about
Toon menu

Trom in de RUZ - afl 18

dinsdag 26 juni 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

 

Vorige keer drukte Mater Trom op het hart dat hij dringend op zoek moest naar de Geheime Vallei. Eerst moet hij nog voorbij de Masotonmijn, maar daarna wijst een vriendelijke ossenpikker hem de weg. Quint van zijn kant heeft heel andere zorgen. Ziva heeft Moona's groene laarsjes gestolen en die gaat hij nu met de burgerwacht bij haar thuis recupereren. Dit is een extra lange aflevering, waarin we rondzeilen door de Jungle van BruNorth - nel mezzo del cammin in de oude Vlaregio, die op jammerlijke wijze getuigt van haar verleden. Het spel gaat naar een volgend level...

 

Tantalium


uit Nisja's log De Opstand der Dieren, 2016/18


Daar staat Trom. Alleen op de oever van het Ngarameer, niet wetend wat te doen. Na een onzalig bad blaast hij een laag stof over zich heen om zijn rug te beschermen tegen de blakende zon. Daarna klimt hij de helling op, terug naar de vlakte.

Of wacht, hij bevindt zich over de grens. Als hij op de savanne blijft, kan hij met geen mogelijkheid de vluchtelingenkampen ontwijken. Die liggen als een uitgelopen vlek te sidderen tegen de horizon. Hij moet onbekend terrein kiezen, zei Mater, de Oost-Afrikaanse republiek in.

Hij kan die mirage natuurlijk ook ontwijken doorheen de stad. Mugwana, brr, wat een schrikbeeld. Dat heeft nog geen olifant hem voorgedaan. Vooral met die stadions die papa Zeus aan het bouwen is. Trom heeft wel zin in een partijtje gelijkspel, maar niet in zo’n massagedoe.

Hij heeft geen alternatief, zo simpel is het. Mater zei links van de kampen te blijven en over de Masotonketen heen te klimmen - dat is een uitloper van de Amhetat. Maar als hij door de engte van Masoton moet, kan hij de mijnen niet ontlopen. Dat is geen prettig vooruitzicht.

Zuchtend staart hij in de verte. Waarom maken die tweevoeters het elkaar zo moeilijk? En dan heeft hij het niet zozeer over de Kirim of over de stropers van Bozo. Erger zijn de verhalen van Gaetan en Bulli over de twisten in de Oost-Afrikaanse republiek, waarbij stammen elkaar te lijf gaan omdat de ene rijzig en aristocratisch is, de andere gedrongen en getatoeëerd. Of om hun geloof, wat dat ook moge zijn. Bulli heeft het proberen uit te leggen, maar veel heeft hij er niet van begrepen.

‘Vroeger waren de tweevoeters animisten, toen geloofden ze in natuurgoden,’ zei hij. ‘Maar met de komst van de witte tweevoeters kwamen missionarissen hen een christengod aanpraten. Geen idee wat die voorstelt, het doet er ook niet toe. Want even later kwam er een islamitische god zijn deel opeisen en toen was het hek van de dam.’

‘Om de spleetogen niet te vergeten,’ had Gaetan eraan toegevoegd. ‘Die hebben de mijnen overgenomen en omdat er al eens een robbertje om gevochten wordt, hebben ze de mijnwerkers op oosterse manier gedrild. Elke ochtend doen ze gezamenlijk oefeningen, daarna lopen ze in rijen de mijnen in. Heel Afrikaans allemaal, haha.’

Wat ze daar uit die grond ophalen moet kostbaar zijn, begrijpt Trom. Tel daar die godsdienst- en stammentwisten bij op en je snapt waarom de kaart van Oost-Afrika zo hertekend is. Malambi komt er nog relatief goed van af. Geen wonder dat al die tweevoeters van heinde en verre naar de kampen hier ter plaatse komen gevlucht.

Met de moed in de schoenen sjokt Tromp naar het oosten. De Masotonheuvels liggen als een grijspaarse lint voor hem uit. Langs diverse omwegen trekt hij door de bush, om de paden van de tweevoeters te mijden. Waar hij niet anders kan, steekt hij hun sporen over, tussen de stofwolken van de rijdende kisten en gele laadbakken door.

Af en toe spot hij een kudde olifanten. Hij kan ze niet altijd ontlopen. Wanneer hij bijvoorbeeld gaat drinken, komt er de helft van de keren een soortgenoot rond hem draaien die rommelend aan een begroeting begint.

‘Hé, jij bent nieuw hier. Waar kom je vandaan?’

‘O, van Ngara. Oorspronkelijk kom ik van Salanga, maar ik ben in Tingatonga opgegroeid. In Taalu, eigenlijk.’

‘Zo, een wereldburger. Wat voert jou naar deze contreien, als ik vragen mag?’

‘Dat mag zeker. Ik ben op doorreis, misschien kun je me helpen. Ik ben op zoek naar mijn vader, meer bepaald naar Atomù. Wellicht kan die me iets over mijn afkomst vertellen.’

De meeste olifanten die Trom zo ontmoet, verzinken in diep gepeins of beginnen omstandig de lof te steken van de legendarische bul, maar blijven Trom verder een antwoord schuldig. Tot hij, de vierde dag na zijn vertrek uit Ngara, op een hartelijke oude matriarch stoot.

‘De zoon van Bella, zeg je? Ken ik. Maar dan is jouw vader als je het mij vraagt niemand anders dan Atomù zelf. Kijk maar, je hebt zijn oren, dat gekartelde aan de rand. Ik zal een bericht voor je teletammen, misschien komt hij boven water. Als ik een signalement krijg, straal ik het je door.’

De vriendelijke woorden van het besje brengen Trom in alle staten. Stel je voor, die indrukwekkende bul die in Taalu zijn tand kwam laten trekken zou zowaar zijn vader kunnen zijn... Hij had hem gezien zonder het te beseffen. Maar de euforie duurt niet lang. Wat als hij Atomù niet vindt? Hij kan toch zijn leven lang niet blijven zoeken?

Na zeven dagen zwerven bereikt Trom de engte van Masoton. Hij wacht tot de nacht valt om de pas te bestijgen, omdat er te veel verkeer is. Maar ook de diepe duisternis wordt doorboord door tweeogige blikken monsters die hem voortdurend van de weg rijden. Er zit niets anders op dan te overnachten in een bosje aan de kant.

Als hij de volgende ochtend zijn schuilplaats verlaat, wacht hem een hallucinant schouwspel. Diep beneden hem ligt een enorme kuil. Helemaal onderin wroeten monsters op rupsbanden in de rode aarde. Sommige hakken in de bodem en scheppen hele ladingen in klaarstaande bakken. Die zwoegen langs terrassen de helling op en passeren hem op een haar na.

Tussen alles in wriemelen tweevoeters, die als mieren in een gat duiken of in een schacht verdwijnen. Ze worden in het oog gehouden door kleinere opzichters die hen tot harder werken aanporren. Als Trom er tussen het gebladerte een van nabij te zien krijgt, vallen hem de spleetogen op. Zo, dat zijn dus Chinezen. Of Aziaten, weet hij veel.

Voorzichtig zet hij zijn weg voort, zo veel mogelijk tussen het struikgewas. Maar de mijnwerkers hebben geen oog voor hem. Het enige wat hen interesseert, is het erts dat ze uit de grond halen. Trom herinnert zich dat het moet dienen als grondstof voor samsams. Hoe heette het weer, tantaliet? Het zit samen met columbiet in het gesteente.

De reden waarom het zo gegeerd is, is dat het tegen zeer hoge temperaturen kan. Dat is belangrijk voor toepassing in een samsam. Met de teletam heb je dat probleem niet, al is hij nooit handig geweest in die dingen. Wat hem opvalt, is dat de mijnwerkers er absoluut niet gezond of tevreden uit zien. Hij kan beter maken dat hij wegkomt.

Aan de andere kant van de pas is het rustiger. De Amhetat ligt als een plaatje op de achtergrond, net zoals in het westen of het zuiden. En toch moet hier niet zo ver vandaan de Geheime Vallei liggen. Overal waar hij langskomt, vraagt Trom zonder omwegen naar Atomù. Nu hij zo dichtbij is, mag hij geen kansen verspelen.

‘Hèhè, daar knap je van op,’ begint hij een praatje met twee wijfjes van zijn leeftijd die op een rustig plekje staan te drinken. Maar de twee hebben het niet zo op hem begrepen en kijken verveeld naar hun tantes.

‘Weten jullie soms waar ik Atomù kan vinden?’ vraagt hij dan maar gauw. ‘Je weet wel, die grote bul waar iedereen ontzag voor heeft. Een geboren leider.’

‘Hu nee, daar kan ik je niet mee helpen,’ zegt een van de meiden. Haar vriendin richt haar slurf, klaar om alarm te blazen.

‘En de weg naar de Geheime Vallei, ken je die?’

‘Wat een griezel,’ zegt de tweede tegen de eerste. ‘Die is vast iets van plan. We kunnen ons beter uit de voeten maken.’

‘Ik heb alleen eerbare intenties,’ verzekert Trom hen plechtig.

‘Laat ons met rust, sukkel,’ schetteren de twee. ‘Had je ons nu het hof gemaakt, daar hadden we misschien wel oren naar gehad.’ Schaterlachend verwijderen ze zich en zwaaien om hun woorden kracht bij te zetten wellustig met hun kont.

‘Oprotten,’ roept een tante die komt aanstormen. ‘We hoeven geen stieren in de buurt. We zitten vol.’

‘Ja maar, de Geheime Vallei,’ zegt Trom.

‘Die is geheim, anders had ze een naam,’ scheldt de oude tante. ‘Wegwezen, we hebben wel wat anders te doen dan met vreemde snuiters om te gaan.’

‘Wacht, zo heb ik het niet bedoeld,’ roept Trom nog. Hij snapt niet wat hij verkeerd gedaan of gezegd heeft. Er zit niets anders op dan zijn weg verder te zetten, al is hij wel een beetje aangeslagen. Kost het nu zo veel moeite om een vreemdeling die de weg kwijt is verder te helpen? Hij dacht altijd dat olifanten het goed met elkaar konden vinden. Dat is duidelijk in een andere wereld.

‘Let er maar niet op,’ fluistert een ossenpikker hem in het oor, terwijl hij vakkundig een teek uit een van zijn huidplooien trekt. ‘Die soortgenoten van jou is het een beetje in de bol geslagen. Ze zijn een schoonheidswedstrijd begonnen via de samsam. Kun je nagaan.’

‘Kun jij praten, ossenpikker?’ zegt Trom beduusd.

 ‘Natuurlijk. Of jij kunt mij verstaan. Het zal je teletam zijn, omdat je zo alleen bent.’

‘Te gek. Dat heb ik nooit eerder meegemaakt.’

‘Het moet een keer de eerste keer zijn. Misschien heb je wel de gave.’

‘Ik, de gave? Wat bedoel je daarmee?’

‘Gewoon. Dat je niet bent zoals de anderen. Misschien is daar wel een reden voor.’

‘Hou maar al op, ossenpikker,’ onderbreekt Trom de vogel met de rode snavel en de verbaasde ogen. ‘Vertel me liever waar de Geheime Vallei ligt. Ik durf er mijn hoofd om te verwedden dat je dat niet weet.’

‘Bedoel je Sangrila? Toch wel, beste vriend,’ zegt de ossenpikker. ‘Het is makkelijk zat. Een dagreis verder naar het oosten stoot je automatisch op de Balim Tessa, dat is de volgende uitloper van de Amhetat. Daar heb je ondoordringbaar tropisch woud op de hellingen.’

‘Zoals in het Daktabos?’

‘Weet ik veel. Vraag daar naar het verblijf van de grote gorilla, die zal je de weg wijzen naar de muur.’

‘De grote gorilla, de Balim Tessa, een muur?’ Trom is de kluts kwijt.

‘Veel geluk,’ zegt de ossenpikker. ‘Ik moet op huis aan. Het was me een genoegen, ik heb smakelijk gegeten. Succes ermee en ajuus.’

 

Groene laarsjes


Red Jezelf in Bruciety/18, februari 2045


‘Nu zijn haar laarsjes gepikt,’ schreeuwt Brim al van op de gang. Hij laat de deur achter zich dichtvallen.

‘Je zus,’ roep ik. ‘Moet die niet binnen?’

‘Ze is er nog niet. Ze rijdt op haar sok-ken, bah!’

‘Wat is er nu weer aan de hand?’

‘Girl Power heeft haar laarzen gejat, omdat ze vintage zijn. Wie loopt er nu op groene laarsjes, zegt iedereen. Ik in ieder geval niet. Mijn boots zijn zwart.’

‘Heb je het over die groene laarsjes met witte sterren? Die zijn nog van Nisja.’

‘Ik heb haar weer uit de handen van de chicka’s mogen redden. Ik kon het getreiter horen tot in onze kleedkamer. Nog goed dat de training er net opzat. Ik heb m’n noppenschoenen amper kunnen opbergen.’

‘Dat Krav maga is geen goed idee,’ zeg ik. ‘Die meiden stalken haar overal. Terwijl ze doen of ze niet bestaat.’

‘Er zitten ook jongens op Krav maga. Maar die watjes durven niks te beginnen tegen Ziva’s gang. De voetballers zijn weer mogen inspringen.’

‘En waar zijn Moona’s laarsjes dan nu?’

‘Geen idee, weg. Die zijn niet meer opgedoken.’

‘Was er geen coach in de buurt?’

‘Ik heb geen coach gezien. Die waren in bespreking.’

Niet veel later komt Moona aanfietsen. Goed dat ze die oude steelframe van haar nog niet hebben gestolen. Zie haar sukkelen met haar rugzak. Dat dikke haar dat uit de kap van haar jack valt, helemaal Nisja. Ik moet haar zelfredzaamheid leren. Ze kan beter weer gaan zingen dan op die agressieve zelfverdediging inzetten. Ze moet zich met haar stem leren weren.

‘Trek gauw een paar slippers aan,’ zeg ik tegen haar, zoals ze daar druipend in een plasje staat. Ze zwijgt en kijkt de andere kant op. Mijn bloed kookt, zo kan het niet langer. Even later schrokt ze een bord havermoutpap leeg. Daarna verdwijnt ze onder haar sounddome en wuift ze haar I aan. Ze soest weg alsof ze onder de smack zit.

‘Hebben ze haar pijn gedaan?’ vraag ik aan Brim.

‘Ze zat op een bank in een hoekje gedoken. Ziva en Medie en Alya stonden haar uit te jouwen. Kom ze halen, je groene laarsjes, riepen ze. Ik zag dat ze striemen had op haar arm.’

‘Striemen? Laat zien,’ zeg ik tegen Moona.

‘Laat me met rust,’ krijst die. Ze springt op en vlucht de kamer uit.

Het is genoeg geweest, besluit ik formeel. Ik select de school en request de sporttutor, Katniss Devriendt. Ze is er niet, wil ik een afspraak voor volgende maand? Ik verbreek de verbinding. Ik kan beter het heft in eigen handen nemen.

‘Waar wonen de Krechnicks weer, Brim?’

‘Op de Korenberg in Zaventem. De laatste wijk, waarom?’

Ik geef geen antwoord, maar dial Leon Wees van de burgerwacht.

‘Hallo, Leon. Ik wil dringend wat punten inhalen, kan ik vanmiddag nog met iemand mee?’

‘Dat komt goed uit. Arseen Thiry heeft afgemeld, ik zocht nog een partner. Je kunt met mij mee, maar het is wel het grote parcours.’

Even later til ik mijn speedbike van de haak en rij in mijn felblauwe wachtpak het paadje af. De support staat op groen, maar ik blijf nog even op mankracht. Ook de Maalberg af spaar ik stroom, tot ik het inductiepad bereik. Honderd meter verder sla ik de straat van Leon in. Hij staat me al op te wachten.

‘Fijn dat ik mee kon. Moona haar laarsjes zijn gepikt in de dojo. Ze zijn nog van Nisja. Ze kwam er op een dag mee van de zolder.’

‘Is dat nergens geregistreerd?’ zegt Leon.

‘Op sportdag? Die kids hacken de cams even makkelijk als jij of ik. Desnoods met een welgemikte bal, een sok eroverheen is dan nog het subtielst. Brim had wel een klappertje, maar dat is nepbewijs.’

‘Wat ben je van plan?’

‘Passeren we langs de Korenberg in Zaventem? Ik wil de vader van haar mobster interpelleren.’

‘In een secure area? Van de Freeport?’ Leon denkt na. ‘Het valt te proberen. Het is rustig, we hebben de tijd.’

Het adres van de Krechnicks ligt op driekwart van onze ronde, op het verste punt. Gelegenheid te over om een strategie te bedenken, Leon is goed in improviseren. Met zijn tweetjes hebben we al voor hetere vuren gestaan. Hij heeft de nieuwste smartware van de Factory tegen beveiligingssystemen, maar de taser laat ik aan hem. Ik heb het ding ooit gebruikt tegen een woeste passenger. Griezelig, maar anders was ik er misschien geweest.

‘Het geeft geen zin je op te winden,’ zegt Leon nadat ik mijn verhaal heb gedaan.

‘Er is anders reden genoeg voor. Wat baat het om kids te nemen als je ze geen structuur geeft? Als ze zo aan hun lot overgelaten worden dat ze geen kind meer kunnen zijn?’

Leon is het met me eens. ‘Het systeem legt verantwoordelijkheden op waar ze niet klaar voor zijn. Het idee dat coaches zo vroeg mogelijk de leiding moeten overdragen, stel je voor. Dat kunnen kids gewoon niet aan. Ze missen ervaring, ze voeren uit zonder vragen te stellen.’

‘Wie niet meekan of anders doet, rangeren ze uit. Zo is de pikorde.’

‘Die houding legt de Vrijhavenautoriteit geen windeieren. Ik snap het wel, ik trok als kind het gezag van mijn ouders ook in twijfel. Zo deconstrueer je de boel. Zo blijf je langer aan de macht. Denken ze.’

‘Hm,’ zeg ik. ‘Maar nu loopt het de spuigaten uit. Invoelen wordt gewoon als een zwakte ervaren. Daarom dat Moona in het verdomhoekje zit. Ze is te sensitief. Terwijl de anderen op de Korenberg wonen. Materieel feit!’

Leon doet er verder het zwijgen toe. Het eerste stuk van zijn ronde laadt hij graag zijn batterijen op, figuurlijk dan. We rijden tussen ontluikend groen, het lijkt of er al iets van lente in de lucht hangt. Voorbij Beaulieu, na de rotonde, voegen we in op de snelas BruMet-Vilvoorde, temidden van het woon-werkverkeer. Allemaal dispatchers die nog op kantoor werken en rond deze tijd naar huis glijden. Er is geen sprake van in te halen, wees blij als je je plaats in de stroom kunt houden. Nu ja, twee burgerwachten tussen de cams en de drones, dan riskeert niemand strafpunten.

Voorbij Haren slaan we af naar het industrieterrein van Evere, op het voormalige spooremplacement. Dit is Vrijhavengebied, al heeft het zijn beste tijd gehad. Oude verdeelcentra waar het betonrot heeft ingezet. De carriers staan dof te glimmen van het snot dat uit de hemel miezert. Dit is de achterkant van e-commerce, de façade op entertainet is het enige wat telt.

Leon rijdt om naar een stuk commons waar makers in oude loodsen profielen lassen en designobjecten vervaardigen. Hoe lang nog? De meesten zetten in op service en maintenance, dat tikt beter aan. Onderdelen vervangen en weggooien, zoals vroeger. Een tijd geleden deden de beroepsvakken het nochtans goed, maar de opleving is alweer voorbij. Deeleconomie komt evengoed neer op bedrijfje spelen - dat betekent herstructureren, afdanken en sluiten. Je kunt er niet naast kijken in deze aftandse ateliers, zelfs Leon heeft er moeite mee om de ID’s van de stielmannen te controleren. Ook in Bruciety primeert op de lange duur de vorm en is value een bijproduct geworden. Maar wat wil je, met die massaproductie van overzee die naast de deur door automatische kaaimannen wordt gelost. Vergeet het maar dat G in de human underworld zou investeren.

Op weg naar het kanaal moeten we over een oude overgang. Ik glijd bijna uit over de sporen. Industrieel erfgoed, een van de laatste plekken die niet ondertunneld zijn. Om het halfuur schuift er een goederentrein van of naar Antwerp-Ro’dam voorbij, nog raar dat deze bypass nooit is gehackt. Bovendien begin ik te zweten onder mijn jack. Ik moet uitkijken, de vochtigheid doet mijn stem geen goed.

Weer in de bewoonde wereld, op de oude markt van Heembeek, is er nog een oude kroeg open tussen de speelholen en de automatenhallen. Ik zie zelfs een frietkraam in bedrijf. Te gek, zo’n donkergroene trailer, dat die nog bestaan. Nog vreemder is dat hij een obesitascertificaat gekregen heeft, stelt Leon vast.

Voor de kroeg staat een man in een cape in een vuilnisbak te rommelen. Een paar hangjongeren steken met hem de draak, voetgangers haasten zich er, personal dome hoog opgestoken, in een wijde boog om heen. Leon maakt een opmerking tegen de kids, die er landerig vandoor gaan. Verder is er bitter weinig passage, alleen een Prime afhaalcenter lokt met zijn helverlichte etalage nog wat volk.

Even later bereiken we de grens met het oude Koningslo. We nemen een kasseistrook, omdat we anders een te grote omweg moeten maken. Dit wordt een eind fiks trappen, om onze accu’s te sparen. Stel je voor, kasseien, en dat midden eenentwintigste eeuw. Mijn arme bike wordt dooreengeschud.

Een eind voor T&T, waar we het kanaal weer over moeten, stoten we op een zestal passengers die met hardboard panelen op trolley’s over straat zwalpen.

‘Ho, waarheen gaat de tocht?’ roept Leon. ‘English, Français? Arabic, Swahili, Lingala?’ Hij pronkt graag met zijn talen. Ook al kent hij maar twee woorden, het opent soms barrières. De vreemdelingen, suf van de vermoeidheid, doen in eerste instantie of ze het niet horen. Wat kan ze de bemoeienis schelen, ze zijn aan het eind van hun latijn. Ik meen zelfs een Maasai tussen hen te herkennen. Sprak ik maar zo goed Maa als Nisja destijds.

‘We mogen het kamp niet in,’ zegt een afgetobde West-Afrikaan ten slotte.

‘Bedoel je de Jungle aan de overkant van het kanaal?’

‘We lopen al dagen aan een stuk van poort naar poort, maar nergens mogen we erin,’ roept een ander.

‘Al wat we vragen is een plek om te slapen en wat te eten. We willen asiel, we zijn op de vlucht.’

Mijn hele familie is van kant gemaakt, versta ik tussen het geharrewar dat volgt.

‘Ho ho,’ roept Leon. ‘Hebben jullie de oude kazerne verderop al geprobeerd? En het Huis van de Toekomst? The House of the Future? Daar is voedselbedeling, kan niet missen. Maar jullie kunnen hier niet langs de rijweg blijven stappen. Als de drones van de Freeportsecurity jullie spotten, worden jullie opgepakt. Hoe zijn jullie zover geraakt?’

Ik begrijp iets over een boot die hen eruit heeft gezet. Leon kijkt me aan. We besluiten hen een eind te begeleiden, ook al moeten we onze schedule omgooien. Gelukkig is er in de kazerne plek. Tegen dat we vertrekken zitten onze beschermelingen al over een bord soep gebogen. Een douche en een brits voor de nacht, dat is dan toch dat.

‘De nieuwste route is die van de kanaalschepen,’ zegt Leon als we weer rijden, ditmaal met volle support. ‘In plaats van die inlandcontainers wat beter in de gaten te houden. Ze komen helemaal overzee uit Afrika, met het idee dat de Kanaaltunnel weer open is. Daarna proberen ze een containerschip in Calidennes of Zeeburg. Als ook dat niet lukt, nemen ze de waterwegen naar de verdeelcentra in Antwerp en Bruregio. Tja.’

Om nog meer tijd in te halen sjezen we met veertig per uur over de ventweg van wat in de volksmond Nobody’s Place heet. Normaal loopt onze ronde door de ruïnes van het afgeschoten shoppingcomplex, maar dat lukt deze keer niet. We willen immers nog langs de Korenberg.

‘Die vintage laarsjes van Moona krijgen voorrang op alle mogelijke passengers en het andere tuig dat hier hokt,’ zegt Leon. ‘We hebben ons best gedaan, wat jij?’

Het is mooi geweest, dat vind ik ook. We hebben ons doel lang genoeg voor ons uit geschoven. Het is ook goed om vooraf even over vertrouwd gebied te rijden. Zwierig gooien we ons tussen de konvooien die Bruring verlaten.

De Oudstrijderstraat in Machelen is afgesloten. De contaminatie die een neergestorte silentcarrier zes jaar geleden veroorzaakte, maakt van het centrum te mijden terrein. Maar er valt geen noemenswaardig incident te noteren, behalve een witte e-truck voorbij het Lindenplein die met zijn oplegger op de afrit gestrand is. Er hangen een aantal drones boven het gevaarte, dus voor ons is alles onder controle.

Na de hel van Bruring is de luchthavenvlakte een verademing, al stijgt er per dag nog altijd een aantal zware transporten boven op. De laatste fossiele routes voor de komst van de hybride luchtschepen. Maar dat mag de pret niet drukken. Airport, railport, waterport, wat maakt het uit voor mensen als ze kunnen werken voor de Vrijhaven. Leon en ik passeren straten vol halfopen bebouwing, allemaal woningen met een plantsoen voor de deur.

Toch oogt de aanblik in de invallende duisternis niet opbeurend. Dit is de oude Vlaregio, zoals ze er jaren geleden al bij lag. Overal verroeste hekwerken en opgeschoten groen. Het lijken wel vestingen, versterkte burchten die de bloomers moesten vrijwaren van instromers. Die hebben de boel intussen allang opgekocht.

Op de opritten staat hier en daar nog een fossiele limo te roesten. Alsof die wil zeggen: wat een verkwisting, die oude huizen. De energie verdampt gewoon los door het dak. In de hele wijk hangt een nare geur van de rook die uit de schoorstenen komt.

‘Uitgerekend hier stoken ze nog biopellets,’ snuift Leon.

‘Ik had geen idee dat dit nog kon in Bruregio,’ zeg ik.

‘Ik kan het alleen melden. De geschillenservers beslissen over het verloop van de zaak. Het kan snel gaan, maar je kunt ook heel lang wachten op een uitspraak.’

‘Wat ga je doen, seponeren?’

‘Gewoon negeren,’ zegt Leon. ‘Rijden maar.’

Iets verderop staan er opvallend veel trucks met uitheemse ID’s voor de huizen. Dit is de buurt van de bemande transporten, die nog met eigen chauffeur opleggers vervoeren. Daarom dat er overal laadpalen voor de deur neergepoot zijn. Privétruckers hebben nog een beroep met aanzien.

‘Volgens mijn trackmaster naderen we onze bestemming’, zegt Leon. ‘Ik zal het woord nemen, OK? Het zal al moeilijk genoeg zijn om voorbij de smartcam te raken.’

‘Misschien maakt ons pak indruk.’

‘Laat me niet lachen. Voor hetzelfde geld is er niemand thuis. Die havenmeesters zijn vast laat op pad.’

‘Of Oswald Krechnick werkt net als iedereen van thuis uit. Ziva zal hem alvast niks aan zijn neus hebben gehangen. Het zal een volslagen verrassing zijn ons op de stoep te zien staan.’

We rijden de Bloemenlaan in, waar de Krechnicks wonen. Veel fleurigs is er niet te zien in de schemer, al komen hier en daar al kerselaars uit de knop. Alles is permanent van slag, we hebben ermee leren leven. De tuinen lijken trouwens meer op een bouwwerf dan een lusthof.

‘Moet je die spullen zien. Hier wordt een en ander grondig opgelapt, mag je zeggen.’

‘Dure boel. Maar het levert werk op voor handwerkers, plus de helft van de afsluitingen staat open. Dat maakt het een stuk makkelijker.’

‘Om de aftocht te blazen als Ziva’s moeder ons met een stengun van haar grondgebied jaagt.’

‘Wie weet zijn het lieve mensen die met hun dochter geen raad weten,’ zegt Leon. ‘Of die niet weten wat een kreng hun lieverd is.’

‘Dat denk ik niet,’ zeg ik kil. ‘Dat denk ik niet.’

We minderen vaart, want in een flauwe bocht van de Bloemenlaan tekent zich de residentie van de Krechnicks al af. Een imposant maar onbetekenend blok graniet voorzien van een potdicht hek. Leon gaat voor de smartcam staan en drukt op de toets. Het duurt een poosje voor de leds naast de lens oplichten en er een stem uit de speaker schalt.

‘How can help please?’

‘Meneer Krechnick?’ zegt Leon.

‘You wait.’

We kijken elkaar aan en halen onze schouders op.

‘Voor wat is ‘t?’ kraakt het even later.

‘Meneer Krechnick? De burgerwacht van BruNorth. Kunnen we u even spreken?’

‘Burgerwacht? Daar heb ik geen tijd voor. Schiet op, wat is er?’

‘Het betreft uw dochter Ziva. Ze heeft op teamdag persoonlijke spullen van een andere pupil ontvreemd.’

‘Ziva? Wat is er met haar? Is ze allright? Spullen ontvreemd, zeg je? Daar geloof ik niets van. Waar gaat het over? Hebben jullie daar evidentie van? Shots, opnames?’

‘We komen u in eerste instantie melden dat er iets mis is. Dit is een poging tot gesprek.’

‘Gesprek? Heb ik maling aan. Hebben jullie niks beters te doen dan een schepen voor dergelijke pietluttigheden lastig te vallen? Ik zal jullie wat zeggen. De pot op met jullie onzin! Als jullie een probleem hebben, dien dan een klacht in op incident@civilconflicts.bru  zoals iedereen. Het recht moet zijn beloop kennen, de servers zullen beslissen.’

‘Kunt u ons even binnenlaten of tot hier komen, meneer Krechnick? Het praat wel makkelijker als we elkaar in de ogen kijken. We willen ook alleen maar een oplossing helpen vinden. Dit mogen we niet laten escaleren. Hallo? Hallo?’

De leds zijn in de loop van Leons betoog uitgefloept. Hij draait zich naar me toe en kijkt me gebelgd aan. ‘Ik sta hier in het luchtledige te praten. Die kerel hangt op midden in het gesprek. Het idee gewoon.’

‘Hier valt niks te rapen, Leon,’ zeg ik. ‘We zullen het anders moeten aanpakken. Het heeft geen zin je op te winden, dat is wat hij wil. Kom, we zijn weg.’

Het is voor het eerst dat ik een getrainde burgerwacht als Leon zo zie reageren. Normaal kunnen we hiermee overweg, maar deze keer stappen we uit ons lood weer op onze bike. We hadden ook weinig concreets in de hand. Vintage groene laarsjes, stel je voor.

Voorbij de bocht in de Bloemenlaan neem ik in de verte een gestalte waar. Op de een of andere manier oogt ze vertrouwd, ik heb ze al de hele dag voor mijn geestesoog. Het is een kind, haar fiets aan de hand. Mijn blik schiet naar beneden, naar haar schoenen. In het vage schijnsel lichten de sterren op haar laarsjes op. Het is Ziva, op weg naar huis.

‘Stop, Leon. Dat is Ziva daar, voor ons. Worden we hier door camera’s gedekt? Drones, andere security?’

‘Even checken. Ik zal het signaal maar verstoren, zeker? Wat gaan we doen?’

‘Dit is een buitenkans. Misschien is het not done, maar tegelijk is het de efficiëntste manier. Het kind zelf aanspreken, direct. Met alle risico’s vandien. Zo kunnen we ook de schade beperken. Dit is wat Moona zou moeten doen, maar zo krijgt ze wel haar laarsjes terug.’

‘Laat maar weer aan mij over, OK?’ zegt Leon.

Met onze bike aan de hand steken we de straat over. Ziva doet of ze ons niet gezien heeft en zeult met haar fiets. Ze wisselt van kant en schopt met een laars in een plas, zo te zien om de modder eraf te spoelen.

‘Lekke band, meisje?’ zegt Leon. ‘Kunnen we je helpen? Kan ik iemand voor je bellen?'

Ziva kijkt uitdagend naar hem op en knikt van nee.

‘Nu we je hier toch zien, beste meid, wil ik je iets vragen. Ziva heet je, is het niet? Wat heb je daar mooie laarsjes aan je voeten. Waar heb je die vandaan?’

‘Gewoon, daarnet gekocht in de Ahold,’ meesmuilt ze. ‘Mijn andere schoenen zijn druipnat. Is dat verboden?’

‘Kan niet,’ zeg ik. ‘Dat soort laarsjes dateert van tigtal jaar geleden. Die zijn nog van mijn vrouw geweest. Je hebt ze van Moona afgepakt, Ziva, ik zal er geen doekjes om winden.’

‘Ik heb ze van entertainet,’ zegt ze. ‘Mijn moeder heeft ze besteld op Vintagebay.’

‘Zullen we met je meegaan en je moeder vragen of dat klopt?’ zegt Leon.

‘Ze woont hier niet meer. Mijn ouders zijn uit elkaar, ze heeft ze laten opsturen.’

‘Daar geloof ik niks van. Geef op die laarzen, dan maak ik er geen zaak van. Je weet heus wat ik bedoel.’

‘Ik zou maar doen wat mijn collega zegt,’ zeg ik, mijn stem zacht en dwingend. Mijn personal dome doet haar pantser verder afbrokkelen. Ze is weer een dreumes, niet de helleveeg van dertien. Ik heb met haar te doen, ze heeft het moeilijk onder haar gespeelde ongenaakbaarheid.

‘Ze zijn van mij,’ piept ze nog, terwijl ze ostentatief met de laarsjes in een plas trapt.

‘Ze zijn van Moona en dat weet je best,’ zegt Leon. ‘Kom op, uittrekken. En rustig maar.’

‘Ik doe het niet,’ zegt ze, het grienen nabij nu.

‘Je doet het wel,’ zegt Leon en hij zet zijn fiets op zijn stut. ‘Kom, je gaat hier op de stoep zitten en je trekt ze uit. Zo simpel als wat, vooruit.’ En hij drukt Ziva nietig als een wezel op de stoep. Haar schouders, haar armen en haar benen geven mee als een rubberen pop.

‘Ik zal je een handje helpen,’ zegt Leon en hij trekt de laarzen van Ziva’s voeten. Ze geven mee, als waren het veel te grote muiltjes.

‘Dit zijn de laarsjes van een prinses,’ sis ik tegen haar. ‘Die komen jou niet toe.’

Ziva zit gebiologeerd op de stoep, haar voeten in een plas. Ze begint te klappertanden, de angst staat in haar ogen te lezen.

‘Ben je je tong kwijt? Dan weet je nu hoe het is als je iemands bestaan ontkent. Kijk uit, we weten je te vinden als we nog klachten over je horen. Dan zorgen we ervoor dat heel Pool weet wat voor iemand je bent.’

‘Als je het maar weet,’ zegt Leon. ‘Trek nu gauw je andere schoenen aan en ga naar huis. Als je Moona voortaan met rust laat, laten we het erbij. Anders...’

Ik prop de laarsjes in mijn fietstas met een dubbel gevoel. Aan de ene kant triomf, aan de andere kant argwaan. Het is niet anders.

‘Kom,’ zegt Leon. Met een laatste blik op Ziva stappen we op. We zetten subtiel druk op de pedalen, ook al willen we wegscheuren als een bloomer op een Harley.

‘Geen idee wat de gevolgen zijn, maar het was het beste wat we konden doen,’ zegt Leon na een poos. ‘In wetteloze tijden, bij gebrek aan een AI, mag Bruciety het heft in eigen handen nemen. Desnoods met een autoritaire gezagsdaad en met het dreigement van straf.’

‘Ik heb het gevoel dat Ziva begrepen heeft wat we hebben gezegd,’ zeg ik. ‘Ik denk niet dat ze haar imago van stoere meid bij haar vader wil zien uiteenvallen. Afwachten maar. We hebben in ieder geval Moona’s laarsjes terug.’

Licht euforisch peddelen we naar huis. De rit over de fietssnelweg langs het spoor verloopt in een zucht. Er is nauwelijks verkeer op de buitenring als we onder het viaduct door rijden. Als ik arriveer, zijn mijn gedachten tot rust gekomen. Maar er staat nog altijd een meetbare dome rondom mij.

  

Volgende week ontmoet Trom de laaglandgorilla van de Balim Tessa, die hem verder op weg helpt richting Geheime Vallei. Quint van zijn kant gaat Moona leren werken met haar stem, zodat ze een personal dome om zich heen kan zetten.

 

Auteursrecht bij SABAM - illustraties Inga Moijson - eigen foto's


Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.