about
Toon menu

Trom in de RUZ - afl 23

dinsdag 31 juli 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

 

Vorige keer kwam Trom alles te weten over het masterplan tussen mens en dier. De druk is immens aan het worden, legt Atomù hem uit, dus willen wij dieren meer inspraak. Maar omdat er van alles fout kan gaan, kun je beter op tijd leren vallen - dan kun je er nog hartelijk om lachen. Ook Moona ontdekt dat ze meer plezier in haar stem mag leggen als ze zingt of een tekst leest. Dat is trouwens het probleem met de Meesters: die denken in alle ernst dat ze het eeuwig kunnen uitzingen.

 

Zelfhulp voor olifanten


uit Nisja's log De Opstand der Dieren, 2016/23


Het is heerlijk kuieren in de Geheime Vallei. Niet alleen is het op deze hoogte lekker fris, maar de kraterwand die het dal afzoomt geeft al dat groen ook iets intiems. Toch heb je nooit het idee dat je de overkant van de kom bereikt. Quark vergelijkt het effect met dat van een trompe-l’oeil.

‘Het landschap verandert voortdurend van uitzicht. Zo meteen verlaten we het grasland voor een partij rotsen, waar een bergbeekje opborrelt. Verderop is er weer steppe, zelfs een stukje woestijn.’

‘Moeten we in het voorbijgaan niet een teug water nemen?’ zegt Trom.

‘Je vergeet dat er in deze dimensie geen honger of dorst bestaat.’

‘Ik kan er maar niet aan wennen. Ook het licht is zo anders. Al even helder als die beek.’

‘Zoals het herfstlicht in Amerika,’ zegt Atomù. ‘Ik weet van een verre neef dat alle kleuren er een hoop tinten bij krijgen. Het blauw van de lucht wordt er zo diep als dat van het meer van Ngara. Indiaanse zomer noemen ze die herfst daar. Onzin natuurlijk, alsof de roodhuiden het decor zouden hebben geshopt.’

‘Dat is wat de witte tweevoeter ervan maakt,’ zegt Quark.

‘Om maar te zeggen dat ook de Geheime Vallei fictief, illusoir en denkbeeldig is,’ benadrukt Atomù. ‘In werkelijkheid bestaat ze niet en toch is ze er. Alles is hier opperbest, gelijkmatig en toch nooit saai. Filosofen spreken dan algauw van een utopie, een ideaalbeeld. Maar hier is het heel gewoon. Dit is een dimensie buiten alles om.’

‘Ik heb ooit op een samsam beelden gezien die zo gelikt waren dat het niet mooi meer was,’ zegt Trom.

‘Dat komt door het display en de grafische kaart. In de games van tweevoeters is alles altijd even realistisch.’

‘Tot en met de groeven en de plooien in onze huid stonden erop. Zelfs de teken kon je zien zitten.’

‘Ja, technologie,’ rommelt Atomù. ‘Ik geniet toch meer van de ongedwongenheid van dit uitzicht. Van de rest krijg ik koppijn. Moet je horen, Trom, denk niet dat je uitverkoren bent zoals die gladde jongens die zich in zo’n game inkopen. Met geld koop je alles, behalve de toegang tot Sangrila. Je bent hier niet om een bod te doen op Afrika, als je begrijpt wat ik bedoel.’

Trom schudt zijn hoofd. ‘Ik wil mijn grenzen verleggen. Ik wil de geschiedenis van mijn soort leren kennen.’

‘Als je het maar weet,’ zegt Atomù. ‘Concreet, wat wij hier doen, is nadenken over hoe we onze overeenkomst met de tweevoeter kunnen herschrijven. Ik bedoel, we werken voor ze, maar ze zetten ons steeds meer onder druk. We willen meer inspraak, meer toezicht. We willen een visie op de langere termijn, anders zijn we ten dode opgeschreven.’

‘Ik snap het. Maar ik weet niet goed hoe ik daaraan kan bijdragen.’

‘Begin bij jezelf. Doe niet mee als de regels niet kloppen. We kunnen veel hebben, maar niet dat stropers op ons jagen. Als je bang bent, word je een schaduw van jezelf.’

‘Moet je daarvoor eerst niet goed in je vel zitten?’

‘Ook dan is het nergens voor nodig om bang te zijn. Zorg dat de juiste sappen door je lijf stromen, zodat je je goed voelt. Als je straks in must bent, zul je niet weten wat je overkomt. Daar word je heel agressief en opgefokt van, maar je kunt er weinig aan doen. Op de lange duur snak je naar rust. Dan helpt het om aan iets prettigs te denken of aan iets dat je nauw aan het hart ligt.’

‘Er kan van alles fout gaan als ik me laat leiden door mijn impulsen,’ zegt Trom. ‘Dat heb ik al gemerkt.’

‘Dat is waar. Daarom is het nuttig dat je leert vallen. Misschien is dat wel de belangrijkste les. Pas als je weet wat vallen is, kun je weer opkrabbelen. Letterlijk en figuurlijk.’

‘Maar hoe dan? Ik kan me toch niet moedwillig in het ongeluk storten?’

‘Het hangt ervan af hoe je het bekijkt. Figuurlijk heb je allang meegemaakt wat het betekent. Bij de weesjes merkte je al dat je er niet bij hoorde. Daarna lieten de meiden je links liggen. Niemand begreep wat je zei en iedereen noemde je een hark. Baf, dan lag je er. Herken je wat ik bedoel?’

Trom knikt. Het zijn dingen die hij liever vergeet, maar af en toe schrikt hij nog wakker uit zo’n droom. Dan is het alsof hij van voren af aan kan beginnen.

‘Zal ik je leren wat echt vallen is?’ zegt Atomù. ‘Klim eens in die tamarinde. Die grote daar.’

‘Hè? Dat gaat toch helemaal niet?’

‘O nee? Wacht maar af.’ Met de behendigheid van een slang hijst Atomù zich in de boom. Eerst windt hij zijn slurf rond een van de onderste takken, daarna trekt hij zich op, terwijl hij zich afzet tegen de stam. Algauw verdwijnt hij in het bladerdek, waar hij na omstandig geritsel en gedruis weer uit tevoorschijn komt. Trom hoort de boom kreunen onder het gewicht en houdt zijn hart vast.

‘Jochei! Zie je wel?’ trompettert Atomù vanuit zijn verheven positie. ‘Waar een wil is, is een weg. Nu moet ik er wel bij zeggen dat hier in Sangrila alles kan. Maar probeer toch liever een andere boom.’

‘Ik denk er niet aan,’ roept Trom van beneden.

‘Waarom ik zo nodig in een boom wou klimmen?’ galmt Atomù. ‘Zoals ik al zei, om te vallen. Maar nu ik hier zit, het gaat ook om het uitzicht. Je hebt een fabelachtige kijk op de verte. De verte! Je hebt geen idee wat je allemaal ziet. Je blikveld wordt zoveel weidser, je ziet vanzelf hoeveel meer je kunt. Nu ik eraan denk, Trom, kun jij dansen?’

‘Dansen?’ krijt onze held. ‘Ook dat nog. Nee, ik kan niet dansen. Waar zou ik dat geleerd hebben?’

‘Nooit op een samsam gezien? In circussen overal ter wereld dansten olifanten vroeger op een bal. Op één been, hoedje op, slurf in de lucht. Uitbuiting en dierenmishandeling, natuurlijk. Maar wel leuk. Hopla!’

De daad bij het woord voegend begint Atomù hoog in de tamarinde een pasje op de plaats. Op één been huppelt hij in het rond, onder begeleiding van een vrolijke wijs.


Wat is het heerlijk,

klimmen in een boom

genieten van het uitzicht

net een zinderend fantoom


De verte lonkt en trilt

hoog achter het witte duin

niets gaat boven dansen

in een weelderige kruin


Ollies kijken niet op een stunt

we spelen zelfs met ballen

we klimmen zo hoog we kunnen

maar wie hoog zit, kan diep vallENNN!!!


Molenwiekend zoekt Atomù nog zijn evenwicht, maar een ogenblik later komt hij met een enorme klap op aarde terecht. Het lijkt wel of de hele vallei natrilt van de bons. Beduusd betast hij zijn gewrichten.

‘Oei, ai. Dat moet je ervoor over hebben,’ zegt hij met een grijns. ‘Maar heb je gezien hoe ik me afgeslagen heb? Vallen moet je leren, laat dat een belangrijke les zijn. Net als dansen en zingen. Zingen brengt in alle omstandigheden raad. Als je het niet meer ziet zitten, moet je het gewoon van een vrolijker kant bekijken.’

 

Wormgat


Red Jezelf in Bruciety/23, maart 2045


‘Ik kom niet bij,’ zegt Brim. ‘Een olifant die uit een boom valt.’

‘Magnus heeft dat verhaal nog verteld,’ zegt Moona. ‘Het kwam van een schijfje, zo’n glimmend plaatje waar muziek op stond. Het was van jouw vader, Q.’

‘Een luisterboek?’ zeg ik. ‘Te gek. Ja, Joris orderde die weleens toen hij last kreeg van zijn ogen. Ik heb liever iets tastbaars dan zo’n download, zei hij - zo dachten de mensen toen. Die spullen moeten nog op zolder liggen.’

Ik hoef niet lang te zoeken. Uit een rek diep ik een doos vol blu-ray’s en vinyl op. Toen mijn vader naar zee verhuisde heeft hij de boel laten staan. Daar heb ik het al, Het wezen van de olifant. Geen idee dat Nisja hier inspiratie uit putte, het zijn geen sprookjes voor kinderen.

‘Het zit allemaal op Lost Data,’ roept Moona even later onder aan het trapgat. ‘Jouw olifantenfilmpjes. Een paarse olifant die uit een boom kukelt. Je moet wel zoeken, het komt uit de oude doos. Maar er zit leuke muziek op.’

Ik laat het luik van de zolder open, want ik wil straks nog even verder snuisteren. Ze kloppen je gewoon in snelheid, die kids, ook een vroege digital native als ik.

‘Tellegen heette die schrijver,’ zegt Moona beneden in de studio. ‘Wacht, Bloss beamt het naar jouw screen.’

Er flikkeren stop motion beelden van een dansende olifant voorbij. Kleurpotloodschetsen, een tikje tweedimensionaal, met een kekke stem eronder en een blaasorkestje.

‘Heb je geen teksten gevonden?’

‘Nee, alleen filmpjes.’

‘Zullen we luisteren wat er op mijn schijfje staat?’

Ik stop de disk in een al jaren niet meer gebruikte gleuf. Even de juiste poort kiezen en algauw kraken stemmen door de soundbars. Dieren die praten en zaken aan elkaar rijmen die niets van doen hebben met de geprojecteerde werkelijkheid. De logica van een absurde geest.

‘Die man bedacht gewoon dingen die niet mogelijk zijn,’ zegt Moona verbaasd. ‘Hoe kwam hij daarmee weg?’

‘Gewoon, dat was creativiteit toen.’

‘Ik vind het maar raar.’

‘Ik vind sommige dingen die jullie doen ook raar. Alles is relatief. Moet je horen, hij linkt dingen die niet bij elkaar horen. Het resultaat is een ongehoord nieuwe combinatie. Dat is toch precies hetzelfde als van dimensie veranderen? Net zoals in de Geheime Vallei?’

‘Bizar. Net alsof ik in een wormgat gezogen word.’

‘Hoor je hoe hij met de juiste klemtonen de ongerijmdheden kracht bijzet? Zodat die olifant wel degelijk in een boom kan klimmen en boven in de kruin gaat dansen.’

‘En naar beneden dondert,’ lacht ze. ‘Mag ik eens?’

Ik kopieer de tekst en krik mijn Move voor haar op. Gewichtig schraapt ze haar keel voor ze begint aan een verhaaltje over een mier die de olifant een bezoek brengt.

‘Leg er wat meer intonatie in,’ zeg ik. ‘Kijk, dit is een vraag. En wat drukt de mier hier uit? Verbazing? Dat mag je niet zo vlak lezen. Luister goed naar de stem op je set. ’

Ik laat de passage nog eens lopen en daarna is Moona weer aan de beurt. Ze heeft gauw door dat je zo’n tekst al spelende moet lezen. Tegelijk moet je erg geconcentreerd blijven, want al die opeenvolgende emoties vragen telkens om een andere zegging. Het is best niet makkelijk.

‘Ik durf niet goed terwijl jij erbij zit,’ zegt ze. ‘Ik voel me een beetje bloot. Net alsof ik me belachelijk maak.’

‘Zo is het toch ook met zingen? Je bent bang voor mijn oordeel, maar ik ga je heus de grond niet inboren. Je doet het heel goed en je leert ontzettend snel. Weet je wat? Ik laat je in je eentje oefenen. Maar gebruik die set met botgeleiding, dan kun je jezelf corrigeren.’

Het is me wat, zo’n schaduw die altijd weer de kop opsteekt. Moona moet inzien dat real life gekleurd wordt door haar eigen perceptie. Haar gedachten zijn de soundtrack van haar leven, de filter waardoor ze alles bekijkt.

In mijn jonge dagen ondervond ik al dat je de druk het best kunt counteren met scherts en luim. Je was pas uit de luiers of je kwam in de opvang terecht. Daar leerde je al vroeg op je eigen benen te staan. De pijn van alleen te zijn, de realiteit van anderen die over je heen lopen. Dan leerde je een masker op te zetten van spot en zwans.

Kinderen als Moona kunnen daar niet goed mee overweg. Het lukt ze niet om als pierrot door het leven te gaan, zelfs niet om te doen alsof. Maar voor dat teveel aan ernst wordt nauwelijks geduld opgebracht, ze worden net als andere youngsters klaargestoomd voor de Markt, zelfs in Bruciety. Wat we ook proberen om de kloof te dichten, tegen de overmacht van G kunnen we niet op.

In de laatste Masters & Disasters die Lothar en ik aan het voorbereiden zijn hebben we het nadrukkelijk over die Big Gap. Zuidelijke en noordelijke regio’s, prefamilialen en postfamilialen, ondernemend en behoeftig, sociaal intelligent en uitgerangeerd, allemaal leven we naast elkaar. Stuk voor stuk vertegenwoordigen we aparte bubbels van een soort die steeds diffuser wordt en verder versplintert.

De meest megalomane uitingen daarvan tot nu toe zijn de reizen van Space/Galactic. Zielige rijke stumpers, ze dachten op de loop te gaan voor onze woedende Moeder Aarde. Maar wie het gehaald heeft tot Mars heeft er voorlopig het eeuwige leven nog niet gevonden. G zet allang in op de volgende frontier: topmasters als Wang Li en Robert Mercer, die met spierkanker kampten, hebben voor ze zich lieten invriezen hun brein toevertrouwd aan een supercomputer. De bedoeling is om in betere tijden te verrijzen, maar wat verandert dat aan hun eindigheid? Ik bedoel, wie zal hen nog willen als ze wakker worden? Al die cyberkoppen die straks zullen smeken om stilgelegd te worden, wat moeten we daarmee? Is het niet beter om gewoon te sterven?

Arm hemelpartikel, het heeft de wetenschap in zo’n staat van verdwazing gebracht dat het hiernamaals geannexeerd werd als de next place to go. Op aanwijzing van ruimtetelescoop Euclides is de virtuele capsule BEYOND met een superbrein onderweg naar Andromeda. De bedoeling is via een singulariteit de donkere energie te doorbreken naar een ander universum, meer bepaald dat van het hereafter.

Dit doet gewone hersens tollen, maar de vraag is of ons een veel beter einde wacht. Passieven zullen de eersten zijn die endlöst worden in deze heerlijke nieuwe utopie. Ook voor actieven zal de ruimte steeds nijpender worden. Op de lange duur gaat heel onze samenleving virtueel.

Moona rukt me uit mijn overpeinzingen. ‘Q, zit niet zo te suffen. Ik heb vijf minuten voorgelezen en ik krijg mijn a er niet meer uit. Wat doe ik verkeerd? Mijn stem heeft geen kracht meer. Ik heb adem te kort.’

Back to basics, dear. Ik zie het al, je gebruikt je gehemelte niet en je hangt niet aan je koord. Positioneer die a meer achteraan in je mond en trek je bovenlip op, alsof je je neus ophaalt voor alles en iedereen. Lekker smalend.’

‘Bloss en ik hebben zelf ook een liedje gemaakt,’ zegt ze. ‘Gewoon, een paar teksten bijeengeharkt en geëdit.’

‘Om te zingen? Ik ben benieuwd. Als je zingt, komt de a vanzelf goed, dat weet ik zeker.’

‘Maf hoor, wat er allemaal uitkomt als je de I laat filteren op -ant. Ik bedoel niet alleen rijmen, maar alles wat er mee te maken heeft. Luister maar.’


Trom is een leuke olifant

hij houdt heel erg van d’oude trant

zo belandt hij aan de kant

tot hij opduikt als de hiërofant


Jesus, Boeddha, Moses en Ganesha

de oppergod troont boven de massa

hij wordt aanbeden door elke diva

en hoeft zelf nooit langs de kassa


Trom klimt om te kunnen vallen

hij danst in een boom met twee ballen

en in de sneeuwnacht bij de wallen

staan we te gapen met zijn allen


‘Bravo, Moona,’ zeg ik. ‘Dat is een fraaie trap. Hoe hebben jullie die zo vlot in elkaar gedraaid?’

‘Het zit allemaal op Lost Data. Je kiest een hitlijst en dan hoef je maar te shuffelen.’

Wat zei ik daarnet over te veel ernst? Zo simpel kan het zijn. Moona hoeft alleen wat te samplen om greep te krijgen op de hele rimram. De leugens die ze haar wijsmaken, de fobieën die haar plagen, ze hoeft haar creativiteit maar aan te boren om tegen de stroom in te gaan.

 

Volgende keer krijgt Trom een kwamtumimpressie van zijn overleden voorvader Merengo te zien. En eindelijk komen de voorbereidselen op gang voor het schoolfeest, dat zal plaatsvinden in communitycentrum de RUZ.

 

Auteursrecht bij SABAM - illustraties Inga Moijson - eigen foto's

 

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.