. Geweld, wantrouwen, ongehoorzaamheid en gebrek aan respect zijn eigen aan het leven in de straat. Scheld- en vechtpartijen zijn snel uitgelokt, diefstal wordt een uitdrukking van intelligentie en handigheid. Hoewel het in moeilijke omstandigheden leeft, probeert het kind op de straat steeds een afleiding te creëren om zich te ontspannen. Er wordt met de kaarten gespeeld, geflaneerd langs de vitrines van winkels en gevechtssport beoefend. Om aan aan hun ellende te ontsnappen slikken de kinderen ook valium, snuiven ze oplosmiddelen, roken ze hennep of drinken ze lutuku (een goedkope whisky). 

Veel kinderen die op straat leven zijn georganiseerd in bendes. Die hebben een leider, iemand die het oudst is of waar de meeste kinderen naar luisteren. Als er bijvoorbeeld iets gestolen, is kan je bij hem terecht om een deal te sluiten en de gestolen waren terug te krijgen.

Maman Thérèse leidt een weeshuis en is adjunct-directeur in een school. 

Zijn er zelf kindheksen die op straat beland zijn die nog naar school gaan. Omdat hun schoolgeld betaald wordt door een organisatie die zich bezig houdt met weeskinderen. Die betalen dat automatisch zelf als het kind verstoten is bij de naasten waar het geplaatst is. Maman Thérèse en haar collega's herkennen deze situatie vrij snel, omdat deze kindheksen dan zeer slordig gekleed naar school komen.     


De reïntegratie in de samenleving door de Salesianen

Guislain Elmagambo Bin Ali Gulda:

Als ik kinderen apart neem dan blijkt vaak dat ze dit intrekken, ze vertellen meestal (2/3 van de gevallen) dat ze onder druk hebben gezegd dat ze kindheks zijn. Daarom blijf ik met de kinderen praten en probeer hun moed te geven door hun steeds te zeggen dat ze geen kindheksen zijn. Daarna leerde ik de instituties kennen die voor deze kinderen zorgen.”

In Lubumbashi wordt er via drie niveau’s in verschillende centra structurele ondersteuning en duurzame ontwikkeling aangeboden aan jongeren die omwille van hekserij of extreme armoede het huis werden uitgewezen en op de straat leven en slapen.

Het eerste niveau van de werking van de transitie centra is het actief opsporen van de naar schatting 3000 straatkinderen in de stad en hen uit te nodigen gebruik te maken van de diensten van het open opvang tehuis Bakanja Ville. 

Vroeger konden de jongeren er dagelijks terecht voor het klaarmaken van hun maaltijd, voor het nemen van een douche, voor sport, spel en ontspanning en voor bescheiden onderricht. Daar vinden ze ook, indien zij dit willen, een slaapplaats. Sinds 2009, kan iedereen er nog terecht voor een douche en ontspanning maar niet meer om hun maaltijd klaar te maken en om te slapen. Er is nu een filter; de straatkinderen moeten familie hebben in een omtrek van 300 km om te mogen blijven slapen, ze moeten naar school willen en zich daarna weer integreren in hun familie. Anders kunnen ze niet blijven slapen.

Jongeren die na een minimumperiode van actief bezoek aan Bakanja Ville de intentie uitspreken definitief de straat en het aanwezig gevaar van drugs en kleine criminaliteit, te willen verlaten, kunnen doorgroeien naar het volgende niveau: Bakanja Centre, even buiten de stad. Hier vinden de jongeren een internaat en een gratis lagere school. 

Op een derde niveau kunnen de jongeren, afhankelijk van hun mogelijkheden, een bescheiden beroepsopleiding (lassen, tuinbouw, bouw, loodgieterij, automechanica, artisanaat...) of een officiële beroepsschool volgen in een van de eigen aangepaste opleidingscentra of scholen. Zij die hebben kunnen ook in algemene scholen studeren. Zo studeert een van de jongeren momenteel informatica aande hoge school, een andere volgt een lerarenopleiding en een derde volgt een Bio-ingenieur.

Gedurende de hele integratie cyclus tracht de sociale dienst de jongeren terug te integreren in de familie. De enige voorwaarde is dat ze familie hebben in een straal van 300km rond Lubumbashi. Die jongeren die uiteindelijk niet in de eigen familie kunnen/mogen terugkeren, kunnen terecht in een aantal gezinsvervangende huizen. Wanneer jongeren zich later beroepsmatig willen vestigen, blijft ondersteuning aanwezig. Via deze ganse cyclus worden ongeveer 850 jongeren van Lubumbashi op structurele en duurzame wijze bereikt en ondersteund in hun ontwikkeling.

Broeder Simeon, sociaal assistent in Bakanja ville

Broeder Simeon staat in Bakanja Ville in voor de reintegratie van de straatkinderen. Het is een proces van drie maanden waarbij hij de kinderen eerst vraagt wat er met hen gebeurd is en wat zij denken over hekserij en hoe ze beschuldigd werden. Dit is de eerste fase. In de tweede fase wordt ze duidelijk gemaakt dat kindheksen niet bestaan en dat ze dat dus niet zijn. In de derde fase probeert men de kinderen in een situatie van vertrouwen te brengen. Ze willen dan aantonen dat de hekserij die kinderen in eten of drank doen, niet werken bij de sociaal-assistenten. Ze blijven herhalen dat hekserij niet bestaat, omdat er nog nooit iemand in Bakanja ville is overleden omwille van hekserij. In de vierde fase proberen ze het contact met de ouders te herstellen. De ouders worden uitgenodigd in het transitie centrum om te tonen hoe goed hun kinderen het doen. De sociaal-assistenten vertellen ook dat ze 3 maanden hebben samengeleefd met de kinderen en dat ze geen problemen hebben gehad. Dat ze nog leven, niet ziek zijn geworden en niet behekst zijn geweest. Wanneer de kinderen terug aanvaard zijn in de familie gaat de sociaal-assistent mee naar het huis van de kinderen. In 2014 lukte het Broeder Simeon om in totaal 307 kinderen te helpen reïntegreren.


Voorbeelden van succesvolle integratie van Kindheksen

Kikro man, de bekende albino komiek van Lubumbashi

Kikro Man, of “de ambassadeur”, is een zevenentwintig jaar oude man die geboren is met de genetische afwijking albinisme. Als hij jong was had hij het altijd moeilijk om zich te integreren in de samenleving, maar in het vierde jaar van de lagere school besloot hij te beginnen acteren onder invloed van zijn leerkrachten op school. Vervolgens werd hij een komiek die zelfspot gebruikt om mensen een geweten te schoppen.

Toen zijn ouders hem bij de geboorte zagen, ontstond er een ongezien tumult. Hoe kon het dat twee zwarten een blank kind voortbrachten? Toen ze te weten kwamen dat hij een albino was, vroegen ze zich af hoe het kon dat de stam van de Luba uit Kabonga een albino voorbracht? Dit was toch eerder iets voor de Luba van de Kasaai? Toch geloofden de ouders dat God hen dit kind had gegeven en besloten ze hem op te voeden: hij werd gedoopt in de katholieke kerk zoals alle andere kinderen. In de kleuterschool had hij problemen om te lezen en moest hij altijd dicht bij het bord zitten.

Albino's worden soms als kindheksen gezien in Lubumbashi, dat is altijd zo geweest. De integratie was dus moeilijk. De eerste jaren dat hij naar school moest gaan, wilde hij dat niet meer. In het derde leerjaar stopte hij zelfs gedurende drie maanden met schoolgaan en werd hij depressief. Zijn moeder volhardde echter :hij was een normaal kind en moest naar school, want zonder diploma zou hij het niet ver schoppen. Naast de onvoorwaardelijke steun van zijn ouders, kreeg hij ook die van de leerkrachten. Zijn ticket tot integratie bleek acteren te zijn: hij ging acteerlessen volgen bij de Halle de L'étoile, het Frans Cultureel Centrum. In de toneelstukken speelde hij altijd de kindheks en zo verwierf hij faam. Enkele jaren later, werd hij zelfs uitgeroepen tot meest belovende acteur van Lubumbashi.

In die tijd riepen fetisjisten nog op om Albino's te doden en hun genitaliën, hart en maag aan hen te verkopen omdat deze speciale krachten zouden hebben. Op een dag probeerde een man hem te verkopen in Nigeria omdat albino’s daar veel waard zijn. Hij werd in zijn wijk vaak nageroepen als Kitoka Toka, Swahili voor Albino.

Ondertussen is hij getrouwd en heeft hij drie kinderen. Hij studeerde Engels en en volgt nu een opleiding informatica aan de universiteit van Lubumbashi. Tegelijkertijd speelt hij als komiek de grote zalen van Lubumbashi plat en hoopt hij ontdekt te worden om in Europa te mogen spelen.

Marie, 27 jaar oud, een Kasaïenne, met een zoon, een dochter en een aardige man

Marie is de jongste dochter van een gescheiden koppel en heeft negen broers. In haar kindertijd ging haar vader er met een andere vrouw vandoor. Haar moeder was voor de helft verlamd en Marie moest haar bijstaan. Haar moeder werkte bij de spoorwegen en was ook leerkracht. Toen de moeder stierf, kreeg Marie vanwege haar broers de schuld van de dood van haar moeder. In een dronken bui kwam haar oudste broer ‘s nachts bij haar toen ze sliep . Hij had een jerrycan benzine mee, goot die over zijn zus en stak haar in brand. Van op straat zag iemand dit tafereel en snelde het huis in om Marie te redden. Ze was zwaar verbrand, haar arm plakte aan haar lichaam. In deze context wou zij uiteraard niet thuisblijven.

Op zevenjarige leeftijd kwam ze aldus op straat terecht. Ze bleef er twee maanden. Toen hoorde ze van Bakanja center, waar ze naartoe ging. Voor haar was de straat een verschrikkelijke plaats omdat oudere kinderen altijd haar geld en eten stalen, als ze zelf niet in hun dienst stelen moest..

Nadat ze op straat belandde ging ze naar het ziekenhuis van de Salesianen, waar ze door dokter van AZG werd verzorgd. Na verschillende operaties werd ze weer beter. Haar littekens zijn vandaag nog zichtbaar.

Op latere leeftijd kwam ze opnieuw in contact met haar oudste broer, die zei dat hij de God had ontdekt en om vergiffenis vroeg Ze vertelde hem later dat ze hem zou vergeven, maar ze kon het niet vergeten omdat ze elke dag met de littekens wordt geconfronteerd als ze in de spiegel kijkt. Ze vertelde aan haar broer dat God over hem zal oordelen. Toch heeft ze nog altijd geen vertrouwen in haar broers.

Marie kon door de Salesianen een opleiding volgen en/nadat? ze werd in Bakanja center opgenomen. Aldus werd ze geïntegreerd in een nieuwe familie. In 2009 trouwde ,ze werd gelukkig en kreeg twee kinderen. Nu zit ze in het eerste jaar management TW. Ze zou graag boekhoudster worden. Haar nieuwe familie is nu haar echte familie, hoewel ze contact houdt met haar broers. Echter als ze een probleem heeft, gaat ze eerder bij de familie waarbij ze is volwassen geworden.

Ze is gelukkig, maar zal nog gelukkiger zijn als ze haar studies heeft afgewerkt. Ze vertelt dat haar leven hoogtes en laagtes kent, maar ze wil tot het einde gaan en haar studies afmaken.

Ze heeft één wens voor de kindheksen op straat en dat is dat ze de moed er in houden. Zij weet dat er een familie op hen wacht.


Conclusie

Tribale geschillen tussen Kasaïens en Katangezen, economische malaise op het einde van de dictatuur van Mobutu, extreme armoede, dure en ontbrekende sociale voorzieningen, onwetendheid en stadsvlucht van de Kasai naar Lubumbashi zijn de voornaamste oorzaken van de problematiek van de kindheksen.

Deze economische realiteit wordt onbewust of bewust vertaald in bijgeloof, waardoor de kinderen van hekserij worden beschuldigd. Op dit bijgeloof heeft zich een hele markt van charlatans, sekten of religieuze gemeenschappen zoals de pinksterkerken geënt. Deze winnen aan populariteit omdat de traditionele godsdiensten geen soelaas brengen, geen antwoord bieden op de confronterende realiteit...

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.