Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

Ja, ik wil steunen

Sluit dit venster

about
Toon menu

Trom in de RUZ - afl 2

dinsdag 6 maart 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Trom in de RUZ is een literaire blog die in wekelijkse afleveringen op De Wereld Morgen verschijnt. Er zijn twee verhaallijnen: De opstand der dieren is een fabel over de met uitsterven bedreigde olifant, terwijl Red jezelf in Bruciety een beeld schetst van hoe onze wereld er in het jaar 2045 zou kunnen uitzien - zonder olifanten en misschien ook met een heel andere maatschappelijke ordening. De prognoses stemmen niet altijd even vrolijk, maar het verhaal blijft wel monter en onderhoudend. Vorige week maakten we kennis met babyolifant Trom en documan Quint Overberghe. In deze aflevering nemen we een kijkje in de olifantencrèche, maakt Moona een nieuwe vriendin in de diepklas en vernemen we ook wat de RUZ is.


De crèche

uit Nisja's log De Opstand der Dieren, 2016/2


In de kennel van de Kitosharanch zitten een twintigtal weesjes. Het is een hard jaar geweest, zegt Robert Taldis, de dierenarts die de opvang leidt. Ze hebben al meer dan tien babyolifanten van de stropers gered. Sommige liepen wezenloos over de savanne, andere zaten vast in een strik. Samen met die van vorig jaar zit de crèche meer dan vol.

Maita en Trom waren gek van angst toen ze arriveerden. Ze keurden de andere dieren die hen kwamen begroeten geen blik waardig. Zelfs Viv, de vrouw van dokter Taldis, kon ze niet bedaren. Na een tijdje in een box met een keeper kwamen ze eindelijk tot rust.

De regel is dat Edmund, Pierre en de andere oppassers elkaar 24/7 afwisselen, zodat de nieuwe protegé’s aan iedereen kunnen wennen. Voor de Kirim die in het park werken, is dat geen probleem. Ze hebben met andere ogen naar olifanten leren kijken en vinden wat ze doen een voorrecht. Na een poos lopen Maita en Trom overal achter ze aan. En ‘s nachts slapen ze op dezelfde mat. Het is een gedoe, dat slurfje dat de hele tijd naar je tast. Op gezette tijden staat het beest zelfs op voor een rondje door het hok. Maar je krijgt heel wat van ze terug.

‘Ik had geen idee dat olifanten zo emotioneel konden zijn,’ zegt Viv. ‘Het zijn sterke beesten, maar ze hebben zo’n klein hartje. Als ik een dip heb, komt Maita stilletjes en bezorgd bij mij hangen.’

‘En als we plezier maken, is Trom niet te houden,’ zegt Edmund. ‘Het zijn net mensen. Als hij boos is of als je te weinig aandacht voor hem hebt, keert hij je de nek toe. Voor je het weet, krijgt hij kuren.’

‘Het ergste is dat ik m’n vrouw niet meer zie,’ zegt dokter Taldis. ‘Zelfs het echtelijk bed wordt niet meer beslapen.’

‘Kom hier, grote beer van mij,’ sust Viv haar echtgenoot. Maita springt er meteen achteraan om haar slurf rond hen tweeën te draperen.

‘Pas op, ik stik,’ roept de dokter gesmoord, tot pret van de oppassers die een geschikt olifantenlied aanheffen:


Mijn naam is Maita,

mijn naam is Trom

noem mij geen mietje,

of ik leg je om


wij weesjes van Kitosha

zitten niet lang in de knel

we kennen als de beste

de regels van het nulsomspel


Maar klaar om de crèche te verlaten zijn de dikhuidjes nog niet. Over twee jaar verhuizen ze naar Taalu, een stuk verderop in het Tingatongapark. Daar bereiden ze zich langzaam voor op hun terugkeer naar het wild. Pas als ze zes jaar oud zijn blijven ze permanent buiten de omheining, om aansluiting te zoeken bij een kudde.

Daarom is het van het grootste belang dat het contact met mensen zo veel mogelijk beperkt blijft. Nieuwe weesjes worden overdag meteen bij hun soortgenoten gezet. Ze krijgen alleen nog om de zoveel uur de fles. In het begin knokken ze natuurlijk om als eerste aan de beurt te komen, maar geleidelijk treedt er discipline op en schuiven ze aan in de rij.

Gek hoe olifanten van kleins af een gevoel voor hiërarchie hebben. Niet dat je van een pikorde kunt spreken, maar elk jong zoekt wel liefde en steun bij een ouder dier. Trom is bijvoorbeeld niet weg te slaan van Kika, die hem onder haar hoede heeft genomen. Hij zal het nog moeilijk krijgen als haar tijd komt om de crèche te verlaten.

Een apart probleem vormt Wally, die een poot mist omdat hij op een dag in een strik gelopen is. Wally zal nooit het tempo kunnen volgen waarmee de rest naar de Kulyukie trekt.

‘Moet je zien hoe ze hem op sleeptouw nemen,’ zegt Viv. Haar hart breekt als de dieren een rij vormen en elkaars staart vastpakken met hun slurf. Wally strompelt zo goed en zo kwaad het gaat achter ze aan, maar na een paar tientallen meters verliest hij zijn prothese en moet hij terrein prijsgeven.

In het begin zijn er nog een paar die op hem wachten, maar algauw kelderen ze Wally’s verwachtingen om te zijn zoals de anderen. Hij is gedoemd om zijn leven op de Kitosharanch te slijten, als attractie voor toeristen. Het alternatief is een gewisse dood op de savanne.

 

Foute verwachtingen

Red Jezelf in Bruciety/2, september 2044


‘Er was een nieuw meisje in de diepklas,’ zegt Moona aan tafel. ‘Ziva heet ze. Ze houdt ook van dieren, ik heb haar meteen geduimd. Atika heeft me gevraagd haar wegwijs te maken.’

‘Top,’ zegt Diede. ‘Ziet ze er leuk uit?’

‘Ja, ze heeft net als ik zwart haar, ze is supersportief en ze wil alles van me weten over zingen en kleren. En over waar ik vandaan kom en mijn mooie bruine teint en zo.’

‘Zo te horen heb je een nieuwe vriendin,’ zeg ik - wat ik toejuich, want Moona is een stil kind. Een beetje onzeker, heel anders dan Brim.

‘Waar komt ze vandaan?’ zegt Diede.

‘Geen idee, van een andere school. Ze woont aan de overkant van Bruring, in de Airportwijk.’

‘Dat is Havenunieterrein. Wanneer zie je haar live?’

‘Morgen in de teamklas. Ik kan niet wachten, ik heb alles wat ze nodig heeft al geüploaded.’

Leuk dat de pupils zo met elkaar delen. Dat heeft ons adaptief onderwijs toch mooi voor elkaar. Iedereen zit op zijn kamertje thuis, met de hulp van een personal asimo die er een beetje de vaart in houdt, maar de beleving is holografisch, dus dat scheelt. Verder hebben ze een kringdag per week en twee halve dagen teamsport, dus er is ook gelegenheid tot close contact.

‘Wat vindt Ziva ervan dat de olifant in het wild bijna uitgestorven is?’ zegt Brim, zijn mond halfvol.

‘Dat heb ik haar niet gevraagd, suffie. Daar is nog tijd genoeg voor.’

‘Misschien denkt ze wel dat olifanten een bandje dragen.’

‘Pas op,’ zeg ik, ‘sommige hadden een transponder om hun nek. Wie weet wat deden ze daar allemaal mee.’

Ik vind het niet eens zo’n raar idee. Nisja vergrootte de dingen ook graag uit in haar verhaal.

‘Dat kan toch niet,’ zegt Moona. ‘Een olifant, op de savanne, met een samsam? Hallo, zeg.’

‘Je hoort het. Q. zegt dat het kan.’

Ik doe er nog een schepje bovenop. ‘Toen we in Afrika waren, was er een toerist in het Amboselipark die z’n spullen niet goed had opgeborgen. Het gevolg was dat er een stel babyolifanten inbrak in zijn tent. Een ervan diepte een mobieltje op uit zijn rugzak. Hij wist meteen hoe hij het ding moest aanzetten.’

‘Zie je wel,’ zegt Brim. Zelfs Moona luistert met rode oortjes.

‘Die zomer zijn er verschillende devices verdwenen uit het park,’ fantaseer ik verder. ‘Van die oude gps’en en tablets, vooral bij de dierenopvang, waar de meeste toeristen kwamen. Begonnen die olifanten verwoed berichten in te toetsen met hun slurf. Ze stuurden de hele tijd snips in het rond en ‘s avonds laadden ze hun toestel op met zo’n minigenerator die je aan moet zwengelen, weet je wel.’

‘Met hun slurf,’ giert Brim, stikkend in zijn hap. ‘Helemaal de prehistorie.’

‘Hé Q, je verzint maar wat,’ zegt Moona ongelovig. ‘Alsof er toen nog geen zonneladers waren. Trouwens, was er op de savanne wel bereik?’

‘Via de satelliet. Maar je hebt gelijk, olifanten hebben geen apparatuur nodig om te communiceren. Ze brengen infrasoon geluid voort dat mijlenver in de omtrek draagt. Zo waarschuwen ze elkaar dat ze eraan komen of dat er gevaar dreigt. Net als giraffen trouwens, wist je dat die naar elkaar zoemen?’

En zo kunnen we uren doorgaan. Dieren die praten en leven zoals mensen, het is vaak genoeg bedacht. In comics, daarvoor in sprookjes, of in de fabels van De La Fontaine. Orwell is de sterkste vertegenwoordiger van het genre, die heeft er een kritiek op zijn tijd mee geformuleerd.

Joris had zijn boeken in de kast staan toen ik jong was. Van die slappe grijze pockets, Penguins geloof ik, die vond ik wel leuk. Het bekendste was Big Brother, of nee, dat was geen boek, dat was een concept – het idee dat we allemaal in de gaten worden gehouden en strak in het rijtje moeten lopen. Tja, het is niet anders. G monopoliseert ook de wereldwijde structuur en zit verstrengeld in alles wat op menselijke activiteit lijkt.

Natuurlijk heb ik het netwerk van Lost Data geblockchaind en puzzelen ook de kids de idiootste geintjes met een zelfontwikkelde taal in elkaar. Stopfake leren ze sowieso op hun I, want op deepnet ben je nooit alleen. Dus ja, als schrijvers destijds waarschuwden voor een controlesamenleving, hadden ze het bij het rechte eind. Als ik zie hoe high Moona en Brim soms onder hun cap uit komen kijk ik ook even in de spiegel, of ik mezelf nog herken.

Ik ben blij voor de kids als ze naar hun wekelijkse kringdag kunnen. Het is aangetoond dat reallife contact belangrijk is om bepaalde vaardigheden aan te leren. Maar wat wil je, het onderricht is op wireless thuisles geënt. Bruciety kan zich maar zus & zoveel coaches permitteren, daar kun je niet omheen.

Zo is er ook geen budget om vervallen schoolgebouwen op te knappen, dus redden we ons met de RUZ, een communitycentrum van BruNorth. Er hoort een beschermde kerk bij het complex, daar gaan de sportklassen door. Het acroniem komt dan weer van een coöperatie uit de vorige eeuw, Redt U Zelven. Het klinkt retro, maar we kennen onze klassieken.

Magnus staat erop dat ik Moona en Brim begeleid als Diede haar ronde in de care doet. Maar het programmen gaat ze steeds makkelijker af, vooral Brim laat leuke spullen printen in het atelier. Toch is het voor Diede niet evident om te zien in wat voor een matrix haar kids lopen.

‘Stel je voor, Lies vertelde dat ze tachtig jaar geleden op houten banken zaten in de klas,’ zegt ze ‘s avonds laat bij een glaasje cider uit de indoorserres van de Farm.

‘Houten banken? Ik herinner me nog de verschaalde geur van krijt. Dan was je blij dat je naar buiten kon.’

‘Je hebt geen idee hoe ontevreden mijn passieven zijn,’ zegt Diede. ‘Jasmien van 88 uit de Kassei heeft kiekjes van streetview 2014 op een oude laptop. Het ding werkt nog, beetje traa-ag, maar de buurt is onherkenbaar. Er was nog landschap in die jaren, die ruimte is er niet meer.’

Mijn schoondochter is wijs voor haar jaren, wellicht door dat verval dagelijks om haar heen. Maar het is geven en nemen in Bruciety. Hoe meer je participeert, hoe meer punten je verzamelt voor je eigen oude dag. Zo bouwen we onze reserve op, voor als het onze beurt is.

‘Misschien kun je beter geen foute verwachtingen creëren bij de kids met die uitgestorven dieren van Nisja,’ zegt ze onverwacht. ‘Daar slapen ze alleen maar slecht van.’

‘Meen je dat, Diede?’ zeg ik geschrokken. ‘Het is toch gewoon maar een verhaal? Ze mogen er nieuwe dingen bij verzinnen, verbeelding is een gave die hen te pas komt bij elk algoritme dat ze schrijven.’

Maar haar verzuchting laat me niet los. Lothar Verelst en ik zijn voor Lost Data een vintage serie aan het samenstellen, die Masters & Disasters heet. Een historisch overzicht, met specialisten als Kostas Kyriakou, Olga Sanchez en nog een paar andere personality’s als centrale figuur. Het kantelpunt is 1945. We zijn honderd jaar verder, tijd om te zien of de verwachtingen zo’n beetje uitgekomen zijn.

De reeks haalt conflicten op die nauwelijks veertig jaar geleden gebeurd zijn en die zelfs ik al vergeten was. Zoals de kredietcrisis, de strijd om water, de EMP battles of de alt-wars. Ik heb de hulp ingeroepen van mijn vader, die heeft het zoveel bewuster meegemaakt. Hij mag dan al negentig zijn, hij is nog bij de pinken. Ik doe alles om niet naar de gaskamer afgevoerd te worden, grapt hij dan.

Ik zie hem niet zo vaak, Joris. De magneettrein naar de Reserve is aan de dure kant. Het contact verloopt hoofdzakelijk in de daluren, als er verbinding is. Een I vindt hij te patserig en bovendien niet privé genoeg, terwijl hij toch altijd van gadgets gehouden heeft. Zijn uitleg is kostelijk. Het is te duur voor wat het is, zegt hij. ‘Die set die ik ooit met een webcam en wat little bits in elkaar geknutseld heb doet het nog altijd. Nieuwe technologie creëert verwachtingen die zelden uitkomen.’

Volgende week aflevering 3, waarin de weesolifanten het nulsomspel leren, waarin Brim een bedenkelijke game ontwerpt en waarin de avatar van Magnus - de vader van Moona en Brim - een satellietcall maakt.

Auteursrecht bij SABAM / illustraties Inga Moijson / eigen foto's 

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.