Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

Ja, ik wil steunen

Sluit dit venster

about
Toon menu

Trom in de RUZ - afl 1

dinsdag 27 februari 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.


Trom in de RUZ 1

Trom in de RUZ is een brok factfiction die ik als wekelijks vervolgverhaal op De Wereld Morgen uitrol. Concreet bestaat het boek uit twee blogs die naadloos in  elkaar grijpen. De eerste, De opstand der dieren, is een fabel over de anno 2016 met uitsterven bedreigde olifant. De tegenhanger, Red jezelf in Bruciety, blikt vooruit naar hoe onze wereld er "morgen" zou kunnen uitzien - meer bepaald in het jaar 2045. Mijn toekomstprognoses stemmen tot nadenken, maar het verhaal blijft wel altijd monter en onderhoudend. Maak dus elke woensdag een moment vrij voor het vervolg op DWM, zo'n dertig weken aan een stuk, tot en met de spectaculaire apotheose. Dit is aflevering 1, waarin we kennismaken met de babyolifant Trom en waarin documan Quint Overberghe zich voorstelt.

 

De savanne

uit Nisja's log De Opstand der Dieren, 2016/1


Aan de rand van het Tingatongapark, niet ver van het Daktabos, lokken stropers een stel olifanten in een hinderlaag. Het groepje bestaat uit zeven vrouwtjes, die zich pas onlangs van de grotere kudde hebben afgescheiden. Ze hebben twee kalfjes mee en zijn onderweg naar Kirungo, een traject dat deel uitmaakt van hun jaarlijkse migratie. 

Het eerste schot treft Bella, de leidster, als een zwaar zoemend insect. Ze richt zich op, heft haar slurf en rent op haar belager af. Het tweede schot velt haar nog voor ze hem kan bereiken.

Ze zakt door haar knieën en valt op haar zij, maar ze voelt geen pijn, gewoon het leven dat uit haar wegvliedt, een soort ijlheid die overgaat in een bewegingsloze stroom opwaarts. Daarna breken haar ogen.

De rest van het gezelschap stuift in paniek uit elkaar, maar loopt evengoed in de handen van de stropers. Een voor een zijgen de volwassen dieren neer. De twee kleinsten, Trom en Maita, porren in de romp van hun moeder, tot ze in een net worden weggesleurd.

De president van Malambi, Zeus Mashalaba, kijkt steevast de andere kant op bij strafbare feiten als deze. Het reservaat is hem een doorn in het oog, want het staat de expansie van de hoofdstad in de weg. Mugwana stelt zich kandidaat voor de Globale Spelen, de eerste op Afrikaanse bodem. Buurland de Oost-Afrikaanse Republiek heeft wel sterkere hardlopers, maar de rijzige Kirim uit Malambi behoren tot de beste hoogspringers ter wereld. Daarom wil papa Zeus een stuk van het park inlijven voor de bouw van een Globaal Dorp, dat moet verrijzen naast het gloednieuwe stadion van de stad.

Diep in zijn hart wil hij komaf maken met al dat dierengedoe, dan komt er ook meer grond vrij voor akkerbouw en industrie. De Kirim hebben het volgens hem gehad met de veehouderij. Maar met al die ngo’s voor mensen- en dierenrechten kan hij de natuurreservaten uit de koloniale tijd niet zomaar opdoeken. Bovendien investeert China, ter compensatie voor de geothermische centrales die ze bouwen, in de bescherming van het vulkanische gebied. Papa Zeus zit aan handen en voeten gebonden, dus moet hij het wel hebben van illegale praktijken.

Als de rebellen van Bozo de slagtanden van de oudere olifanten hebben afgezaagd, drijven ze Trom en Maita in een geïmproviseerde kraal. Daar staan de twee kalfjes, in de schroeiende zon, te wachten tot Bozo’s jongste zonen hun krijgskunsten op hen komen oefenen. Maar de parkwacht arriveert vroeger dan verwacht, zodat de bende haar buit in de steek moet laten. De Wildlife Service van Bitembe, dertig lokale agenten onder leiding van een voormalige huurling, is geroutineerd in dit soort opdrachten.

‘Mijn mannen zijn overtuigd van hun zaak,’ zegt de bekeerde vechtersbaas. ‘De hele streek gaat gebukt onder de terreur. In Erendewoke en Arelai heeft Bozo onlangs nog meer dan honderd kindsoldaten ingelijfd. Daarbij vergeleken is het lot van een paar mini-olifanten onbeduidend, maar dat betekent niet dat we niet moeten optreden.’

De parkwachters weten dat als het zo doorgaat er over een tiental jaar geen savanneolifanten meer zijn. Toegewijd brengen ze Trom en Maita naar de airstrip van Mburi, waar de Cessna van de mobiele veterinaire unit hen staat op te wachten. Een voor een worden de kleintjes naar de centrale opvang van het park overgevlogen.

‘Ze hebben geluk gehad,' zegt een oude vrouw uit het nabijgelegen Symfala, dat bijna verlaten is sinds de rebellen er hebben huisgehouden. ‘Vorig jaar liepen hier ook een paar jonge olifanten rond. Ze waren op zoek naar de tepel van hun moeder, maar die lag ginder te rotten. Ze hadden in geen dagen gedronken.’ 

De vrouw wijst met haar kin naar de savanne, dezelfde plek waar de nieuwste slachting heeft plaatsgevonden. Net als Bella, die aan haar maalkiezen te zien ergens in de twintig was, zijn de slachtoffers nog allemaal jonge dieren. Haar beste vriendin Sally had haar eerste kalfje gehad, de overige koeien waren gemiddeld maar vijftien jaar oud.

Olifanten blijven lang bij hun moeder, zeker de wijfjes. Maar op een gegeven moment wordt de kudde te groot en splitsen ze zich op. Zo is het ook gegaan met de groep van Bella. Ze miste de ervaring van een matriarch als Mater, die in deze droogte uit de buurt van het Daktabos zou zijn gebleven. Maar ze had haar hongerige gezellinnen gunstig willen stemmen en zo zijn ze in de val gelopen.

Al bij al is het voor Trom en Maita goed afgelopen en staan ze nu bij te komen in de crèche van Kitosha. De ranch is een met stevige boomstammen omgorde nederzetting die aansluit op de Kulyukie, een riviertje dat in het regenseizoen het hoofdkamp van het park bevoorraadt. Op het ogenblik staat er geen water in de geul, maar dat is hen een zorg. Als het duister intreedt, leidt een opzichter ze in een kooi. Toegedekt onder een dekentje vallen ze in slaap om zwaar ademend, hun slurf opgerold tot een spiraal, te dromen van betere tijden.

 

Lost Data

Red Jezelf in Bruciety 1, september 2044


‘Stop. Eventjes hernemen, Quint,’ zegt Lothar door de com. ‘Op 25:36. Wissel de klemtoon op tweede set tanden, hetzelfde op zes jaar. De rest zit goed.’

Ik schik mijn headset terwijl ik vaag in de verte de klanksporen hoor terugflitsen. De studio van de oude omroep laat geen ander geluid binnen. Door het glas zie ik Lothar met iemand praten, maar ik versta ze niet.

Ik schud mijn bandje: ‘Problemen, Lothar?’ Ik moet even op het antwoord wachten, maar ik heb geduld. Voor mij is een break in een geluidsdichte ruimte geen verloren tijd. Wat ademhalingsoefeningen komen altijd te pas: vier tellen in, vier tellen vol, vier tellen uit, vier tellen leeg.

Bij een opname in dit gebouw zie ik ook altijd het verleden aan mij voorbijtrekken. De houdbaarheid van een goede vertelstem is beperkt. Voor de meeste voice-overs is het beste er na een paar seizoenen af, maar ik heb geluk gehad. Het komt aan op doseren en jezelf casten.

Spotjes en animatiefilms, daarmee ben ik in de jaren nul begonnen. De baldadige misdadiger, daar word ik soms nog voor gevraagd. Tussendoor maakte ik reportages met streeknieuws - een mooi opstapje naar het beeldjournaal, dat toen nog lineair was. Maar na de zoveelste wissel was ik opgebrand als freelance news editor.

Mijn vader Joris, die stemregisseur was, had me voor zijn VUT al natuur- en infodocu’s laten inspreken. Van dat geschnabbel heb ik toen een poos mijn hoofdactiviteit gemaakt, anders hadden Nisja en ik het nooit gered. Nog goed dat we in het ouderlijk huis konden trekken toen mijn ouders naar zee verkasten. Magnus was tien, geen huur meer hoeven te betalen scheelde toen al.

In de kelder heb ik de docutheek van Lost Data ondergebracht. Op de servers sluimeren massale hoeveelheden exabytes met slow stuff, allemaal producties van weleer. Natuur, politiek, historisch, cultureel, alles wat het systeem kon streamen of downloaden heb ik bewaard. In de jaren na de postfeitelijke omwenteling bleek het een goudmijn.

Ik moet zeggen, het is Joris die ermee begon. Let op, zei hij, dit archief is het analoge, digitale en virtuele geheugen van de mensheid. Het gaat allemaal verloren: reallife sowieso, maar ook papier, doek, steen, ideeën. De bibliotheken en musea zullen sluiten, de resten van de tweestromenlandcultuur zijn nu al opgeruimd. Zorg alleen dat je tijdig back-upt op een nieuwe drager, dan zit je safe.

Mijn vader was niet de enige die videofiles kopieerde en bijhield. Alles ogenschijnlijk legaal, hij deed zijn voorbereiding nu eenmaal liever in hoge resolutie. Hij tapte de beelden af bij bewerking, soms al direct na aankomst op de server. Het werd een automatisme: na een poos deed hij zoals iedereen en gapte de bestanden op het diepnet. Gewoon voor de gein, alles wat interesssant leek, dan had je alvast je materiaal als je ermee aan de slag moest.

Na de datacrash, toen de cloud ontplofte en de Tube werd gewist, bleken zijn woorden profetisch. Vrijwel niemand had een back-up van hoe het vroeger was. Met de ijskappen die verder slinken, steeds meer diersoorten die het afleggen en wereldreizen die onbetaalbaar geworden zijn, wordt er gevochten voor dat materiaal. Dus zet ik zijn werk voort en fris de zwik op volgens de huidige smaak & stijl.

Lost Data bestaat uit een netwerk van deskundigen uit heel Bruciety. Een collectief van writers, wetenschappers, factcheckers en ICT’ers die hun diensten aanbieden in een gekrompen wereld. Met open funding uiteraard, want we zijn het geweten van de crowd. Onze doelgroep wil weten wat was en wat komen zal. Degelijk infotainment is in tijden van livestream en non-events een schaars goed.

Behalve bestanden aanleveren, redactiewerk en interviews afnemen doe ik pre- en postproductie. Ik werk met spraakmanipulatie. Met een bank vol stemmensamples en tunedots bereik ik iedereen die een vertaalimplant bezit. De neurofonische interface werkt in op ingesproken tekst, elke scène krijgt zijn lading met aparte klankkleuren, boventonen en subsonische frequenties. Daar is niets nieuws aan, nanochips sturen gewoon hersengolven aan.

We leven meer dan ooit in het nieuwe Babel, maar af en toe is er nog een opdrachtgever die mijn natuurlijke stem verkiest. Op een grafiek werd ze ooit ingedeeld bij warm, betrouwbaar en bindend, al heb ik ook lange tijd in de kolommen van avontuurlijk en meerwaardig gestaan.

Nu is rust mijn handelsmerk, net alsof ik een acteur ben die het van het kleinste effect moet hebben. Misschien gaat het over het zwart tussen de woorden. De juiste pauzes kiezen en daar absolute stilte in acht nemen, zodat er een fundament onder je stem komt te liggen. Zo krijgt de user het idee dat er buiten hem en mij om niemand anders is.

Oudere klanten weten het te appreciëren, er blijven genoeg bloomers over die een comment pushen. Ik vind het amusant, het is een dankbaar publiek. Ook al zijn ze op sterven na dood, ze vertegenwoordigen een stabiele markt. Bij elke generatiewissel (en ik heb er wel drie meegemaakt) zaten snuiters die dweepten met slow stuff. Hele trajecten geschoten met een dashcam, van die dingen. Intussen is Lost Data een van de betere aanbieders in EuNorth.

Nu Nisja er niet meer is, Magnus de meeste tijd in Afrika zit en Diede elke avond doodop thuiskomt van de care, vang ik de kinderen op. Ik ben dol op Brim en Moona, maar het is niet evident, tijdelijk opperhoofd spelen van een samengesteld gezin. Meestal respecteren ze mijn werkatmosfeer en maken ze hun eigen wildlifegames, maar soms jengelen ze me de oren van de kop. Hé Q, hoe zat dat weer met die razende olifant? zeggen ze dan. Is het echt zo warm in Afrika? En kon Nisja ook de leeuwen aaien?

Ik wil ze de illusie niet ontnemen door te zeggen dat ik maar achter een sensescherm zit of in een geluidsdichte cabine. Dat het al heel lang geleden is dat ik met hun oma in Afrika was. Maar zolang hun vader er niet is, treed ik op als gids. Ik bundel mijn kennis over extincte soorten als de olifant en de gorilla en lees ze voor uit de blog die Nisja schreef toen Magnus acht werd.

Natuurlijk willen ze niet alleen dode beesten zien passeren, ergens willen ze ook ankeren. Na een paar uur diepklas hebben ze behoefte aan close contact, dat zit er bij de jongsten weer helemaal in. Ik wil ze niet te veel belasten, de wereld is al moeilijk genoeg. Maar als ik die grote kinderogen zie focussen, weet ik dat het goed zit. Met tien en twaalf, bijna dertien zijn ze nog gretig. Plus het is een gelegenheid om mijn stem op hen uit te testen, ik registreer waar hun aandacht verslapt.

‘Klaar, daar gaan we weer.’ Lothar schudt me wakker door de com. ‘We proberen deze keer af te ronden zonder opnieuw te crashen. Vanaf 25:36, als zijn tweede set tanden uitvalt is de olifant gemiddeld zes jaar oud. Klaar, Quint?’

‘OK. Als ze tien jaar zijn, worden de mannetjes te druk en verlaten ze de kudde. Starten maar.’

 

Volgende week aflevering 2, waarin we een bezoek brengen aan de olifantencrèche, waarin Moona, de kleindochter van Quint, in het open online onderwijs een nieuwe vriendin maakt en waarin u verneemt wat de RUZ is.

Auteursrecht bij SABAM / illustraties Inga Moijson / eigen foto's

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.